Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1823

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
C/08/263029 / KG ZA 21-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen willen hun samenwerking in de VOF beëindigen. Zij verschillen van mening over de wijze waarop dit dient te gebeuren. Partijen twisten onder meer over de vragen welke partij één of meer bepalingen van de de VOF-akte heeft overtreden dan wel niet of niet behoorlijk is nagekomen. Partijen hebben de aan de vorderingen ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd betwist.. Kort geding procedure leent zich niet voor nader onderzoek

Vorderingen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/263029 / KG ZA 21-61

Vonnis in kort geding van 28 april 2021

in de zaak van

[eiseres] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. M. Inan te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. M.D. Ubbink te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 maart 2021 met 18 producties,

  • -

    de brief van de zijde van [eiseres] van 29 maart 2021 met één productie;

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde] met 14 producties,

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 30 maart 2021,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota, tevens houdende akte eis in reconventie, van [gedaagde] , ter griffie ingekomen op 29 maart 2021.

1.2.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Bij brieven van 12 april 2021 hebben partijen alsnog om vonnis verzocht. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is [beroep] en is in 2018 als huidtherapeute afgestudeerd. Zij is daarna gaan werken bij een huidkliniek in [plaats] . [gedaagde] is [beroep] .

2.2.

Partijen zijn bij onderhandse akte1, hierna te noemen de VOF-akte, op 1 april 2019 een vennootschap onder firma aangegaan, met de naam [naam vof] VOF, verder te noemen de VOF, waarbij in artikel 3 is bepaald dat dit minimaal voor de duur van 10 jaar zou zijn.

2.3.

In artikel 4 van de VOF-akte is bepaald dat door elke vennoot wordt ingebracht zijn kennis, arbeid en vlijt, relaties en vergunningen. Beide partijen zouden daarnaast € 10.000,-- inbrengen en door [gedaagde] werd het huurrecht van het pand aan [het adres] te [woonplaats] ingebracht. Nu [eiseres] van het bedrag van € 10.000,-- slechts € 8.000,-- heeft ingebracht, hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] het verschil van € 2.000,-- als onttrekking mocht opnemen. [eiseres] heeft de naam [naam vof] en bijbehorende social media accounts ingebracht.

2.4.

In artikel 7 van de VOF-akte is bepaald dat partijen de werkzaamheden in onderling overleg regelen. Bij de oprichting is uitgegaan van een arbeidsinzet van [eiseres] van 16 uur per week en van [gedaagde] van 8 uur per week, gelet op het feit dat beide partijen daarnaast nog een andere baan hadden. [eiseres] heeft per 18 juli 2020 haar baan bij de huidkliniek in [plaats] opgezegd om volledig voor de VOF te gaan werken.

2.5.

In artikel 10 van de VOF-akte zijn partijen overeengekomen dat zij gelijkelijk delen in de winsten en verliezen van de VOF en in artikel 11 is bepaald dat iedere vennoot als voorschot op zijn winstaandeel maandelijks voor privégebruik een bedrag uit de kas van de vennootschap mag opnemen van € 500,--. Partijen zijn geen arbeidsbeloning overeengekomen.

2.6.

In artikel 14 van de VOF-akte is bepaald dat de vennootschap eindigt door opzegging door één van de vennoten na 1 april 2029, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 2. Eén van de andere mogelijkheden waarop de vennootschap is eindigt is ‘indien één van de vennoten zijn recht op onmiddellijke ontbinding van de vennootschap inroept vanwege het feit dat de andere vennoot één of meer van de bepalingen van deze overeenkomst niet nakomt of niet behoorlijk nakomt’ (artikel 14, 5e aandachtspunt
VOF-akte).

2.7.

Artikel 15 van de VOF-akte handelt over de vereffening, waarbij in lid 1 is bepaald dat indien de vennootschap eindigt door opzegging, haar zaken zo spoedig mogelijk door de vennoten zullen worden vereffend, tenzij het bedrijf wordt voorgezet op de manier zoals vermeld in artikel 16.

