Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1598

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
9027746 \ CV EXPL 21-735
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering van werkneemster toegewezen. Werkneemster heeft een boete verbeurd omdat zij in strijd met het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld. De boete wordt gematigd en in mindering gebracht op het nog te betalen achterstallige loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 9027746 \ CV EXPL 21-735

Vonnis in kort geding van 12 april 2021

in de zaak van

[eiseres] ,
wonende te Oudheusden,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

gemachtigde: mr. J. Kidanemariam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BKBD B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde partij, hierna te noemen BKBD,

gemachtigde: mr. M.J.A. Gaber.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 februari 2021, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de op 15 maart 2021 gehouden mondelinge behandeling via Skype. [eiseres] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. BKBD is vertegenwoordigd door [A] (bestuurder), vergezeld door de gemachtigde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 oktober 2020 is [eiseres] op basis van een 0-uren contract voor bepaalde tijd bij BKBD in dienst getreden als uitzendmedewerker in de beveiligingsbranche. [eiseres] is laatstelijk door BKBD tewerkgesteld bij beveiligingsbedrijf M&M Security.

2.2.

BKBD en M&M Security hebben met elkaar onderhandeld over de overname van [eiseres] als werkneemster door M&M Security. M&M Security zou in geval van een overname een overnamevergoeding aan BKBD verschuldigd zijn.

2.3.

Op 17 december 2020 heeft M&M Security, zonder BKBD hierover in te lichten, aan [eiseres] het aanbod gedaan om bij M&M Security aan de slag te gaan. [eiseres] heeft dit aanbod geaccepteerd waarbij zij per 21 december 2020 bij M&M Security in dienst is getreden. M&M Security heeft BKBD geen vergoeding voor de overname betaald.

2.4.

BKBD heeft het loon van [eiseres] over december 2020 en het opgebouwde vakantiegeld niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat BKBD bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot betaling van:

I. € 1.174,36 bruto aan loon over december 2020, voor 83,75 gewerkte uren, inclusief toeslagen;

II. € 337,48 aan vakantiegeld over oktober, november en december 2020;

III. € 45,21 ter zake van een gedeclareerde benzinebon;

IV. € 755,92 aan wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW1) over het onder I. en II. gevorderde;

V. de wettelijke rente over het onder I. t/m IV. gevorderde.

VI. € 346,95 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Ten slotte vordert [eiseres] verstrekking van een loonstrook over de maand december 2020 en een eindafrekening, op straffe van een niet gemaximeerde dwangsom van € 250,00 per dag, en veroordeling van BKBD in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

BKBD betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar loonvordering. Het ontbreken daarvan leidt tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen. BKBD stelt dat zij tegenvorderingen op [eiseres] heeft die vatbaar zijn voor verrekening. Volgens BKBD is [eiseres] op eigen initiatief bij M&M Security in dienst getreden zonder dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst met BKBD heeft opgezegd. [eiseres] heeft daarmee in strijd gehandeld met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding en met het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden. Verder heeft [eiseres] het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst geschonden omdat zij BKBD in een kwaad daglicht heeft gesteld bij klanten van BKBD en gezegd heeft dat BKBD zonder grijze kaart zou werken. Op elk van deze overtredingen is een boete van € 5.500,- gesteld, zodat [eiseres] een bedrag van in totaal € 16.500,- aan BKBD is verschuldigd. Mocht blijken dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst wel heeft opgezegd, dan is de opzegging onregelmatig geschied omdat [eiseres] geen opzegtermijn in acht heeft genomen. BKBD heeft als gevolg daarvan schade geleden die [eiseres] dient te vergoeden. BKBD doet een beroep op verrekening van de verbeurde boetes en de schadevergoeding met de vordering van [eiseres] . Na verrekening heeft [eiseres] niets meer van BKBD te vorderen. Ten slotte betwist BKBD de omvang van het gevorderde loon (83,75 uur), de opeisbaarheid en de hoogte van de vakantietoeslag en de verschuldigdheid van de benzinebon en de buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling


spoedeisend belang aanwezig

4.1.

