Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1729

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
08-910077-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. De man heeft samen met zijn medeverdachte onvoldoende maatregelen getroffen om de administratie van hun bedrijf veilig te (laten) stellen, nadat ze voor onbepaalde tijd waren vertrokken naar Irak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-910077-15 (P)

Datum vonnis: 26 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats 1] (Irak),

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte [verdachte] en zijn raadsman mr. P. Koops, advocaat te Assen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als feitelijk bestuurder van een failliet verklaarde BV, samen met anderen, geen administratie van die BV heeft gevoerd, bewaard en aan de curator gegeven.

Primair wordt verdachte verweten dat hij dit gedaan heeft met het opzet om de schuldeisers van de BV te benadelen en subsidiair dat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de administratie van de BV te voeren, te bewaren en af te geven aan de curator;

feit 2: als feitelijk bestuurder van een failliet verklaarde BV, samen met anderen, met het opzet om de schuldeisers van die BV te benadelen, baten niet heeft verantwoord, één van de schuldeisers heeft bevoordeeld en goederen aan de boedel heeft onttrokken;

feit 3: als feitelijk bestuurder van een failliet verklaarde BV, samen met een anderen, heeft geweigerd om aan de curator de vereiste inlichtingen te geven, dan wel dat hij opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven aan de curator;

feit 4: samen met anderen verschillende goederen waarop een pandrecht was gevestigd aan dit pandrecht heeft onttrokken of dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een BV bij het onttrekken door die BV van verschillende goederen aan het pandrecht;

feit 5: samen met anderen verschillende goederen heeft verduisterd.

Voluit luidt de – ter terechtzitting van 12 april 2021 gewijzigde – tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 24 januari 2014,

te Almelo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere natuurlijke perso(o)n(en) en/of een of meerdere rechtsperso(o)n(en), als (feitelijk en/of indirect) bestuurder/commissaris van [bedrijf 1] BV, welke

vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel te Almelo op 15 mei 2013 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in die/dat artikel(en) bedoeld, immers heeft verdachte met dat opzet

- niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, en/of bewaard

dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van die rechtspersoon konden worden gekend en/of

- niet alle administratie van voornoemde rechtspersoon afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curator;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgend, SUBSIDIAIR, terzake dat

dat aan hem, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meerdere natuurlijke perso(o)n(en) en/of een of meerdere rechtsperso(o)n(en), als (feitelijk en/of indirect) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel te Almelo op 15 mei 2013 in staat van faillissement is verklaard, te wijten is dat in de periode van

1 januari 2012 tot en met 24 januari 2014, te Almelo, in elk geval in Nederland, niet is voldaan aan

-de ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

en/of artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of

artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen

in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk

Wetboek omschreven verplichtingen ten opzichte van het voeren van een

administratie, en/of

-de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers waarmee volgens die artikelen administratie is gevoerd en de boeken, bescheiden en/of gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn zijn gebracht

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar geen, althans onvoldoende maatregelen genomen om de administratie van voornoemde rechtspersoon te voeren en/of te bewaren en/of op (een) daartoe strekkende vordering(en) en/of verzoek(en) en/of vra(a)g(en) van de curator tevoorschijn te brengen / uit te leveren in

het faillissement van voornoemde rechtspersoon [bedrijf 1] BV;

2.

hij, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

januari 2013 tot en met 24 januari 2014 te Almelo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, als (feitelijk en/of indirect) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] BV welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel te Almelo op 15 mei 2013 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van genoemde vennootschap

-baten niet heeft verantwoord en/of

-ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers heeft bevoordeeld, namelijk een schuldeiser in Irak ( [schuldeiser] ) en/of

-een of meerdere van de navolgende goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, te weten

-een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 37.000 euro) en/of

-twee Iveco Daily vrachtwagens/oprijwagens met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]

en/of

-de voorraden (waaronder in ieder geval ongeveer 30 auto's) en inventaris van [bedrijf 1] B.V.;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei

2013 tot en met 24 januari 2014 te Almelo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer perso(o)n(en), althans alleen, als (feitelijk en/of indirect) bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV, welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel te Almelo op 15 mei 2013 in staat van faillissement is verklaard, en één of meerdere malen door de curator in het faillissement wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven met betrekking tot

-de inhoud van de boedel, de inventaris en voorraden, wat er met deze goederen is gebeurd en waar deze goederen zich bevinden en/of

-de (namen van) transportmaatschappijen die containers zouden hebben verscheept en/of

-het feit dat er meerdere aangiften zouden zijn gedaan bij de politie met betrekking tot de uit de boedel verdwenen goederen en/of

-de personeelsleden die werkzaam waren bij [bedrijf 1] BV;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 mei 2013 te Almelo en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen opzettelijk (een) hem verdachte en/of zijn mededader(s) toebehorend(e) goed(eren), te weten

-twee Iveco Daily vrachtwagens/oprijwagens met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]

en/of

-de voorraden (waaronder in ieder geval ongeveer 30 auto's) en inventaris van

[bedrijf 1] B.V. waarop ten gunste van [bedrijf 2] B.V/ [bedrijf 3] B.V. en/of Rabobank Nederland een pandrecht was gevestigd, heeft/hebben onttrokken aan dat pandrecht, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde Iveco Daily vrachtwagens/oprijwagens en/of voorraden en/of inventaris verkocht en/of verscheept naar Irak en/of anderszins overgedragen aan anderen en/of weggemaakt;

OF

[bedrijf 1] B.V., in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot

en met 15 mei 2013 te Almelo en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meerdere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk (een) hem verdachte en/of zijn mededader(s) toebehorend(e) goed(eren), te weten -twee Iveco Daily vrachtwagens met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] en/of -de voorraden (waaronder in ieder geval ongeveer 30 auto's) en inventaris van

[bedrijf 1] B.V. waarop ten gunste van [bedrijf 2] B.V/ [bedrijf 3] B.V. en/of Rabobank Nederland een pandrecht was gevestigd, heeft/hebben onttrokken aan dat pandrecht, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde Iveco Daily vrachtwagens/oprijwagens en/of voorraden en/of inventaris verkocht en/of verscheept naar Irak en/of anderszins overgedragen aan anderen en/of weggemaakt zulks terwijl hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, telkens tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2012 tot en met 15 mei 2013 te Almelo en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk

a. elektrische verlengkabels (25 meter 5x4 bekabeling en 10 meter 3 weg bekabeling)

b. een heftruck van het merk Tailift 3/12 ton diesel (BJ2005, serienummer: [serienummer] )

c. een (opbouwschaar)hefbrug van het merk Effemme (3 ton rood) en diverse

gereedschappen ter waarde van 10.000 euro

d. een Porsche Cayenne, voorzien van het kenteken [kenteken 3] in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

ad a. [bedrijf 4] B.V.

ad b. [bedrijf 5] B.V.

ad c. [bedrijf 6]

ad d. Volkswagen Bank Gmbh Zweiniederlassung Niede

in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders, welke goederen verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf, namelijk

ad a. op basis van een tussen [bedrijf 4] B.V. en Autodemontage

Almelo BV, gesloten huurovereenkomst

ad b. op basis van een tussen [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 1] BV

gesloten huurovereenkomst

ad c. op basis van een tussen [bedrijf 6] en [bedrijf 1] BV

gesloten koopovereenkomst

ad d. op basis van een tussen Volkswagen Bank Gmbh Zweiniederlassung Niede en

[bedrijf 1] BV gesloten leaseovereenkomst (met eigendomsvoorbehoud) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde partieel nietig is. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het verwijt dat [verdachte] en [medeverdachte] onvoldoende maatregelen hebben getroffen waardoor het aan hen te wijten is dat de administratie niet tevoorschijn kon worden gebracht, onvoldoende specifiek is omschreven. Niet omschreven is welke maatregelen getroffen hadden moeten worden en daarmee is voor de verdediging niet duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen. Aldus wordt verzocht de dagvaarding op dit punt nietig te verklaren.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 2 ten- lastegelegde partieel nietig is. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het verwijt dat verdachte baten niet zou hebben verantwoord in het geheel niet feitelijk is omschreven. Niet vermeld is welke baten niet zouden zijn verantwoord, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv) en de dagvaarding voor wat betreft dit onderdeel nietig moet worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het vereiste van een feitelijke omschrijving van hetgeen de verdachte wordt verweten onder meer als functie heeft dat hij weet waartegen hij zich heeft te verdedigen, alsmede dat in het rechtsgeding ook voor de rechter voldoende duidelijk is welk verwijt aan de verdachte wordt gemaakt.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij het in art. 342 (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven strafbare feit heeft begaan. De tenlastelegging bevat naast een kwalificatief gedeelte ook een feitelijke omschrijving van hetgeen waar verdachte van wordt beschuldigd. De dagvaarding bevat daarmee een voldoende duidelijke opgave van wat verdachte verweten wordt en voldoet aan de in artikel 261 Sv gestelde eis van opgave van het feit. Bovendien heeft de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat het de verdachte op basis van die dagvaarding en de inhoud van het dossier duidelijk was voor welke feiten hij was gedagvaard. Verdachte heeft hieromtrent kunnen verklaren en zijn verdediging kunnen voeren.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

Naar het oordeel van de rechtbank komt aan de zinsnede ‘baten niet heeft verantwoord’ in de zin van artikel 343 (oud) Sr op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toe. Zonder feitelijke omschrijving in de tenlastelegging van de specifieke baten die niet zouden zijn verantwoord, voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261 Sv gestelde eis van opgave van het feit. Mede gezien de substantiële omvang van het dossier is voor de verdediging bovendien niet zonder meer duidelijk te bepalen waartegen zij zich op dit punt moet verdedigen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onderdeel ‘- baten niet heeft verantwoord’ niet voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv aan een dagvaarding stelt.