2.8.

In lid 1 van artikel 16 van de VOF-akte is bepaald dat de vennoot, bij wie niet de oorzaak van het einde van de vennootschap is gelegen, bevoegd is de onderneming van de vennootschap dan wel alleen dan wel met anderen voort te zetten, respectievelijk van diens erfgenamen en rechtverkrijgenden te verlangen, dat deze er toe medewerken, dat de onderneming en het vermogen van de vennootschap aan eerstgenoemde vennoot wordt toebedeeld, met verrekening wegens overbedeling conform het bepaalde in artikel 15.

2.9.

In artikel 17 van de VOF-akte is bepaald dat geen van de vennoten bevoegd is tijdens de duur van de vennootschap en het eerste jaar na beëindiging van de vennootschap bij een andere soortgelijke onderneming werkzaam te zijn of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, behoudens schriftelijke toestemming van de andere vennoot, bij overtreding waarvan een direct opeisbare boete verschuldigd wordt.

2.10.

[eiseres] heeft per e-mail van haar advocaat van 22 februari 2021 ‘de onmiddellijke ontbinding (lees: onmiddellijke opzegging)’ van de VOF ingeroepen per 28 februari 2021, zulks met een beroep op artikel 14, 5e aandachtspunt van de VOF-akte.

2.11.

