Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1779

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
08/760058-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 33-jarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden met een proeftijd van 3 jaar voor brandstichting in een woning en een poging daartoe in Zwolle. Hiermee bracht hij de bewoners en zijn honden in gevaar. Een van de honden raakte hierbij blind en overleed aan de gevolgen van de brandstichting. Naast de voorwaardelijke gevangenisstraf moet hij een schadevergoeding betalen van bijna 9.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760058-19 (P)

Datum vonnis: 29 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende en ingeschreven in FPC (Forensisch Psychiatrisch Centrum) Dr. S. van Mesdag, Helperplein 2 te 9722 AZ Groningen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 november 2020 en 15 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.E.B. Rasing en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen bij twee woningen molotovcocktails (brandbommen) heeft aangestoken en door de ruit heeft gegooid of geprobeerd heeft te gooien.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 29 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand

heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, in/aan een pand

(woning), gelegen aan de [adres 1] ,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

een molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare

vloeistof/brandbaar gas, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open

vuur, en/of

(vervolgens) die molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een

brandbare vloeistof/brandbaar gas, door de ruit(en) voor voornoemd pand

gegooid, althans naar/in de richting van het pand gegooid

ten gevolge waarvan een of meer ruiten en/of een of meer muren en/of een of

meer meubels in de woning en/of een hond geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde woning aanwezige goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen, te duchten was

en/of

levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in

nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het

door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk in/aan een pand (woning),

gelegen aan de [adres 2] ,

brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, met dat opzet

een of meer stenen, althans een of meer harde voorwerpen, door de ruiten van

voornoemd pand heeft gegooid en/of (vervolgens) een molotovcocktail, althans

een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft

aangestoken, althans in aanraking heeft gebracht met open vuur,

en daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen op/aan dat perceel, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen

en/of

levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in voornoemd

pand en/of nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen

en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen welke

woonachtig waren in voornoemd pand en/of nabijgelegen/aangrenzende

panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat het bewijs tegen verdachte in de kern bestaat uit de verklaringen van drie personen, waarop wat betreft de betrouwbaarheid veel valt af te dingen, terwijl enig technisch bewijs tegen verdachte ontbreekt. Volgens de verdediging kan uit de vermeende rol van verdachte ook niet worden afgeleid dat sprake is geweest van medeplegen, omdat het bewijs voor een gezamenlijke uitvoering ontbreekt, terwijl ook niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking op grond van een materiële en/of intellectuele bijdrage van verdachte die van voldoende gewicht is geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Inleiding

Vast staat dat in de avond van 29 maart 2019 omstreeks 23.30 uur brand is gesticht in en bij de woning van [aangever 1] aan de [adres 1] . Er zijn eerst stenen en vervolgens brandende molotovcocktails (brandbommen) door of tegen de ruit(en) van die woning gegooid. Ook staat vast dat in de daaropvolgende avond van 30 maart 2019 omstreeks 20.55 uur een poging is gedaan om brand te stichten in of bij de woning van [aangever 2] aan de [adres 2] . Ook daar zijn eerst stenen naar de woning gegooid. Daarna zijn molotovcocktails aangestoken. De dader heeft één van de brandende molotovcocktails op de oprit van die woning gegooid, in de richting van mensen die op hem kwamen afgerend.

Tijdens het opsporingsonderzoek is de verdenking gerezen dat verdachte betrokken is geweest bij deze feiten. Verdachte heeft elke betrokkenheid ontkend en heeft zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en de inhoudelijke behandeling van de zaak de navolgende feiten en omstandigheden vast.

