Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1698

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
08-710033-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man uit Zwolle is schuldig aan handel in hard- en softdrugs en illegaal wapenbezit. De rechtbank veroordeeld hem tot een celstraf van 365 dagen, waarvan 268 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Onderzoek Macan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-710033-18 (P)

Datum vonnis: 23 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 augustus 2018, 20 december 2018, 5 november 2019 en 9 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A. Schotman en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 2 mei 2018 samen met een ander munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad;

feit 2: op 3 mei 2018 een balletjespistool voorhanden heeft gehad;

feit 3: op 3 mei 2018 in totaal ongeveer 246,58 gram amfetamine en ongeveer 9,41 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;

feit 4: in de periode van 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 al dan niet samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en/of amfetamine dan wel die verdovende middelen aanwezig heeft gehad;

feit 5: in de periode van 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 al dan niet samen met een ander hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep heeft verhandeld of aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 2 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, tezamen met (een) ander(en), althans alleen, munitie van categorie II en/of categorie III, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 3 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjespistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, voorhanden heeft gehad;

3

hij op of omstreeks 3 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

 ( (in totaal) (ongeveer) 246,58 gram amfetamine, althans (ongeveer) 218,17 gram en/of 27,96 gram en/of 0,45 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, en/of

 ( (in totaal) (ongeveer) 9,41 gram cocaïne, althans (ongeveer) 8,80 gram en/of 0,61 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde amfetamine en/of cocaïne, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

4

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 te Zwolle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (van meer dan 30 gram) hennep,

zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1

Deze zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek dat Macan is genoemd.

Met betrekking tot de aanloop naar dit strafrechtelijk onderzoek en deze zaak blijkt uit het dossier als volgt.2

Naar aanleiding van bevindingen uit eerdere strafrechtelijke onderzoeken, te weten de onderzoeken genaamd Waspompoen, Buchanan en Gokker, TCI-informatie en diverse MMA-meldingen is op 18 september 2017 het strafrechtelijk onderzoek Macan gestart. Het onderzoek richtte zich op de handel in verdovende middelen en in vuurwapens op in eerste instantie - onder meer - medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Medeverdachte [medeverdachte 1] wordt in het dossier ook [medeverdachte 1] , ‘ [medeverdachte 1] ’, of ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ genoemd.

Tijdens het opsporingsonderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd, gevoerd door onder meer [medeverdachte 1] , in de periode 11 oktober 2017 tot en met 4 mei 2018, met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] 3. De woordelijke uitwerking daarvan is gevoegd in de relevante zaakdossiers. Daarnaast zijn in de periode van 14 december 2017 tot 4 mei 2018 beelden opgenomen met camera’s, die zicht hadden op de woning van [medeverdachte 1] en zijn buurman [medeverdachte 2] . Prints van een deel van die beelden zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers. Ook is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), waarvoor een machtiging is afgegeven voor de woning en de auto van [medeverdachte 1] .

Op 11 april 2018 is OVC-apparatuur geplaatst in zijn woning aan de [adres] te Zwolle. Tot en met 4 mei 2018 zijn gesprekken opgenomen. Van die (OVC-)gesprekken zijn processen-verbaal opgemaakt. Ook deze zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers van de verdachten.

Op basis van de afgeluisterde telefoon - en OVC-gesprekken bleek dat [medeverdachte 1] dagelijks contact had met diverse personen.

Naar aanleiding van het uitluisteren van een OVC-gesprekken tapgesprekken bij de politie het vermoeden dat verdachte aan gesprekken in de woning van [medeverdachte 1] deelnam.4

Op 3 mei 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte te Zwolle, waarbij op diverse plaatsen verschillende soorten verdovende middelen zijn aangetroffen alsook een vuurwapen (dummy).5 De aanhouding van verdachte heeft diezelfde dag plaatsgevonden.6

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op basis van de inhoud van het dossier alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard.