In dit kort geding staat de loonvordering van [eiseres] centraal. Deze loonvordering strekt tot betaling van een geldsom. De kantonrechter stelt voorop dat voor de toewijzing van een geldvordering in kort geding volgens vaste rechtspraak de volgende drie voorwaarden gelden, namelijk:
- er moet sprake zijn van een spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening;

- het bestaan van de vordering moet voldoende aannemelijk zijn; en

- in de belangenafweging moet het risico van onmogelijkheid van terugbetaling worden betrokken (het restitutierisico).

4.2.

Daarbij geldt dat, mede met het oog op het restitutierisico, terughoudendheid op zijn plaats is bij de toewijzing van een geldvordering in kort geding en dat van een partij die een zodanige voorziening vraagt - en van de rechter die haar toewijst - mag worden verlangd dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden.

4.3.

[eiseres] heeft gesteld dat zij het gevorderde loon nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. [eiseres] heeft een achterstand opgelopen in de betaling van haar vaste lasten, omdat BKBD het loon niet heeft uitbetaald. [eiseres] kan de opgelopen achterstand in de vaste lasten niet (tijdig) inlopen, ondanks dat zij momenteel een inkomen heeft bij M&M Security. BKBD heeft deze stellingen van [eiseres] onvoldoende gemotiveerd bestreden. BKBD heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang is verdwenen omdat [eiseres] heeft gewacht met haar loonvordering en zij pas op 23 februari 2021 de dagvaarding heeft uitgebracht. De kantonrechter volgt BKBD hierin niet. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt immers dat [eiseres] van meet af aan aanspraak heeft gemaakt op het loon. Zo heeft de gemachtigde van [eiseres] BKBD op 4 januari, 14 januari (rappel) en op 19 januari 2021 gesommeerd om het loon te betalen. Op 1 februari 2021 stuurde de gemachtigde de conceptdagvaarding aan BKBD. BKBD heeft niet inhoudelijk gereageerd op de sommaties, ondanks de op 4 februari 2021 gedane toezegging dat wel te zullen doen. BKBD heeft evenmin op de conceptdagvaarding gereageerd. Onder deze omstandigheden kan BKBD [eiseres] niet tegenwerpen dat de dagvaarding 2,5 week na de toezegging van BKBD is uitgebracht. De kantonrechter acht het spoedeisend belang bij de loonvordering van [eiseres] dan ook in voldoende mate aanwezig.

BKBD doet beroep op verrekening

4.4.

Volgens BKBD heeft [eiseres] het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding, het nevenwerkzaamhedenbeding en het geheimhoudingsbeding overtreden. Vanwege deze overtredingen heeft [eiseres] boetes (zie 3.2.) verbeurd die vatbaar zijn voor verrekening. Mocht blijken dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst wel heeft opgezegd, wat BKBD betwist, dan heeft zij geen opzegtermijn in acht genomen als gevolg waarvan BKBD schade heeft geleden. Deze schade is ook vatbaar voor verrekening, aldus BKBD.

[eiseres] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd, maar tegen een eerdere datum dan bij een regelmatige opzegging het geval zou zijn geweest

4.5.

Partijen twisten allereerst over de vraag of [eiseres] de arbeidsovereenkomst op enig moment heeft opgezegd. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend met verwijzing naar de door BKBD overgelegde WhatsApp-correspondentie tussen haar bestuurder [A] en [eiseres] . Die correspondentie heeft volgens BKBD kort voor 21 december 2020 plaatsgevonden. [eiseres] heeft daarin onder meer het volgende aan BKBD meegedeeld:
“Maandag 21 december start voor M&M Security. Maar ik vertel jou waarschijnlijk niets nieuws.
[B] kan de eindafrekening opmaken. Vakantiegeld week 41 tm 51, loon week 49, 50 en 51. Ik stel het op prijs wanneer dit volgende week wordt afgehandeld.
Morgen tank ik mijn auto af waarna ik een bon overleg en jou een betaalverzoek stuur.