4.3.2

Aangiftes van [aangever 1] (feit 1) en [aangever 2] (feit 2)

[aangever 1] heeft op 29 maart 2019 en 31 maart 2019 aangifte gedaan van de brandstichting in zijn woning aan de [adres 1] op 29 maart 2019 omstreeks 23.30 uur, waarbij aanzienlijke materiële schade is ontstaan en waarbij één van zijn honden brandwonden heeft opgelopen en blind is geworden.2

[aangever 2] (de vader van [aangever 1] ) heeft op 30 maart 2019 aangifte gedaan van (poging tot) brandstichting in zijn woning aan de [adres 2] . Hij hoorde op 30 maart 2019 omstreeks 20.55 uur een doffe klap bij/tegen het raam aan de voorzijde van zijn op de eerste verdieping gelegen woning. Nadat aangever de trap was afgelopen en de voordeur had geopend, zag hij dat de oprit vóór de woning in brand stond. Hij zag meerdere brandhaarden en ook op straat waren meerdere brandhaarden.3

4.3.3

Forensisch onderzoek en gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Brandstichting woning [adres 1]

Uit het forensisch onderzoeksrapport volgt dat de brand in de woning aan de [adres 1] is ontstaan doordat in ieder geval één brandende molotovcocktail op de overloop was beland, nadat de ruiten van de voorgevel waren ingegooid met keien. Daarnaast was brand ontstaan bij de voorgevel en op het balkon van de woning. Zonder optreden van de brandweer had de brand zich kunnen uitbreiden naar de daarachter gelegen slaapkamers. Ten tijde van de brand lag de bewoonster van de aangrenzende woning op nummer [huisnummer] in bed. Er was bij de brand dus levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De brand heeft schade veroorzaakt aan het in- en exterieur van de woning. Zonder inzet van de hulpdiensten had de brand zich verder kunnen ontwikkelen, waarbij grotere schade aan de woning en de naastgelegen woningen te verwachten was geweest. Er was dus ook gemeen gevaar voor goederen te duchten als bedoeld in artikel 157 Sr.4

Poging brandstichting woning [adres 2]

Uit de verklaringen van aangevers [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] volgt onder meer dat zij hebben gezien dat een man twee of drie stenen tegen de woning van de [adres 2] heeft gegooid en dat diezelfde man daarna twee brandende flessen oppakte. Nadat zij naar hem hadden geschreeuwd en op hem afrenden gooide diezelfde man de twee brandende flessen in hun richting, waarop de flessen vlak voor hen op de grond stukvielen en er een vuur ontstond.5

Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) heeft daarover verklaard dat hij de brandende flessen op de grond gooide om ervoor te zorgen dat ze niet achter hem aan kwamen.6

Uit het verrichte forensisch onderzoek blijkt dat de vloeistof, die in een op
30 maart 2019 op het trottoir ter hoogte van de woning [adres 2] aangetroffen (nog intacte) fles zat, een ontbrandbare vloeistof is die hoofdzakelijk bestaat uit motorbenzine.7

4.3.4

Verklaring medeverdachte [medeverdachte]

heeft tegenover de politie erkend dat hij betrokken is geweest bij beide brandstichtingen.

Ten aanzien van de brandstichting aan de [adres 1] (feit 1) heeft [medeverdachte] in zijn verhoor van 2 augustus 2019 onder meer verklaard dat hij voor een opdrachtgever, wiens naam hij niet wil noemen, drie molotovcocktails heeft gemaakt en dat hij die molotovcocktails daarna heeft afgeleverd bij de opdrachtgever. Voorafgaande aan die brandstichting was hij met de opdrachtgever langs de woning aan de [adres 1] gereden en had de opdrachtgever hem verteld wat hij van plan was. [medeverdachte] heeft geweigerd die brandstichting uit te voeren, omdat het om een heel huis ging. Van de opdrachtgever hoorde hij daarna telefonisch dat de opdrachtgever die brandstichting zelf had gedaan.8

