Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1714

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
08/206755-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 20-jarige man tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man pleegde samen met zijn mededaders openlijk geweld, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep. Naast de gevangenisstraf moet hij ruim 1.200 euro betalen.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2021:1710 ECLI:NL:RBOVE:2021:1720 ECLI:NL:RBOVE:2021:1721

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/206755-20 (P)

Datum vonnis: 26 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats] (Marokko),

zonder bekende vast woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 april 2021. De zaak is aangebracht op de zitting van de politierechter van 21 december 2020. De politierechter heeft op die zitting de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor strafzaken.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van hetgeen namens verdachte door de raadsman mr. E. van de Pol, advocaat te Diemen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 augustus 2020 in Enschede openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te Enschede openlijk, te weten, op Het Bijvank, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een [slachtoffer] immers heeft hebben verdachte en/of zijn mededaders

-met een of meer mes(sen), althans (een) daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en)

-meerdere malen, althans eenmaal, met een of meer mes(sen), althans (een) daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) zwaaiende en/of snijndende den/of stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en/of

-die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en/of (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met een of meer mes(sen), althans (een) daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in het bovenlichaam en/of het onderlichaan gestoken en/of gesneden, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd geschopt/getrapt en/of op het hoofd gestampt en/of op/tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Voor de gebeurtenissen op 10 augustus 2020 zijn vier verdachten gedagvaard. Aan verdachte (verder [verdachte] ) en medeverdachten [medeverdachte 1] (verder [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (verder [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (verder [medeverdachte 3] ) is het plegen van openlijk geweld ten laste gelegd. Aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is daarnaast de verdenking van (primair) een poging tot doodslag en (subsidiair) een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd. Zij allen zijn verdachte in dit onderzoek.

4.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. De voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

Op 10 augustus 2020 omstreeks 14.10 uur kreeg de politie een melding dat er een vechtpartij gaande was aan het Bijvank in Enschede tussen zes personen en dat daarbij messen werden gebruikt. In zijn vrije tijd was verbalisant [verbalisant 1] al ter plaatse en hij heeft het incident deels gefilmd. Na afloop van de vechtpartij zijn verdachten weg gereden in een Volkswagen Golf met Belgisch kenteken toebehorend aan [medeverdachte 2] .

Het slachtoffer [slachtoffer] (verder [slachtoffer] ) is na de vechtpartij door de politie aangetroffen met fors lichamelijk letsel. Hij is naar het ziekenhuis gebracht.

Kort na de vechtpartij zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in Enschede aangehouden in de Volkswagen van [medeverdachte 2] . In de auto zijn twee bebloede messen aangetroffen.

4.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.4

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar tot een bewezenverklaring van openlijk geweld kan worden gekomen, maar dat niet bewezen kan worden dat verdachte een mes heeft gehanteerd en evenmin dat dit een ‘scherp of puntig’ voorwerp is geweest, zodat verdachte op die onderdelen van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

4.5

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

[slachtoffer] en [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] hebben uiteenlopende verklaringen afgelegd over de (aanleiding van de) gebeurtenissen op 10 augustus 2020. Van een groot deel van de gebeurtenissen is een video-opname gemaakt. De rechtbank heeft ter terechtzitting deze camerabeelden, die onderdeel uitmaken van het proces-verbaal, afgespeeld. De rechtbank heeft zelf waargenomen wat daarop te zien is en heeft dit ter zitting aan de orde gesteld. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het proces-verbaal waarin de camerabeelden door de politie worden beschreven, overeenkomt met de waarneming van de rechtbank ter zitting, met dien verstande dat de rechtbank ter zitting ook heeft waargenomen dat [medeverdachte 2] met een mes in zijn handen twee stekende bewegingen heeft gemaakt in het bovenbeen/de bil van [slachtoffer] .