De rechtbank zal daarom de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

3.2

De overige voorvragen

De rechtbank stelt verder vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.1

Inleiding

In 2006 zijn verdachte [verdachte] (hierna aangeduid als verdachte of als [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) samen een autodemontagebedrijf gestart in de vorm van een vennootschap onder firma. Beiden waren voor 50% eigenaar. Het bedrijf was gevestigd aan het [adres 2] .

Op 8 oktober 2010 is de VOF omgezet naar [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] BV). Bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] BV waren [bedrijf verdachte] BV en [medeverdachte] Holding BV, met als enig bestuurder respectievelijk [verdachte] en [medeverdachte] .

Op 1 augustus 2012 is [bedrijf verdachte] bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van [bedrijf 1] BV. Feitelijk heeft [verdachte] zijn functie binnen het bedrijf ongewijzigd voortgezet.

[bedrijf 1] BV hield zich bezig met het inkopen van schade-, demontage- en in beslag genomen auto's, het demonteren van deze auto’s en de verkoop van de onderdelen in Nederland en aan afnemers in Irak. Vanaf 2009 had [bedrijf 1] BV een overeenkomst met de Dienst Domeinen voor afname van in beslag genomen auto’s. Na een nieuwe aanbesteding verdubbelde per januari 2013 de inkoopprijs van de van de Dienst Domeinen afgenomen auto’s tot rond € 400,--.

De leiding binnen het bedrijf lag bij [verdachte] en [medeverdachte] . [verdachte] onderhield in de dagelijkse praktijk de contacten binnen Nederland en verzorgde de inkoop van de auto's. [medeverdachte] had de leiding over het demontageproces in de werkplaats, de verkoop van onderdelen vanuit de werkplaats en het onderhouden van de contacten met de Iraakse afnemers. De administratie werd verzorgd door een administratieve kracht op kantoor die de nota's inboekte en door een externe accountant. Het beheer over de bankrekeningen van [bedrijf 1] BV lag bij [verdachte] en [medeverdachte] . De betalingen en overboekingen werden veelal door [verdachte] uitgevoerd.

Op 2 mei 2012 is door de Rabobank aan [bedrijf 1] BV een financiering verstrekt voor de bouw van een nieuw bedrijfspand aan de [adres 3] . Tijdens de bouw van dit bedrijfspand, in het najaar van 2012, ontstonden steeds meer problemen met de begeleider van de nieuwbouw, onder meer over de wijze waarop de bouw verliep in relatie tot de tussentijdse facturering. Hierbij kwam ook de relatie met de Rabobank onder druk te staan. Ook werden de bouwkosten van het nieuwe bedrijfspand met ongeveer € 150.000,-- overschreden.

Daarnaast werd [bedrijf 1] BV geconfronteerd met een verloren rechtszaak die was aangespannen door een ontslagen medewerker.

Eind januari 2013 verplichtte de Dienst Domeinen [bedrijf 1] BV om, conform de overeengekomen verplichtingen, de aangekochte auto’s voortaan vooraf te betalen, terwijl in de afgelopen vier jaren de facturen van de Dienst Domeinen telkens achteraf werden voldaan. [bedrijf 1] BV moest daardoor op korte termijn – naast de betalingsverplichtingen in verband met de nieuwbouw – een bedrag van € 250.000,-- voldoen.

Op 24 maart 2013 kreeg het personeel van [bedrijf 1] BV twee weken vakantie. Bij hervatting van de werkzaamheden op 8 april 2013 bleken de aanwezige voorraden en productiemiddelen goeddeels verdwenen te zijn. Op 29 maart 2013 is op naam van [bedrijf 1] BV een Porsche Cayenne geleaset. De overeenkomst werd ondertekend door [medeverdachte] . [verdachte] was de gebruiker van deze auto.

Begin april 2013 zijn [verdachte] en [medeverdachte] naar Irak vertrokken om daar het gezin van [verdachte] te zoeken. Op 1 mei 2013 heeft [medeverdachte] de auto op papier in Noord-Irak ingevoerd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben zich na hun vertrek naar Irak onthouden van iedere bemoeienis met [bedrijf 1] BV, ondanks het feit dat het bedrijf middenin de verhuizing zat van het oude bedrijfspand naar de nieuwe locatie.

Op 15 mei 2013 is [bedrijf 1] BV in staat van faillissement verklaard. Op dat moment bevonden [verdachte] en [medeverdachte] zich nog in Irak. In de beide bedrijfspanden van [bedrijf 1] BV, waar vrachtauto’s, gereedschappen, machines en voorraden te demonteren auto’s en gedemonteerde onderdelen aanwezig zouden moeten zijn, zijn op de faillissementsdatum vrijwel geen van die bedrijfsmiddelen aangetroffen.

Op 5 juni 2013 hebben [verdachte] en [medeverdachte] in Nederland een gesprek gehad met de curator. Op diezelfde datum is een medewerker van de curator met [verdachte] en [medeverdachte] naar het bedrijfspand aan de [adres 2] gegaan om de boekhouding van [bedrijf 1] BV op te halen. De computer waarop de administratie van het jaar 2013 zou staan en de papieren administratie zijn ter plaatse niet aangetroffen.

Eind 2015 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een overeenkomst met de curator gesloten. Gezamenlijk hebben zij – tegen finale kwijting – € 60.000,-- aan de boedel betaald.

4.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten door de verdachten zijn gepleegd in het zicht van het faillissement. Hiertoe heeft zij – kortgezegd – aangevoerd dat beide verdachten, gezien de forse financiële problemen met de Dienst Domeinen, de Rabobank, een verloren rechtszaak en de bouw van een nieuw bedrijfspand, in de periode voor hun plotselinge vertrek naar Irak rond Pasen 2013 zagen aankomen dat het de verkeerde kant op ging met [bedrijf 1] BV.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie verder aangevoerd dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen wegens het ontbreken van opzet, maar dat verdachte onvoldoende zorg en maatregelen heeft betracht om de administratie te bewaren en af te geven, zodat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is bewezen.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de Iveco vrachtwagens aan de boedel heeft onttrokken, maar wél dat [verdachte] , samen met [medeverdachte] , een bedrag van € 37.000,-- heeft onttrokken aan de boedel en dat hij een Irakese schuldeiser heeft bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het feit kan worden bewezen nu de curator door de verdachten verkeerd is voorgelicht over de onder 3 genoemde onderwerpen.

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat ten aanzien van de twee Iveco Daily vrachtwagens en de inventaris vrijspraak moet volgen en dat het ten laste gelegde ten aanzien van de voorraad, waaronder ongeveer 30 auto’s, kan worden bewezen, nu de voorraad waar het pandrecht op was gevestigd was verkocht om de Dienst Domeinen, personeel, de bouw en komende facturen te betalen.

Tot slot heeft de officier van justitie met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde aangevoerd dat ten aanzien van de heftruck, de hefbrug, de verlengkabels en de gereedschappen vrijspraak moet volgen en dat het onder 5 ten laste gelegde ten aanzien van de Porsche bewezen is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe het volgende gesteld.

Ten tijde van de feiten 1 tot en met 3 was verdachte geen normadressaat, omdat hij niet de kwaliteit van bestuurder in de zin van de tenlastegelegde artikelen 343, 342 respectievelijk 194 (oud) Sr had. In de ten laste gelegde periode was [medeverdachte] Holding BV bestuurder van [bedrijf 1] . Tot 1 augustus 2012 was daarnaast ook [bedrijf verdachte] BV bestuurder van [bedrijf 1] . Verdachte was derhalve zelf – in persoon – niet als bestuurder van [bedrijf 1] ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Bij gebreke aan een dergelijke inschrijving is verdachte niet formeel als bestuurder aan te merken en dus geen normadressaat van voornoemde artikelen.

De verdediging heeft voorts gesteld dat [verdachte] niet heeft gehandeld in het zicht van het faillissement, dat hij geen wetenschap had van een mogelijk aanstaand faillissement en dat hij er alles aan heeft gedaan om de problemen die op zijn pad kwamen het hoofd te bieden, in de verwachting dat hij daarin ook zou slagen.

