Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1762

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
8931740 \ CV EXPL 20-3533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in geschil over de vraag of gedaagden de administratiekosten, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente moeten betalen aan eiser. Gedaagden handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf en zijn derhalve de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf overschrijding van de betalingstermijn. Voor verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten is wel verzuim vereist. De kantonrechter is van oordeel dat eiser uit de e-mails van gedaagden mocht afleiden dat zij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn zouden gaan betalen en dat zij daarom op dat moment al in verzuim waren. Een veertiendagenbrief is niet vereist nu gedaagden in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelden. De buitengerechtelijke kosten zijn dus verschuldigd. De administratiekosten worden afgewezen omdat deze onder de buitengerechtelijke kosten worden begrepen. De betaling die gedaagden hebben gedaan strekt eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en lopende rente (artikel 6:44 lid 1 BW). Dat betekent dat het nog openstaande bedrag bestaat uit hoofdsom, zodat daarover nog steeds wettelijke handelsrente verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 8931740 \ CV EXPL 20-3533

Vonnis van 20 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: Via Optima Gerechtsdeurwaarders,

tegen

1 de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 2] c.s.,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 december 2020 met producties,

- de conclusie van antwoord ontvangen ter griffie op 15 december 2020 met producties,

- de conclusie van repliek ontvangen ter griffie op 27 januari 2021 met producties,

- de conclusie van dupliek ontvangen ter griffie op 2 februari 2021 met producties,

- de akte aan de zijde van [eiser] ontvangen ter griffie op 8 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft een eenmanszaak onder de namen [X] Hydroseeding, [X] Exteriors en [X] Hoveniers, die zich bezig houdt met het geven van advies over de inrichting van tuin en landschappen, tuinhuizen en oranjerieën en het hydraulisch zaaien van graszaad. [gedaagde 2] c.s. drijven een hoveniersbedrijf gericht op bestrating, ontwerpen, adviseren met betrekking tot vegetatiedaken, daktuinen, boerenerven, bloemrijke graslanden, hydroseeding, kleine landschapselementen en de handel in gerelateerde materialen.

2.2.

Op 15 mei 2020 heeft [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde 2] c.s. materialen geleverd. Op diezelfde datum heeft [eiser] een factuur voor de materialen aan [gedaagde 2] c.s. verzonden voor een bedrag van € 11.567,60 (hierna: de factuur).

2.3.

Op 18 september 2020 heeft [eiser] een aanmaning aan [gedaagde 2] c.s. gezonden (opgenomen in productie 3 bij dagvaarding) met het verzoek om een totaalbedrag van € 11.623,60 te betalen, bestaande uit het gefactureerde bedrag van € 11.567,60 vermeerderd met een bedrag van € 56,00 aan administratiekosten. In de aanmaning staat:

“(…) Ik verzoek u nogmaals dringend het totaalbedrag binnen zeven dagen te voldoen op mijn [rekeningnummer] onder vermelding van het factuur en debiteuren nummer.

Bij gebreke van betaling binnen zeven dagen na heden laat u mij helaas geen andere keuze dan over te gaan tot gerechtelijke invordering van het totaalbedrag. Voordat geval maak ik, naast de wettelijke rente en administratiekosten, eveneens aanspraak op vergoeding van de buiten gerechtelijke incassokosten over het openstaande bedrag met ingang van de vervaldatum van de declaratie(s). (…)”

2.4.

Op 24 september 2020 heeft een e-mailwisseling tussen [eiser] en [gedaagde 2] c.s. plaatsgevonden (opgenomen als productie 5 bij dagvaarding).

Om 09.06 heeft [eiser] gemaild:

“Helaas heb ik geconstateerd dat betaling van factuur 120056/120056-Eur is uitgebleven. Bijgaand als pdf een aanmaning. (…)”

Om 09.07 uur hebben [gedaagde 2] c.s. gemaild:

“Daarvoor heeft [gedaagde 2] een afspraak met je”

Om 09.27 uur heeft [eiser] gemaild:

“Er zijn geen lopende afspraken die de betalingsachterstand rechtvaardigen.

Vordering ligt nu bij deurwaarder waarbij ook rente en invorderingskosten zullen worden verhaald.”