Ik wil het netjes houden en mag hopen dat iig de afhandeling wel in alle eerlijkheid gebeurt. Mijn “samenwerking” met BKBD is een korte en uiteindelijk, voor mij, frustrerende, verdrietige ervaring gebleken.
2020 eindigt met een goed vooruitzicht.
(…)
M&M is mijn nieuwe werkgever. Op jouw verzoek nog wel. Ben blij dat je van mij af bent. (…)”

4.6.

[eiseres] schrijft aldus dat zij per 21 december (2020) zal starten voor M&M Security, dat het loon kan worden uitbetaald, dat de eindafrekening kan worden opgemaakt en dat zij hoopt dat de afhandeling snel zal plaatsvinden. Ook schrijft [eiseres] dat de samenwerking met BKBD van korte duur is geweest en dat 2020 zal eindigen met een goed vooruitzicht en, tenslotte, dat BKBD van haar af is. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat uit de mededelingen van [eiseres] , hoewel zij niet expliciet de term ‘opzeggen’ heeft gebezigd, opgemaakt kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst met BKBD per direct heeft opgezegd, althans dat zij dat heeft beoogd. De mededelingen van [eiseres] zijn klip en klaar en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en BKBD had die redelijkerwijs moeten opvatten als een opzegging. Dat heeft BKBD kennelijk ook gedaan, want zij heeft [eiseres] nadien niet meer opgeroepen voor werk en BKBD heeft volgens haar eigen verklaring M&M Security ook niet gefactureerd voor de werkzaamheden van [eiseres] .

4.7.

Ingevolge artikel 7:672 lid 1 BW moet een opzegging geschieden tegen het einde van de maand met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Tussen partijen is niet in geschil dat voor [eiseres] een opzegtermijn van 1 maand gold. Dit betekent dat [eiseres] ten tijde van de appwisselingen in december 2020 de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst tegen 1 februari 2021 had kunnen opzeggen. [eiseres] heeft de arbeidsovereenkomst echter per direct opgezegd. [eiseres] heeft daarmee de geldende opzegtermijn niet in acht genomen, zodat sprake is van een onregelmatige opzegging. De vraag is nu of de onregelmatige opzegging, gelet op het verrekeningsverweer van BKBD, gevolgen heeft voor de (hoogte van) de loonvordering.

BKBD kan geen aanspraak meer maken op de gefixeerde schadevergoeding

4.8.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft BKBD gesteld dat zij een tegenvordering op [eiseres] heeft vanwege de onregelmatige opzegging. Naar de kantonrechter begrijpt doelt BKBD op de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 11 BW. Het beroep op verrekening van de gefixeerde schadevergoeding kan echter niet slagen. Gelet op artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder a BW vervalt de bevoegdheid om een verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding bij de kantonrechter in te dienen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Gesteld noch gebleken is dat BKBD een dergelijk verzoek heeft ingediend. Dit betekent dat geen grond bestaat voor verrekening van de gefixeerde schadevergoeding, omdat de gefixeerde schadevergoeding niet meer afdwingbaar is, zoals bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW.

4.9.

De kantonrechter zal nu het beroep van BKBD op verrekening van de door haar gestelde boetes op grond van het relatiebeding, het nevenwerkzaamhedenbeding en het geheimhoudingsbeding achtereenvolgend behandelen.

Het relatiebeding is niet geldig
4.10. Allereerst wordt overwogen dat het opnemen van een relatiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is toegestaan, tenzij een werkgever daarbij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft waardoor het noodzakelijk is voor de werkgever om een relatiebeding in de arbeidsovereenkomst op te nemen (artikel 7:653 BW). In dat geval moet een werkgever bij het beding schriftelijk motiveren dat het noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Die motivering moet toegespitst zijn op de specifieke werkzaamheden van de werknemer of een specifieke functie. In het onderhavige geval heeft BKBD het relatiebeding in de arbeidsoveeenkomst niet voorzien van zo’n motivering. Reeds gelet hierop is de kantonrechter voorshands van oordeel dat het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst niet geldig is en dat BKBD hierop geen beroep kan doen.