[gedaagde] heeft bij brief van zijn advocaat van 25 maart 2021 eveneens de ‘onmiddellijke ontbinding’ van de vennootschap ingeroepen, althans deze opgezegd per 1 april 2021, eveneens met een beroep op artikel 14, 5e aandachtspunt van de VOF-akte.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert -samengevat- om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen 2 dagen na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, [eiseres] met ingang van 1 april 2021, althans een in goede justitie te bepalen datum, in staat te stellen en te laten om vanuit de VOF de onderneming te exploiteren totdat zal zijn bevestigd dat de vennootschapsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd of zal zijn beëindigd, hetzij door onherroepelijk vonnis van de rechtbank, hetzij met wederzijds goedvinden door partijen zelf;
II. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het in de VOF-akte onder artikel 17 overeengekomen concurrentiebeding door zich te onthouden van het aanbieden van met de activiteiten van de VOF overeenstemmende of soortgelijke/concurrerende activiteiten al dan niet via een andere (rechts)persoon, zulks onder verbeurte van de in artikel 17 genoemde boete, subsidiair onder oplegging van een dwangsom;
III. te bepalen dat [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] wordt belast met het dagelijks bestuur c.q. de dagelijkse leiding van de VOF tot het moment dat de vennootschapsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, hetzij door onherroepelijk vonnis van de rechtbank, hetzij met wederzijds goedvinden door partijen zelf;
IV. aan [eiseres] een arbeidsbeloning toe te kennen met ingang van 1 juli 2020 althans met ingang van 1 oktober 2020, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, welke arbeidsbeloning in mindering strekt op de winst van de VOF in enig boekjaar, waarna hetgeen resteert als winst gelijkelijk op basis van 50/50 zal worden verdeeld;
V. subsidiair, te weten indien één of meer van de onder I, II, en III gevraagde voorzieningen niet toegewezen worden, [eiseres] uit het non-concurrentiebeding van artikel 17 van de VOF-akte te ontheffen, dan wel dit beding jegens haar te schorsen tot het moment dat de VOF rechtsgeldig is beëindigd, hetzij door onherroepelijk vonnis van de rechtbank, hetzij met wederzijds goedvinden door partijen zelf en aan [eiseres] toe te staan binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis, vanuit een nieuwe eigen eenmanszaak met gebruikmaking van de naam [naam vof] , de bijbehorende website en andere social media accounts en al hetgeen daartoe nog meer behoort zoals klanten, administratie, software en alle activa en passiva, de bedrijfsactiviteiten van de VOF voor eigen rekening en risico voort te zetten, zonder dat [eiseres] daartoe enige vergoeding is verschuldigd behoudens hetgeen zij aan [gedaagde] is verschuldigd op grond van de vereffening van de VOF;
VI. meer subsidiair en voor alle ingestelde vorderingen (een) door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening(en) te treffen;
VII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt -samengevat- aan haar vorderingen ten grondslag dat de VOF-akte is opgesteld tegen de achtergrond dat partijen alle vertrouwen in elkaar hadden, een affectieve relatie hadden, [eiseres] de papieren had, partijen met eigen middelen de onderneming hebben gefinancierd en dat het de intentie was om de VOF kleinschalig op te starten, nu beide partijen nog een andere baan hadden. De taakverdeling tussen partijen was dat [eiseres] de afspraken met klanten maakt, de klanten behandelt, de administratieve afwikkeling van de behandelingen doet, de inkoop voor de kliniek doet en de behandelruimte schoonmaakt. [gedaagde] is de ‘allround manager achter de schermen’. Hij maakt en beheert de website, hij post berichten op social media en als klanten zich via hem melden voor een afspraak, plant hij ze in. [gedaagde] beheert de debiteurendaministratie. Toen [gedaagde] in december 2019 meldde dat hij al zes maanden een vriendin had stortte de privé en zakelijke wereld van [eiseres] in elkaar. Vanaf december 2019 tot de zomer 2020 hebben partijen geprobeerd naar oplossingen te zoeken. Na de eerste lockdown is [eiseres] veel meer uren gaan draaien en is de verhouding tussen partijen verder verslechterd, waarbij partijen meermaals (slaande) ruzie en woordenwisselingen hebben gehad. [gedaagde] deed en doet nagenoeg niets. Sinds augustus 2020 is [gedaagde] niet of nauwelijks meer op de kliniek geweest. Vanaf het begin heeft [eiseres] verzocht de premie van een voor haar af te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekering ten laste van de VOF te laten komen, maar weigerde [gedaagde] daarvoor goedkeuring te geven. Evenmin wilde [gedaagde] bewilligen in een arbeidsbeloning voor [eiseres] . Sinds september 2020 heeft [eiseres] getracht om in overleg met [gedaagde] te komen tot overname van zijn aandeel in de VOF. Eind 2020 heeft [eiseres] aangekondigd in dit kader een bodemprocedure te zullen starten. Sinds februari 2021 komt [gedaagde] gevraagd en ongevraagd op de kliniek en laat hij weten zelf de onderneming te willen overnemen.
