Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1593

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
08.030613.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige politieman uit Enschede is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur omdat hij een minderjarige jongen heeft mishandeld in de cel in Borne. Er was geen enkele reden om geweld te gebruiken, zo oordeelt de politierechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Politierechter

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.030613.21 (P)

Datum vonnis: 16 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 april 2021.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. van der Steeg, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2020 te Borne, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] bij zijn hoofd te pakken en/of te grijpen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) naar de grond te werken en/of te brengen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) op zijn buik op de grond gedrukt te houden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] op de grond gedrukt te houden en/of

- die [slachtoffer] een vuistslag in zijn zij te geven.

3 De voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de politierechter over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de politierechter tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de politierechter de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie voert hiertoe aan dat er in de gegeven omstandigheden geen rechtvaardiging ligt voor het toepassen van geweld door verdachte en dat verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig een door haar overlegde pleitnota bepleit dat de geweldshandelingen niet wederrechtelijk zijn dan wel dat daar een rechtvaardigingsgrond voor bestaat in de vorm van een wettelijk voorschrift. De raadsvrouw voert hiertoe aan dat verdachte in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was als bedoeld in artikel 7 Politiewet en derhalve bevoegd was om geweld te gebruiken. Verdachte is op basis van gerechtvaardigde redenen over gegaan tot het fixeren van aangever, waarbij hij binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de politierechter het volgende vast.

Op 21 juli 2020 is de minderjarige aangever in Enschede aangehouden. Verdachte en verbalisant [verbalisant 1] hebben aangever geboeid naar het arrestantencomplex in Borne gebracht. In de deuropening van de ophoudcel heeft verdachte de boeien bij aangever afgedaan. Op het moment dat verdachte de rechterhand van aangever ontboeide, heeft aangever een beweging met zijn rechterarm gemaakt. Vervolgens heeft aangever tegen de verbalisant: “domme gast”, aldus aangever, of “domme klootzak”, aldus verdachte, gezegd. Aangever is vervolgens naar het bankje in de cel gelopen en gaan zitten. Verdachte is de cel binnen gekomen, heeft aangever vastgepakt, naar de grond gebracht/gewerkt. Terwijl aangever op zijn buik op de grond lag, heeft verdachte de buik van aangever en het hoofd van aangever op de grond gehouden en heeft hij aangever met zijn rechter vuist in de zij van aangever gestompt.

Dat deze handelingen van verdachte aangever pijn hebben gedaan staat niet ter discussie.

4.4.

Het oordeel van de politierechter

De door de politierechter te beantwoorden vraag is of verdachte het onder 4.3 genoemde geweld rechtmatig heeft toegepast.

4.4.1

Het toepasselijke wettelijk kader

Artikel 7 van de Politiewet 2012 luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

lid 1:

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

lid 7:

De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Met betrekking tot het gebruik van geweld en geweldsmiddelen zijn nadere regels gesteld in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie). Met betrekking tot geweld is in de Ambtsinstructie het volgende opgenomen:

artikel 1, lid 4 onder b

Geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken.

De politierechter stelt voorop dat de weergegeven wettelijke regeling aan de politie, voor zover die optreedt in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, een grote mate van vrijheid toekent om jegens (andere) deelnemers aan de maatschappij geweld te gebruiken. Die vrijheid is evenwel niet onbeperkt, omdat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet mogen worden overschreden. Het door een politieambtenaar gebruikte geweld moet in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn geweest, en in een redelijke verhouding hebben gestaan tot het daarmee te dienen doel. Het te dienen doel moet eveneens niet op een andere (minder ingrijpende) wijze te realiseren zijn geweest.

Zolang gehandeld wordt conform het hiervoor beschreven wettelijk kader en de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet worden overschreden, komt de politieambtenaar in het kader van een strafrechtelijke vervolging een beroep toe op de rechtvaardigingsgrond neergelegd in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarin is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Indien de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit wél worden overschreden, is sprake van onrechtmatig geweldgebruik en komt in het kader van een strafrechtelijke vervolging aan de politieambtenaar geen beroep (meer) toe op een rechtvaardigingsgrond. Het oordeel daaromtrent is voorbehouden aan de strafrechter.