Uit de beelden blijkt het volgende: tussen [slachtoffer] enerzijds en [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven man anderzijds vindt een treffen plaats. De scooter van [slachtoffer] ligt op de grond. Na enkele seconden gaat de groep uit elkaar en lopen [verdachte] , [medeverdachte 1] en de onbekende man weg richting een zwarte Volkswagen Golf met Belgisch kenteken die iets verderop geparkeerd staat. [medeverdachte 1] heeft daarbij in z'n linkerhand een gevarendriehoek en in de rechterhand een onbekend gebleven voorwerp. [verdachte] raapt, voordat hij wegloopt, nog een voorwerp op van de grond.

[slachtoffer] en [medeverdachte 2] blijven op de plek staan praten waarna [slachtoffer] op enig moment zijn scooter rechtop zet en start. [slachtoffer] haalt dan op enig moment een boksbeugel uit zijn rechterbroekzak en stompt daarmee [medeverdachte 2] met kracht tegen de linkerzijde van het hoofd. [medeverdachte 2] stapt achteruit en haalt een mes uit zijn rechterbroekzak. Hij maakt met het mes een zwaaiende bewegingen richting [slachtoffer] . [slachtoffer] spuugt in de richting van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] haalt nogmaals uit met het mes en maakt daarmee twee keer over een zwaaiende beweging ter hoogte van de hals van [slachtoffer] . [slachtoffer] stompt [medeverdachte 2] nogmaals tegen het hoofd en [medeverdachte 2] maakt een zwaaiende beweging met het mes naar [slachtoffer] , die opnieuw [medeverdachte 2] tegen het hoofd stompt. Nadat [medeverdachte 2] nogmaals met het mes ter hoogte van de hals van [slachtoffer] heeft uitgehaald, vlucht [slachtoffer] . Hij rent naar zijn scooter, pakt de scooter en probeert al rennend op de scooter te springen. Op dat moment komt de onbekende man [slachtoffer] tegemoet rennen en in het voorbijgaan steekt de onbekende man met een steekvoorwerp in de rug van [slachtoffer] . [medeverdachte 3] probeert dan [slachtoffer] tegen te houden en [slachtoffer] komt dan met de scooter ten val. [verdachte] maakt dan met een steekvoorwerp een stekende beweging in de richting van de op de grond liggende [slachtoffer] . [medeverdachte 2] is [slachtoffer] in zijn vlucht gevolgd en houdt daarbij het mes in zijn hand. Als [slachtoffer] weer is opgestaan steekt [medeverdachte 2] hem twee keer in zijn linker been ter hoogte van de bil. Op dat moment is [slachtoffer] omringd door [medeverdachte 2] , El Ouhhaby, [verdachte] en de onbekende man.

[medeverdachte 1] komt dan hard met de auto aanrijden, stopt pal voor de groep en stapt uit. [slachtoffer] wordt van achteren vastgepakt door [medeverdachte 3] en zij vallen samen achterover over de scooter. Als [slachtoffer] op de grond ligt wordt hij meermaals geslagen door

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en meermaals geschopt door [verdachte] en de onbekende man. [medeverdachte 2] stapt vervolgens in de auto en gaat achter het stuur zitten. Ook [medeverdachte 1] ,

[medeverdachte 3] en de onbekende man stappen in. Ondertussen draait [verdachte] zich nog een keer om naar [slachtoffer] en steekt hem in zijn onderrug, waarna ook [verdachte] instapt en de auto wegrijdt.

[slachtoffer] is op 18 augustus 2020 onderzocht in het ziekenhuis. Uit de geneeskundige verklaring, opgesteld door een arts, blijkt dat sprake was van een wond in de linker oksel, een wond in de bil, een wond aan de neus, een wond aan de rechter arm, een schaafwond in de hals, een wond aan de linker knie en een wond in de rug. Er was een vermoeden van inwendig letsel en bloedverlies en [slachtoffer] had een ingeklapte linker long. De verwachte hersteltijd bedroeg drie maanden.