[eiseres] heeft het verbod tot het verrichten van nevenwerkzaamheden niet overtreden

4.11.

Volgens art 10.1. van de arbeidsovereenkomst was het [eiseres] zonder schriftelijke toestemming van BKBD niet toegestaan gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst al dan niet in dienstbetrekking nevenwerkzaamheden te verrichten en/of nevenfuncties te vervullen voor zichzelf of voor anderen. BKBD doet een beroep op het boetebeding, omdat [eiseres] gedurende het dienstverband werkzaamheden voor M&M Security zou hebben verricht. Maar zij is met haar werkzaamheden voor M&M Security pas begonnen nadat het dienstverband met BKBD door haar opzegging was beëindigd. Weliswaar betreft het hier een onregelmatige opzegging, omdat zij tegen een eerdere datum heeft opgezegd dan geoorloofd was, maar de sanctie daarop is niet dat het dienstverband voortduurt tot de datum waarop rechtsgeldig kon worden opgezegd, maar de sanctie bestaat uit vergoeding van de gefixeerde schadevergoeding. Het dienstverband met BKBD was dus reeds beëindigd toen [eiseres] met haar werkzaamheden voor M&M Security begon. Van werkzaamheden in strijd met art. 10.1 van de arbeidsovereenkomst blijkt de kantonrechter dan ook vooralsnog niet.

[eiseres] heeft wel bedrijfsgevoelige informatie gedeeld

4.12.

Tenslotte maakte BKBD aanspraak op boetes, omdat [eiseres] in strijd gehandeld heeft met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding, dat is opgenomen in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst. In art. 13 is namelijk bepaald, dat werkneemster, zowel gedurende als na afloop van deze arbeidsovereenkomst, verplicht is:

(1) alle gegevens, die werknemer in de uitoefening van de functie mondeling of door middel van informatiedragers van werkgever ontvangt of heeft ontvangen, waarvan het vertrouwelijk karakter werknemer bekend is of had kunnen zijn, als vertrouwelijk te beschouwen en (…) daarover (geen) mededelingen van welke aard dan ook te doen; en

(2) strikte geheimhouding tegenover derden te betrachten over alles betreffende de zaken, relatie en belangen van werkgever, waarvan werknemer bij de uitoefening van de functie kennis verkrijgt of heeft verkregen en waarvan het vertrouwelijk karakter werknemer bekend was of had kunnen zijn.

BKBD heeft, onderbouwd met overgelegde e-mails, gesteld dat [eiseres] bij haar nieuwe werkgever heeft verteld dat zij bij BKBD zonder “grijze kaart” zou werken doordat BKBD geen ND-nummer meer had. Dergelijke informatie valt – of het waar is of niet – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onder de vertrouwelijke informatie, waarvan [eiseres] op grond van art. 13 van het arbeidsovereenkomst geen mededelingen aan derden mocht doen. [eiseres] heeft niet, althans voorlopig onvoldoende gemotiveerd, betwist dat zij dergelijke mededelingen aan derden heeft gedaan. Op grond hiervan kan BKBD een beroep doen op het boetebeding. Daarover later meer.

4.13.

Ook heeft BKBD gesteld dat [eiseres] aan derden lasterlijke berichten heeft verkondigd over de directeur van BKBD. Wat daarvan ook zij, dit soort mededelingen vallen niet onder de vertrouwelijke bedrijfsinformatie als bedoeld in art. 13 van de arbeidsovereenkomst, zodat op grond hiervan BKBD geen aanspraak kan maken op verbeurde boetes. Wellicht kunnen dit soort mededelingen over de directeur van BKBD worden aangemerkt als onrechtmatig handelen van [eiseres] jegens BKBD, waarvoor [eiseres] schadevergoeding verschuldigd is, maar voor zover BKBD op grond hiervan aanspraak zou willen maken op schadevergoeding, heeft BKBD vooralsnog over de omvang van de schade als gevolg van de lasterlijke uitlatingen niets gesteld.