Nu [gedaagde] heeft verzuimd zijn werkzaamheden uit te voeren waartoe hij op grond van de VOF-akte was gehouden, veelvuldig niet bereikbaar was zonder opgaaf van redenen en [eiseres] niet heeft waargenomen tijdens ziekte, heeft [eiseres] op 22 februari 2021 met een beroep op artikel 14, 5e aandachtspunt juncto artikel 7 van de VOF-akte de ‘onmiddellijke ontbinding van de VOF’ per 28 februari 2021 ingeroepen. Dat betekent dat [eiseres] op grond van artikel 16 van de VOF-akte gerechtigd is de onderneming voort te zetten per 1 maart 2021, dat de onderneming en het vermogen van de vennootschap aan haar zullen moeten worden toebedeeld tegen in een bodemprocedure te bepalen prijs. [gedaagde] weigert evenwel te vertrekken, terwijl hij geen belang heeft bij voortzetting van de VOF. De door [gedaagde] geuite wens om de VOF over te nemen is tardief.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert -samengevat- om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[eiseres] te veroordelen om binnen 2 dagen na het in deze te wijzen vonnis alle medewerking aan [gedaagde] te verlenen die benodigd is om hem in staat te stellen vanuit de VOF, althans op andere wijze, de onderneming verder te exploiteren, in afwachting van de uitkomst van een door [eiseres] te starten bodemprocedure ter volledige beëindiging en vereffening van de VOF, met veroordeling van [eiseres] om zich te onthouden van:
- elke ongevraagde bemoeienis met de bedrijfsvoering van [gedaagde] ;
- het op enigerlei wijze actief (doen) benaderen van (in het actuele klantenbestand van de VOF voorkomende) klanten van de VOF;
- het overtreden van het bepaalde in artikel 17 van de VOF-akte, althans van het (doen) verrichten van elke (mogelijk) concurrerende bedrijfsactiviteit binnen het grondgebied van de gemeente [woonplaats] ;
- enige andere handeling -zoals het doen van negatieve uitlatingen jegens derden- die ten nadele van [gedaagde] en/of de VOF zou kunnen strekken,
op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans enige andere door de voorzieningenrechter te bepalen ordemaatregel, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde] legt -samengevat- aan zijn vorderingen ten grondslag dat van meet af aan duidelijk was dat zijn inzet en aanwezigheid, zolang hij als [beroep] werkzaam zou blijven, minder zou kunnen zijn dan die van [eiseres] . Dat de twee vennoten -ondanks zakelijke gelijkwaardigheid en een gelijk winstaandeel- een ongelijke ureninzet leveren is niet ongebruikelijk en onredelijk, nu [gedaagde] met jaren meer levens- en werkervaring over veel nuttige commerciële kennis en vaardigheden beschikte die [eiseres] niet had. Partijen hebben nooit heldere afspraken gemaakt over de onderlinge taakverdeling en de inzet van [gedaagde] is aanzienlijk en vergelijkbaar met die van [eiseres] , één periode uitgezonderd, waarin [gedaagde] door toedoen van [eiseres] weinig heeft gewerkt. In die periode heeft [eiseres] [gedaagde] de toegang tot de kliniek belet en hem verbaal en fysiek gewelddadig bejegend. In de startfase van de onderneming heeft [gedaagde] veruit de meeste tijd en energie besteed aan het ‘in de markt zetten’ van de onderneming. Zo heeft [gedaagde] bedrijfsruimte geregeld, die toebehoorde aan een zwager van [gedaagde] , een gebruiksvergunning geregeld, de huisstijl/branding/website en marketing vervaardigd en geregeld. Verder houdt [gedaagde] zich bezig met planning, facturatie, debiteurenbeheer en ook met het opzetten en afbreken, opruimen en schoonmaken van de praktijkruimten, evenals baliewerk/klantencontact en dergelijke. Ten onrechte ontkent [eiseres] deze inzet en inspanningen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft zich binnen redelijk te achten grenzen voldoende ingespannen om de samenwerking te laten slagen en betwist zich onvoldoende coöperatief te hebben opgesteld. Hij heeft zich voldoende van zijn verplichtingen en taken gekweten en steeds meegewerkt aan pogingen problemen in onderling overleg op te lossen. Voor zover al geoordeeld zou worden dat hij artikel 7 van de VOF-akte of enige andere bepaling uit deze akte niet voldoende heeft nageleefd, is hem dat niet verwijtbaar, althans in redelijkheid onvoldoende voor opzegging. Op zijn beurt meent [gedaagde] dat [eiseres] artikel 7 van de VOF-akte wel verwijtbaar en in ernstige mate heeft overtreden. Het is [eiseres] , die contractuele afspraken niet is nagekomen en [gedaagde] heeft belet zijn deel van de overeengekomen samenwerking uit te oefenen. Daarom heeft de advocaat van [gedaagde] bij brief van 25 maart 2021 namens hem de ontbinding/opzegging ingeroepen per 1 april 2021 en de rechtsgeldigheid van de opzegging van [eiseres] betwist. [gedaagde] maakt tijdig aanspraak op de bevoegdheid ex artikel 16 van de VOF-akte tot voorzetting van de onderneming en heeft daarbij ook een overwegend belang, nu de corona-crisis ertoe heeft geleid dat [gedaagde] al een jaar werkloos is, zonder inkomen en dat zijn toekomstperspectief onzeker is geworden, terwijl [eiseres] als ervaren huidtherapeut eenvoudig elders werk zal kunnen vinden. Het moge zo zijn dat [eiseres] de naam ‘ [naam vof] ’ gebruikte voor een blog en voor een Facebook account, bij de start van de onderneming heeft zij ermee ingestemd dat dit voortaan de handelsnaam van de VOF zou zijn, waarop [gedaagde] als gelijkwaardig medegerechtigde aanspraak maakt op voortzetting van het gebruik daarvan.