De politierechter neemt verder als uitgangspunt – zoals eerder is neergelegd in rechterlijke beslissingen (bijvoorbeeld gerechtshof Den Haag 17 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3418, en rechtbank Den Haag 2 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14520) – dat bij de strafrechtelijke beoordeling van geweldshandelingen van politieambtenaren in functie terughoudendheid moet worden betracht. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet of de politieambtenaar redelijkerwijs een andere keuze had kunnen maken of dat een andere keuze voor de hand had gelegen.

4.4.2

Overwegingen van de politierechter

De politierechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of het toepassen van geweld in de gegeven omstandigheden noodzakelijk was. De politierechter overweegt als volgt.

Verdachte heeft na het bekijken van de beelden bij de politie verklaard (p. 43): “Volgens mij was het een combinatie van alles waarom ik zo reageerde. Dus hoe hij zich gedroeg op dat moment en de periode daarvoor.” In het door verdachte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (p. 22) staat het volgende over het gedrag van aangever beschreven: “Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] de verdachte [de politierechter begrijpt: [slachtoffer] ] nog een aantal vragen stelde. Ik hoorde de verdachte meerdere keren zeggen dat de collega [verbalisant 2] zijn mond moest houden. Ik hoorde collega [verbalisant 1] aan collega [verbalisant 2] vragen of de verdachte al gefouilleerd was. Ik hoorde de verdachte zeggen " wil je mij betasten? Vindt je het lekker om aan mannen te zitten? of woorden van gelijke strekking. Daarna is collega [verbalisant 1] achterin de dienstvoertuig bij de verdachte gaan zitten.
Ik ben vervolgens naar het arrestantencomplex in Borne gaan rijden. Ik hoorde dat de verdachte klaagde over de handboeien. Ik hoorde collega [verbalisant 1] zeggen dat hij beter rustig kon zitten om te voorkomen dat hij meer last kreeg. Ik hoorde de verdachte zeggen dat de collega [verbalisant 1] zijn mond moest houden. Ik heb tijdens de rit of eerder geen woord gewisseld met de verdachte.
Toen wij bij het arrestantencomplex kwamen heb ik de deur voor collega [verbalisant 1]

geopend. Ik zag dat collega [verbalisant 1] de deur aan de kant van de verdachte opende en

hem uit de dienstvoertuig had gehaald. Ik zag dat collega [verbalisant 1] de deur van de cel

D08 opende. Ik zei tegen de verdachte dat hij naar binnen mocht lopen. De verdachte

bleef buiten staan en zei "moet je de handboeien niet af doen?" Ik zei tegen de

verdachte dat zodra hij in de cel stond, ik de handboeien af zou doen. De verdachte

liep de deuropening in en bleef daar vervolgens staan. Omdat ik niet wilde dat de

situatie onnodig ging escaleren wilde ik daar de transportboeien af doen. De

verdachte stond met zijn rug naar mij toe. Ik zei tegen de verdachte dat ik eerst

zijn linker hand los ging maken en dat hij zijn hand op zijn rug moest houden. Nadat

ik dit heb gedaan ging ik zijn rechterhand losmaken. Op het moment dat ik de handboei

van de rechterhand van de verdachte haalde, maakt hij een slaande beweging met zijn

rechterhand naar mij toe. Ik hoorde dat de verdachte daarbij zei "domme klootzak" en

liep vervolgens de cel in. (…) Omdat de verdachte nog niet gefouilleerd was en ik

geen idee had of hij nog voorwerpen bij zich had heb ik hem op het bankje tegen de

muur gefixeerd. Ik vroeg aan de verdachte "waarom doe je zoiets? Wat heb ik je

misdaan?". Ik zag dat de verdachte begon te grijnzen. Ik kreeg hierbij het gevoel dat hij al de hele tijd op uit was om een reactie uit te lokken bij de collega's.

Ter zitting heeft verdachte (aanvullend) verklaard dat hij wist dat aangever deel uit maakte van de “Noorderhagengroep”, dat over die groep bekend is dat daar wapens worden gedragen, dat hij niet zeker wist of aangever was onderworpen aan een veiligheidsfouillering, dat hij toen aangever naar het bankje in de cel liep zag dat aangever met zijn hand naar zijn zakken ging en daar mogelijk iets uitpakte en dat dat de reden voor verdachte was om hem te fixeren.