Daartoe heeft de officier van justitie - ten aanzien van de feiten onder 2, 3 en 5 - gewezen op de bekennende verklaringen van verdachte. Ten aanzien van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie gewezen op de inhoud van uitgewerkte OVC-gesprekken, tapgesprekken en sms-berichten en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] over de handel in munitie en zijn verklaring over opgenomen camerabeelden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 4 verder nog gewezen op wat blijkens het proces-verbaal van binnentreden in en rond de woning van verdachte is aangetroffen, waaronder gripzakjes, een weegschaal en harddrugs. De officier van justitie is op grond van het dossier van mening dat geen sprake is geweest van medeplegen en vordert vrijspraak ten aanzien van dat bestanddeel.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat zijn cliënt erkent de feiten zoals tenlastegelegd onder 2, 3 en 5 te hebben begaan.

Ten aanzien van de feiten onder 1 en 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, samengevat weergegeven, dat verdachte ten stelligste ontkent munitie voorhanden te hebben gehad alsook cocaïne en/of amfetamine te hebben doorverkocht.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van munitie blijkt uit OVC-gesprekken van 23 april en 2 mei 2018, in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 3] en de camerabeelden niet méér, dan dat over patronen voor een luchtbuks is gesproken en dat verdachte op 2 mei 2018, na de komst van [medeverdachte 3] , de woning van [medeverdachte 1] heeft verlaten met een soortgelijk tasje als het tasje dat [medeverdachte 3] bij zich had. Over de inhoud van het tasje, dat verdachte bij zich droeg, zegt dat niets. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte zich, behalve aan het bezit van cocaïne en amfetamine voor eigen gebruik, schuldig heeft gemaakt aan de handel in die verdovende middelen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en feit 4:

De rechtbank acht op gronden van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 1 en 4 heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit onderzoek op basis van tapgesprekken is gebleken [medeverdachte 1] in de periode van september 2017 tot en met mei 2018 730 maal telefonisch contact heeft gehad met een gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , een nummer op naam van [verdachte] , verdachte. [medeverdachte 1] maakte daarbij ook gebruik van de telefoon van zijn buurman, medeverdachte [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 1] noemde de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] wel ‘ [verdachte] ’.7 Uit de uitwerking van OVC-gesprekken van, onder meer, 21 april, 24 april, 25 april en 30 april 2018 bleek dat ‘ [verdachte] ’ aanwezig was in de woning van [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] noemt de man dan steeds ‘ [verdachte] ’. Verbalisant [verbalisant] heeft op basis van een stemvergelijking vastgesteld dat de stem van ‘ [verdachte] ’ dezelfde stem is als de stem van de man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , zijnde verdachte.8 Verdachte heeft tijdens zijn verhoor en ter terechtzitting op 9 april 2021 erkend dat hij in de ten laste gelegde periode de woning van [medeverdachte 1] regelmatig bezocht en dat hij ook wel [verdachte] wordt genoemd.9

In de woning van [medeverdachte 1] zijn verder onder meer op 23 april 2018, 30 april 2018 en 2 mei 2018 gesprekken opgenomen, waarin door [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 3] , over de verkoop van wapens en munitie en/of verdovende middelen wordt gesproken.

Die gesprekken gaan met name over (wapens en) munitie.10

[medeverdachte 3] heeft tijdens politieverhoren verklaard dat het klopt dat hij op 23 april 2018 en op 2 mei 2018 op bezoek was bij [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] op 23 april 2018 munitie bij hem had besteld en dat hij op 2 mei 2018 drank en munitie had opgehaald in Duitsland en die munitie op 2 mei 2018 bij [medeverdachte 1] heeft afgeleverd.11 Op 2 mei 2018 leverde hij bij [medeverdachte 1] een tas af, welke tas door een ander mee naar buiten werd genomen. Toen [medeverdachte 3] op 2 mei bij [medeverdachte 1] kwam, zat er iemand te wachten. [medeverdachte 3] hoorde dat [medeverdachte 1] tegen diegene zei: "Hier.. jij ken verder". [medeverdachte 1] keek zelf nog even in de tas. Het tasje waar die persoon mee naar buiten liep was dezelfde tas als de tas die [medeverdachte 3] had meegebracht en afgeleverd. Tegen die persoon is nog gezegd dat hij die tas ‘wel moest verbranden in verband met de vingertjes’.12

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] vinden bevestiging in de inhoud van uitgewerkte OVC-gesprekken van 23 april, 30 april en 2 mei 2018.

Zo blijkt uit het proces-verbaal Uitwerken OVC-gesprekken van 23 april 2018 dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die dag in de woning van [medeverdachte 1] het volgende bespraken.