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging verder aangevoerd dat er een deugdelijke administratie werd gevoerd en bewaard, dat er geen kans was op benadeling nu er geen zicht was op een faillissement en voorts dat uit niets blijkt dat [verdachte] administratie heeft achtergehouden. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging verder aangevoerd dat [verdachte] geen strafbaar verwijt treft nu hij het pand waar de administratie werd bewaard slotvast had afgesloten.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging nog aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor opzet bij [verdachte] of voor onttrekking door [verdachte] van goederen uit de boedel in het zicht van het faillissement.

Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat niet is bewezen dat [verdachte] opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft verstrekt, alsook dat hij geen belang had bij het verstrekken van verkeerde inlichtingen en dat hij – voor zover mogelijk – de verzochte inlichtingen ook heeft verstrekt. Ten aanzien van de voorraden en inventaris en de informatie over de aangiften bij de politie heeft de verdediging gesteld dat vrijspraak dient te volgen, nu van het verstrekken van verkeerde inlichtingen over de voorraden, inventaris en die aangiften door de curator geen aangifte is gedaan.

Met betrekking tot feit 4 heeft de verdediging aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat [verdachte] vrachtwagens en voorraden heeft onttrokken aan de boedel, maar dat er wel concrete aanwijzingen zijn dat deze goederen door anderen zijn weggehaald. [verdachte] treft geen verwijt, er is geen opzet en geen sprake van onttrekking door [verdachte] .

Met betrekking tot feit 5 heeft de verdediging ten aanzien van de Porsche Cayenne aangevoerd dat [verdachte] geen oogmerk had om zich de Porsche wederrechtelijk toe te eigenen.

De verdediging heeft vier voorwaardelijke onderzoekswensen ingediend. Mocht de rechtbank de verdediging niet volgen in haar pleidooi, verzoekt de raadsman:

- de heer [getuige 1] als getuige te horen over feit 1,

- in verband met feit 2 opdracht te geven om de onder BDO berustende gegevens aan het

dossier toe te voegen,

- in verband met feit 3 nader onderzoek te laten verrichten naar de mailwisseling tussen de

curator en [verdachte] en

- in verband met feit 5 nader onderzoek te laten verrichten naar het onder [naam 1] berustende

dossier inzake de Porsche Cayenne.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

Onder 1 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij als feitelijk bestuurder van de failliet verklaarde [bedrijf 1] BV, samen met anderen, geen administratie van [bedrijf 1] BV heeft gevoerd, bewaard en aan de curator gegeven.

Primair wordt [verdachte] verweten dat hij dit gedaan heeft met het opzet om de schuldeisers van [bedrijf 1] BV te benadelen en subsidiair dat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de administratie van [bedrijf 1] BV te voeren, te bewaren en af te geven aan de curator.

De eerste vraag waar de rechtbank zich voor ziet gesteld betreft de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] zijn aan te merken als bestuurder van [bedrijf 1] BV. De rechtbank zal deze vraag hieronder als eerste behandelen.

Bestuurder van [bedrijf 1] BV

Sinds 1 juli 2016 is in artikel 348a lid 1 Sr bepaald dat onder ‘bestuurder van een rechts-persoon’ mede begrepen worden zij die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Anders dan de raadsman heeft betoogd, heeft de wetgever met de Wet herziening strafbaar-stelling faillissementsfraude1 en de invoering van artikel 348a Sr geen wijziging beoogd van de reikwijdte van het begrip ‘bestuurder’. In de Memorie van Toelichting2 bij artikel 348a Sr is dit als volgt toegelicht:

Het begrip «bestuurder van een rechtspersoon», zoals dat wordt gebruikt in de strafbaarstellingen met betrekking tot faillissementsfraude, komt een autonome, ruime betekenis toe die in beginsel losstaat van formele criteria als inschrijving in de hoedanigheid van bestuurder in het handelsregister. Ook degenen die feitelijk de rechtspersoon besturen, zonder een officiële functie als bestuurder of commissaris te vervullen, kunnen gelden als bestuurder. Bepalend is in dit verband onder meer of de betreffende persoon het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald, of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.

Met de invoering van 348a Sr heeft de wetgever dit slechts beoogt te verduidelijken.

De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [verdachte] ten tijde van de hem verweten handelingen feitelijk als bestuurder van [bedrijf 1] BV heeft gefungeerd. Hoewel [verdachte] niet in formele zin kan worden aangemerkt als bestuurder van [bedrijf 1] BV, kan naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het voorgaande – ook degene die zich feitelijk als bestuurder van de vennootschap heeft gedragen, als bestuurder worden aangemerkt. Dit blijkt overigens – anders dan de raadsman heeft betoogd – ook al uit Hoge Raad 3 december 1974, NJ 1975, 229. Het komt dus aan op de maatschappelijke realiteit: wie treedt feitelijk als bestuurder op.

Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode, samen met [medeverdachte] , als bestuurder van [bedrijf 1] BV in de zin van de artikelen 343, 342 en 194 Sr heeft gefunctioneerd.

Het moment waarop het faillissement voor verdachten voorzienbaar is geweest

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de ten laste gelegde (rechts)handelingen zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuld-eisers’. De rechtbank zal deze vraag, die ziet op de voorzienbaarheid van het faillissement van [bedrijf 1] BV op het moment van de ten laste gelegde gedragingen, hieronder behandelen.

De rechtbank stelt voorop dat de in art. 343 (oud) Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.3 Dit betekent dat er ten tijde van de ten laste gelegde handelingen reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond of dat als gevolg van die handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan.4 Een aanmerkelijke kans is in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Voor het bewijs van opzet zijn de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval, de bijzondere positie van de verdachte, algemene ervaringsregels, feiten van algemene bekendheid etc. van belang.

De rechtbank leidt, in aanvulling op de onder 4.1 weergegeven feiten en omstandigheden, uit het dossier het volgende af.

Op 3 april 2013 heeft [verdachte] een creditcardaanvraag gedaan bij de Rabobank met de mededeling dat hij naar Irak en Turkije zou afreizen.

Begin april zijn [verdachte] en [medeverdachte] gezamenlijk met de op 29 maart 2013 geleasete Porsche Cayenne naar Irak afgereisd en hebben zich vanaf dat moment onthouden van iedere bemoeienis met [bedrijf 1] BV.

Op 15 april 2013 is door [medewerker Rabobank] van de Rabobank (hierna [medewerker Rabobank] ) een brief inhoudende een opzegging financiering gezonden aan [verdachte] en [medeverdachte] . In deze brief wordt verwezen naar de op 8 en 10 april 2013 door verdachten aan de Rabobank verzonden e-mails waarin zij te kennen hebben gegeven de bedrijfsactiviteiten te staken en het faillissement van [bedrijf 1] BV aan te willen vragen.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat sinds het begin van het jaar 2013 financiële problemen zijn ontstaan voor [bedrijf 1] BV ten gevolge van de ontwikkelingen in de relatie met de Dienst Domeinen, de Rabobank, een verloren rechtszaak en de bouw van het nieuwe bedrijfspand, alsook dat dit reden was tot zorg. [verdachte] heeft in die eerste drie maanden van 2013 meermalen gesproken met de Rabobank ter verkrijging van een extra financiering en hij was bezig om een nieuwe lening af te sluiten bij een Irakese zakenrelatie om de ontstane financiële problemen het hoofd te bieden. In de jaren daarvoor was [bedrijf 1] BV een goedlopend en winstgevend bedrijf en waren de vooruitzichten goed.

Uit de creditcardaanvraag op 3 april 2013 en de verklaring van [verdachte] dat hij en [medeverdachte] begin april 2013 naar Irak zijn vertrokken leidt de rechtbank af dat [verdachte] en [medeverdachte] op 3 april 2013, dan wel kort daarna gezamenlijk naar Irak zijn afgereisd.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat er vanaf 3 april 2013 dan wel enige dagen daarna een aanmerkelijke kans bestond op een faillissement van [bedrijf 1] BV. Met name de gevolgen van de beslissing van de verdachten om gezamenlijk af te reizen naar Irak, waarbij zij alles met betrekking tot [bedrijf 1] BV uit hun handen hebben laten vallen en het bedrijf vanaf dat moment bewust onbeheerd hebben achtergelaten, bezien in het licht van de ontstane financiële problemen, leiden tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] zich vanaf 3 april 2013 dan wel kort daarop bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] BV en dat beiden die kans ook hebben aanvaard.

Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’ geen administratie heeft gevoerd, bewaard of afgegeven aan de curator.

De rechtbank acht aldus niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [bedrijf 1] BV in de tenlastegelegde periode een deugdelijke administratie heeft gevoerd. De administratie werd fysiek op papier en digitaal op een computer bewaard in het bedrijfspand van [bedrijf 1] BV aan de [adres 2] .

Met betrekking tot de plicht om administratie te voeren

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] als bestuurder van [bedrijf 1] BV de plicht om administratie te voeren, in de zin van artikel 342 lid 1 (oud) Sr, heeft geschonden.

