Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1659

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
8805860 \ CV EXPL 20-4175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Indeplaatsstellingsovereenkomst. Oorspronkelijke huurder hoeft bedrijfsruimte niet in de oorspronkelijke staat te herstellen omdat de verplichting hiertoe niet blijkt uit de huurovereenkomst. Gedaagde dient eiser waarborgsom ad € 9.000,- terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8805860 \ CV EXPL 20-4175

Vonnis van 20 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. E.J. Bijl,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAPPA JOE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Schalkhaar,

gedaagde partij, hierna te noemen respectievelijk [gedaagde 1] en Pappa Joe en tezamen aangeduid als gedaagden,

gemachtigde: mr. F. Havers.

1 De procedure

1.1.

Eerder heeft de kantonrechter in deze zaak vonnis tussen partijen gewezen, dat is uitgesproken op 24 november 2020. Daarin heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald.

1.2.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog een akte met een productie overgelegd. Vervolgens heeft er op 19 februari 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Van beide partijen heeft de kantonrechter spreekaantekeningen ontvangen. De griffier heeft van wat er tijdens de mondelinge behandeling besproken is aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter is hiermee voldoende ingelicht om een beslissing te kunnen nemen. Die beslissing wordt vandaag in dit vonnis opgenomen en toegelicht.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

Wat er vaststaat.

2.1.

[eiser] en [gedaagde 1] hebben op 7 januari 2014 een huurovereenkomst gesloten (hierna ook: huurovereenkomst). Op grond van deze huurovereenkomst huurde [eiser] sinds 1 april 2014 een bedrijfsruimte in Schalkhaar (hier ook: het gehuurde) van [gedaagde 1] . In het gehuurde heeft [eiser] een restaurant gehouden.

2.2.

In de huurovereenkomst is onder andere bepaald:

Bijzondere bepalingen

9 Het gehuurde maakt deel uit van het complex De Oorsprong aan de Spanjaardsdijk 68 te Schalkhaar. Op het terrein zijn in de toekomst ook andere huurders actief met ambachtelijke productiebedrijven en een te exploiteren winkel. Doel van de ontwikkeling van De Oorsprong is om streekgebonden, ambachtelijke producten te produceren en te verkopen, die in de Proeverij kunnen worden gegeten. Derhalve gelden de bijzondere bepalingen.

(…)

9.6

Huurder is verantwoordelijk voor het aanbrengen en onderhouden van alle voorzieningen binnen het pand om het gebruik daarvan als proeverij/restaurant mogelijk te maken. Verhuurder zal niet op onredelijke gronden toestemming voor aanpassingen onthouden mits de aanpassingen in de geest zijn van het gebruik van het pand in de context van De Oorsprong als geheel. De kosten voor aanpassingen en onderhoud van alle voorzieningen in het pand zijn voor rekening van de huurder.

(…)

9.9

Huurder is verantwoordelijk voor het correcte gebruik van de ovens en het podium. (…)”

2.3.

Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing. In artikel 13.14 van de algemene bepalingen staat:

huurder is verplicht veranderingen en toevoegingen bij het einde van de huurovereenkomst ongedaan te maken en de daardoor ontstane schade te herstellen tenzij verhuurder hem van deze verplichting ontslaat.

Verder staat in artikel 23.1 en 23.4:

23.1 Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen zal de huurder het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst of bij het einde van het gebruik van het gehuurde, aan verhuurder opleveren in de staat die bij aanvang van de huur in het proces-verbaal van oplevering is beschreven, behoudens normale slijtage en veroudering.

(…)

23.4

Huurder is verplicht alle zaken die door hem in, aan of op het gehuurde zijn aangebracht of door hem van de voorgaande huurder of gebruiker zijn overgenomen op eigen kosten te verwijderen, tenzij verhuurder op enig moment anderszins aangeeft. (…)”

2.4.