Vanaf 16.46 uur:

[medeverdachte 1] : “Ik heb hem een keer een geweer aan hem verkocht. En gisteren was hij hier, hij wou kogels verkopen. Die wil ik wel hebben.”

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Als je 9 moet hebben. “

[medeverdachte 1] : “Ik heb wel negens, maar ik wil wel een nieuwe doos negen erbij hebben.”

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Ja, want ik kan. . . van de week ga ik er weer heen.”

[medeverdachte 1] : “Oh, dan moet jij even een uh.., ik bestel een nieuwe kogel, die moet je ook even voor me meenemen.”

Op 30 april 2018 vanaf 14.48 uur vindt er in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , over de verkoop van munitie:13

[medeverdachte 1] : “Oh, die moet ik wel hebben, deze (geritsel te horen).”

(..)

[medeverdachte 1] : “Hey.. 1 x 6 FN (..) en van die rooie koppies hebben met die

gaatjes erin.

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Met een koperen achterkant ?”

[medeverdachte 1] : “Nee, voor de kogels, (.. ) Is koper. Zes punt F.”

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Ja, maar bent die uh.. “

[medeverdachte 1] : “High speedjes.”

(..)

[medeverdachte 1] zegt: “Zitten gaatjes in.”

NN man ( [medeverdachte 3] ): “en rooie achterkant.”

[medeverdachte 1] : “benne ze van lood zo..?” (tekent blijkbaar)

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Je hebt die koperen, met een gaatje erin.”

[medeverdachte 1] zegt: “Ja ! Die moet ik hebben.”

NN man ( [medeverdachte 3] ): “Die heb ik thuis liggen wel. Dan neem ik tien doosjes mee.”14

In de avond van 2 mei 2018 wordt in de woning van [medeverdachte 1] het volgende besproken.15

Vanaf 19:19 uur (pag. 80 halverwege):

[medeverdachte 1] begroet iemand en noemt hem [verdachte] .

[verdachte] : “Die jongen stuurt mij ’s avonds een berichtje.. van .. ‘die laatste drie zijn anders.’ Ik zeg: nou kom maar hierheen (..). Heb ik het uitgekookt met hem. Bleef ook heel raar heel raar op de lepel, raar spul.”

[medeverdachte 1] : “Ja, maar dat had je zo om kunnen ruilen, want ik heb (..) zelf die blok afgesneden.” (..)

[verdachte] : “Ik vond het al zo raar maar het zag er wel heel anders uit op de lepel.”

[medeverdachte 1] : “Ja, maar ik heb het zelf toch ook wel gerookt.”

[verdachte] : “Ja, nou, ik had het laatst ook met die [naam] , (..) op het blok ook gewoon, dat het soms een andere kleur iets zit.” (..)

En vanaf 19:21 uur: 16

[medeverdachte 1] praat verder met [verdachte] , in de woning.

[medeverdachte 1] fluistert: “Nee, een ons van gehad, die heb ik terug... teruggebracht. Ik heb nou euh zulke...”

[verdachte] : “Echte wit ?”

[medeverdachte 1] fluistert: “Ja, spierwit.”

[verdachte] : “Oké, ik ga.... even moet wachten hoor, ik ga even die jongen even. ..vraag ik of ‘ie wat nodig heeft.”

En vanaf 19:24 uur 17:

[medeverdachte 1] : “Ja, ik ben eventjes weggeweest. Oh [verdachte] , die jongen komt zo, met die doos van mij.”

[verdachte] : “Ja, ik neem ze gelijk mee, toch ?”

[medeverdachte 1] : “Ja, ben ik er vanaf. Wil niks hier...maar nieuw hè, spiksplinternieuw nieuw allemaal.” (..) “Met die koperen koppen, met die gaatjes erin.”

Vanaf 19:34 uur: 18

[medeverdachte 1] komt binnen met [medeverdachte 3] (…) en zegt tegen [verdachte] : ‘Hier.. jij ken verder’.

[verdachte] : “Ja ? Super jongeh. (geloop te horen). Wil je even een tasje pakken.”

[medeverdachte 1] : “Hey, die tas moetje thuis weggooien.”

[verdachte] : “Ja, is goed.”