4.3.

[eiseres] voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

De voorzieningenrechter zal de geschillen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk behandelen, nu deze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

5.2.

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [eiseres] en [gedaagde] het erover eens zijn dat zij hun samenwerking in de VOF willen beëindigen. Zij verschillen echter van mening over de wijze waarop dit dient te gebeuren.

5.3.

[eiseres] heeft per e-mail van 22 februari 2021 de buitengerechtelijke ontbinding van de VOF ingeroepen per 28 februari 2021, zulks met een beroep op artikel 14, 5e aandachtspunt van de VOF-akte. [eiseres] stelt de onmiddellijke ontbinding van de VOF te hebben ingeroepen, omdat [gedaagde] heeft verzuimd zijn werkzaamheden uit te voeren waartoe hij op grond van de VOF-akte was gehouden, veelvuldig niet bereikbaar was zonder opgaaf van redenen en [eiseres] niet heeft waargenomen tijdens ziekte. [eiseres] stelt dat zij op grond van artikel 16 van de VOF-akte gerechtigd is de onderneming voort te zetten per 1 maart 2021, dat de onderneming en het vermogen van de vennootschap aan haar zullen moeten worden toebedeeld tegen in een bodemprocedure te bepalen prijs.

5.4.

[gedaagde] heeft de daaraan door [eiseres] ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd betwist. Door [gedaagde] is gesteld dat [eiseres] het hem onmogelijk heeft gemaakt zijn werkzaamheden als vennoot in/voor de kliniek uit te kunnen voeren, waarmee zij hun samenwerking feitelijk onmogelijk heeft gemaakt. Op zijn beurt stelt [gedaagde] dat [eiseres] daarmee artikel 7 van de VOF-akte verwijtbaar en in ernstige mate heeft overtreden. [gedaagde] heeft daarop bij brief van zijn advocaat van 25 maart 2021 de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap ingeroepen, althans deze opgezegd per 1 april 2021, eveneens met een beroep op artikel 14, 5e aandachtspunt van de VOF-akte. Ook [gedaagde] maakt in deze procedure in kort geding aanspraak op voortzetting van de onderneming van de VOF, met uitsluiting van [eiseres] . Hoewel [eiseres] heeft erkend [gedaagde] te hebben geslagen en te hebben uitgescholden, waarvoor zij spijt heeft betuigd, heeft zij gesteld hiertoe door [gedaagde] te zijn gedreven. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat ontbinding door [gedaagde] , gelet op haar eerdere ontbinding, tardief is.

5.5.