Om 09.57 uur hebben [gedaagde 2] c.s. gemaild:

“We hebben aangegeven dat we zullen voor 15 oktober en daarmee was je akkoord”

Om 10.28 uur heeft [eiser] gemaild:

“15 September was de afspraak!”

Om 10.29 uur hebben [gedaagde 2] c.s. gemaild:

“15 oktober werd bedoeld vanwege de aangegeven redenen die door [gedaagde 2] aangegeven zijn.

Dan is ook de betalingsafspraken die gemaakt zijn met de opdrachtgever verstreken. Dus nog even geduld”

Om 10.51 uur heeft [eiser] gemaild:

“Wij kunnen geen verder uitstel verlenen. Reden daarvoor is ook dat [gedaagde 3] zegt niet te gaan betalen.

Het ligt nu bij gerechtsdeurwaarder”

Om 10.53 uur hebben [gedaagde 2] c.s. gemaild:

“Wij hebben je gevraagd uitstel te verlenen tot 15 oktober. Het is niet gezegd dat we niet willen betalen aangezien dit los staat van een discussie.

Het is heel simpel door het on hold te zetten tot 15 oktober. Wij hebben en doen er alles aan om iedereen te betalen.”

Om 14.20 uur hebben [gedaagde 2] c.s. gemaild:

“Betaling vanmorgen voldaan en is helaas gekruist met jullie deurwaarder”

2.5.

Ook op 24 september 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] een sommatiebrief aan [gedaagde 2] c.s. gezonden. Op diezelfde datum hebben [gedaagde 2] c.s. een bedrag van € 11.567,60 aan [eiser] betaald.

3 Het geschil

Vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 2] c.s., hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag ter hoogte van € 1.265,60 te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 4 december 2020 tot aan de dag van volledige voldoening van de vordering, als ook met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen verschotten en een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dit vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat [gedaagde 2] c.s. een bedrag van € 11.567,60 verschuldigd zijn (geweest) voor de materialen die hij op 15 mei 2020 aan hen heeft geleverd. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde 2] c.s. een bedrag van € 56,00 aan administratiekosten verschuldigd zijn, omdat hij hen herhaaldelijk heeft aangemaand om tot betaling van de hoofdsom over gaan, namelijk op 28 augustus, 11 september en 18 september 2020. Hij stelt dat [gedaagde 2] c.s. nooit bezwaar hebben gemaakt tegen deze administratiekosten. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [eiser] stelt dat hij de vordering uit handen heeft moeten geven aan Optima Gerechtsdeurwaarders, omdat de aanmaningen niet het gewenste resultaat hadden. Bij repliek stelt [eiser] dat uit de e-mailwisseling met [gedaagde 2] c.s. op 24 september 2020 (zoals opgenomen onder 2.4) bleek dat [gedaagde 2] c.s. niet van plan waren om tijdig te betalen en dat hij zich om die reden genoodzaakt voelde om de zaak direct door te zetten naar de gerechtsdeurwaarder. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [eiser] dat de incassowerkzaamheden vóór de (deel)betaling door [gedaagde 2] c.s. hebben plaatsgevonden en dat de incassokosten van € 891,24 daarom geheel voor rekening van [gedaagde 2] c.s. moeten komen. Ten slotte stelt [eiser] dat [gedaagde 2] c.s. wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd zijn vanwege het verstrijken van de betalingstermijn. [eiser] stelt dat voor de periode vanaf 29 mei 2020 tot aan 9 december 2020 een bedrag van € 318,36 aan wettelijke rente verschuldigd is. In totaal zijn [gedaagde 2] c.s. dus een bedrag van € 12.833,20 verschuldigd (geweest) volgens [eiser] . [eiser] stelt dat [gedaagde 2] c.s. op 24 september 2020 een bedrag van € 11.567,60 hebben betaald, maar dat zij hebben nagelaten het restant van € 1.265,60 te voldoen.

Verweer

3.3.