Ten aanzien van de poging tot brandstichting aan de [adres 2] (feit 2) heeft [medeverdachte] onder meer verklaard dat hij op zaterdag 30 maart 2019 telefonisch opdracht had gekregen om vijf molotovcocktails te maken en brand te stichten. Toen [medeverdachte] dit weigerde, werd de opdrachtgever boos en kortaf en zei hij dat hij het adres zou doorsturen en dat het toen moest gebeuren. Hij zou [medeverdachte] bellen over hoe laat, om 21.00 uur. Een half uur van te voren kreeg [medeverdachte] de definitieve opdracht dat hij er echt naar toe moest gaan. [medeverdachte] is daarop richting de Aa-landen gefietst. Nadat [medeverdachte] tevergeefs heeft geprobeerd zijn opdrachtgever via snapchat te bellen werd hij teruggebeld en zei zijn opdrachtgever dat hij de molotovcocktails moest maken en een steen en een molotovcocktail door de ruiten van het huis naar binnen moest gooien. Zijn opdrachtgever schreeuwde dat het moest gebeuren en dat hij voor zichzelf een alibi had geregeld. [medeverdachte] heeft vervolgens achter een flat in de omgeving drie molotovcocktails gemaakt en is daarna naar de woning aan de [adres 2] gefietst. Daar heeft hij twee van de drie flessen aangestoken. Van zijn opdrachtgever moest hij een steen en een molotovcocktail door de ruiten van de woning naar binnen gooien. [medeverdachte] heeft twee van de drie molotovcocktails aangestoken, de stenen uit zijn vest gepakt en die stenen richting het raam van de woonkamer en de keuken gegooid, maar die misten hun doel door de kreten van mensen die naar buiten waren gekomen. Daarop heeft [medeverdachte] de twee brandende molotovcocktails op de grond gegooid richting de mensen, die inmiddels op hem kwamen afgerend.9

[medeverdachte] heeft op 2 augustus 2019 tegenover de politie verklaard dat:

- hij op 30 maart 2019 telefonisch van de opdrachtgever had gehoord dat hij, de opdrachtgever, nu zelf niet mee kon, omdat hij op 29 maart al zelf brand had gesticht en het anders heel opvallend zou worden;

- hij de opdrachtgever op vrijdag 29 maart 2019 rond 17.00 uur, terwijl ze bij zijn opdrachtgever thuis waren, drie molotovcocktails heeft gegeven en dat alleen de opdrachtgever daarbij aanwezig was;10

- hij de stenen en de flessen bij de opdrachtgever had gebracht;11

- hij na de poging tot brandstichting aan de [adres 2] met zijn opdrachtgever heeft gebeld, heeft gezegd dat het was mislukt en dat hij opgehaald moest worden en dat opdrachtgever in reactie daarop iemand zou sturen;12

- hij na de poging tot brandstichting aan de [adres 2] is opgehaald met een auto en uiteindelijk naar het huis van zijn opdrachtgever is gegaan;13

- hij die avond van de tweede brandstichting om 21.30 uur is opgehaald door [naam 1] (hierna: [naam 1] );14

-hij niet wil zeggen dat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) de opdrachtgever is, maar dat [naam 1] wel tussen hem en [verdachte] in zat (nadat door de politie aan [medeverdachte] is voorgehouden dat [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft verklaard dat [naam 1] de contactpersoon was tussen hem en [verdachte] );15

-hij (nadat aan hem door de politie was voorgehouden dat [getuige] had verklaard dat [verdachte] voor zich zichzelf bewust alibi’s zou hebben geregeld op de dagen van de brandstichtingen) heeft verklaard: “Bewust alibi’s, dat ik 30 maart inderdaad geweten.”;16

-dat hij niet weet waarom het zo was, maar dat het allemaal vanuit zijn kant kwam.17

4.3.5

Verklaringen van [getuige] en [naam 1]

[getuige] heeft op 17 mei 2019 tegenover de politie onder meer verklaard dat zij erachter kwam dat [medeverdachte] was aangehouden voor de twee brandstichtingen en aan [verdachte] heeft gevraagd hoe het zat, waarop [verdachte] haar vertelde dat hij aan [medeverdachte] de opdracht heeft gegeven om de twee brandstichtingen te plegen, en dat hij zelf een alibi had gecreëerd. Op 29 maart 2019 was [verdachte] rond het tijdstip van de brandstichting naar de ouders van [getuige] gegaan en op 30 maart 2019 was [verdachte] rond het tijdstip van de brandstichting geld gaan pinnen, terwijl [verdachte] nooit geld pint.