Partijen twisten onder meer over de vragen welke partij één of meer bepalingen van de VOF-akte heeft overtreden, dan wel niet of niet behoorlijk is nagekomen, aan welke partij aldus het recht op ‘onmiddellijke ontbinding’ van de vennootschap, als bedoeld in artikel 14, 5e aandachtspunt van de VOF-akte toekomt en welke partij de onderneming van de VOF als eenmanszaak mag voortzetten na ontbinding van de VOF. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vragen, hieronder begrepen de vraag of opzegging door [gedaagde] tardief is, in kort geding niet zijn te beantwoorden, nu partijen over en weer de aan de vorderingen ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd hebben betwist. Op voorhand kan de (on)juistheid van de stellingen van partijen niet louter uit de door hen overgelegde stukken worden afgeleid. Om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter nader feitenonderzoek, eventueel met bewijslevering, nodig. Zoals de voorzieningenrechter reeds ter zitting aan de orde heeft gesteld, leent een kort geding procedure zich niet voor nader onderzoek. Uit het verhandelde ter zitting en uit de overgelegde stukken is wel gebleken dat partijen niet meer met elkaar wensen samen te werken en dat de samenwerking op de een of andere manier zal moeten worden beëindigd. Dat is de reden geweest dat de voorzieningenrechter de beslissing voor twee weken heeft aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen op dit punt alsnog een regeling in der minne te treffen, nu de voorzieningenrechter uit de overgelegde correspondentie tussen de advocaten van partijen heeft afgeleid dat partijen elkaar reeds behoorlijk waren genaderd. Inmiddels is gebleken dat geen regeling in der minne tot stand is gekomen.

5.6.

Indien beide partijen de wens hebben de onderneming als eenmanszaak voort te zetten, zal dit via de weg van de ontbinding van de VOF bij de bodemrechter moeten plaatsvinden. Totdat hierop zal zijn beslist, dan wel totdat partijen hierover andersluidende afspraken hebben gemaakt, blijft de VOF-akte, inclusief het in artikel 17 opgenomen concurrentiebeding tussen partijen gelden. Dat betekent dat de vorderingen in conventie onder I., II., III. en V. en de vorderingen in reconventie reeds gelet op het vorenstaande zullen worden afgewezen. Evenmin is gebleken van een zodanige spoedeisendheid dat een voorlopige voorziening als gevorderd noodzakelijk of gerechtvaardigd is. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat partijen al sinds december 2019 met elkaar in gesprek zijn over hun samenwerking, dat [eiseres] reeds eind 2020 heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen entameren, doch hiertoe tot op heden niet is overgegaan en uit de als productie 17 bij dagvaarding overgelegde conceptjaarcijfers van de VOF over 2020 blijkt dat het bedrijfsresultaat een behoorlijke stijging heeft laten zien ten opzichte van het jaar 2019, ondanks de gerezen problemen tussen partijen.

5.7.

Het in conventie onder IV. en VI. gevorderde is door [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, in die zin dat wordt gevorderd de arbeidsbeloning voorlopig toe te kennen en ten laste te brengen van de winst, zonder dat [eiseres] over de arbeidsbeloning kan beschikken totdat in een bodemprocedure hierop is beslist. [gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd, waarvan het meest verstrekkende verweer is dat geen enkel spoedeisend belang aan deze vordering ten grondslag is gelegd. [gedaagde] heeft onbetwist heeft gesteld dat partijen al geruime tijd een maandelijkse onttrekking van € 1.250,-- per maand ontvangen en dat [eiseres] ermee heeft ingestemd om de positieve nettowinst over het boekjaar 2019 geheel ‘in de zaak te laten’, waarmee [gedaagde] ervan uitgaat dat [eiseres] de uitkomst van de bodemprocedure ook in dit verband kan afwachten. De voorzieningenrechter is tot het oordeel gekomen dat [eiseres] er niet in is geslaagd haar spoedeisendheid bij deze vordering aannemelijk te maken, te meer nu zij geen daadwerkelijke voorschotbetaling verlangt, maar eigenlijk een reservering ten laste van de winst vastgelegd wil zien. Voor zover [eiseres] hiermee bedoelt enige verklaring van recht te vragen, overweegt de voorzieningenrechter dat de kort gedingprocedure niet in die mogelijkheid voorziet. En hoewel [eiseres] in het dictum geen bedragen noemt, is volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding bovendien terughoudendheid geboden. Zo zal met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moeten zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen, hetgeen thans niet voldoende aannemelijk is geworden. Ook de vorderingen in conventie onder IV. en VI. zullen derhalve worden afgewezen.

5.8.

Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6
6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.

1 Productie 1 bij dagvaarding