Conclusie

Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] samen met anderen op de openbare weg geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] . [verdachte] heeft een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. [verdachte] maakte, nadat [slachtoffer] met de scooter ten val is gekomen, met een steekvoorwerp een stekende beweging naar [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] wordt omringd door aanvallende medeverdachten. Als [slachtoffer] even later opnieuw op de grond ligt omdat hij achterover is gevallen over de scooter, schopt [verdachte] [slachtoffer] , terwijl ook de medeverdachten geweld toepassen. Wanneer [verdachte] en de medeverdachten richting hun auto lopen, steekt [verdachte] de opkrabbelende [slachtoffer] met een steekvoorwerp in zijn rug.

Een en ander betekent dat het ten laste gelegde openlijk in vereniging plegen van geweld wettig en overtuigend is bewezen.

4.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 augustus 2020 te Enschede openlijk, te weten op Het Bijvank, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en/of met scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerpen in het bovenlichaam en het onderlichaam gestoken, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag en die [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen het hoofd getrapt en/of tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een geldboete van € 800,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de gevorderde geldboete, maar heeft opgemerkt dat ook het opleggen van een taakstraf mogelijk is als een verdachte in een ander EU-land verblijft. Verder heeft de verdediging verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met het feit dat verdachte voor een periode van 200 dagen in vreemdelingenbewaring heeft verbleven.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Samen met (een aantal van) zijn mededaders heeft verdachte het slachtoffer gestoken in (vitale delen van) het lichaam en hem tegen het lichaam en het hoofd geschopt en geslagen. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan ernstig letsel opgelopen: hij heeft naast een klaplong ernstige steekverwondingen op diverse plekken in het lichaam gekregen. Het door verdachte en zijn mededaders gepleegde geweld had daarmee zelfs een fatale afloop kunnen hebben. Het slachtoffer moest tien dagen in het ziekenhuis verblijven. Ter zitting heeft het slachtoffer verwoord welke impact de gebeurtenissen op hem hebben (gehad).

Hoewel de rechtbank de aanleiding voor het geweld tussen verdachte, de mededaders en het slachtoffer niet duidelijk is geworden, lijkt deze te zijn gelegen in een persoonlijk conflict tussen het slachtoffer en een van de mededaders. Voor verdachte was daarmee geen enkele grond aanwezig om zich te mengen in dat conflict. Daar waar verdachte en zijn mededaders er op enig moment voor hadden kunnen kiezen om het (op dat moment nog woordelijke conflict) te beëindigen en weg te gaan, hebben zij er voor gekozen om dat niet te doen. Zij hebben het slachtoffer, dat weg wilde gaan, tegen gehouden, waarna het conflict is geëscaleerd en uitgemond in het plegen van ernstig openlijk geweld. Verdachte heeft het slachtoffer gestoken en minstens vier keer geschopt tegen het bovenlichaam en terwijl zijn mededaders naar de auto wegliepen, heeft hij zich nog omgedraaid en het slachtoffer in de onderrug gestoken.

Ook afgezien van de gevolgen voor het slachtoffer, draagt dergelijk geweld, zeker als het overdag op de openbare weg wordt gepleegd en terwijl meerdere personen hier getuige van waren, bij aan gevoelens van onveiligheid en onbehagen in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dat alles ook aan en op dergelijke ernstige feiten kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden gereageerd met oplegging van een gevangenisstraf van enige duur. De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf dan ook boven de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij straffen die in dit soort zaken doorgaans worden opgelegd en gelet op het aandeel van verdachte in het gepleegde geweld. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte ook mee dat het slachtoffer door het handelen van verdachte fors letsel heeft opgelopen en hij naast steekwonden ook vele schoppen tegen het lichaam en het hoofd heeft gekregen van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 12 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte, althans in Nederland, geen eerdere politie- en justitiecontacten heeft gehad. Over de persoon van verdachte is de rechtbank niet anders bekend geworden dan dat hij niet in Nederland verblijft.