[medeverdachte 1] : ‘Ja, die handschoenen moet je weggooien.’

[verdachte] : ‘Ja, is goed.’ (geritsel van een zak/tas te horen)

[medeverdachte 1] : ‘Zitten er 10 in.’

[verdachte] : “Ja, is goed joh, super..” (..) Ze nemen afscheid.

Het dossier bevat afdrukken van camerabeelden waarop is te zien dat [medeverdachte 3] op 2 mei 2018 om 19:32 uur aankomt bij de woning van [medeverdachte 1] . Hij heeft dan een zwart plastic tasje bij zich.19 [medeverdachte 3] vertrekt weer om 19:39 uur.

Op de beelden is verder te zien dat verdachte (‘ [verdachte] ’) die avond de woning van [medeverdachte 1] verlaat om 19:34 uur. Verdachte heeft dan een zwarte plastic tas bij zich; een soortgelijke tas als de tas die [medeverdachte 3] bij zich droeg.20

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de OVC-gesprekken, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] en camerabeelden volgt dat [medeverdachte 3] op verzoek van [medeverdachte 1] op 2 mei 2018 munitie heeft afgeleverd in de woning van [medeverdachte 1] , welke munitie nog diezelfde avond door verdachte, kort na levering en in dezelfde tas, is meegenomen (“Ja, ik neem ze gelijk mee, toch. ?”).

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven gesprekken, in samenhang met het resultaat van de doorzoeking en overige (hierna nog weer te geven) OVC- en tapgesprekken bovendien volgt dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft beziggehouden met de handel in harddrugs. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 3 mei 2018 zijn goederen en stoffen aangetroffen die duidden op handel in harddrugs.21 Behalve het zwarte (dummy) vuurwapen werden meerdere weegschalen, gebruikte alsook nieuwe (37) gripzakjes in verschillende maten en 26 - niet gevouwen - wikkels, zakjes met (witte) poeder en poederresten, en een grote gripzak met een roze substantie (237 gram van een stof waarvan nadien is vastgesteld dat het amfetamine betrof en poeder waarvan is vastgesteld dat het cocaïne betrof).22

De hoeveelheden van de aangetroffen amfetamine en cocaïne waren groter waren dan gebruikershoeveelheden - in totaal ongeveer 246,58 gram amfetamine en bijna 9,5 gram cocaïne .

In aanvulling op het OVC-gesprek van 2 mei 2018 tussen [medeverdachte 1] en verdachte over ‘echte wit’ – waarbij verdachte zal navragen ‘wat die jongen nodig heeft’ bevat het dossier de volgende uitgewerkte gesprekken.

OVC-gesprek 21 april 2018 in de woning van [medeverdachte 1] : 23

(vanaf 11.24 uur)

(pag. 19, onderaan:) De man die binnen is gekomen is [verdachte] .

(pag. 20 onderaan:)

[verdachte] : “Die roze jongeh, ben ik blij van, daar maak ik gelijk even een foto van.”

[medeverdachte 1] : “Ja, als je ze wil hebben moet ik ze bestellen.”

[verdachte] : “Nee maakt niet uit, maar die wit, zeg maar, als ik jou zeg maar een getal sms.., ja de.. hoeveelheid, zeg maar.., hoe laat ben je er dan ongeveer, denk je?

(..)

[medeverdachte 1] : “Ja, ja, (.. ) betalen he ?”

[verdachte] : “Ja, maar hoop geld, hè.”

[medeverdachte 1] : “Meer dan twee ons, moet het iets goedkoper..?”

[verdachte] “Ja, dat wou ik net zeggen, je mag wel 31 doen, of 30.”.

[medeverdachte 1] : “Nee, dat lukt wel [verdachte] .”

OVC-gesprek van 24 april 2018:24

(pag. 41 bovenaan)

[verdachte] : “Ik spreek die jongen vanavond wel. Hey...die jongen wil graag.. hey, die jongen wil misschien ook twee van die uh.. Scorpio's hebben.” (..)

[medeverdachte 1] : “Ja. (…). Moet je kijken (geritsel van tabletten te horen) deze heb ik gekocht gister. Die is echt vet.”.

OVC-gesprek 26 april 2018: 25

(pag. 45 onderaan) (vanaf 10.07 en verder.)