Ze had het idee dat [naam 1] meer op de hoogte was, aangezien [naam 1] de tussenpersoon was van [medeverdachte] en [verdachte] . [verdachte] communiceerde bewust niet met [medeverdachte] , omdat hij weet hoe de politie te werk gaat.18

Op 19 juli 2019 is [getuige] nader gehoord door de politie en heeft zij voornoemde verklaring gehandhaafd. Aanvullend heeft zij verklaard dat ze al wel door had gehad, dat [verdachte] en [naam 1] plannen aan het maken waren om iets te doen, maar niet wist wat ze precies gingen doen. Alles werd via de telefoon van [naam 1] geregeld. Achteraf was [medeverdachte] ook aanwezig bij het maken van deze plannen. [getuige] wist toen alleen niet hoe hij heette en wie hij precies was. [medeverdachte] kwam daar wel over de vloer, hij had ook in het huis geslapen. [medeverdachte] was de loopjongen van [verdachte] .19

[naam 1] heeft op 2 augustus 2019 tegenover de politie onder meer verklaard dat zij op de dag van de eerste brandstichting door verdachte is gevraagd of zij [medeverdachte] wilde bellen of hij naar verdachte en [getuige] toe wilde komen. Later op de avond/nacht zei [getuige] tegen [naam 1] : “Moet je kijken op 112 Zwolle” waarop zij een artikel liet zien dat er een brandbom bij [aangever 1] naar binnen was gegooid. Direct daarna hoorde [naam 1] van [verdachte] dat [medeverdachte] de brandbom naar binnen heeft gegooid en dat [verdachte] de opdracht daarvoor aan [medeverdachte] heeft gegeven.

[naam 1] heeft verder verklaard dat zij de volgende avond omstreeks 20:45 uur is gebeld door [verdachte] dat zij [medeverdachte] moest ophalen, die volgens [verdachte] ruzie had gehad en achterna werd gezeten. Nadat [naam 1] via Whatsapp van [verdachte] had gehoord waar zij [medeverdachte] moest ophalen, heeft zij [medeverdachte] met haar auto opgepikt in de Aa-landen. Zij rook bij [medeverdachte] een sterke benzinelucht, waarna [medeverdachte] haar vertelde dat hij een brandbom naar binnen had gegooid, maar dat dit was mislukt en dat hij door buren of zo achterna was gereden. [naam 1] heeft [medeverdachte] daarna afgezet bij [verdachte] en [getuige] thuis.

[naam 1] heeft verder verklaard dat [verdachte] haar de opdracht heeft gegeven haar telefoon te resetten, omdat ze contact had gehad met [medeverdachte] . Ook moest ze van [verdachte] de telefoon wegmoffelen bij haar aanhouding. [naam 1] heeft de telefoon aan haar moeder gegeven, nadat de politie bij haar ouders aan de deur was geweest om [verdachte] aan te houden. [verdachte] was bang dat er dingen in stonden waar hij door in de problemen kon komen.20

4.3.6

Betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen

De rechtbank stelt vast dat voornoemde verklaringen van [medeverdachte] , [getuige] en [naam 1] overeenkomen op essentiële onderdelen, op elkaar aansluiten en ook elkaar aanvullen.

De rechtbank heeft op grond daarvan en ook anderszins geen redenen om te twijfelen aan de brouwbaarheid van voornoemde verklaringen. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat deze verklaringen, anders dan door de verdediging is betoogd, als betrouwbaar zijn aan te merken. Dat [getuige] bij haar nader verhoor door de rechter-commissaris op 11 maart 2021 heeft verklaard dat zij niet meer weet wat zij eerder tegenover de politie heeft verklaard, doet aan de betrouwbaarheid van haar eerdere verklaring(en) niet af.

4.3.7

De overige redengevende feiten en omstandigheden

Telefonisch contact van verdachte met [aangever 1] op 30 maart 2019 om 14:27 en 14:32 uur

Op 30 maart 2019 omstreeks 21:35 uur heeft [aangever 1] telefonisch aan de politie gemeld dat hij op 30 maart 2019 tussen 14:20 en 14:40 uur is gebeld door het nummer [telefoonnummer 1] , dat hij herkende als het telefoonnummer van [verdachte] . [verdachte] zou telefonisch de volgende bedreigingen hebben geuit: “Ik maak jou dood” en “Ik maak jouw vader dood”. De broer van [aangever 1] heeft aan verbalisant [verbalisant 1] vervolgens een door [aangever 1] doorgezonden app getoond met een screenshot van de telefoonoproep door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .21