De politierechter is van oordeel dat de geschetste omstandigheden in de aanvullende verklaring van verdachte op geen enkele manier worden ondersteund door enig bewijsmiddel. Als dit al het geval zou zijn, dan zou de omstandigheid van onbekendheid met een eerdere fouillering, niet op zichzelf op voorhand noodzaken tot het toepassen van geweld.

De enkele omstandigheid dat aangever, een op dat moment minderjarige verdachte, zich opstandig heeft gedragen en geuit, voorafgaand aan het door verdachte toegepaste geweld, maakt niet dat kan worden geoordeeld dat dit geweld in de gegeven omstandigheden noodzakelijk was. Ook het feit dat aangever bij het ontboeien een beweging heeft gemaakt met zijn rechterarm maakt niet dat op een later moment er een noodzaak bestond tot het toepassen van het gebruikte geweld.

4.4.3

Conclusie

De politierechter acht bewezen dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht jegens aangever en dat hem op grond van het vorenstaande geen beroep op een rechtvaardigingsgrond van artikel 42 Sr toe komt. Dit brengt mee dat zijn handelen wederrechtelijk was en het bestanddeel “mishandelend” kan worden bewezen.

4.5

Bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 21 juli 2020 te Borne [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] bij zijn hoofd te pakken en

- die [slachtoffer] (met kracht) naar de grond te werken of te brengen en

- die [slachtoffer] (met kracht) op zijn buik op de grond gedrukt te houden en

- het hoofd van die [slachtoffer] op de grond gedrukt te houden en

- die [slachtoffer] een vuistslag in zijn zij te geven.

De politierechter acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De politierechter oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van 500,-- euro, waarvan 250,-- euro voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw brengt naar voren dat verdachte er naar aanleiding van dit voorval een schriftelijke berisping is opgelegd als disciplinaire sanctie en er heeft een gesprek plaats gevonden met aangever. De verdediging vraagt zich tevens af of het opleggen van een strafrechtelijke sanctie, in dat licht bezien, nog een redelijk doel dient.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de politierechter rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De politierechter acht daarbij het volgende van belang. Verdachte heeft een minderjarige aangever in de ophoudcel in het arrestantencomplex mishandeld waardoor aangever pijn heeft ondervonden. Verdachte is in een overzichtelijke besloten ruimte aangever, die geen kant op kon, aangevlogen, heeft hem naar de grond gebracht, op de grond gehouden en hem vervolgens gestompt. Verdachte was in deze situatie de professional die, in de uitoefening van zijn werk, een bijzondere zorgplicht had om namens de overheid aangever, die op dat moment zijn vrijheid was ontnomen, rechtmatig en fatsoenlijk te bejegenen. Het in de gegeven omstandigheden zonder noodzaak gebruiken van geweld past daar niet bij. Verdachte heeft door op die manier te handelen onrechtmatig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever, binnen de muren van het arrestantencentrum. De ervaring leert dat dergelijke ervaringen voor slachtoffers traumatisch zijn en het vertrouwen in de politie, niet alleen bij aangever, of andere mensen die in aanraking komen met de politie, maar ook in breed maatschappelijk verband ernstig kan worden aangetast.

Daar waar het gaat om geweld door burgers tegen hulpverleners, waaronder politieagenten, worden hogere straffen geëist en doorgaans opgelegd dan wanneer het gaat om geweld tussen burgers. Naar het oordeel van de politierechter moet dit ook zo zijn in die gevallen waarin er sprake is van mishandeling van een burger door een politieagent. Enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken, anderzijds om aan de maatschappij het signaal af te geven dat de politie weliswaar geweld mag toepassen onder bepaalde voorwaarden, maar dat wanneer een politieagent over de grens gaat, hij daarvoor ook gestraft wordt.

De politierechter heeft eveneens acht geslagen op het feit dat verdachte geen strafblad heeft, dat dit feit disciplinaire gevolgen voor verdachte heeft gehad en dat verdachte het gesprek is aangegaan met aangever. Hierbij merkt de politierechter op dat verdachte zich weliswaar heeft verontschuldigd tegen aangever, maar dat hij desgevraagd ter zitting geen blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelingen in te zien. De fout die hij zegt te hebben gemaakt is dat hij verdachte niet in de cel, maar in de deuropening heeft ontboeid. Ter zitting heeft hij op geen enkele wijze afstand genomen van zijn standpunt dat het door hem toegepaste geweld vereist was. Hieruit blijkt naar het oordeel van de politierechter geen enkele kritische reflectie op zijn eigen handelen.