[medeverdachte 1] is te horen, die met [verdachte] praat. (sv GV)

[verdachte] : “hm.. anderhalf-wit. Enneh, dat dingetje .. als die jongen, wel uh... kan ik zo bij gaan halen ?”

[medeverdachte 1] : “Ja, ja, geen probleem.”

OVC-gesprek 29 april 2018:26

(pag. 60 onderaan)

[verdachte] zegt dat ‘ [alias] ’ hem net nog belde en vroeg: kan je nog 1000 pilletjes regelen (…) en wat kosten die dan? Dit kon wel en kosten 85 cent. De ‘ [alias] ’ vond dit te duur. Dan moet hij maar ergens anders heen gaan, volgens [verdachte] .

[verdachte] : “Te duur, dat is echt niet duur, is een mooie prijs toch ?”

[medeverdachte 1] : “Maar je kan ze van mij kopen .. voor 70 cent.”

[verdachte] weet dit en dan kan hij er 15 cent op pakken. Voor minder doet hij het niet. (gekraak van een zak te horen)

[verdachte] : “Maar op 1000 moet ik toch minimaal een meiertje kunnen pakken ?”

[medeverdachte 1] : “Ah, tuurlijk.”

Ook uit de inhoud van tapgesprekken tussen verdachte (tel. nummer [telefoonnummer 2] ) en [medeverdachte 1] volgt dat verdachte zich met de handel in harddrugs heeft beziggehouden.

Op 15 februari 2018 om 22:52:34 uur naar [medeverdachte 1] ge-smst: “Hoor ik zo. Moet zo wel 2 wit hebben.’27

Op 15 feb 2018 om 22:54:30 uur sms’t verdachte naar [medeverdachte 1] : “zws 3 wit.” Op 1 maart 2018, 13:23:23 uur, sms’t hij naar [medeverdachte 1] : “(..) zit lichtrosé gloed over, maar vers.”

Op 1 maart 2018 om 13:23:43 uur vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 1] (beller) en verdachte.28 [medeverdachte 1] zegt dat hij ‘er niks mee kan’ en: “Daar krijg ik gezeur mee.”

[verdachte] zegt dat het iets te warm is geworden, maar dat maakt niks uit.

[medeverdachte 1] : “Ja, maar dat die vent maar wijs.”

[verdachte] : “Dat wordt hem niet ?”

[medeverdachte 1] : “Nee.”

[verdachte] : “Ik zal het hem zeggen.”

[medeverdachte 1] : “Het moet wel mooi bijgespoten zijn.”

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich aan het voorhanden hebben van munitie van categorie II of III en de onder 4 ten laste gelegde handel in cocaïne en amfetamine schuldig heeft gemaakt.

Hoewel evident sprake is van het nodige overleg van verdachte met [medeverdachte 1] over hoeveelheden, prijzen, tijd en plaats, acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is van medeplegen van de feiten.

Ten aanzien van 2, 3 en 5:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2:

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2021, voor zover inhoudende een bekennende verklaring van verdachte;

 Het proces-verbaal van binnentreden in woning van verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , gesloten op 5 mei 2018 (pag. 262 – 264);

 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van een vuurwapen (dummy), een balletjespistool, van 6 november 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (pag. 280).

Ten aanzien van feit 3:

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 Het proces-verbaal van binnentreden in woning van verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] en gesloten op 5 mei 2018 (pag. 262 – 264) met als bijlagen fotobladen van hetgeen is aangetroffen (pag. 265 – 269);

 Het rapport NFiDENT van het NFI van 30 oktober 2018, opgemaakt door ing. [verbalisant] (pag. 294) (met betrekking tot 0,61 gram witte brokjes: bevat cocaïne);

 Het rapport NFiDENT van het NFI van 1 november 2018, opgemaakt door ing. [verbalisant] (pag. 295) (met betrekking tot 8,80 gram wit poeder, bevat cocaïne);

 Het rapport NFiDENT van het NFI van 26 april 2019, opgemaakt door ing. [verbalisant] (pag. 305) (met betrekking tot 218,17 gram roze substantie, bevattende: amfetamine).

 Het rapport NFiDENT van het NFI van 30 oktober 2018, opgemaakt door ing. [verbalisant] (pag. 293) (met betrekking tot 0,45 gram poeder, bevattende: amfetamine).