[gedaagde 2] c.s. voeren als verweer aan dat zij op 18 september 2020 een aanmaning van [eiser] hebben ontvangen waaruit blijkt dat als zij binnen 7 dagen zouden betalen, er geen wettelijke rente, administratiekosten en buitengerechtelijke incassokosten in rekening zouden worden gebracht. Zij voeren aan dat zij de factuur op 24 september 2020 hebben voldaan, binnen de gegeven (nieuwe) betalingstermijn. Volgens [gedaagde 2] c.s. houdt [eiser] zich niet aan zijn afspraken en heeft hij voortijdig een incassobureau c.q. deurwaarderskantoor ingeschakeld. Daarnaast voeren [gedaagde 2] c.s. aan dat [gedaagde 1] een natuurlijk persoon is en dat de deurwaarder zich niet aan de wettelijke regels heeft gehouden door een sommatiebrief te sturen zonder voorafgaand schrijven over kosten en zonder termijn van veertien dagen.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 2] c.s. een bedrag van € 11.567,60 verschuldigd waren voor de op 15 mei 2020 door [eiser] geleverde materialen en dat [gedaagde 2] c.s. dit bedrag op 24 september 2020 hebben betaald. Het gaat in dit geschil om de vraag of [gedaagde 2] c.s. ook de administratiekosten, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente moeten betalen aan [eiser] .

Wettelijke handelsrente

4.2.

Naar de kantonrechter begrijpt, vordert [eiser] vergoeding van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente is verschuldigd indien er sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom bij een handelsovereenkomst. De kantonrechter stelt vast dat in dit geval sprake is van een handelsovereenkomst. Zoals [eiser] heeft gesteld en [gedaagde 2] c.s. niet hebben betwist, handelden beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst immers in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf de dag na het verstrijken van de betalingstermijn tot en met de dag waarop de geldsom is voldaan. Verzuim is voor de wettelijke handelsrente niet vereist. Nu voor de factuur een betalingstermijn van 14 dagen gold, zijn [gedaagde 2] c.s. vanaf 29 mei 2020 wettelijke handelsrente over de hoofdsom verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal dan ook vanaf 29 mei 2020 worden toegewezen. De betaling van € 11.567,60 door [gedaagde 2] c.s. strekt op grond van artikel 6:44 lid 1 BW eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en lopende rente. Dat betekent dat het nog openstaande bedrag bestaat uit hoofdsom, zodat daarover nog steeds wettelijke handelsrente verschuldigd is. Ook de lopende wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.3.

Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten is vereist dat sprake is van verzuim en verder dat in redelijkheid buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] uit de e-mails van [gedaagde 2] c.s. in de ochtend van 24 september 2020 mocht afleiden dat [gedaagde 2] c.s. niet binnen de gestelde termijn zouden gaan betalen, maar dat zij uitstel tot 15 oktober wilden. Op grond van artikel 6:83, sub c, BW waren [gedaagde 2] c.s. dan ook al op dat moment in verzuim. [eiser] mocht de vordering daarom uit handen geven aan de deurwaarder.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden. [gedaagde 2] c.s. zijn geen consument, nu zij in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelden. Een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, BW (ook wel een ‘veertiendagenbrief’ genoemd) is in dit geval niet vereist om aanspraak te kunnen maken op de buitengerechtelijke incassokosten. Nu door [gedaagde 2] c.s. ook niet (gemotiveerd) is betwist dat de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden voorafgaand aan de betaling hebben plaatsgevonden, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 2] c.s. de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn. De kantonrechter zal over de hoofdsom van € 11.567,60 een bedrag van € 890,68 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, overeenkomstig het in het Besluit bepaalde tarief. Zoals overwogen onder 4.2 strekt de betaling van € 11.567,60 door [gedaagde 2] c.s. eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en lopende rente, zodat het nog openstaande bedrag bestaat uit hoofdsom.

Administratiekosten

4.5.

De vordering tot betaling van € 56,00 aan administratiekosten zal worden afgewezen, nu deze kosten onder de buitengerechtelijke kosten worden begrepen.

Proceskosten

4.6.

[gedaagde 2] c.s. zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

- dagvaardingsexploot: € 83,38

GBA 2x: € 3,42

KvK: € 4,61

- griffierecht: € 236,00

- salaris gemachtigde: € 248,00punten x tarief € 124,00)

Totaal: € 575,41

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag ter hoogte van € 1.209,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf 4 december 2020 tot en met de dag van volledige voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] c.s. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 575,41,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021. (BLd(O)