Alles overzien acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarvan zal de rechtbank een deel van twaalf maanden voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op twee jaren.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte hoofdelijk, al dan niet op grond van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW), te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 12.175,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade. De gevorderde materiele schade van in totaal € 2.175,70 bestaat uit de volgende posten:

a. € 182,97 kleding

b. € 300,00 daggeldvergoeding verblijf ziekenhuis

c. € 151,00 eigen risico zorgverzekering

d. € 50,00 fysiotherapie

e. € 937,20 huishoudelijke hulp voor moeder van [slachtoffer]

f. € 504,00 verlies van zelfredzaamheid

g. € 50,53 reiskosten

Voor immateriële schade vanwege PTSS, blijvende littekens en zenuwletsel wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de vordering van [slachtoffer] goed is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is, inclusief de gevorderde wettelijke rente. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de vordering volledig ten laste van [medeverdachte 2] – als voornaamste veroorzaker van de schade – toegewezen dient te worden en de vordering ten aanzien van de overige verdachten niet ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen ten laste van alle verdachten.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Nu onduidelijk is wie welk letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, staat niet vast of er een rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van [verdachte] en de schade. Het uitzoeken hiervan zou een onevenredige belasting van het strafproces zijn. Subsidiair wordt de hoogte van de vordering betwist. De hoogte van kosten van de huishoudelijke hulp komen niet overeen met de daarvoor geldende richtlijn. Ten aanzien van de immateriële schade is betoogd dat de door [slachtoffer] gestelde PTSS niet uit de stukken volgt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de eigen schuld van [slachtoffer] .

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit (mede) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De stelling dat de schade van de benadeelde partij niet is ontstaan door toedoen van de verdachte, staat aan toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet in de weg. Immers, bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een delict waarbij de verdachte en de medeplegers van dat delict verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor het geheel van het geweld dat door de groep verdachten is gepleegd en daarmee hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade.

De opgevoerde materiele schadeposten als hiervoor in 8.1 genoemd onder a., b., c., d., f. en g. zijn niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Ten aanzien van schadepost f. acht de rechtbank het gevorderde tarief redelijk en toewijsbaar. De rechtbank zal deze schadeposten daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente. Nu de schadeposten op verschillende data zijn ontstaan, zal de rechtbank hierna per schadepost aangeven op welke datum de wettelijke rente aanvangt. Daarbij is aansluiting gezocht bij de datum waarop de betreffende schadepost is ontstaan. Ten aanzien van reiskosten is, gelet op het aantal posten, de rentedatum bepaald in (ongeveer) het midden van de periode waarin die schadeposten zijn ontstaan.

Schadepost

Bedrag

Aanvangsdatum wettelijke rente

a. Kleding

€ 182,97

10 augustus 2020

b. Daggeld ziekenhuis

€ 300,00

10 augustus 2020

c. Eigen risico zorgverzekering

€ 151,00

10 augustus 2020

d. Fysiotherapie

€ 50,00

15 september 2020

f. Verlies zelfredzaamheid

€ 504,00

10 augustus 2020

g. reiskosten

€ 50,53

30 november 2020

De rechtbank wijst af schadepost e. welke ziet op vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp voor de moeder van de benadeelde partij. Deze kosten zijn gemaakt door c.q. ten behoeve van de moeder van de benadeelde partij en zijn derhalve geen schade die door benadeelde zelf is geleden.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze schade is, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de verdediging, vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is een beroep gedaan op eigen schuld van de benadeelde partij ter zake het ontstaan van de schade, welk beroep op basis van het beschikbare dossier en de ingenomen standpunten in het kader van deze procedure niet goed beoordeeld kan worden. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr hoofdelijk opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

8.6

De proceskosten

Voor proceskosten wordt door de benadeelde partij een bedrag van € 21,58 gevorderd. Dat bedrag bestaat uit de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor consultatie van zijn advocaat en het bijwonen van de inhoudelijke behandeling in de rechtbank.

De rechtbank zal deze reiskosten op grond van artikel 532 Sv toewijzen, nu deze kosten zijn gemaakt door de benadeelde partij wegens de verdediging van zijn civiele vordering.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.137,97 (eenduizendeenhonderdenzevenendertig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2020, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 50,00 (vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 50,53 (vijftig euro en drieënvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2020, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast hoofdelijk in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 21,58, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feit tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.137,97 (eenduizendeenhonderdenzevenendertig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 21 dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feit tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 50,00 (vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feit tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 50,53 (vijftig euro en drieënvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering met betrekking tot de immateriële schade niet-ontvankelijk is, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde met betrekking tot de materiële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en

mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.