Met betrekking tot bewaarplicht

De rechtbank overweegt dat [verdachte] in april 2013 samen met [medeverdachte] voor onbepaalde tijd naar Irak is vertrokken. Geen van beiden heeft in de wekenlange periode dat zij in het buitenland verbleven contact gezocht met een van de medewerkers van [bedrijf 1] BV of met familieleden in Nederland om instructies te geven inzake de (continuering van de) bedrijfsvoering van [bedrijf 1] BV. Beiden hebben zelfs niet geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot [bedrijf 1] BV. De medewerkers van [bedrijf 1] BV hadden ten tijde van het vertrek van [verdachte] en [medeverdachte] bovendien nog vakantieverlof. Zelfs nadat [verdachte] in de krant artikelen had gelezen over [bedrijf 1] BV en een vermeende faillissementsfraude, heeft hij geen enkele actie ondernomen om te controleren of de administratie veilig was, noch om deze administratie veilig te laten stellen.

Op 5 juni 2013 is geconstateerd dat de computer waarop de administratie van het jaar 2013 zou staan en de papieren administratie niet meer in het bedrijfspand van [bedrijf 1] BV aan de [adres 2] aanwezig waren.

Nu [verdachte] samen met [medeverdachte] in de gegeven financieel problematische omstandigheden begin april 2013 voor onbepaalde tijd is vertrokken naar het buitenland, zonder zich vervolgens op enigerlei wijze nog om [bedrijf 1] BV en de administratie van de BV te bekommeren, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] , samen met [medeverdachte] , als bestuurder van [bedrijf 1] BV in de periode van 3 april 2013 tot en met 5 juni 2013 onvoldoende maatregelen heeft genomen om de administratie van [bedrijf 1] BV te bewaren.

Met betrekking tot de verplichting om de administratie in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen

De verplichting om de administratie in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen ziet op de administratie die is bewaard. Nu hiervoor is vastgesteld en bewezen is verklaard dat de administratie niet is bewaard, kan voor dit onderdeel van de tenlastelegging geen bewezen-verklaring volgen.

Het (voorwaardelijk) verzoek tot horen van getuige [getuige 1]

De verdediging heeft verzocht om getuige [getuige 1] te horen indien de rechtbank tot de conclusie zou komen dat het faillissement van [bedrijf 1] BV voorafgaand aan Pasen 2013, vallend op 31 maart 2013 en 1 april 2013, voor [verdachte] voorzienbaar is geweest.

Nu door de rechtbank het moment waarop het faillissement van [bedrijf 1] BV voor [verdachte] in ieder geval voorzienbaar is geweest, is vastgesteld op 3 april 2013, behoeft het verzoek van de raadsman geen nadere bespreking.

4.3.2

Feit 2

Onder 2 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij als feitelijk bestuurder van de failliet verklaarde [bedrijf 1] BV, samen met anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers één van die schuldeisers heeft bevoordeeld en € 37.000,--, twee vrachtwagens, voorraden en inventaris aan de boedel heeft onttrokken.

In de maand maart 2013 heeft [verdachte] vanaf de rekening van [bedrijf 1] BV een geldbedrag van in totaal ongeveer € 37.000,-- overgeboekt naar de rekening van [naam 6] , een eenmanszaak van [verdachte] .

Daarnaast is in de periode voorafgaand aan het vertrek van [verdachte] en [medeverdachte] naar Irak begin april 2013 een groot deel van de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 1] BV verkocht. In de maanden maart en begin april 2013 zijn meerdere containerladingen met auto-onderdelen verscheept naar Irak, ter afbetaling van een deel van de lening van een Irakese schuldeiser.

Tot slot bleek op 8 april 3013 dat de twee Iveco vrachtwagens niet meer op het bedrijf aanwezig waren. Ook de voorraden waren nagenoeg verdwenen.

Met betrekking tot de bevoordeling van een schuldeiser en het onttrekken van een geldbedrag

Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat het faillissement van [bedrijf 1] BV vanaf 3 april 2013 dan wel enige dagen daarna voorzienbaar is geweest. De rechtbank acht dan ook, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat de onder 2 ten laste gelegde overboeking van € 37.000,-- en betaling van de Iraakse schuldeiser in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] BV zijn verricht. Van deze handelingen is dus niet komen vast te staan dat [verdachte] en [medeverdachte] op het moment van handelen opzet hebben gehad op de benadeling van de schuldeisers van [bedrijf 1] BV. Gelet hierop is niet bewezen dat deze handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers zijn verricht.

Met betrekking tot de Iveco Daily vrachtwagens

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt wat er met de twee Iveco Daily vrachtwagens van [bedrijf 1] BV is gebeurd en meer specifiek, hoe en wanneer deze zijn verdwenen. Gelet hierop is niet bewezen dat [verdachte] deze vrachtwagens aan de boedel heeft onttrokken.

Met betrekking tot de voorraden

Voorafgaand aan de verscheping van de containerladingen naar Irak in de maanden maart en begin april 2013 hebben deze containers op enig moment het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] BV verlaten. Op grond van het dossier is niet vast te stellen wanneer deze containers van het bedrijfsterrein zijn vertrokken. Het is echter aannemelijk dat er enige tijd heeft gelegen tussen het verlaten van het terrein van [bedrijf 1] BV en de daadwerkelijke verscheping van de containers. Gelet hierop is niet bewezen dat het moment waarop de containers het terrein van [bedrijf 1] BV hebben verlaten heeft gelegen op 3 april 2013 of enige dagen later, het moment waarop het faillissement voorzienbaar was. Daarmee hebben de verschepingen van de voorraad niet in het zicht van het faillissement plaatsgevonden. Gelet op hierop is niet bewezen dat voornoemde handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers zijn verricht.

Conclusie

De rechtbank acht aldus niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en zal hem van dit feit dan ook vrijspreken.

Het verzoek van de verdediging om aanhouding voor het opvragen van de gegevens bij BDO

De verdediging heeft verzocht om aanhouding om de bij BDO aanwezige gegevens te laten aanleveren, zodat kan worden onderzocht waaraan [naam 6] de € 37.000,-- heeft besteed.

Nu verdachte van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, komt de rechtbank aan bespreking van het verzoek van de verdediging niet toe.

4.3.3

Feit 3

Onder 3 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij als bestuurder van de failliet verklaarde [bedrijf 1] BV, samen met anderen heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven aan de curator, dan wel opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven over de inventaris, de voorraden, namen van transportbedrijven, aangiften bij de politie en over bij [bedrijf 1] BV werkzame personeelsleden.

In het kader van het faillissement van [bedrijf 1] BV hebben [verdachte] en [medeverdachte] op 5 juni 2013 op uitnodiging een gesprek gevoerd met de curator op diens kantoor. Op diezelfde datum is een medewerker van het kantoor van de curator met [verdachte] en [medeverdachte] naar het (oude) bedrijfspand aan de [adres 2] gegaan om de boekhouding van [bedrijf 1] BV op te halen. De computer waarop de administratie van het jaar 2013 zou staan en de papieren administratie zijn ter plaatse niet aangetroffen. De curator heeft de boekhouding van [bedrijf 1] BV over 2013 dus niet ontvangen.

[verdachte] heeft de curator een personeelslijst overhandigd, met daarop namen van personeelsleden, van wie een enkele op dat moment niet langer binnen het bedrijf werkzaam bleek. Daarnaast heeft de curator van [verdachte] namen van transportbedrijven ontvangen die betrokken zouden zijn geweest bij de verscheping van de containers naar Irak begin 2013. Uit navraag is gebleken dat deze bedrijven in die periode geen zaken hebben gedaan met [bedrijf 1] BV.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben geweigerd de vereiste inlichtingen aan de curator te verschaffen.

De rechtbank overweegt voorts dat voor bewezenverklaring van het geven van de verkeerde inlichtingen in de zin van artikel 194 (oud) Sr opzet daarop moet worden bewezen en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is.

Met betrekking tot de voorraden en inventaris

De rechtbank stelt vast dat de curator geen aangifte heeft gedaan ter zake het door [verdachte] niet verstrekken van inlichtingen of verstrekken van onjuiste inlichtingen over de voorraden en inventaris. De door de curator aan [verdachte] en [medeverdachte] gestelde vragen over de voorraden en inventaris zijn door hen, blijkens het gespreksverslag van 5 juni 2013, ook beantwoord. Nu ook overigens uit het dossier niet blijkt van het (opzettelijk) verstrekken van verkeerde inlichtingen met betrekking tot voorraden en inventaris door [verdachte] , acht de rechtbank dit onderdeel niet bewezen en zal zij [verdachte] hiervan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot de (namen van) transportbedrijven

Hoewel de curator van [verdachte] namen heeft gekregen van transportbedrijven die containers naar Irak zouden hebben verscheept, terwijl die bedrijven niet bij die verscheping betrokken zijn geweest, blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, verkeerde informatie heeft verschaft. De rechtbank zal [verdachte] van dit onderdeel dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot de politieaangiften

De rechtbank stelt vast dat de curator geen aangifte heeft gedaan van het door [verdachte] niet verstrekken van aangiften bij de politie met betrekking tot uit de boedel verdwenen goederen. Nu ook overigens uit het dossier niet blijkt van het (opzettelijk) verstrekken van verkeerde inlichtingen met betrekking tot voornoemde aangiften door [verdachte] , acht de rechtbank dit onderdeel niet bewezen en zal zij [verdachte] hiervan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot de personeelsleden werkzaam bij [bedrijf 1] BV

Hoewel de curator van [verdachte] informatie heeft verkregen over medewerkers van [bedrijf 1] BV, te weten een lijst met personeelsleden die niet geheel correct blijkt te zijn, kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat [verdachte] opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, verkeerde informatie heeft verschaft. De rechtbank zal hem ook van dit onderdeel vrijspreken.

Conclusie

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank niet bewezen wat aan [verdachte] onder 3 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek

De verdediging heeft verzocht om nader onderzoek naar de e-mailwisseling tussen de curator en [verdachte] over het in het dossier opgenomen – en van in rood weergegeven opmerkingen voorziene – gespreksverslag van het op 5 juni 2013 gehouden gesprek tussen onder meer [verdachte] , [medeverdachte] en de curator zelf.

Nu [verdachte] van het onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, komt de rechtbank aan bespreking van het verzoek van de verdediging niet toe.

4.3.4

Feit 4

Onder 4 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij, samen met anderen, opzettelijk twee Iveco Daily vrachtwagens en de voorraden en inventaris van [bedrijf 1] BV aan het pandrecht van [bedrijf 2] BV respectievelijk de Rabobank heeft onttrokken, of dat hij feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het plegen van deze onttrekkingen.

Het onttrekken van goederen aan het pandrecht is strafbaar gesteld in artikel 348 lid 1 Sr.

Met betrekking tot de twee Iveco Daily vrachtwagens

[verdachte] en [medeverdachte] hebben ontkend dat zij de twee vrachtwagens hebben meegenomen, of dat zij daartoe opdracht hebben gegeven.

Nu uit het dossier niet blijkt door wie de twee vrachtwagens zijn meegenomen is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat [verdachte] van dit onderdeel van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden.

Met betrekking tot de inventaris

[verdachte] en [medeverdachte] hebben eveneens ontkend dat zij inventaris van [bedrijf 1] BV hebben meegenomen, of dat zij daartoe opdracht hebben gegeven.

Uit het dossier blijkt dat de curator een zeer beperkte hoeveelheid bedrijfsmiddelen heeft aangetroffen in de panden van [bedrijf 1] BV aan [adres 2] en de [adres 3] . Dit betrof voornamelijk kantoormeubilair en magazijnstellingen. Gereedschappen en machines zijn niet aangetroffen. Niet gebleken is wie deze heeft meegenomen.

De rechtbank is om deze reden met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat [verdachte] ook van dit onderdeel van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden.

Met betrekking tot de voorraden

De rechtbank stelt voorop dat onder onttrekken van een goed aan het pandrecht als bedoeld in artikel 348 lid 1 Sr, niet alleen wordt verstaan een handeling die ten gevolge heeft dat het pandrecht niet langer uitgeoefend kan worden, maar ook een handeling die ertoe strekt de uitoefening van dat recht te beletten.5

De rechtbank leidt uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben op 21 april 2009 als wettelijk vertegenwoordigers van [bedrijf 1] BV een pandakte ondertekend waarin de BV ten behoeve van de Rabobank een pandrecht vestigde op (onder meer) ‘alle huidige en toekomstige voorraden’, tot zekerheid van betaling van de door de Rabobank aan de BV verstrekte leningen en kredieten. Op deze verpanding zijn de algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank 2008 van toepassing verklaard.

In de maanden februari en maart 2013 zijn meerdere containers met auto-onderdelen verscheept naar Irak. De opbrengst van die containers bedroeg ongeveer € 60.000,-- en is gebruikt om de schuld aan een Iraakse geldlener genaamd [naam 3] , af te betalen. Deze opbrengst is niet gebruikt om de schuld aan de Rabobank, die meer dan € 2.000.000,-- bedroeg, af te lossen.

De heer [medewerker Rabobank] , als accountmanager bijzonder beheer werkzaam bij de Rabobank, heeft namens de Rabobank aangifte gedaan van onttrekking aan het pandrecht van de voorraad auto-onderdelen die in containers naar Irak is verscheept.

De rechtbank acht bewezen dat [bedrijf 1] BV de auto-onderdelen die in containers naar Irak zijn verscheept heeft onttrokken aan het pandrecht van de Rabobank, nu de opbrengst van die auto-onderdelen niet op de rekening van [bedrijf 1] BV bij de Rabobank is gestort en niet is gebruikt om nieuwe voorraden aan te schaffen of de schuld van de BV aan de Rabobank af te lossen. De Rabobank kon door de levering/verkoop van deze voorraden aan auto-onderdelen niet langer haar pandrecht op die voorraden uitoefenen, terwijl de bank in de plaats van die voorraden geen nieuwe verhaalsmogelijkheid kreeg.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de tekst van de algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank 2008, waarin de verplichtingen van [bedrijf 1] BV als pandgever in geval van verkoop van voorraden nader waren omschreven, geen deel uitmaken van het dossier.

Dat storting van de verkoopopbrengst van de voorraden op de Rabo-rekening van [bedrijf 1] BV en/of het aanschaffen van nieuwe voorraden of aflossing van de lening van de Rabobank onderdeel was van de voorwaarden waaronder de verpanding van de voorraden heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank af uit de hiervoor genoemde aangifte namens de Rabobank en uit een brief van de Rabobank gericht aan [bedrijf 1] BV d.d. 15 april 2013. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang dat [verdachte] en [medeverdachte] , noch de raadsman, hebben gesteld dat die verplichting geen deel uitmaakte van de algemene voorwaarden.

De rechtbank overweegt verder dat [bedrijf 1] BV de voorraden als eigenaar in pand heeft gegeven aan de Rabobank, tot zekerheid van betaling van de door de Rabobank aan [bedrijf 1] BV verstrekte leningen en kredieten. [verdachte] en [medeverdachte] hebben daaraan feitelijk leiding gegeven.

[bedrijf 1] BV is de normadressaat van artikel 348 lid 1 Sr en de rechtbank begrijpt de (feitelijke invulling van de) tenlastelegging onder 4 na ‘OF’ aldus dat ten laste is gelegd dat [bedrijf 1] BV de onttrekking gepleegd heeft en dat [verdachte] , samen met [medeverdachte] , daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Op grond van vorenstaande overwegingen zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van het eerste deel van het onder 4 ten laste gelegde en zal het tweede deel (na ‘OF’) met betrekking tot de voorraden bewezen worden verklaard.

4.3.5

Feit 5

Onder 5 is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan verduistering van verlengkabels, een heftruck, een hefbrug, gereedschappen en een Porsche Cayenne, strafbaar gesteld in artikel 321 Sr.

Verduistering in de zin van art. 321 Sr betreft de wederrechtelijke toe-eigening van een goed dat men, anders dan door misdrijf, onder zich heeft. Van zodanig toe-eigenen is sprake, indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

Met betrekking tot de verlengkabels, de heftruck, de hefbrug en de gereedschappen

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen wat aan [verdachte] onder 5 is ten laste gelegd ten aanzien van de elektrische verlengkabels, de heftruck, de hefbrug en de gereedschappen, zodat zij hem van dit deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Met betrekking tot de Porsche Cayenne met kenteken [kenteken 3]

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op 29 maart 2013 op naam van [bedrijf 1] BV een financial leaseovereenkomst gesloten met de Volkswagen Bank te Amersfoort met betrekking tot een Porsche Cayenne met kenteken [kenteken 3] , met een maandelijkse betalingsverplichting voor de duur van 60 maanden. De eigendom van de auto zou na betaling van de laatste termijn overgaan op [bedrijf 1] BV. In artikel 7 van de lease-overeenkomst is bepaald dat bij faillissement van [bedrijf 1] BV de Volkswagen Bank het recht heeft om de leaseovereenkomst zonder nadere ingebrekestelling ontbonden te verklaren en zich weer in het bezit te stellen van de Porsche.

Begin april 2013 zijn [verdachte] en [medeverdachte] tezamen in deze Porsche naar Irak gereden. In de voorwaarden bij de leaseovereenkomst van de Porsche is geen bepaling opgenomen die het [bedrijf 1] BV verbiedt om de Porsche ook buiten Europa te gebruiken.

De Porsche is op 1 mei 2013 op naam van [medeverdachte] in Noord-Irak ingevoerd. [verdachte] heeft na het faillissement van [bedrijf 1] BV op 15 mei 2013 besloten dat de Porsche in Irak zou blijven en niet zou worden teruggebracht.

De rechtbank overweegt dat volgens de tenlastelegging de wederrechtelijke toe-eigening van de Porsche heeft plaatsgevonden te Almelo en/of elders in Nederland, in of omstreeks de periode van 14 september 2012 tot en met 15 mei 2013.

Uit het dossier blijkt echter niet dat [verdachte] en [medeverdachte] (reeds) in de periode tot en met de datum van het faillissement van [bedrijf 1] BV op 15 mei 2013, in Nederland, zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over de Porsche hebben beschikt. Niet bewezen is derhalve dat zij de Porsche in díe periode, en in Nederland, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend.

Dit is anders voor de periode ná het faillissement van [bedrijf 1] BV op 15 mei 2013, maar dat is niet aan [verdachte] ten laste gelegd.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [verdachte] ook van het onder 5 ten laste gelegde ten aanzien van de Porsche Cayenne moet worden vrijgesproken.

Het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek

De verdediging heeft verzocht om nader onderzoek naar het dossier over de Porsche dat is opgemaakt door [naam 1] , ter beantwoording van de vragen of de auto terug is bij de rechtmatige eigenaar en wie de persoon is geweest die de auto op 24 juni 2013 van [verdachte] heeft ingevorderd, als ook de gang van zaken rondom de volmacht tot repatriëring in het jaar 2016.

Nu [verdachte] van het onder 5 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, komt de rechtbank aan bespreking van dit verzoek van de verdediging niet toe.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de onder 1 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

dat aan hem, verdachte, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon,

als (feitelijk en indirect) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] BV, welke rechtspersoon bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Overijssel te Almelo op 15 mei 2013 in staat van faillissement is verklaard,

te wijten is dat in de periode van 3 april 2013 tot en met 5 juni 2013, te Almelo,

niet is voldaan aan de ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar geen maatregelen genomen om de administratie van voornoemde rechtspersoon te bewaren;

4.

[bedrijf 1] B.V., in de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 mei 2013 te Almelo,

opzettelijk haar toebehorende goederen, te weten

- de voorraden van [bedrijf 1] B.V. waarop ten gunste van de Rabobank Nederland een pandrecht was gevestigd, heeft onttrokken aan dat pandrecht,

immers heeft [bedrijf 1] BV voornoemde voorraden verkocht en verscheept naar Irak,

zulks terwijl hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander, telkens tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 342 (oud) en 348 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: tezamen en in vereniging met een ander als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn dat niet is voldaan aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht van een ander, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, daaraan feitelijk leiding en/of daartoe opdracht heeft gegeven.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van zestien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat gezien het forse tijdsverloop en overschrijding van de redelijke termijn geen gevangenisstraf wordt opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte [verdachte] treft het verwijt dat hij, tezamen met medeverdachte [medeverdachte] , onvoldoende maatregelen heeft genomen om de administratie van hun bedrijf [bedrijf 1] BV veilig te (laten) stellen, nadat hij samen met [medeverdachte] voor onbepaalde tijd was vertrokken naar Irak. [verdachte] en [medeverdachte] hebben zich na hun vertrek naar Irak op geen enkele wijze om de administratie van het in financiële problemen verkerende bedrijf bekommerd. Hiermee heeft [verdachte] de werkzaamheden van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] BV bemoeilijkt. Dit rekent de rechtbank hem aan.

Ook hebben [verdachte] en [medeverdachte] samen als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] BV de voorraden van het bedrijf die zij als eigenaar in pand hadden gegeven aan de Rabobank, tot zekerheid van betaling van de door de Rabobank aan [bedrijf 1] BV verstrekte leningen en kredieten, onttrokken aan dit pandrecht. Door de opbrengst van die voorraad (auto-onderdelen) niet te gebruiken om nieuwe voorraden aan te schaffen of de schuld van [bedrijf 1] BV aan de Rabobank af te lossen, maar een schuld bij een andere schuldeiser af te lossen, kon de Rabobank niet langer haar pandrecht op die voorraden uitoefenen, terwijl de bank in de plaats van die voorraden evenmin een nieuwe verhaalsmogelijkheid kreeg. Door deze handelingen heeft [verdachte] niet alleen bij de gedupeerde Rabobank financiële schade veroorzaakt, maar ook het vertrouwen tussen ondernemers dat van essentieel belang is voor een goed werkend handelsverkeer aangetast.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte [verdachte] van 4 maart 2021 blijkt dat hij niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank stelt daarnaast vast dat ook in de afgelopen acht jaren niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben door hun plotselinge vertrek naar Irak, hun in problemen verkerende bedrijf daarbij stuurloos achterlatend, de hand gehad in het faillissement van [bedrijf 1] BV. Daarbij hebben zij geen enkel oog gehad voor de belangen van hun zakenrelaties en personeel. De financiële puinhoop die zij hebben veroorzaakt en de nadelige gevolgen die zij in hun privé- en werkzame leven tot op de dag van vandaag nog ondervinden, hebben zij met hun handelen over zichzelf afgeroepen.

Daar staat tegenover dat in deze zaak sprake is geweest van een onwenselijk lang tijdsverloop. De rechtbank is van oordeel dat met dit tijdsverloop bij de straftoemeting en bepaling van de strafmodaliteit in het voordeel van verdachte rekening moet worden gehouden.

Als uitgangspunt geldt dat het geding – behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen – met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. Die termijn is in dit geval begonnen op 6 januari 2016 toen verdachte in verzekering is gesteld. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 12 april 2018. Op verzoek van de verdediging is toen besloten dat zeven getuigen gehoord zouden worden. Vervolgens is de zaak weer op 30 november 2020 op zitting aan-gebracht. Vanwege plotselinge verhindering van de raadsman is de zaak toen aangehouden en op de zitting van 12 april 2021 is de zaak uiteindelijk inhoudelijk behandeld. Op 26 april 2021 wordt uitspraak gedaan.

Aldus wordt vijf jaren en ruim drie maanden na de inverzekeringstelling van verdachte [verdachte] vonnis gewezen. Van deze periode zijn tenminste vier jaren niet aan de verdediging toe te rekenen. De conclusie dient dan ook te zijn dat de redelijke termijn met tenminste twee jaren is overschreden.

Gelet op de genoemde substantiële overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank in plaats van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf een taakstraf opleggen van 180 uren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht.

De rechtbank ziet in het feit dat in de afgelopen acht jaren niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten aanleiding om géén voorwaardelijke straf op te leggen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[bedrijf 4] BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.207,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit niet betaalde facturen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering van [bedrijf 4] BV moet worden afgewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 5 ten laste gelegde. Nu verdachte van het betreffende onderdeel van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de zinsnede onder feit 2 “- baten niet heeft verantwoord en/of”;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: tezamen en in vereniging met een ander als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn dat niet is voldaan aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht van een ander, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, daaraan feitelijk leiding en/of daartoe opdracht heeft gegeven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 4 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (eenhonderd en tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 4] BV (feit 5): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.

Buiten staat

Mr. Venekatte en mr. Wolting zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de districtsrecherche IJsselland, onderzoek Princenhof met nummer 04BRF-14024.

Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

1.

Een aangifte terzake van vermoedelijke faillissementsfraude, opgemaakt door mr. [curator] , curator in het faillissement van [bedrijf 1] BV, gedateerd 24 januari 2014, pagina 20, 21 en 22, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ondergetekende,

Naam: mr. [curator]

Kantooradres: [adres 5]

Postcode: [postcode 3]

Plaats: [plaats 2]

is bij vonnis van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo d.d. 15 mei 2013 aangesteld tot curator in het faillissement van:

Naam: [bedrijf 1] B.V.

Adres: [adres 3]

Postcode: [postcode 1]

Plaats: [plaats 1]

Inschrijvingsnummer KvK: [kvk-nummer]

Statutair gevestigd te: [plaats 1]

Faillissementsnummer: C/08/13/373 F

Deze aangifte richt zich tegen:

Naam: [medeverdachte]

Voorna(a)m(en): [medeverdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum 2]

Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] (Irak)

Nationaliteit: o.a. Nederlandse

Woonplaats : [geboorteplaats 2] , Irak (volgens GBA)

Adres

BSN: [bsn-nummer 1]

Functie: (feitelijk) bestuurder/ (middellijk) aandeelhouder

en/of

Naam: [verdachte]

Voorna(a)m(en): [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum 1] 1976

Geboorteplaats

Nationaliteit: o.a. Nederlandse

Woonplaats : [postcode 2]

Adres: [adres 4]

BSN: [bsn-nummer 2]

Functie: (feitelijk) bestuurder/ (middellijk) aandeelhouder

Met toestemming van de rechter-commissaris doe ik in mijn functie als curator van bovenstaande vennootschap aangifte van het feit dat (feitelijk) bestuurder(s) zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt c.q. medepleger dan wel medeplichtig zijn aan het plegen van:

- bedrieglijke bankbreuk (art. 341 jo. artikel 51, respectievelijk 343 Wetboek van Strafrecht),

In het zicht van het faillissement van bovenstaande vennootschap is er vermoedelijk niet voldaan aan de op hen rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie zoals genoemd in artikel 10 BW, Boek 2, lid 1.

De bestuurders hebben niet voldaan aan de boekhoudplicht. Ik heb bij [bedrijf 1] B.V. een zeer beperkt deel van de administratie aangetroffen welke hoofdzakelijk ziet op het jaar 2012. Volgens de heer [medeverdachte] en de heer [verdachte] zou de administratie over 2013 aanwezig moeten zijn op een computer welke op de locatie [adres 2] aanwezig zou zijn. Tevens zou de papieren administratie aldaar liggen volgens hen. Toen mijn faillissementsmedewerker, [faillissementsmedewerker] , in gezelschap van de heer [medeverdachte] en de heer [verdachte] zich naar die locatie heeft begeven werd echter geconstateerd dat de computer en de papieren administratie uit het pand was verdwenen. Er is geen back-up gemaakt van de harde schijf van de computer.

2.

Een vonnis van de Rechtbank Overijssel tot faillietverklaring van [bedrijf 1] BV, gedateerd 15 mei 2013, met benoeming van mr. [curator] tot curator, pagina 24 en 25.

3.

Een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel inschrijving bij de Kamer van Koophandel van 18 april 2013, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 83:

[afbeelding]

4.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [medewerker Rabobank] van 5 januari 2016, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 109:

Op 3 april 2013 is door [verdachte] nog gevraagd om een Visa card. Hij had overigens al een creditcard bij de Rabobank. [verdachte] gaf aan dat hij zou afreizen naar Turkije en Irak.

Op 8 april 2013 begint de ellende. De inspecteur van Interpolis die bij het in aanbouw zijnde pand op de nieuwe lokatie was, belde naar de Rabobank dat [verdachte] niet op de afspraak was. De accountant, [naam 7] , belde die dag ook dat het bedrijf dicht is en dat de ondernemers zijn vertrokken naar Irak.

5.

Het schriftelijk bescheid, te weten een vertrouwelijk schrijven inhoudende ‘een opzegging financiering’ van 15 april 2013, opgemaakt door [medewerker Rabobank] van Rabobank, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 114 – 115:

De bank heeft geconstateerd dat u de aan de bank verpande roerende zaken heeft onttrokken aan de onderneming. Daarbij is de verkoopopbrengst niet aangewend voor aflossing van de bancaire financiering. Uw handelen van de afgelopen periode kwalificeert als het onttrekken van zaken aan het pandrecht van onze bank zoals bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Strafrecht.

Onze bank zal bij de justitiële autoriteiten aangifte doen.

Bovendien heeft u aangegeven uw bedrijfsactiviteiten te staken en het faillissement aan te

willen vragen. Wij verwijzen hiervoor o.a. naar uw e-mails van 8 en 10 april jl..

Op grond van het bovenstaande zeg ik u bij deze dan ook de verstrekte financiering met

onmiddellijke ingang op en sommeer ik u per direct aan onze bank te voldoen al hetgeen zij van u te vorderen heeft.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 22 juni 2015, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende, pagina 311 - 313:

Volgens de gegevens van de curator hebt U gewerkt voor [bedrijf 1] (hierna te

noemen [bedrijf 1] ). Het bedrijf is failliet gegaan en we willen van U graag een getuigenverklaring opnemen inzake het reilen en zeilen van dit bedrijf.

Wanneer bent U komen werken op het bedrijf?

Dat was in 2009. lk heb er 4 jaar gewerkt.

Wie waren de bestuurders?

Dit waren [verdachte] en [medeverdachte] .

Wie had de dagelijkse leiding op het bedrijf?

[verdachte] eigenlijk. [verdachte] was meer onderweg en [medeverdachte] was meer achter op de werkplaats.

Wie hield de boekhouding bij?

Op het laatste was dat [naam 4] . Daarvoor zijn er wel diverse anderen geweest, maar die namen weet ik niet meer.

Waar werd de administratie binnen [bedrijf 1] bewaard?

Op kantoor in de kast. Daar stonden alle mappen. De administratie van de afgesloten jaren die stonden in het magazijn naast de trap.

Ik weet wel dat ik in de week na de Pasen vrij kon krijgen. [verdachte] vertelde dat ze aan het

verhuizen waren en dat we wel vrij konden nemen. Ze gingen alles verhuizen naar het nieuwe pand. Op dat moment zat alles nog aan [adres 2] . Toen ik twee weken later na mijn vakantieverlof weer op het bedrijf aan [adres 2] , stonden er

een stuk of vier mensen voor de deur. Dit waren allemaal mensen die nog geld tegoed hadden. Alles wat er voor mijn vakantie nog stond was weg. Op het terrein stonden nog een paar auto. Al het metaal was weg, maar de planken lagen er nog. Voor de vakantie was alles er nog. Er stonden nog een ca. 50 auto's denk ik.

Waar was het bedrijf gevestigd?

Eerst aan [adres 2] . Het zou gaan verhuizen naar de [adres 3] .

7.

Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 6 januari 2016, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 329, 331:

Vraag: U was bestuurder van [bedrijf verdachte] BV. Waren er nog meer mensen werkzaam voor deze holding?

Antw.: Nee ik was de enige.

Vraag: Welke werkzaamheden werden binnen het bedrijf [bedrijf 1] BV gedaan, wat was de corebusiness?

Antw.: Het inkopen van schade en demontage auto's en in beslag genomen auto's. Demonteren en sorteren van automaterialen. Sorteren van staal glas kunststof en accu's en brandstof. Verkoop van deze materialen aan erkende [bedrijf 7] . Verkoop van bruikbare auto onderdelen.

Vraag: Wie waren de bestuurder van dit bedrijf? Wie waren de aandeelhouders?

Antw.: [medeverdachte] en ik.

Vraag: Wie gaf er leiding binnen het bedrijf tot aan het faillissement?

Antw.: Allebei.

Vraag: Wat was uw rol?

Antw.: Ik had de kontakten binnen Nederland en de inkoop van de auto's.

Vraag: Wat was de rol van dhr [medeverdachte] ?

Antw.: Hij het proces van demontage, werkplaats technisch en de kontakten met Irak.

Vraag: Hoe zat de administratieve organisatie van [bedrijf 1] B.V. in elkaar?

Antw.: Wij hebben een accountant. Bij ons op kantoor zat een administratieve kracht die de nota's inboekte. Dit waren wisselende krachten. Wij werkten met een computersysteem waar ook de accountant on line inzicht in had. Hij maakte vervolgens de jaarrekeningen op.

Vraag: Wie beheerde de bankrekeningen van [bedrijf 1] B.V.?

Antw.: Zowel [medeverdachte] als ik.

Vraag: Wie deed de betalingen, overboekingen?

Antw.: Meestal ik.

Vraag: Wie deed de boekhouding?

Antw.: Meestal ik met 2 dames, [naam 5] en [naam 4] .

Vraag: Hoe werd de boekhouding bijgehouden?

Antw.: Via een boekhoudprogramma.

Vraag: Waar is de boekhouding gebleven?

Antw.: Het fysieke in ons kantoor, [adres 2] .

Vraag: Wie had er belang bij de boekhouding van Uw onderneming?

Antw.: De accountant en de belastingdienst. Alleen eind 2012 heb ik nieuwe software gekocht voor onze administratie. Dat was heel specifieke programma voor autodemontage bedrijven. Vanaf 2008 waren wij een KIWA gecertificeerd bedrijf.

Vraag: Op 01-08-2012 treedt [bedrijf verdachte] BV uit als bestuurder van [bedrijf 1] BV. Waarom trad Uw holding uit als bestuurder?

Antw.: Ik wist niet dat ik uit het bedrijf ging dat was feitelijk ook niet zo. lk denk dat het komt doordat ik mij uitgeschreven uit Nederland. lk was echt nog wel betrokken bij het bedrijf en mijn werkzaamheden veranderden niet.

8.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 april 2021, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte [verdachte] :

Nadat ik op 30 maart 2013 hoorde dat mijn vrouw en kinderen, die in Irak verbleven, plotseling met een onbekende bestemming zijn vertrokken, heb ik besloten om naar Irak te vertrekken om met hulp van [medeverdachte] naar mijn gezin te zoeken. [medeverdachte] en ik zijn vervolgens gezamenlijk begin april 2013 met de Porsche Cayenne met kenteken [kenteken 3] naar Irak gereden.

Ik was helemaal kapot. Ik heb contact gehad met de bank en de accountant. Ik heb gezegd tegen de bank dat ik mijn verplichtingen voor [bedrijf 1] BV niet langer kan vervullen.

Ik kon niets doen voor het bedrijf toen. Om iemand anders te vinden om het bedrijf te runnen was onmogelijk omdat er zoveel problemen bij elkaar kwamen. De Dienst Domeinen die andere regels hanteerde en de problemen met de bouw. Ik heb gezegd dat ik het niet red en dat ik niet goed mijn functie meer kan doen als directeur.

Ik heb geen contact gezocht met medewerkers of familie in Nederland om te spreken over [bedrijf 1] BV in de periode dat [medeverdachte] en ik in Irak waren.

Ik vernam van het faillissement van [bedrijf 1] BV in de krant. Toen heb ik contact met de curator [curator] gehad. Ik was toen in Irak. Iedereen liet mij die krant zien.

Ten aanzien van feit 4:

1.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [medewerker Rabobank] van 5 januari 2016, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 109 en 110:

De aangever verklaarde:

lk wens aangifte te doen van onttrekking aan een pandrecht. Hieromtrent kan ik U het volgende

verklaren:

Vastlegging pandrecht.

Ten behoeve van de financieringen is in 2009 de pandakte opgemaakt en ondertekend. Er was al een eerdere pandakte, echter de VOF omgezet in een BV en daarom zijn er nieuwe aktes

ondertekend voor de BV. De betreffende documenten aangaande de verpanding zijn bij deze aangifte gevoegd. In deze documenten is te lezen dat alle vorderingen, inventaris en voorraden onder het pandrecht van de Rabobank vallen.

Onttrekking voorraad aan het pandrecht

Volgens de cijfers van 2012 moet er voor een waarde van zo'n € 500.000 euro aan voorraad zijn geweest. Er was nog maar een minieme voorraad aanwezig.

[verdachte] heeft ook verklaard dat hij eind maart de voorraad deels heeft verscheept naar Irak. [verdachte] gaf te kennen dat hij een geldlening van € 150.000 had verkregen in Irak.

Volgens [verdachte] is met de verscheping van de voorraad naar Irak, de geldlening afgelost. Dit zou gewoon verkocht zijn en er zouden facturen van moeten zijn. De Rabobank ziet deze verscheping echter als onttrekking van goederen aan het pandrecht. Kort hierna is [verdachte] namelijk zelf ook naar Irak vertrokken. Hij en [medeverdachte] hebben [bedrijf 1] stuurloos achtergelaten en [bedrijf 1] is kort daarna failliet gegaan.

2.

Het schriftelijk bescheid, te weten een ‘verpanding’ opgemaakt op 21 april 2009, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 164 – 167:

Pandgever:

[bedrijf 1] B.V.

hierna (zowel samen als ieder afzonderlijk) te noemen: pandgever.

Bank:

[Rabobank]

hierna (zowel samen als ieder afzonderlijk) te noemen: bank.

Verklaren te zijn overeengekomen:

Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van debiteur de pandgever voor zover in deze akte niet anders genoemd, hierna (zowel samen als ieder afzonderlijk) te noemen: debiteur,

te vorderen heeft of te vorderen mocht hebben uit hoofde van:

- verstrekte en/of te verstrekken geldleningen;

- verleende en/of te verlenen kredieten;

- ten behoeve van haar gestelde en/of te stellen borgtochten of contragaranties;

- door haar afgegeven en/of af te geven borgtochten en/of (bank)garanties;

- huidige en/of toekomstige parallelle schulden jegens de bank als zekerhedenagent;

- huidige en/of toekomstige regresvorderingen;

- huidige en/of toekomstige vorderingen krachtens subrogatie;

- huidige en/of toekomstige financiële instrumenten, waaronder mede begrepen derivatencontracten, en/of

- uit welke hoofde dan ook;

vestigt de pandgever zoals overeengekomen ten behoeve van de bank een pandrecht op het navolgende onderpand.

2. Alle huidige en toekomstige voorraden

Algemene voorwaarden

Op deze overeenkomst zijn — voor zover niet anders is overeengekomen — van toepassing:

a. de Algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank 2008;

Datum ondertekening: 21-4-2009

3.

Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 6 januari 2016, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 333, 335:

lk heb voor ongeveer € 60.000,-- aan auto’s die nog gesloopt moesten worden verkocht aan mijn leverancier in Irak. Met de € 60.000 heb ik mijn schuld betaald aan de leverancier in Irak die mij een lening had verstrekt.

Vraag: Op 30 maart 2013 zijn volgens de vrachtbrief (bill of lading) 3 containers met auto-onderdelen opgeladen op een schip genaamd [naam 8] in Rotterdam. Opdrachtgever was [bedrijf 1] B.V. Waar zijn deze onderdelen naar toe gegaan?

Antw.: Zoals ik al verklaard heb naar Irak.

Vraag: Op 08 april 2013 is volgens de vrachtbrief (bill of lading) 1 container met auto-onderdelen opgeladen op een schip genaamd [naam 9] in Rotterdam. Opdrachtgever was [bedrijf 1] B.V. Waar zijn deze onderdelen naar toe gegaan?

Antw.: Deze is ook naar Irak gegaan. Er zijn in totaal 5 of 6 containers in die periode naar Irak verscheept naar [Rabobank] .

Vraag: Op 13 april 2013 is volgens de vrachtbrief (bill of lading) 1 container met auto-onderdelen opgeladen op een schip genaamd [naam 10] in Rotterdam. Opdrachtgever was [bedrijf 1] B.V. Waar zijn deze onderdelen naar toe gegaan?

Antw.: Zie vorig antwoord.

Vraag: In de periode februari maart 2013 is er o.a. een Turkse vrachtwagen geweest die een container met onderdelen kwam ophalen. Waarheen heeft die Turkse vrachtwagen de container vervoerd?

Antw.: Dat klopt. Deze container is ook naar [Rabobank] gegaan.

4.

Het schriftelijk bescheid, te weten een vertrouwelijk schrijven inhoudende ‘een opzegging financiering’ van 15 april 2013, opgemaakt door [medewerker Rabobank] van Rabobank, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 114 – 115:

De bank heeft geconstateerd dat u de aan de bank verpande roerende zaken heeft onttrokken aan de onderneming. Daarbij is de verkoopopbrengst niet aangewend voor aflossing van de bancaire financiering. Uw handelen van de afgelopen periode kwalificeert als het onttrekken van zaken aan het pandrecht van onze bank zoals bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovendien heeft u aangegeven uw bedrijfsactiviteiten te staken en het faillissement aan te

willen vragen. Wij verwijzen hiervoor o.a. naar uw e-mails van 8 en 10 april jl..

Momenteel kan uw schuld als volgt worden gespecificeerd:

a. uit hoofde van lening nummer [nummer 1]

-restant-hoofdsom EUR 575.000,04

- lopende rente tot en met de voldoening p.m.

- boeterenten p.m.

b. uit hoofde van lening nummer [nummer 2]

- restant-hoofdsom EUR 600.000,--

-lopende rente tot en met de voldoening p.m.

-boeterenten p.m.

c. uit hoofde van lening nummer [nummer 3]

- restant-hoofdsom EUR 150.000,--

- lopende rente tot en met de voldoening p.m.

- boeterenten p.m.

d. uit hoofde van lening nummer [nummer 4]

- restant-hoofdsom EUR 566.666,70

- lopende rente tot en met de voldoening p.m.

-boeterenten p.m.

e. uit hoofde van lening nummer [nummer 5]

-restant-hoofdsom EUR 114.782,--

- lopende rente tot en met de voldoening p.m.

-boeterenten p.m.

f. uit hoofde van lening nummer [nummer 6]

- restant-hoofdsom EUR 91.250,--

- lopende rente tot en met de voldoening p.m.

- boeterenten p.m.

g. uit hoofde van rekening-courant nummer [nummer 7]

- debetsaldo EUR 97.697,96

- lopende rente en kosten p.m.

h. buitengerechtelijke incassokosten p.m.

totaal te voldoen EUR 2.195.396,70

te vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 27 januari 2016 , zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 355, 357:

De Rabobank heeft ons geld geleend. lk was soms wel aanwezig bij gesprekken bij de bank, maar [verdachte] hield zich daar voornamelijk mee bezig. lk moest vaak wel een handtekening zetten. [verdachte] had me dan wel uitgelegd waar het over ging.

Vraag: In die periode maart/april 2013, dat is de periode dat het bedrijf zou verhuizen van de

[adres 2] naar de [adres 3] in Almelo, werden veel zaken/auto onderdelen verscheept naar

Irak. Waarom was dat?

Antw.: Dat was export. Soms gingen er twee containers per maand naar Irak. Soms was

het er 1 meer en soms 1 minder. Wij moesten in die periode ook die klant uit Irak betalen die

de geldlening had gegeven. Die wilde voor de lening wel onderdelen/ oud ijzer terug.

1 Wet van 8 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude), Stb. 2016, 154.

2 Tweede Kamer, 2013-2014, 33994, nr. 3, p. 17.

3 Hoge Raad 9 februari 2010, LJN BI4691, NJ 2010, 104; Hoge Raad 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54.

4 Gerechtshof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:GHDHA:2015:1752.

5 Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:965.