[eiseres] heeft een boete verbeurd

4.14.

De conclusie uit het voorgaande kan dus zijn dat BKBD aanspraak kan maken op het in de arbeidsovereenkomst opgenomen boetebeding, vanwege overtreding van het geheimhoudingsbeding. Volgens het boetebeding in art 13.3 van de arbeidsovereenkomst verbeurt [eiseres] aan BKBD een direct opeisbare, niet voor matiging vatbare boete van € 5.500,00, vermeerderd met € 500,00 voor iedere dag of een deel daarvan dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om in plaats van de boete de daadwerkelijk geleden schade als gevolg van de overtreding op werknemer te verhalen.|
BKBD maakt in dit kort geding aanspraak op (éénmaal) een bedrag van € 5.500,00 wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding. BKBD doet een beroep op verrekening van dit bedrag van € 5.500,00 met de vorderingen van [eiseres] . De kantonrechter overweegt hierover nu als volgt.

De kantonrechter matigt het boetebedrag

4.15.

Hoewel in het hiervoor genoemde boetebeding is opgenomen dat de verbeurde boetebedragen niet voor matiging vatbaar zijn, is de kantonrechter toch wel bevoegd om het bedrag van € 5.500,00 te matigen. De wettelijke bepalingen over boetebedingen in art. 6:91 t/m 94 BW zijn namelijk ook van toepassing op boetebedingen in arbeidsovereenkomsten (zie art. 7:650 lid 8 BW). [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om de boetes te matigen. En op grond van art. 6:94 lid 1 BW kan de rechter op verlangen van de schuldenaar (dat is [eiseres] in dit geval) de boete matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Een rechter dient in het algemeen met terughoudendheid van deze matigingsbevoegdheid gebruik te maken. En in ieder geval geldt dat de rechter de schuldeiser (BKBD) ter zake van de tekortkoming niet minder aan boetes kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.

4.16.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de billijkheid in dit geval matiging van het boetebedrag vordert. Er bestaat namelijk een wanverhouding tussen de hoogte van het in artikel 13 genoemde boetebedrag en het inkomen van [eiseres] . Dat beide in een redelijke verhouding tot elkaar moeten staan baseert de kantonrechter op het bepaalde in art. 7:650 lid 5 BW (“Binnen een week mag aan de werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke boete mag hoger dan dit bedrag worden gesteld”), welke bepaling op grond van art. 7:650 lid 6 BW tot nietigheid van het boetebeding zou hebben geleid, ware het niet dat het inkomen van [eiseres] net iets hoger dan het minimumloon is geweest. Niettemin leidt de kantonrechter hieruit af, dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat een werkneemster door een enkele overtreding van een geheimhoudingsbeding – zoals in dit geval – ruim 2 keer een maandinkomen riskeert. Daarbij komt dat de kantonrechter de ernst van de overtreding van het geheimhoudingsbeding door [eiseres] gering acht. BKBD heeft naar aanleiding van het verzoek om matiging ook niet aangegeven op welke wijze zij nadeel heeft ondervonden van deze overtreding. De kantonrechter kan thans, in het kader van dit kort geding, dan ook niet vaststellen op welk bedrag de boete tenminste moet worden vastgesteld vanwege door BKBD geleden schade. De kantonrechter zal het bedrag van de verbeurde boete voorlopig matigen tot € 250,00.

4.17.

De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van BKBD op verrekening kan worden gehonoreerd voor een bedrag van € 250,00.