De politierechter is van oordeel dat de geëiste geldboete onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit, maar dat er een zwaardere strafmodaliteit op zijn plaatst is. Naar het oordeel van de politierechter is geen andere straf passend en dan een taakstraf voor de duur van 40 uren.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 750,-- (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering dan wel de vordering af te wijzen.

8.4

Het oordeel van de politierechter

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde immateriële schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk dat benadeelde schade heeft geleden. Het gevorderde bedrag is echter niet passend bij de schade. De politierechter stelt de schade vast op een bedrag € 500,-- De politierechter zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Voor het meerdere wordt de vordering afgewezen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De politierechter zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d van het Sr.

10 De beslissing

De politierechter:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, politierechter, in tegenwoordigheid van H. Kurtulus, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2021.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie, Eenheid Oost-Nederland, Eenheidsstaf, Team Veiligheid, Integriteit en Klachten, Deltanummer IOZON202092. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 8 en 9 zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, als verklaring van aangever:
Op 21 juli 2020 omstreeks 15.15 uur werd ik in Enschede door de politie aangehouden. Ik ben toen door de politie van Enschede naar Borne gebracht. Eenmaal aangekomen in de cel van het arrestantencomplex in Borne mochten de handboeien af. Mijn polsen waren helemaal rood en pijnlijk. Ik zei toen tegen de agent die mij de boeien afdeed: "Domme gast" en ik ging in de cel op de bank zitten. De agent kwam dreigend op mij af lopen en ik hoorde hem zeggen: “Wat zei jij daar”? Daarna werd ik hardhandig op pijnlijke wijze met mijn buik op de grond gegooid. Mijn gezicht werd op de grond gehouden, hetgeen pijn deed. Daarna zag en voelde ik dat hij mij in mijn ribben begon te slaan. Hij heeft mij met zijn gebalde vuist in mijn ribben aan de rechterzijde geslagen, terwijl ik op de grond geduwd werd.

2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 42 en 43 zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte:
V: Je bent, op 21 juli 2020, betrokken geweest bij de insluiting van de verdachte [slachtoffer] in het PAT te Borne. Wat kun je daar over verklaren?

A: (…) In Borne (PAT) hebben wij verdachte uit de dienstauto gehaald. [verbalisant 1] opende de celdeur. In de deuropening heb ik de verdachte zijn boeien afgedaan. Ik heb eerst zijn linker hand ontboeid. Daarna maakte ik zijn rechter boei open. Ik stond op dat moment achter hem. Hij riep hierbij: “Domme klootzak”, hij liep hierna naar het bankje in de cel. Hij had zijn handen voor zich en daarom heb ik hem naar de grond gewerkt. Hij bleef zich echter verzetten en daarom gaf ik hem een vuistslag in zijn rechter zij.

3. Het proces-verbaal ter terechtzitting voor zover inhoudende de eigen waarneming van de politierechter bij het tonen van de beelden:

Ik zie dat de handen van aangever op zijn rug zijn geboeid. Ik zie dat hij met de rug naar u, verdachte, toe staat. Ik zie dat op het moment dat u zijn boeien af doet hij met zijn rechter elleboog een beweging omhoog/naar achteren maakt en vervolgens zijn arm weer naar voren doet zodat de arm weer naast het lichaam is. Op de camerabeelden van de camera in de cel zie ik dat aangever in de deuropening verschijnt en dat hij naar het bankje in de cel loopt. Als aangever op het bankje zit heeft hij zijn handen over elkaar ter hoogte van zijn kruis. Ik zie dat u de cel binnen komt, dat u de boeien van u af werpt en dat u aangever vastpakt. Ik zie dat aangever in de hoek zit, hij zit klem tegen de muur en hij kan geen kant uit. Ik zie dat de aangever naar de grond wordt gewerkt door u. Ik zie dat hij een stomp in zijn zij krijgt.