De oorzaak van het conflict met [verdachte] is volgens [aangever 1] dat [verdachte] samenwoont met de moeder van de dochter van [aangever 1] en dat [aangever 1] een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. [verdachte] was daar heel boos over, wat in grote lijnen is bevestigd door [naam 1] haar verklaring op 2 augustus 2019. Daaruit volgt dat [verdachte] ook een motief had voor het veroorzaken van de branden.22

Bevindingen ten aanzien van de gebruikte flessen voor de molotovcocktails

Uit het opsporingsonderzoek volgt dat bij zowel de brandstichting in de woning aan de [adres 1] als de poging tot brandstichting aan de [adres 2] flessen zijn gebruikt van het merk Meestersap.23

[medeverdachte] heeft daarover verklaard dat hij op 30 maart 2019 voor het maken van de molotovcocktails anderhalve literflesjes met een perengoedje erin heeft gekocht bij Albert Heijn. 24

Onderzoek historische telefoongegevens

Onderzoek mobiele telefoon [medeverdachte] :

Uit onderzoek van de mobiele telefoon met nummer [telefoonnummer 2] dat in gebruik was bij [medeverdachte] blijkt onder meer dat:

- dit telefoonnummer na de brandstichting aan de [adres 1] op 29 maart 2019 te 23:45:34 uur is gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer 3] dat op naam staat van [naam 1] ;

- dit nummer op 29 maart 2019 vlak daarna ook een sms-bericht heeft ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] .25

[medeverdachte] heeft verklaard de enige gebruiker te zijn van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .26

Onderzoek mobiele telefoon [naam 1] :

Uit onderzoek van de mobiele telefoon met nummer [telefoonnummer 3] dat in gebruik was bij [naam 1] blijkt onder meer dat:

- er op 29 maart 2019 rond 20:30 uur meerdere malen telefonisch is geweest met het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat in gebruik was bij [verdachte] ;

- de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] op 29 maart om 23:45:34 uur heeft gebeld met het mobiele nummer [telefoonnummer 2] op naam van [medeverdachte] en, nadat er niet werd opgenomen, een voicemailbericht heeft ingesproken en om 23:45:46 uur een sms-bericht heeft gezonden naar het telefoonnummer van [medeverdachte] ;

- op 30 maart 2019 in de uren voorafgaande aan de poging tot brandstichting aan de [adres 2] meerdere malen telefonisch contact is geweest met het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat in gebruik was bij [verdachte] .

Onderzoek mobiele telefoon [getuige] :

Uit onderzoek van de mobiele telefoon van [getuige] (een onder haar op 20 mei 2019

inbeslaggenomen iPhone A1778) blijkt onder meer dat:

  • -

    [verdachte] (na eerdere chats met [getuige] over de brand bij [aangever 1] ) op 2 april 2019 in een chat zegt: “Maak je niet zo druk. We hebben allebei een alibi. Dus ze kunnen niks. Wij zijn daar niet geweest. Geen DNA. Niks.”;

  • -

    op 11 april 2019 sms-berichten over en weer worden gestuurd tussen [getuige] en [verdachte] , waarin [getuige] onder meer meedeelt:

“Nu ga ik [medeverdachte] helpen”

“Ik heb alles van jou en [medeverdachte] aan screenshots sukkel”

“Ik ga ze alles van die kankerbrand laten lezen”;

- in een op 2 april 2019 opgenomen geluidsbestand te horen is dat [verdachte] zegt: “Je weet toch ook wat die kankerkind verklaard heb? Dus ze gaan sowieso een link naar mij wijzen. Dat gaan ze nu zoeken en als jij die kankerfout maakt om op het bureau iets, iets en een andere ding te vertellen dan gaan ze mij pakken”.27

Onderzoek mobiele telefoon [verdachte] :

Uit onderzoek van de mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] , die in gebruik is geweest bij verdachte, blijkt onder meer dat:

-

- er op 30 maart 2019 om 11:36 uur, 13:45 uur, 14:37 uur, 16:58 uur, 17:15 uur en 19:29 uur en 03:12 uur contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] dat in gebruik was bij [naam 1] .