Ten aanzien van feit 5:

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 Het proces-verbaal van binnentreden in woning van verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , gesloten op 5 mei 2018 (pag. 262 – 264);

 Het proces-verbaal uitwerken OVC-gesprek van 29 april 2018 (pag. 57 – 69, in het bijzonder pag. 59 bovenaan, halverwege en onderaan, pag. 60 bovenaan en halverwege);

 Het proces-verbaal uitwerken OVC-gesprek van 2 mei 2018 (pag. 79 -94, in het bijzonder pag. 81 bovenaan, 82 bovenaan, en halverwege).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 2 mei 2018 te Zwolle, munitie van categorie II of categorie III, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;

2

hij op 3 mei 2018 te Zwolle een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjespistool, voorhanden heeft gehad;

3

hij op 3 mei 2018 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad

 ( (in totaal) (ongeveer) 246,58 gram amfetamine en

 ( (in totaal) (ongeveer) 9,41 gram cocaïne,

zijnde amfetamine en cocaïne (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4

hij tijdstippen in de periode van 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5

hij op meer tijdstippen in de periode 1 december 2017 tot en met 2 mei 2018 in Nederland (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2B, 2C en 3B en 3C van de Opiumwet en de artikelen 13 en 26 van de Wet Wapens en Munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2

het misdrijf:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 3

het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, en dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 710,-- aan het verkeer wordt onttrokken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zijnde ongeveer drie maanden, waarbij sprake is geweest van een periode in beperkingen. Verdachte heeft het in die tijd erg moeilijk gehad. De raadsman heeft verder verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop, de medische toestand van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Verdachte is tijdens de detentie is begonnen met een training ‘TRA’ (terugdringen recidive).

De reclassering heeft opgemerkt dat het delictpatroon bij verdachte, ondanks het forse strafblad, in ernst lijkt af te nemen, mede doordat zijn leefsituatie is gestabiliseerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijf maanden schuldig gemaakt aan de handel in soft - en harddrugs. Verdachte had in zijn woning ongeveer 246 gram amfetamine en ongeveer 9,40 gram cocaïne voorhanden.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie van categorie II of III en van een imitatie-vuurwapen, te weten een balletjespistool.

Het bezit en de verspreiding van hard - en softdrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid in het algemeen en heeft (ernstige) risico’s voor de gezondheid van de gebruiker(s) in het bijzonder tot gevolg. Het gebruik van verdovende middelen leidt bovendien tot vaak ernstig overlast gevende verwervingscriminaliteit.

Illegaal wapenbezit brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de veiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie veroorzaakt bovendien bij hen, die daar onverwacht en ongewild mee worden geconfronteerd, hevige gevoelens van angst en onveiligheid.

Hoewel verdachte het bezit van het wapen onder feit 2 bagatelliseert, geeft de vindplaats, te weten in de tuin, bij - onder meer - de drugs te denken.

De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten. Door de combinatie van het bezit van munitie, een imitatiewapen en drugs, zijn deze oriëntatiepunten voor (enkel) het (afzonderlijk) bezit niet representatief voor de op te leggen straf voor dit soort (combinatie van) feiten.

Voor de handel in harddrugs gedurende vijf maanden is een gevangenisstraf van acht maanden het uitgangspunt van denken en voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs als hier aan de orde (ongeveer 250 gram) gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf van twee maanden. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf ook acht geslagen op soortgelijke zaken en op de vonnissen die in dit onderzoek tegen medeverdachten zijn gewezen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 5 maart 2021. Daaruit blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld tot forse straffen ter zake van, onder meer, vermogensdelicten en geweldsdelicten en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, zij het dat de meeste veroordelingen dateren van vóór 2011. Verdachte is laatstelijk veroordeeld op 23 januari 2019 ter zake van een diefstal, tot een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt met deze straf rekening gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van de zich in het dossier bevindende reclasseringsadviezen van 8 mei 2018 en 24 juli 2018. Uit deze, weliswaar verouderde, reclasseringsadviezen blijkt dat verdachte sinds zijn jongvolwassenheid in aanraking komt met justitie. De reclassering constateerde in 2018 dat het - eerder hardnekkige - delictpatroon in intensiteit en ernst lijkt af te nemen. Daar leek meer stabiliteit in de leefsituatie aan ten grondslag te liggen. Zijn sociale netwerk werd als risicofactor gezien. Verdachte gaf bij de reclassering geen openheid van zaken; de reclassering zag geen mogelijkheden voor interventies. Het advies luidde om in geval van een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van het strafproces. In aanmerking genomen de datum van aanhouding, de (redelijke) termijn voor een berechting van twee jaar en de datum van dit vonnis is in dit geval sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een periode van meer dan 11 maanden.