Uit hoofde van de huurovereenkomst heeft [eiser] op 12 oktober 2014 een waarborgsom van € 9.000,- aan [gedaagde 1] voldaan.

2.5.

In 2016 heeft [eiser] wijzigingen in de keuken van het gehuurde aangebracht. Zo heeft hij diverse onderdelen van de ovens verwijderd (zoals de afzuigkap, een lier en een rookgasafsluiting). Deze onderdelen heeft hij aan [gedaagde 1] gegeven. De ovens heeft [eiser] laten afschermen door een voorzetwand.

2.6.

In november 2019 heeft [eiser] zijn onderneming, inclusief inventaris, goodwill en handelsnaam, verkocht aan Pappa Joe. Daartoe hebben [eiser] en Pappa Joe op 22 november 2019 een koopovereenkomst gesloten (hierna: koopovereenkomst). In artikel 7.5 van de koopovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen:

7.5 Indien verkoper jegens verhuurder enige waarborg heeft gestort of een bankgarantie heeft gesteld, zal koper die waarborgsom aan verkoper restitueren en ten behoeve van verhuurder, desgewenst een nieuwe bankgarantie stellen, zulks uiterlijk op de dag van overdracht.”

2.7.

Met het oog op de overname is op 22 november 2019 nog een overeenkomst gesloten, te weten een overeenkomst van indeplaatsstelling (hierna: indeplaatsstellingsovereenkomst). Als partijen bij deze indeplaatsstellingsovereenkomst staan [gedaagde 1] , [eiser] en de directeur van Pappa Joe, de heer [A] vermeld. In de indeplaatsstellingsovereenkomst is onder andere bepaald:

1. Met ingang van 1 december 2019 neemt de Nieuwe Huurder alle rechten en verplichtingen uit de Huurovereenkomst over van de Oude Huurder, die op zijn beurt met ingang van deze datum afstand doet van alle rechten en verplichtingen uit de Huurovereenkomst.”

6. De indeplaatsstelling wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat:

(a) De Oude Huurder uiterlijk 30 november 2019 aan alle verplichtingen uit de Huurovereenkomst heeft voldaan;

(b) De Nieuwe Huurder uiterlijk op 30 november 2019 de Huurprijs heeft voldaan aan Verhuurder door middel van bijschrijving op [rekeningnummer 1] ten name van [gedaagde 1] te [plaats] ;

(c) De Nieuwe Huurder uiterlijk op 30 november 2019 een waarborgsom ter grootte van EUR 10.890 heeft voldaan aan Verhuurder door middel van bijschrijving op [rekeningnummer 2] ten name van [gedaagde 1] te [plaats] .

2.8.

Op 20 december 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan [gedaagde 1] gestuurd, waarin [eiser] de door hem gestorte waarborgsom van € 9.000,- van [gedaagde 1] terugvordert.

2.9.

Bij brief van 23 december 2019 heeft [gedaagde 1] als volgt gereageerd op de brief van [eiser] :

“(…) Ik kreeg een brief van DAS over terugbetaling van de borg. Wij hebben afgesproken dat jij, als jij vertrekt, de ovens weer in de oude staat herstelt. Dat is een afspraak met jou, niet met [A] . Het is duidelijk dat je dat niet hebt gedaan.

Ook is er kennelijk een koopovereenkomst gesloten waarbij [A] de exploitatie van jou overneemt en waarin hij de borg aan jou zou voldoen. Dat is in tegenspraak met de indeplaatsstelling, waarbij uitdrukkelijk is opgenomen dat [A] de borg aan mij voldoet en ik dan weer aan jou. (…)”

2.10.

[eiser] heeft, mede in verband met de discussie over de verplichting(en) tot (terug)betaling van de waarborgsom, in april 2020 een kort geding procedure bij deze rechtbank gevoerd tegen Pappa Joe, [A] en [gedaagde 1] . De kantonrechter heeft in die zaak met zaaknummer 8379403 \ CV EXPL \ 20-1031 op 22 april 2020 vonnis gewezen.

2.11.

Na voormeld kort geding heeft [eiser] nogmaals een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt tegen [gedaagde 1] . In die procedure met zaaknummer 85509523 \ CV EXPL \ 20-2222 heeft [eiser] de kantonrechter onder andere verzocht om [gedaagde 1] te veroordelen tot terugbetaling van de door [eiser] bij aanvang van de huurovereenkomst gestorte waarborgsom. [eiser] heeft zijn de vorderingen, nadat partijen hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling hadden toegelicht en vragen van de kantonrechter hadden beantwoord, ingetrokken. [gedaagde 1] heeft de kantonrechter toen gevraagd om een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Op 10 juli 2020 heeft de kantonrechter daarover vonnis gewezen. Op 25 augustus 2020 is er vervolgens een herstelvonnis gewezen. Het verzoek tot herstel is hierbij afgewezen.

2.12.

Vervolgens hebben (de gemachtigden van) partijen nogmaals contact gehad over onder andere de verplichting(en) tot (terug)betaling van de waarborgsom. Zij hebben hierover geen overeenstemming weten te bereiken.

De vorderingen van [eiser] en het verweer van gedaagden.

2.13.

[eiser] wil - enigszins samengevat - dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk, dan wel Pappa Joe en/of [gedaagde 1] afzonderlijk, veroordeelt tot betaling van:

I. de door [eiser] bij aanvang van de huurovereenkomst gestorte waarborgsom van € 9.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente hierover vanaf 2 december 2019;

II. € 825,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;

III. de kosten van dit geding, inclusief nakosten.


Daarnaast vraagt [eiser] de kantonrechter om voor recht te verklaren dat:

IV. er voor [eiser] geen verplichtingen openstaan uit hoofde van de huurovereenkomst van 7 januari 2014;

V. Pappa Joe met ingang van 1 december 2019 als huurder in de plaats is gesteld voor [eiser] .

2.14.

Gedaagden voeren verweer.

2.15.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het oordeel van de kantonrechter.

2.16.

De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde verklaringen voor recht voor toewijzing in aanmerking komen. Daarnaast moet [gedaagde 1] de waarborgsom en de bijkomende kosten (de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten) aan [eiser] vergoeden. [eiser] zal tot slot worden veroordeeld in de proceskosten van Pappa Joe.

2.17.

Hierna licht de kantonrechter haar beslissingen toe.

Betaling van de waarborgsom door Pappa Joe aan [eiser] .

2.18.

[eiser] vordert onder andere betaling van de waarborgsom door Pappa Joe. [eiser] beroept zich daarbij op artikel 7.5 van de koopovereenkomst. Dit artikel bepaalt dat Pappa Joe de waarborgsom die [eiser] bij aanvang van de huur aan [gedaagde 1] heeft voldaan, aan [eiser] zal restitueren.

2.19.

Pappa Joe stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is de waarborgsom aan [eiser] te betalen. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Artikel 7.5 van de koopovereenkomst en artikel 6 sub c van de indeplaatsstellingsovereenkomst zijn tegenstrijdig met elkaar. Op grond van deze bepalingen zou Pappa Joe namelijk twee keer een waarborgsom moeten betalen, namelijk één keer aan [gedaagde 1] en één keer aan [eiser] . Dat is niet de bedoeling van partijen geweest, aldus Pappa Joe. Volgens Pappa Joe moet worden uitgegaan van de bepaling in de indeplaatsstellingsovereenkomst en niet van de bepaling in de koopovereenkomst. Pappa Joe verwijst hierbij ook naar r.o. 4.5 van het kort gedingvonnis van 22 april 2020. Tot slot heeft Pappa Joe een beroep gedaan op dwaling. Pappa Joe stelt zich op het standpunt dat hier sprake van is, omdat [eiser] haar niet heeft ingelicht over de herstelplicht van de ovens. Als Pappa Joe daar wel van op de hoogte was geweest, had zij de koopovereenkomst en de indeplaatsstellingsovereenkomst niet onder de huidige voorwaarden gesloten, aldus Pappa Joe.

2.20.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] tijdens de zitting heeft aangegeven ‘dat het niet de insteek is geweest dat Pappa Joe twee keer een waarborgsom moest betalen en dat het idee was dat Pappa Joe de waarborgsom aan [gedaagde 1] zou voldoen en dat [gedaagde 1] vervolgens de waarborgsom aan [eiser] zou terugbetalen’. Dat is in lijn met het standpunt van Pappa Joe (en met r.o. 4.5 van het kort gedingvonnis van 22 april 2020). Bovendien blijkt ook uit het feit dat [eiser] [gedaagde 1] en niet Pappa Joe meerdere malen heeft aangeschreven tot terugbetaling van de waarborgsom en uit het feit dat [eiser] hierover alleen tegen [gedaagde 1] in juli 2020 een kort gedingprocedure aanhangig heeft gemaakt (zie r.o. 2.11), dat [eiser] en Pappa Joe niet hebben bedoeld om Pappa Joe de waarborgsom aan [eiser] te laten betalen. De kantonrechter zal hier dan ook vanuit gaan. Nu [eiser] geen andere grondslag heeft aangevoerd op grond waarvan Pappa Joe de waarborgsom aan hem zou moeten terugbetalen, zal de vordering van [eiser] tegen Pappa Joe reeds daarom worden afgewezen. Het verweer van Pappa Joe slaagt dus. Aan het beroep op dwaling wordt daarom niet toegekomen.

Terugbetaling van de waarborgsom door [gedaagde 1] aan [eiser] .

2.21.

Verder heeft [eiser] terugbetaling van de waarborgsom door [gedaagde 1] gevorderd. Hierbij beroept [eiser] zich op artikel 6 sub c van de indeplaatsstellingsovereenkomst, waarin staat dat Pappa Joe aan [gedaagde 1] een waarborgsom dient te betalen. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] geen enkel rechtens te respecteren belang heeft bij het onder zich houden van de waarborgsom van [eiser] , omdat Pappa Joe aan [gedaagde 1] een waarborgsom moet betalen, Pappa Joe voor hem in de plaats is getreden ten aanzien van de huurovereenkomst en er geen verplichtingen voor [eiser] meer openstaan uit hoofde van de huur.

2.22.

[gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat hij de waarborgsom niet aan [eiser] hoeft terug te betalen. Daartoe voert hij het volgende aan. De indeplaatsstellingsovereenkomst is aangegaan onder opschortende voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat [eiser] aan al zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen hem en [gedaagde 1] voldoet. Aan deze voorwaarde heeft [eiser] niet voldaan. Hij moet de ovens (die hij in 2016 heeft aangepast, zie r.o. 2.5) namelijk weer in de oorspronkelijke staat herstellen, aldus [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is van mening dat hij daarom gerechtigd is de borg onder zich te houden tot het moment waarop [eiser] aan zijn herstelplicht heeft voldaan. Dat op [eiser] een verplichting tot herstel van de ovens rust, volgt volgens [gedaagde 1] uit: 1) het feit dat [gedaagde 1] en [eiser] deze afspraak hebben gemaakt; 2) artikel 6 sub a van de indeplaatsstellingsovereenkomst; 3) de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst; en 4) artikel 9 van de huurovereenkomst.

2.23.

De kantonrechter zal hierna nader ingaan op de vier door [gedaagde 1] aangevoerde punten.

1). Afspraak met betrekking tot het in oorspronkelijke staat brengen van de ovens

2.24.

[gedaagde 1] voert in de eerste plaats aan dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat [eiser] de aanpassingen aan de ovens bij zijn vertrek uit het gehuurde weer ongedaan zou maken. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar:

1. een verklaring van [X] . [X] heeft een allround klussenbedrijf en hij heeft de verbouwing van de keuken destijds voor [eiser] uitgevoerd. In een verklaring, gericht aan [gedaagde 1] , schrijft [X] :

“(…) Zoals u weet, heb ik in 2017 in opdracht van de heer [eiser] een voorzetwand gemaakt voor de ovens achter de bar van het restaurant Eten bij Pa en Ma. Ik weet dat u aanvankelijk bezwaar maakte tegen deze aanpassing omdat het ’t karakter van het restaurant zou aantasten en daarom alleen akkoord ging als [eiser] bij zijn vertrek de oude situatie zou herstellen. (…)” ;

2) een gesprek dat plaatsvond op 14 november 2019. Daarbij waren [eiser] , [gedaagde 1] , [A] en een werknemer van [A] aanwezig. Over de inhoud van dit gesprek hebben de heer [A] en zijn werknemer een schriftelijke verklaring afgegeven, waarin – voor zover hier van belang – staat:

“(…) Bij de overname van het restaurant heb ik [eiser] er meerdere keren op gewezen dat hij aan zijn verplichtingen tegenover [gedaagde 1] diende te voldoen. In een gesprek dat [gedaagde 1] , [eiser] en wij beiden hadden op 14 november 2019 heeft [gedaagde 1] aangegeven dat de afspraak met [eiser] was dat die, als hij zou vetrekken, de ambachtelijke ovens weer in de oorspronkelijke staat zou terugbrengen. (…)” ;

3) een e-mail die [gedaagde 1] op 11 november 2019 aan de heer [B] (de adviseur van [eiser] ) heeft gestuurd. Hierin schrijft [gedaagde 1] :

“(…) Dat gaat me iets te snel. Ik heb geen inzicht in solvabiliteit en wat [A] precies gaat doen. Verder is het pand nu niet in de oorspronkelijke staat wat betreft de pizzaoven en de rookovens. Wat is de termijn waarbinnen ik moet beslissen? (…)” ;

4. de brief die [gedaagde 1] op 23 december 2019 aan [eiser] heeft gestuurd (zie r.o. 2.9) ;

5. een e-mail van 30 maart 2020 van [gedaagde 1] aan [eiser] . Hierin staat:

“(…) Voor zover je in de veronderstelling zou zijn dat ik dat nog niet gedaan heb, stel ik je hierbij in gebreke voor de nog uitstaande factuur van de huur van de opslag en voor het niet in de oude staat terugbrengen van de keuken achter de bar. (…)” .

2.25.

[eiser] heeft het bestaan van een afspraak over herstel van de ovens gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] onder andere schriftelijke verklaringen van zijn partner en moeder overgelegd.

2.26.

De kantonrechter overweegt als volgt. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de verklaringen van [X] , [A] en de werknemer van [A] weliswaar dat [gedaagde 1] graag wilde dat [eiser] de ovens na zijn vertrek uit het gehuurde in de oorspronkelijke staat herstelde en dat hij dat tegen meerdere mensen heeft gezegd, maar is van een daadwerkelijke afspraak daartoe tussen [eiser] en [gedaagde 1] niet gebleken. Zowel [X] als [A] en de werknemer van [A] verklaren namelijk dat zij van [gedaagde 1] hebben gehoord over een afspraak tussen [gedaagde 1] en [eiser] . In de verklaringen staat niet dat deze mensen erbij waren toen een dergelijke afspraak werd gemaakt of dat [eiser] het bestaan van een dergelijke afspraak richting hen bevestigd heeft.

2.27.

Bovendien heeft [gedaagde 1] tijdens de zitting over het gesprek op 14 november 2019 zelf ook verklaard dat hij toen heeft gezegd dat herstel van de ovens voor hem een voorwaarde was en dat [eiser] reageerde door zijn schouders op te halen. [gedaagde 1] heeft daarbij aangegeven dat hij zich niet kan herinneren of [eiser] toen gezegd heeft dat hij dit wel of niet zou gaan doen. [A] heeft dit beaamd. Hij heeft ter zitting gezegd dat [gedaagde 1] wel wat zaken heeft benoemd die nog geregeld moesten worden en dat [gedaagde 1] de keuken daarbij ook noemde, maar dat de ovens en het verwijderen van de voorzetwand verder niet expliciet aan de orde zijn geweest. [A] heeft verder ter zitting verklaard dat hij ‘niet precies meer weet wat de reactie van [eiser] hierop was, maar dat hier volgens hem in ieder geval geen sluitende afspraken over zijn gemaakt’.

2.28.

Zo’n afspraak blijkt bovendien ook niet uit de door [gedaagde 1] overgelegde e-mails. Ook in die e-mails gaat het namelijk om verklaringen van [gedaagde 1] zelf. Daarbij komt dat de e-mails van [gedaagde 1] van 23 december 2019 en 30 maart 2020 van na 1 december 2019 dateren, dus van na het moment waarop [eiser] is gestopt met het gebruik van het gehuurde (en Pappa Joe het gehuurde al van [eiser] over had genomen).

2.29.

Dit alles betekent dat het bestaan van een afspraak over herstel van de ovens niet kan worden aangenomen. De kantonrechter is van oordeel dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen, omdat uit het bewijsaanbod niet blijkt dat er getuigen zijn die uit eigen waarneming, dus zonder dat zij daarover iets van [gedaagde 1] hebben gehoord, kunnen verklaren over het bestaan van de door [gedaagde 1] gestelde afspraak. Bewijslevering kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het eerste verweer van [gedaagde 1] zal daarom door de kantonrechter worden gepasseerd.

2) Artikel 6 sub a van de indeplaatsstellingsovereenkomst

2.30.

In de tweede plaats voert [gedaagde 1] aan dat in artikel 6 sub a van de indeplaatsstellingsovereenkomst expliciet is opgenomen dat de indeplaatsstelling wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat [eiser] aan alle verplichtingen uit de huurovereenkomst moet hebben voldaan. Volgens [gedaagde 1] valt daar ook de verplichting van [eiser] onder om de ovens weer in de oorspronkelijke staat te herstellen.

2.31.

[eiser] heeft dit verweer gemotiveerd betwist. Volgens [eiser] volgt uit artikel 6 sub a niet dat herstel van de ovens een voorwaarde was voor de indeplaatsstelling.

2.32.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit artikel 1 van de indeplaatsstellings-overeenkomst volgt dat [A] (Pappa Joe) in de plaats van [eiser] is getreden ter zake van de nakoming van de huurovereenkomst en dat alle rechten en verplichtingen zijn overgegaan. Indeplaatsstelling is een vorm van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook uit lid 2 van dit artikel volgt dat alle rechten en plichten op [A] zijn overgegaan, voor zover tussen partijen niet anders is bepaald. Dat partijen bij de indeplaatsstelling iets anders hebben afgesproken ten aanzien van plichten tot oplevering of herstel die bij [eiser] zijn blijven liggen, is niet gebleken. Zo’n afspraak volgt naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval niet uit artikel 6 sub a van de indeplaatsstellingsovereenkomst. Daar staat namelijk slechts in algemene zin beschreven dat [eiser] ‘aan alle verplichtingen uit de huurovereenkomst moet hebben voldaan’. Om welke verplichtingen het precies gaat, is niet gespecificeerd. Als partijen hebben beoogd om hier wel nadere afspraken over te maken (bijv. over het in oorspronkelijke staat terugbrengen van de ovens), had het naar het oordeel van de kantonrechter voor de hand gelegen dat die afspraken expliciet in de indeplaatsstellingsovereenkomst benoemd waren. Dat geldt temeer nu het [gedaagde 1] was die de indeplaatsstellingsovereenkomst heeft opgesteld. Nu in artikel 6 sub a van deze overeenkomst niets is opgenomen over herstel van de ovens, kan op grond hiervan ook geen herstelplicht voor [eiser] worden aangenomen. Dit verweer van [gedaagde 1] slaagt dan ook niet.

3) De algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst

2.33.

[gedaagde 1] heeft verder aangevoerd dat uit de artikelen 13.14, 23.1 en 23.4 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst volgt dat [eiser] de ovens moet herstellen. Volgens [gedaagde 1] is [eiser] op grond van deze bepalingen namelijk verplicht om bij het einde van het gebruik van het gehuurde de veranderingen ongedaan te maken/het gehuurde op te leveren in de staat zoals die was bij aanvang van de huur.

2.34.

[eiser] heeft het standpunt van [gedaagde 1] gemotiveerd betwist. [eiser] is van mening dat het gebruik van het gehuurde nog niet geëindigd is, omdat Pappa Joe als huurder voor [eiser] in de plaats is gesteld.

2.35.

De kantonrechter volgt [eiser] in zijn standpunt. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, is er bij indeplaatsstelling sprake van overgang van alle rechten en verplichtingen van de oude huurder ( [eiser] ) op de nieuwe huurder (Pappa Joe). Dat betekent dat niet aan de voorwaarden van artikel 13.14, 23.1 en 23.4 wordt voldaan. Ook dit verweer kan dus niet slagen.

4) Artikel 9 van de huurovereenkomst.

2.36.

Tot slot heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat uit artikel 9 van de huurovereenkomst volgt dat [eiser] de ovens moet herstellen. Volgens [gedaagde 1] zijn de ovens bijzondere en karakteristieke items van het gehuurde, die passen binnen het doel van de onderneming van [gedaagde 1] (De Oorsprong) en handelt [eiser] in strijd met artikel 9 van de huurovereenkomst door de ovens niet in oorspronkelijke staat terug te brengen.

2.37.

[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij in strijd met artikel 9 handelt door niet tot herstel van de ovens over te gaan.

2.38.

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst (ook) geen herstelplicht voor [eiser] kan worden aangenomen. Dit artikel beschrijft (deels) het doel van de onderneming van [gedaagde 1] , maar daaruit volgt geen verplichting voor [eiser] om de ovens na zijn vertrek uit het gehuurde weer in oorspronkelijke staat terug te brengen. Ook aan dit verweer zal de kantonrechter daarom voorbijgaan.

De conclusie

2.39.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. [eiser] hoeft de ovens niet in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Omdat gedaagden verder niets hebben aangevoerd waaruit nog een verplichting van [eiser] uit hoofde van de huurovereenkomst zou kunnen volgen, zal de gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat er voor [eiser] geen verplichtingen openstaan uit hoofde van de huurovereenkomst van 7 januari 2014, worden toegewezen. Nu er geen verplichtingen voor [eiser] meer openstaan, is bovendien aan alle voorwaarden van de indeplaatsstelling voldaan. Dat betekent dat ook de verklaring voor recht, inhoudende dat Pappa Joe met ingang van 1 december 2019 als huurder in de plaats is gesteld voor [eiser] , voor toewijzing in aanmerking komt.

2.40.

Hiervoor is al vastgesteld dat Pappa Joe niet gehouden is om de waarborgsom aan [eiser] te betalen. Voor [gedaagde 1] ligt dat anders. Een waarborgsom strekt namelijk tot zekerheid van voldoening aan de verplichtingen uit de huur. Nu die verplichtingen er voor [eiser] niet (meer) zijn, heeft [eiser] recht op terugbetaling van de waarborgsom door [gedaagde 1] . De kantonrechter zal [gedaagde 1] daartoe veroordelen.

2.41.

Hierbij wenst de kantonrechter nog het volgende op te merken. De vraag hoe het zit met de schade aan de gemetselde muur rondom de ovens, welke schade al is ontstaan voordat [eiser] de aanpassingen in de keuken heeft gedaan en waarvoor [gedaagde 1] hem in 2015 al aansprakelijk heeft gesteld, betreft naar het oordeel van de kantonrechter een kwestie die buiten de omvang van dit geding valt. De vorderingen van eiser zien hier namelijk niet op en gedaagden hebben hiervoor geen tegenvordering ingediend. Bovendien is niet zichtbaar of deze schade al (voordat de voorzetwand werd geplaatst) is hersteld en hebben partijen zich hier verder ook niet over uitgelaten.

De wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.42.

[eiser] heeft een vergoeding van wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat deze kosten zien op (terugbetaling van) de waarborgsom. Nu die vordering tegen Pappa Joe is afgewezen, hoeft Pappa Joe alleen om die reden al geen wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te vergoeden. Ten aanzien van Pappa Joe zullen deze vorderingen dan ook worden afgewezen. Dit geldt niet voor [gedaagde 1] . Hij moet de waarborgsom immers wél aan [eiser] terugbetalen. De kantonrechter overweegt ten aanzien van [gedaagde 1] als volgt.

2.43.

[gedaagde 1] had de waarborgsom na het einde van de huurovereenkomst (1 december 2019) aan [eiser] moeten terugbetalen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is hij vanaf 2 december 2019 wettelijke rente verschuldigd. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de gewone wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW moet worden toegewezen en niet de in artikel 6:119a BW genoemde handelsrente. De huurovereenkomst van 1 april 2014 is namelijk niet aangegaan door twee ondernemingen, maar door [gedaagde 1] in privé enerzijds en [eiser] , handelend onder de naam Eten bij Pa & Ma, anderzijds. Aan de voorwaarden voor toewijzing van de wettelijke handelsrente wordt daarom niet voldaan (vgl. het arrest van het Hof van Justitie EU van 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:548).

2.44.

[eiser] heeft verder aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 825,-. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) van toepassing is. Tegen deze vordering heeft [gedaagde 1] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Nu [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het gevorderde bedrag overeenkomst met het in het Besluit bepaalde tarief, zal deze vordering worden toegewezen.

De proceskosten.

2.45.

[gedaagde 1] zal in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. [gedaagde 1] is immers grotendeels in het ongelijk gesteld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,96

- griffierecht 236,00

- salaris advocaat 622,00 (2 punten x tarief € 311,00)

- nakosten 124,00

totaal € 1.084,96

2.46.

Omdat een deel van de kosten van [eiser] echter betrekking heeft op haar vordering jegens Pappa Joe, welke kosten niet door [gedaagde 1] hoeven te worden gedragen, zal de kantonrechter het hiervoor vermelde salaristarief met 50% verminderen. Aan [eiser] wordt daarom in totaal een bedrag van € 773,96 (€ 1.084,96 min € 311,-) aan proceskosten toegewezen.

2.47.

Verder is gebleken dat het grootste gedeelte van de vorderingen van [eiser] tegen Pappa Joe is afgewezen. Daarom zal [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Pappa Joe worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Pappa Joe worden begroot op € 311,- aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief € 311,-). Er wordt een factor 0,5 toegepast omdat Pappa Joe en [gedaagde 1] dezelfde advocaat hebben ingeschakeld en deels hetzelfde verweer hebben gevoerd.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart voor recht dat er voor [eiser] geen verplichtingen openstaan uit hoofde van de huurovereenkomst van 7 januari 2014 tussen hem en [gedaagde 1] ;

3.2.

verklaart voor recht dat Pappa Joe met ingang van 1 december 2019 als huurder in de plaats is gesteld voor [eiser] ;

3.3.

veroordeelt [gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser]

€ 9.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 2 december 2019 tot de dag van volledige betaling;

3.4.

veroordeelt [gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser]

€ 825,- te betalen wegens buitengerechtelijke incassokosten;

3.5.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] , aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 773,96 inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.6.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Pappa Joe, aan de zijde van Pappa Joe tot op heden begroot op € 311,-;

3.7.

verklaart dit vonnis met uitzondering van 3.1. en 3.2. uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021.