Opgenomen telefoongesprek tussen [verdachte] en [naam 1] op 10 april 2019:

Op 10 april 2019 omstreeks 10:27 uur, kort na de aanhouding van [medeverdachte] zegt [verdachte] in een telefoongesprek met [naam 1] tegen haar: “Dus hij zit sowieso vast. Dus dit wordt kankerhoofdpijn” en: “Je moet die kankertelefoon resetten want die kankermongool heeft zijn telefoon toch niet weggegooid?”28

Wegmoffelen telefoon door [naam 1]

Uit de door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bekeken camerabeelden van het Esso-tankstation aan de A-50 tussen Apeldoorn en Zwolle die zijn opgenomen op 23 juli 2019 blijkt onder meer dat een persoon die door verbalisanten is herkend als [naam 1] op 23 juli 2019 omstreeks 07:08 uur in het tankstation een witte mobiele telefoon toeschuift naar haar tevens in het tankstation aanwezige moeder.29

4.3.8

Conclusie rechtbank

De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die (mede) verantwoordelijk is voor beide brandstichtingen. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt een duidelijk plan om bij de woning van [aangever 1] - en nadien bij zijn vader- brand te stichten door middel van het gooien van molotovcocktails. Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat verdachte, door [medeverdachte] telkens aangeduid als ‘de opdrachtgever’, hem met dat doel heeft benaderd. [medeverdachte] heeft met dat doel de bewuste molotovcocktails gemaakt. [medeverdachte] heeft vervolgens bekend de tweede brandstichting ook daadwerkelijk in opdracht van verdachte te hebben gepleegd.. Dat niet vastgesteld heeft kunnen worden of verdachte, dan wel iemand anders bij de eerste brandstichting de bewuste molotovcocktails heeft gegooid, doet aan de voor het medeplegen vereiste van een bewuste en nauwe samenwerking niet af. De rechtbank acht de intellectuele en sturende bijdrage van verdachte van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat verdachte de hem verweten feiten heeft gepleegd door de omstandigheid dat aangever [aangever 1] op 31 maart 2019 tegenover de politie heeft verklaard dat hij de dag ervoor om 14:32 uur en iets daarvoor door [verdachte] is gebeld en [verdachte] daarbij [aangever 1] en zijn vader met de dood heeft bedreigd. Uit de verklaring van [aangever 1] aangaande de oorzaak van het conflict met [verdachte] , waarover overeenkomstig is verklaard door [naam 1] , volgt dat verdachte ook een mogelijk motief had voor de brandstichtingen.

Gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Gelet op de onder 4.3.3. vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat zowel bij de brandstichting in de woning aan de [adres 1] als bij de poging tot brandstichting in de woning aan de [adres 2] levensgevaar voor één of meer personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was als bedoeld in artikel 157 Sr.

Opzet

Het gooien met een brandende molotovcocktail door de ruit van een woning is naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvormen gericht op en geschikt voor het veroorzaken van brand. De kans op verdere uitbreiding van de brand in de woning aan [adres 1] was, zonder ingrijpen door de brandweer, naar algemene ervaringsregels zeer aanmerkelijk te achten.

De rechtbank is ten aanzien van de poging tot brandstichting aan de [adres 2] van oordeel dat hier sprake is geweest van een begin van uitvoering, omdat de feitelijke gedragingen van [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden beschouwd als reeds in voldoende concrete mate te zijn gericht op de voltooiing van de door hem voorgenomen brandstichting van de woning, temeer daar verdachte hem de opdracht had gegeven om eerst stenen door de ruiten van de woning te gooien en vervolgens de brandende molotovcocktails in de woning te gooien. Kenmerkend voor het gebruik van een molotovcocktail is bovendien het onvoorspelbare karakter van de brand die als gevolg van dat gebruik ontstaat. Onder deze omstandigheden heeft verdachte (en [medeverdachte] ) telkens in voorwaardelijke zin opzet gehad op brandstichting.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde en in de voetnoten bedoelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 maart 2019 te Zwolle tezamen en in vereniging opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (woning),

gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte of zijn mededader toen aldaar opzettelijk molotovcocktails aangestoken, en vervolgens die molotovcocktails, tegen en door de ruit

van voornoemd pand gegooid, ten gevolge waarvan ruiten en muren en meubels in de woning en een hond geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde woning aanwezige goederen te duchten was

en

levensgevaar voor een of meer personen, welke woonachtig waren in

nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was;

2.

hij op 30 maart 2019 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering

van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk in/aan een pand (woning),

gelegen aan de [adres 2] , brand te stichten, met dat opzet stenen, tegen voornoemd pand

heeft gegooid en vervolgens molotovcocktails heeft aangestoken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen op/aan dat perceel,

en

levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in voornoemd

pand en/of nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval levensgevaar voor

anderen

en

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen welke woonachtig waren

in voornoemd pand en/of nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen en voor anderen,

te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 juncto de artikelen 45 en 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen

te duchten is en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2:

het misdrijf:

Medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft - kort samengevat - meegedeeld af te zien van het vorderen van een - op grond van de ernst van de feiten - aangewezen geachte langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, om de huidige behandeling van verdachte in het kader van de uitvoering van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet te onderbreken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om, ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, de strafeis van de officier van justitie te volgen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een woning en aan een poging tot opzettelijke brandstichting in een woning. Daardoor is telkens levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen ontstaan, en gemeen gevaar voor goederen, wat zich ook heeft verwezenlijkt in aanzienlijke schade in de woning aan de [adres 1] en de daar aanwezig inboedel. Ten gevolge van die brandstichting heeft één van de honden van [aangever 1] brandwonden opgelopen, is de hond blind geworden en is de hond korte tijd later aan de gevolgen van het opgelopen letsel overleden.

De handelwijze van verdachte is zonder meer zeer kwalijk, temeer nu sprake lijkt te zijn geweest van een welbewuste actie van verdachte vanwege een vermeend conflict tussen hem en [aangever 1] . Verdachte is zeer berekend te werk gegaan en heeft de feitelijke voorbereiding en uitvoering van de brandstichtingen aan een ander opgedragen, die niet tegen de druk van verdachte bestand was. Ook heeft hij een vriendin ingeschakeld om de feitelijke brandstichter te helpen toen die op de vlucht was voor de politie. Op die manier heeft verdachte anderen vuile handen laten maken zodat hij zelf buiten het beeld van de politie bleef.

Het behoeft geen toelichting dat opzettelijke brandstichting dan wel een poging daartoe in een woning grote schrik en onrust heeft veroorzaakt bij de bewoner maar ook schrik en onrust teweeg brengt in de directe omgeving. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen dan ook zwaar aan. Zonder het daadkrachtig ingrijpen door de brandweer bij de brand in de woning aan de [adres 1] hadden de gevolgen veel ernstiger kunnen zijn. Dat geldt ook voor de poging tot brandstichting in de woning aan de [adres 2] , waar de gevolgen enkel en alleen beperkt zijn gebleven dankzij het ingrijpen door buren, waardoor [medeverdachte] belet werd om de brandstichting te voltooien.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 17 maart 2021. Daaruit en uit de tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen informatie blijkt onder meer dat:

- bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2015 aan verdachte een gevangenisstraf van 619 dagen, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is opgelegd, ter zake van poging tot doodslag;

- bij beslissing van deze rechtbank van 14 november 2019 alsnog de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is bevolen;

- bij beslissing van 21 januari 2021 de maatregel van terbeschikkingstelling is verlengd met twee jaar;

- tegen voornoemde beslissing hoger beroep is ingesteld door verdachte.

Verdachte verblijft in het kader van de uitvoering van voornoemde maatregel van terbeschikkingstelling thans in FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen.

De rechtbank acht, gelet op de aard ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, oplegging van een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer aangewezen. Bij brandstichting geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden.

De rechtbank dient in haar afwegingen te betrekken dat de uitvoering van een langdurige gevangenisstraf het huidige behandeltraject van verdachte in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal onderbreken.