Mr. Bos en mr. Van Diggele zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, District Twente, met nummer PL0600-2020377041, van

4 september 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 12 augustus 2020 (pag. 105 - 106), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 10 augustus 2020 vond op Het Bijvank te Enschede, een vechtpartij plaats, waarbij zes personen betrokken waren, te weten 5 mannen en 1 vrouw. Bij deze vechtpartij werd gebruik gemaakt van steekwapens.

Door een collega in vrije tijd werden met de telefoon opnamen gemaakt van de vechtpartij.

Deze beelden werden vrijwillig voor het onderzoek ter beschikking gesteld.

Op 11 augustus 2020 werden door mij de betreffende beelden uitgekeken, waarbij door mij het volgende werd waargenomen:

Aan het begin van het fragment is een scooter te zien die kennelijk ten gevolge van een aanrijding op de rijbaan ligt. Vlakbij staan vijf mannen heftig te discussiëren.

Nr. 1 is een licht getinte man met een donker sikje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt. Op z'n hoofd draagt hij een grijs petje van het merk Gucci met een soort blokjesmotief ( [slachtoffer] ).

Nr. 2 is een licht getinte man met een dun donker baardje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt met print. Hij draagt een donkergrijze pet, ( [medeverdachte 2] ).

Nr. 3 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en een grijze korte broek (verdachte [verdachte] .

Nr. 4 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en blauwgrijze korte broek (naam onbekend).

Nr. 5 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een korte zwarte broek en een blauw poloshirt (verdachte Aimad [medeverdachte 1] ).

Nr. 6 is een licht getinte vrouw met lang donker haar, gekleed in een grijs met zwarte jurk. ( [medeverdachte 3] ).

Na enkele seconden gaat de groep uit elkaar en lopen nrs. 3 ( [verdachte] ), 4 en 5( [medeverdachte 1] ) weg richting een auto die wat verderop staat.

Enkelen hebben een voorwerp in de hand. Nr. 5 ( [medeverdachte 1] ) heeft in z'n linkerhand een

gevarendriehoek en in de rechterhand een onbekend voorwerp. Nr. 3 ( [verdachte] ) raapt, voordat hij wegloopt nog een voorwerp van de grond.

Nr. 1 ( [slachtoffer] ) en nr. 2 ( [medeverdachte 2] ) staan nog een tijd te praten.

Nadat 1 min. 23 seconden verstreken zijn, zet [slachtoffer] de scooter rechtop en start deze.

Vervolgens haalt hij iets uit z'n rechterbroekzak, een boksbeugel.

Daarna haalt hij uit met rechts en stompt [medeverdachte 2] hard tegen de linkerzijde van het hoofd.

[medeverdachte 2] stapt achteruit en haalt ook iets uit z'n rechterbroekzak. Dit blijkt een mes te zijn. Je hoort het mes openklappen en dan is te zien dat [medeverdachte 2] met het mes een zwaaiende bewegingen maakt richting [slachtoffer] .

Dan schopt [slachtoffer] met rechts richting [medeverdachte 2] en even later spuugt [slachtoffer] in de richting van [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 2] haalt nogmaals uit met het mes en maakt daarmee twee keer over een

zwaaiende beweging ter hoogte van de hals van [slachtoffer] .

Dan stompt [slachtoffer] nogmaals [medeverdachte 2] tegen z’n hoofd. [medeverdachte 2] maakt nogmaals een zwaaiende beweging met het mes naar [slachtoffer] en ook nu reageert deze door [medeverdachte 2] tegen het hoofd te stompen. Nadat [medeverdachte 2] nogmaals met het mes ter hoogte van de hals van [slachtoffer] heeft uitgehaald, vlucht [slachtoffer] . Hij rent naar zijn scooter die met draaiende motor klaar staat, pakt de scooter en probeert al rennend op de scooter te springen.

Op dat moment komt nr. 4 hem tegemoet rennen en in het voorbijgaan steekt hij met een mes of ander steekvoorwerp richting de rug van [slachtoffer] .

Dan komt nr. 6 ( [medeverdachte 3] ) in beeld. Zij probeert [slachtoffer] tegen te houden en hij komt met de

scooter ten val.

Dan komt nr. 3 ( [verdachte] ) erbij en hij maakt met een mes of ander steekvoorwerp een stekende beweging in de richting van de op de grond liggende [slachtoffer] . Dan komt een zwarte auto aangereden, die pal voor de groep stopt. Nr. 5 ( [medeverdachte 1] ) stapt uit.

[slachtoffer] krabbelt overeind en word vastgepakt door nr. 6 ( [medeverdachte 3] ). Ze bewegen achteruit en vallen beiden over de achter liggende scooter. Dan word de op de grond liggende [slachtoffer] drie keer geslagen door nr. 6 ( [medeverdachte 3] ).

[slachtoffer] word vier keer geschopt door nr. 3 ( [verdachte] ) en één keer door nr. 4 en ook nr. 5

( [medeverdachte 1] ) slaat hem nog twee keer. Dan stapt [medeverdachte 2] in de auto en gaat achter het stuur zitten. Nrs. 3 ( [verdachte] ), 4, 5 ( [medeverdachte 1] ) en 6 ( [medeverdachte 3] ) lopen richting de auto. N. 3 ( [verdachte] ) draait zich nog één keer om en steekt [slachtoffer] met een mes of ander steekvoorwerp in de onderrug.

Vervolgens rijdt de auto weg. Daarbij is te zien dat de auto is voorzien van het Belgische kenteken [kenteken] .

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van 13 augustus 2020 van [verbalisant 3] (pag. 76) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Na aanleiding van het opgeven van valse gegevens heb ik dit proces-verbaal opgemaakt.

In dit gehele dossier hoort de betrokkene [verdachte] te zijn: [verdachte] .

In dit gehele dossier hoort de betrokkene [medeverdachte 3] te zijn: [medeverdachte 3] .

[verdachte] is Europa ingereisd met een visum. Zijn juiste gegevens zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001.

[medeverdachte 3] is Europa ingereisd met een visum. Haar juiste gegevens zijn: [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] 1999.

3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 april 2021, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzitter toont de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier.

De rechtbank neemt bij het bekijken van de camerabeelden ter terechtzitting waar dat op tijdstip 01:51 en 01:52 van de camerabeelden te zien is dat verdachte [medeverdachte 2] , nadat [slachtoffer] is opgestaan na zijn val met de scooter, in zijn rechterhand een mes heeft en twee stekende bewegingen maakt in de linker bil/bovenbeen van [slachtoffer] .

Verdachte [medeverdachte 2] loopt daarna naar de auto en stapt in als bestuurder.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] van 13 augustus 2020 (pag. 342) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik reed langs [medeverdachte 2] en langs man 3. Ik moest toen langs man 1 maar deze trok mijn van mijn scooter af. Toen ik eenmaal op de grond lag voelde ik dat ik tegen mijn hoofd werd getrapt en dat ik in mijn been werd gestoken. Ik werd getrapt, geslagen, alles. Iedereen deed wel wat. Ik werd in mijn linkerzij, bil en linker oksel gestoken.

5.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] van 21 augustus 2020 (pag. 80-1) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 augustus 2020 heeft verbalisant [verbalisant 5] , Forensisch Opsporing, een onderzoek ingesteld in de zwarte Golf, voorzien van het Belgisch kenteken [kenteken] .

[verbalisant 5] heeft een vouwmes, voorzien van een blauwe handvat en een zwart lemmet van ongeveer 10 cm aangetroffen. Dit mes vertoonde bloedsporen.

[verbalisant 5] heeft een tweede mes aangetroffen in een opbergvak aan de achterzijde van de bijrijdersstoel. Dit mes betrof een vouwmes, voorzien van een gevlekt zwart handvat en een lemmet van ongeveer 11.5 cm. Het mes vertoonde eveneens bloedsporen.