Het voorgaande in samenhang bezien acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een substantiële duur passend en geboden. Anderzijds acht de rechtbank het op dit moment niet meer opportuun om, gelet op

het tijdsverloop en de huidige medische toestand van verdachte, verdachte een langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een groot deel van de op te leggen straf voorwaardelijk zal zijn, met een proeftijd van drie jaar, zodat verdachte er van wordt weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedrag van € 710,-- (bestaande uit een dertig bankbiljetten van zeven maal € 50,-- , dertien maal € 20,-- en tien maal € 10,-- ) dient te worden verbeurdverklaard, omdat geld betreft dat aan de verdachte toebehoort die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 10 lid 3 en lid 4 en 11 lid 2 van de Opiumwet en de artikelen 33a, en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf 268 (tweehonderdachtenzestig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 710,-- , het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerp onder 1;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. D ten Boer, voorzitter en mr. drs. H.M. Braam en

mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op: 23 april 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit - tenzij anders vermeld - pagina’s uit het proces-verbaal van verdachte in het onderzoek ‘Macan’ van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, met nummer PL0600-2018191040. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen / relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , pag. 1 – 10A.

3 Proces-verbaal van bevindingen / relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , pag. 7.

4 Proces-verbaal Identiteitsvaststelling, pag. 189.

5 Proces-verbaal van binnentreden in woning, pag. 262 – 264.

6 Proces-verbaal van aanhouding, pag. 143 – 146.

7 Proces-verbaal van identiteitsvaststelling, pag. 189 – 191, i.h.b. pag. 190 onderaan en 191 bovenaan.

8 Proces-verbaal van identiteitsvaststelling, pag. 189, onderaan.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 mei 2018, pag. 195 onderaan; en het proces-verbaal der terechtzitting van 9 april 2021.

10 Proces-verbaal van bevindingen, Verdenking 1, pag. 168 onderaan.

11 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , pag. 199 – 233, i.h.b. pag. 203 halverwege en pag. 204 bovenaan

12 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , pag. 234 – 251, i.h.b. pag. 236 halverwege en 237 halverwege.

13 Proces-verbaal uitwerken OVC van 30 april 2018, pag. 70 - 78.

14 Pag. 72 halverwege.

15 Proces-verbaal van uitwerken OVC-gesprek 2 mei 2018 (pag. 79 – 94), i.h.b. pag. 80.

16 Proces-verbaal van uitwerken OVC-gesprek 2 mei 2018 (pag. 79 – 94), pag. 81 bovenaan.

17 pag. 81 halverwege.

18 Pag. 83, halverwege.

19 Afdrukken van camerabeelden; pag. 187 en pag. 188.

20 Afdruk van camerabeelden, pag. 188.

21 Proces-verbaal van binnentreden in woning, gesloten op 5 mei 2018, pag. 262 – 264.

22 Proces-verbaal van binnentreden, pag. 263 en rapporten NFiDENT van 26 april 2019, pag. 305 en van 1 november 2018, pag. 295.

23 proces-verbaal uitgewerkt OVC-gesprek van 21 april 2018, pag. 19 – 32, pag. 19 onderaan.

24 Proces-verbaal uitwerken OVC-gesprek 24 april 2018, vanaf 14:02 uur, pag. 39 e.v., i.h.b. pag. 40 halverwege e.v.

25 Proces-verbaal uitwerken OVC-gesprek van 26 april 2018, pag. 45 onderaan e.v.

26 Proces-verbaal uitwerken OVC-gesprek 29 april 2018, pag. 57 en volgende, i.h.b. pag. 60 onderaan e.v.

27 Pag. 102.

28 Pag. 106.