Over de (on-)toewijsbaarheid van de vorderingen van [eiseres]

4.18.

heeft aan het gevorderde loon over december 2020 ten grondslag gelegd dat zij in die maand 83,75 uur heeft gewerkt. BKBD heeft dit aantal werkuren – na de toelichting door [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling – niet verder weersproken. De kantonrechter zal daarom voorshands uitgaan van de juistheid van de door [eiseres] gestelde werkuren. BKBD heeft verder niet betwist dat het aantal werkuren het gevorderde loon van € 1.174,36 vertegenwoordigt. Dit bedrag is dus toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals gevorderd. Het gevorderde vakantiegeld, vermeerderd met rente, is ook toewijsbaar, nu voorshands vast is komen te staan dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en het vakantiegeld daardoor opeisbaar is geworden.

4.19.

[eiseres] vordert verder een gedeclareerde benzinebon. [eiseres] heeft met verwijzing naar de bepaling over de reiskostenvergoeding in de arbeidsovereenkomst gesteld dat het de bedoeling was dat zij benzinebonnen achteraf declareerde en dat zij ook hiernaar heeft gehandeld. Volgens [eiseres] heeft BKBD de eerdere gedeclareerde benzinebonnen op deze wijze altijd uitbetaald. [eiseres] heeft verklaard dat de onderhavige benzinebon betrekking heeft op gereden zakelijke kilometers voor BKBD, hetgeen wordt ondersteund door de datum van de benzinebon. De benzinebon is gedateerd op 21 december 2020, de eerste werkdag van [eiseres] bij M&M Security. BKBD heeft hiertegen slechts een kale betwisting ingebracht. Die betwisting kan tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiseres] op dit punt geen stand houden. De gevorderde betaling van de benzinebon zal daarom worden toegewezen.

4.20.

De gevorderde wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW zal daarentegen worden afgewezen. [eiseres] heeft immers geen opzegtermijn in acht genomen en dat had zij, hoewel haar loonvordering desondanks toewijsbaar is, wel moeten doen.

4.21.

BKBD zal op de voet van artikel 7:626 BW worden veroordeeld een loonstrook over december 2020 en een eindafrekening aan [eiseres] te verstrekken, met dien verstande dat BKBD in redelijkheid een termijn van een maand wordt gegund om bedoelde loonstrook en eindafrekening te verstrekken. Voor matiging van de gekoppelde dwangsom, zoals door BKBD is verzocht, bestaat geen aanleiding. De gevorderde dwangsom is van gebruikelijke omvang en dus toewijsbaar en de kantonrechter zal deze maximeren tot € 5.000,-.

4.22.

[eiseres] heeft hiernaast aanspraak gemaakt op de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Tegen toewijzing van deze schadepost heeft BKBD, anders dan door verweer te voeren tegen toewijzing van de loonvordering, geen specifiek verweer gevoerd. Deze kosten komen de kantonrechter ook niet ongegrond voor. De buitengerechtelijke incassokosten van € 346,95 zullen daarom worden toegewezen.

Proceskosten

4.23.

BKBD zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 987,-. Dit bedrag bestaat uit € 240,- aan griffierecht en € 747,- aan salaris voor de gemachtigde. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt BKBD tot betaling aan [eiseres] van € 1.174,36 bruto aan loon over december 2020, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van de volledige betaling en te verrekenen met een door [eiseres] verschuldigde boete van € 250,00;

5.2.

veroordeelt BKBD tot betaling aan [eiseres] van € 337,48 aan vakantiegeld over de periode oktober 2020 tot en met december 2020, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van de volledige betaling;

5.3.

veroordeelt BKBD tot betaling aan [eiseres] van € 45,21 ter zake van de gedeclareerde benzinebon;

5.4.

veroordeelt BKBD om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te verstrekken een loonstrook over de maand december 2020 en een eindafrekening, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat BKBD niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,-;

5.5.

veroordeelt BKBD tot betaling aan [eiseres] van € 346,95 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.6.

veroordeelt BKBD in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 987,-, vermeerderd met een bedrag van € 124,- aan nakosten, indien BKBD binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis niet volledig aan dit vonnis zal hebben voldaan, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW gerekend vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis, tot aan de dag van de volledige betaling;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.

1 Deze notitiewijze staat voor: artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek