Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1717

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
08-710034-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. De man was in het bezit van verschillende verboden wapens en munitie. Ook droeg hij op twee date de verboden munitie over aan iemand anders. Onderzoek Macan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-710034-18 (P)

Datum vonnis: 26 april 2021.

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 augustus 2018, 9 oktober 2018, 20 december 2018, 5 november 2019 en 13 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A. Schotman en van wat door de raadsvrouw van verdachte, mr. J. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht. Verdachte is niet verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 3 mei 2018 tot en met 8 mei 2018 wapens van categorie II (een geweer met afgezaagde loop en kolf, een stroomstootwapen en pepperspray) en categorie III (een karabijn en revolver) en een grote hoeveelheid munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

feit 2:

op 2 mei 2018 munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad en overgedragen aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;

feit 3:

op 23 april 2018 munitie van cat. II en/of III voorhanden heeft gehad en overgedragen aan [medeverdachte 2] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 3 mei 2018 tot en met 8 mei 2018 te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek, in elk geval in Nederland, voorhanden heeft gehad

een wapen van categorie II onder 3, te weten een geweer met een afgezaagde loop en/of afgezaagde kolf en/of

een wapen van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht en/of

een wapen van categorie II onder 6, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen en/of

een of meer wapen(s) van categorie III onder 1, te weten een karabijn en/of een revolver en/of

(een grote hoeveelheid) munitie van categorie III (groot en klein kaliber), te weten ongeveer 76 hagelpatronen en/of 283 knalpatronen en/of 1863 kogelpatronen;

2

hij op of omstreeks 2 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;

3

hij op of omstreeks 23 april 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 2] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek dat ‘Macan’ is genoemd.

Naar aanleiding van bevindingen uit eerdere strafrechtelijke onderzoeken, te weten de onderzoeken genaamd Waspompoen, Buchanan en Gokker, TCI-informatie en diverse MMA-meldingen is op 18 september 2017 het strafrechtelijk onderzoek Macan gestart. Het onderzoek richtte zich op de handel in verdovende middelen en in vuurwapens op in eerste instantie - onder meer - medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Medeverdachte [medeverdachte 2] wordt in het dossier ook [medeverdachte 2] , ‘ [medeverdachte 2] ’, of ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ genoemd.

Tijdens het opsporingsonderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd, gevoerd door onder meer [medeverdachte 2] in de periode 11 oktober 2017 tot en met 4 mei 2018, met het telefoonnummer [telefoonnummer] . De woordelijke uitwerking daarvan is gevoegd in de relevante zaakdossiers.

Daarnaast zijn in de periode van 14 december 2017 tot 4 mei 2018 beelden opgenomen met camera’s, die zicht hadden op de woning van [medeverdachte 2] en zijn buurman, medeverdachte [medeverdachte 3] . Prints van die camerabeelden zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers. Ook is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), waarvoor een machtiging is afgegeven voor de woning en de auto van [medeverdachte 2] . Op 11 april 2018 is OVC-apparatuur geplaatst in zijn woning aan [adres 2] te Zwolle. Tot en met 4 mei 2018 zijn gesprekken opgenomen. Van die (OVC-)gesprekken zijn processen-verbaal opgemaakt. Ook deze zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers van de verdachten. Op basis van de afgeluisterde telefoon- en OVC-gesprekken bleek dat [medeverdachte 2] dagelijks contact had met diverse personen.

Op 23 en 30 april 2018 en 2 mei 2018 vonden in de woning van [medeverdachte 2] gesprekken plaats waaraan [medeverdachte 2] en [naam 1] , [naam 2] en [verdachte] , verdachte, deelnamen.1 De gesprekken leken over de verkoop van munitie door verdachte aan [medeverdachte 2] te gaan.2 Op camerabeelden van 2 mei 2018 was te zien dat verdachte de woning van [medeverdachte 2] binnengaat en dan een zwarte tas bij zich draagt. Op de beelden werd verder gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] de woning van [medeverdachte 2] een paar minuten later verlaat met een soortgelijke zwarte plastic tas als de zwarte tas die verdachte meebracht. Verder was te zien dat verdachte vijf minuten later de woning van [medeverdachte 2] verlaat zonder tas.3

De onderzoeksresultaten hebben geleid tot de aanhouding van de verdachte op 3 mei 2018. Direct na de aanhouding heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte, op het adres [adres 1] , alsmede in een schuur en een loods bij deze woning. In de woning en omliggende schuren werden diverse wapens en munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. 4

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op basis van de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat verdachte erkent de ten laste gelegde feiten te hebben begaan. De raadsvrouw heeft geen verweren naar voren gebracht.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten tijdens zijn verhoren heeft bekend en ter terechtzitting door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen5.

Ten aanzien van de feiten 1, en 2 en 3:

 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 5 mei 2018 voor zover inhoudende de bekennende verklaringen van verdachte ten aanzien van feit 1, 2 en 3 (pag. 90 – 99, in het bijzonder pag. 94 halverwege tot en met pag. 98;

 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte 7 mei 2018 (pag. 247 – 251, in het bijzonder pag. 248 halverwege en onderaan, pag. 249 en pag. 250 halverwege en onderaan);

 Het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en gesloten op 5 mei 2018 (pag. 274 – 275);

 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van eenheid Oost Nederland, opgemaakt en gesloten op 4 mei 2018, over het aantreffen van een pistool en dozen met munitie in een schuur en een loods bij de woning van verdachte, op aanwijzing van verdachte (pag. 277 – 278).

En, ten aanzien van feit 1:

 Een kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot de inbeslagname dozen met diverse hoeveelheden patronen, en een pistool - (pag. 51 – 53);

 Een kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot de inbeslagname van een stroomstootwapen, en dozen munitie (pag. 54 – 57);

 Een kennisgeving van inbeslagneming, met betrekking tot de inbeslagname van dozen met verschillende hoeveelheden en soorten munitie en een vuurwapen (karabijn) (pag. 58 – 63);

 Een kennisgeving van inbeslagneming, met betrekking tot de inbeslagname patronen voor een geweer en een doos met 24 stuks patronen Rws Subsonic Hp (pag. 64 – 65);

 Het proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’ van verbalisant [verbalisant 4] met als bijlagen fotobladen, met betrekking tot inbeslaggenomen munitie, gesloten op 25 mei 2018 (pag. 185 – 198);

 Het proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’ van verbalisant [verbalisant 4] met als bijlagen fotobladen, met betrekking tot een inbeslaggenomen vuurwapen/ kogelgeweer, gesloten op 25 mei 2018 (pag. 199 – 202);

 Het proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’ van verbalisant [verbalisant 4] met als bijlagen fotobladen, met betrekking tot een inbeslaggenomen revolver, gesloten op 29 mei 2018 (pag. 203 – 204);

 Het proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’ van verbalisant [verbalisant 4] met als bijlagen fotobladen, met betrekking tot een inbeslaggenomen dubbelloops vuurwapen met een ingekorte loop / kolf, gesloten op 29 mei 2018 (pag. 207 – 210).

En, ten aanzien van de feiten onder 2 en 3:

 Het proces-verbaal van uitwerken OVC-gesprek van 23 april 2018, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , van politie Eenheid Oost Nederland, gesloten op 15 oktober 2018 (pag. 19 – 23, in het bijzonder: pag. 19 onderaan, en 20 en 23 );

 Het proces-verbaal van uitwerken OVC-gesprek van 2 mei 2018, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , van de politie Eenheid Oost Nederland, gesloten op 16 oktober 2018 (pag. 33 – 48, in het bijzonder: pag. 37 vierde alinea en onderaan, pag. 38 en pag. 39 bovenaan);

 Het proces-verbaal Identiteitsvaststelling, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] en gesloten op 22 mei 2018 (pag. 164 – 165).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 3 mei 2018 tot en met 8 mei 2018 te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek, voorhanden heeft gehad

 een wapen van categorie II onder 3, te weten een geweer met een afgezaagde loop en afgezaagde kolf en

 een wapen van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht en

 een wapen van categorie II onder 6, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen en

 meer wapen(s) van categorie III onder 1, te weten een karabijn en een revolver en

 een grote hoeveelheid munitie van categorie III (groot en klein kaliber), te weten ongeveer 76 hagelpatronen en 283 knalpatronen en 1863 kogelpatronen;

2

hij op 2 mei 2018 te Zwolle munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;

3

hij op 23 april 2018 te Zwolle munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 2] ;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 26 en 31 van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie, meermalen gepleegd.

feit 2 en feit 3:

telkens het misdrijf

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 31 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging behalve met de aard en ernst van de gepleegde feiten rekening te houden met het tijdsverloop, de proceshouding van haar cliënt - die zich tijdens de verhoren open en eerlijk heeft opgesteld - en artikel 63 Sr.

Verdachte heeft aangegeven ‘schoon schip’ te willen maken.

De recente adviezen van de reclassering maken weliswaar melding van het feit dat hij zich niet steeds aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden maar hij is geen kwade jongen en verdient, ondanks alles, toch een nieuwe kans.

De raadsvrouw heeft verder verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de langdurige periode van het voorarrest, ongeveer zeven en een halve maand. Zij heeft gepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een karabijn en revolver (wapens van categorie III), een geweer met afgezaagde loop en kolf, een stroomstootwapen en pepperspray (wapens van categorie II) alsook aan het voorhanden hebben van een (zeer) grote hoeveelheid munitie van categorie III. Daarnaast heeft verdachte op twee verschillende data munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad en overgedragen aan een derde.

Het illegaal voorhanden hebben en overdragen van wapens en munitie brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van de samenleving met zich mee. Bovendien veroorzaakt het voorhanden hebben van (vuur-)wapens en munitie bij hen, die daarmee onverwacht en ongewild worden geconfronteerd, hevige gevoelens van angst en onveiligheid. De ernst van de feiten geldt hier temeer nu verdachte niet alleen munitie in bezit heeft gehad maar tevens aan anderen heeft overgedragen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstige feiten en acht het handelen van verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van de LOVS.

Gelet op de aard en ernst van de feiten, en de hoeveelheid wapens en munitie die verdachte voorhanden heeft gehad acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf.

De rechtbank houdt bij de hoogte daarvan rekening met een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie van 5 maart 2021, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten waaronder óók soortgelijke feiten. Tijdens het plegen van de huidige feiten liep hij bovendien in een proeftijd.

De rechtbank houdt rekening met artikel 63 Sr, nu verdachte op 14 augustus 2020 en op 17 september 2020 is veroordeeld.

Ten aanzien van de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden houdt de rechtbank verder rekening met de zich in het dossier bevindende, meest recente, adviezen van de reclassering, opgemaakt in het kader van onder meer het schorsingstoezicht in onderhavige zaak van 19 februari 2021 en 24 maart 2021 alsook met de verklaring van de getuige-deskundige T.J. Otten van de reclassering ter terechtzitting op 13 april 2021.

Uit genoemde voorlichting blijkt dat in de periode van de schorsing van de voorlopige hechtenis - in de loop van 2020 en 2021 - sprake is van een negatieve spiraal.

Nadat in de eerste helft van 2020 het contact tussen de reclassering en verdachte positief is gestart, is daar in de tweede helft van 2020 verandering in gekomen.

Verdachte werkte aanvankelijk mee aan een aanmelding voor een plek bij ‘Beschermd wonen’ in Deventer. Tijdens de intake echter gaf hij ineens aan niet mee te willen werken aan begeleid wonen, omdat hij naar eigen zeggen zijn moeder niet alleen wilde laten en niet tussen ‘de gekken’ wilde wonen.

De instelling, Forence, heeft verdachte geadviseerd om eerst te gaan werken aan agressieregulatie, zo nodig in een klinisch kader. Verdachte is daar echter niet toe bereid.

De motivatie van verdachte voor gedragsverandering blijkt in geval van tegenslag snel te kunnen omslaan.

Er is sprake van alcoholmisbruik. In de loop van 2020 heeft hij tweemaal een officiële waarschuwing gekregen; in april 2020 wegens het zich onvoldoende inzetten met betrekking tot het tot stand komen van een behandeling bij Transfore (bijzondere voorwaarde onder parketnummer: 08.710034-18) en op 30 oktober 2020 vanwege het niet meewerken aan de meldplicht en een urinecontrole en wegens ongewenst gedrag naar de toezichthouder. Op 14 januari 2021 liet verdachte op dwingende toon weten niet te zullen verschijnen voor de meldplicht en urinecontrole; dit terwijl het resultaat van een eerdere urinecontrole positief was op zowel alcohol als cocaïnegebruik. Op 12 februari 2021 meldde hij zich ziek voor een afspraak; later bleek evenwel dat hij vastzat op verdenking van diefstal.

Tijdens één van de laatste afspraken heeft verdachte laten weten dat hij niet meer wil meewerken aan het verbod op middelengebruik, omdat hij alcohol als pijnbestrijding gebruikt. Ten aanzien van het advies om hierover een psychiater te consulteren toonde verdachte zich ambivalent. Eind 2020/ begin 2021is duidelijk geworden dat sprake is van ADHD; mede hierdoor handelt verdachte vaak impulsief.

In het meest recente advies van 24 maart 2021 en ter terechtzitting heeft de toezichthouder van de reclassering laten weten dat alle pogingen tijdens het toezicht om te komen tot interventies tot niets hebben geleid. Verdachte was tijdens de laatste drie afspraken verbaal agressief. De reclassering schat het risico op recidive en letselschade als hoog in en het risico op het zich onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld.

De reclassering acht het toezicht op de schorsingsvoorwaarden niet langer uitvoerbaar en adviseert de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten slotte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn tijdens de procedure in eerste aanleg.

In aanmerking genomen de datum van aanhouding - op 3 mei 2018 - , de (redelijke) termijn voor een berechting van twee jaar, en de datum van het onderhavige vonnis is in dit geval sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een periode van bijna 12 maanden.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, in samenhang bezien - in het bijzonder gelet op de ernst van de gepleegde feiten en de gebleken recidive - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank zal daarnaast de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 55 van de Wet wapens en munitie, en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie, meermalen gepleegd.

feit 2 en feit 3:

telkens het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 31 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing schorsing voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en mr. D ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op: 26 april 2021.

1 Proces-verbaal van ‘Verdenking 1’ pag. 144 – 163, i.h.b. pag. 144 onderaan.

2 Proces-verbaal van ‘Verdenking 1’, pag. 144 onderaan.

3 Het proces-verbaal van ‘Verdenking 1’, pag. 156 onderaan en 157 bovenaan.

4 Het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en gesloten op 5 mei 2018 (pag. 274 – 275), en het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van eenheid Oost Nederland, opgemaakt en gesloten op 4 mei 2018, over het aantreffen van een pistool en dozen met munitie in een schuur en een loods bij de woning van verdachte, op aanwijzing van verdachte (pag. 277 – 278).

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit - tenzij anders vermeld - pagina’s uit het proces-verbaal van verdachte in het onderzoek ‘Macan’ van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, met nummer PL0600-2018191040. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.