De rechtbank is, alles afwegende, met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uitvoering van een langdurige gevangenisstraf onder de huidige omstandigheden niet in het belang van verdachte moet worden geacht en evenmin in het belang van de maatschappij. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de gevangenisstraf die zij in dit geval passend en geboden acht, te weten een gevangenisstraf van 48 maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, op te leggen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1)

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdéénentachtig euro en zevenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten dierenarts € 608,99;

- kosten nieuwe hond € 865,00;

- nieuwe vloer € 1.199,20;

- inboedel € 1.250,00

- matras € 649,00;

- buitensirene € 99,00;

- wasmachine € 510,57.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en daarbij verzocht verdachte hoofdelijk te veroordelen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op grond van de bepleite vrijspraak primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.

De raadsman heeft subsidiair - ingeval van een bewezenverklaring - geconcludeerd dat de vordering toewijsbaar is, waarbij hij zich wat betreft de gevorderde materiële schade inzake de gevolgen van de brandstichting voor de (nadien overleden) hond heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Materiële schade

De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van
€ 5.181,76, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Daarnaast is aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft concreet onderbouwd aangevoerd dat de gebeurtenissen een grote impact hebben gehad op zijn persoonlijk leven. Ook dit is niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in dit geval het oogmerk heeft gehad om jegens de benadeelde partij ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen in de zin van artikel 6:106, lid 1, aanhef en sub a van het Burgerlijk Wetboek. Verdachte heeft vanwege een onderling conflict met de benadeelde partij de woning van de benadeelde partij in brand gestoken. Als gevolg daarvan heeft één van zijn honden ernstige brandwonden opgelopen, waaraan het dier later is overleden. De hond heeft veel voor de benadeelde partij betekend. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 3.500,- aan de benadeelde partij toewijzen, omdat zij dat bedrag billijk acht.

8.5

Motivering van de hoofdelijkheid

De rechtbank is ambtshalve bekend met het vonnis van 3 december 2020 tegen [medeverdachte] . De rechtbank stelt vast dat verdachte deze strafbare feiten samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. De verzochte hoofdelijkheid zal daarom worden toegewezen.

8.6

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 ten laste gelegde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2:

het misdrijf:

Medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

:

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1) van een bedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdéénentachtig euro en zevenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 29 maart 2019 tot aan de dag van volledige betaling, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdeenentachtig euro en zevenenzestig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 29 maart 2019 tot aan de dag van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 78 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. J. Faber, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

Buiten staat

Mr. S. Taalman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van Politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche IJsselland, onderzoek Bologna / ON1R019030, proces-verbaalnummer 2019176535 Z. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 30 maart 2019, pagina 1-2, en proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] van 31 maart 2019, pagina 14

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , pagina 134

4 Proces-verbaal forensisch onderzoek PL0600-2019137524-12, pagina 61

5 Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] (pagina 136-137), [aangever 4] (pagina 138-139) en [aangever 5] (pagina 140-141)

6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 407, 5 en 6e alinea

7 Proces-verbaal vooronderzoek lab van 2 april 2019, pagina 124-125, en Verkorte rapportage onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, pagina 226-227

8 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 401, voorlaatste en laatste alinea en pagina 402, 1e alinea

9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 398-400

10 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 401 laatste alinea, en pagina 402, eerste alinea

11 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 402, 2e alinea

12 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 400

13 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 400, 3e alinea

14 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 404

15 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 404

16 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 404

17 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , Summ-it pv nr. 126, pagina 404

18 Proces-verbaal van bevindingen nader verhoor getuige [getuige] , Summ-it pv nr. 91, pagina 413-414

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , Summ-it pv nr. 114, pagina 417

20 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] , Summ-it pv nr. 127, pagina 523-525

21 Proces-verbaal van bevindingen PL0600-2019138960-13, pagina 10

22 Proces-verbaal van (aanvullend) verhoor van aangever [aangever 1] , nr. 13, pagina 13-17

23 Proces-verbaal dactyloscopisch vooronderzoek van 18 mei 2019, pagina 50 en het proces-verbaal vooronderzoek lab van 2 april 2019, pagina 124-125

24 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , pagina 398

25 Proces-verbaal van bevindingen nr. 46, pagina 264

26 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , pagina 342, 8e alinea

27 Proces-verbaal van bevindingen nr. 78, pagina 282-289

28 Telefoontapjournaal gesprek 10-042019 10:27:35, pagina 505

29 Proces-verbaal van bevindingen PL0600-2019137524-48, pagina 481-482