Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1567

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
08/182205-20, 08/131773-20, 08/134694-20, 08/021910-18 (tul) en 08/730228-18 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 57-jarige vrouw belaagde verschillende medewerkers van een huisartsenpraktijk in Hardenberg en het ziekenhuis in Zwolle. Zij belde erg vaak en sloeg daarbij een intimiderende toon aan. Ook belde zij meermalen zonder noodzaak naar het alarmnummer 112 en hield daarmee de lijn bezet. De rechtbank Overijssel veroordeelt de vrouw hiervoor tot een gevangenisstraf van 6 maanden en tbs met dwangverpleging. Daarnaast moet ze ook nog 4 maanden cel uitzitten, die zij bij een andere uitspraak eerder voorwaardelijk opgelegd kreeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/182205-20, 08/131773-20, 08/134694-20,

08/021910-18 (tul) en 08/730228-18 (tul) (P)

Datum vonnis: 15 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

thans verblijvende: Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 22 oktober 2020, 14 januari 2021 en 1 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J. van Dijck en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M. Kuiper, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20, dat verdachte

feit 1: in de periode van 19-05-2020 t/m 13-07-2020 [aangever 1] en/of medewerkers van [huisartsenpost] heeft belaagd;

feit 2: zonder noodzaak naar alarmnummers heeft gebeld;

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20, dat verdachte:

medewerkers van [ziekenhuis] heeft belaagd;

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20, dat verdachte:

feit 1: in de periode van 2 april 2020 tot en met 29 april 2020 [aangever 1] en/of medewerkers van [huisartsenpost] heeft belaagd;

feit 2: een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte:

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20, dat:

1
zij in of omstreeks de periode van 19-05-2020 t/m 13-07-2020 te Hardenberg,
althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] (huisarts)en/of een of meer medewerkers van [huisartsenpost] , door veelvuldig, althans meermalen te bellen naar die huisartsenpost en/of e-mails te sturen met dwingende en/of dreigende strekking,
met het oogmerk die [aangever 1] en/of medewerkers van die huisartsenpost te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
zij op of omstreeks 12 juli 2020 te Hardenberg opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een of meer alarmnummer(s) voor publieke diensten, door meermalen zonder noodzaak te bellen naar het alarmnummer 112 en/of het telefoonnummer van [huisartsenpost] ;

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20, dat:

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met
23 april 2020 te Zwollen en/of Hardenberg, althans (elders) in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van één of meerdere medewerkers van [ziekenhuis] , door (zeer) veelvuldig te bellen naar het telefoonnummer van voornoemde ziekenhuis met het oogmerk die medewerker(s) van het ziekenhuis, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20, dat:

1
zij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 29 april 2020 te Hardenberg, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] en/of een of meerdere medewerker(s) van [huisartsenpost] , door een of meerdere ma(a)l(en) te bellen naar die huisartsenpraktijk met het oogmerk die [aangever 1] en/of een of meerdere medewerker(s) van die huisartsenpraktijk, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2
zij, in of omstreeks de periode van 23 april 2020 tot en met 24 april 2020 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk politiecel 8, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Nederland toebehoorde, heeft vernield,beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich met betrekking tot de ten laste gelegde belagingsfeiten op het standpunt gesteld dat de pleegperiode moet worden ingeperkt en dat hooguit sprake is van ‘dwingen iets te dulden.’

Met betrekking tot het onbruikbaar maken van een politiecel en het zonder noodzaak bellen naar een alarmnummer heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20:

feit 1

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tussen 20 mei 2020 en 8 juli 2020 zeer frequent heeft gebeld met de huisartsenpraktijk van aangever [aangever 1] en met de huisartsenpost en dat deze telefoongesprekken regelmatig verzandden in geschreeuw, gescheld en het dreigen met suïcide. Uit de opgetekende verklaring van één van de assistentes van [aangever 1] volgt dat alle acht assistentes verdachte aan de lijn hebben gehad en met haar gedrag zijn geconfronteerd. Uit de aangifte van [aangever 1] en de weergave van een verklaring van assistente [naam 1] blijkt dat zij op een indringende wijze door verdachte tegemoet werden getreden en dat zij de schuld kregen van de door verdachte aangekondigde suïcide. Door het gedrag van verdachte moesten de medewerkers van de huisartsenpraktijk dulden dat hen een schuldgevoel werd aangepraat. Dit werd door de medewerkers als dreigend ervaren en veroorzaakte gevoelens van machteloosheid. Aldus zijn [aangever 1] en de assistentes in hun persoonlijke levenssfeer aangetast.

Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft bij de beoordeling van dit feit wat betreft de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen mede betrokken dat verdachte ook in de maand april van 2020 al soortgelijk gedrag had vertoond, zoals hierna onder parketnummer 08/134694-20 aan de orde zal komen.

feit 2

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte op 12 juli 2020 driemaal naar het alarmnummer 112 heeft gebeld. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat zij mogelijk 113 wilde bellen, maar bij vergissing een verkeerd nummer heeft ingetoetst, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu verdachte herhaaldelijk het alarmnummer heeft gebeld en telkens contact kreeg.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen voorts af dat verdachte in die gesprekken verbaal agressief is geworden en heeft gedreigd met zelfmoord. Verdachte is vervolgens diezelfde dag aangetroffen in haar woning zonder dat sprake was van een noodsituatie; de dienstdoende verbalisanten hebben verdachte aangesproken en aangehouden en haar de kans gegeven om spullen te pakken alvorens zij is overgebracht naar Zwolle. Vervolgens is zij diezelfde avond in verzekering gesteld. Van enige noodzaak om het alarmnummer 112 te bellen is niet gebleken. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het zonder noodzaak bellen naar het telefoonnummer van [huisartsenpost] , nu dit telefoonnummer naar het oordeel van de rechtbank geen alarmnummer voor publieke diensten, als bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), betreft.

In de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20:

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tussen 1 april 2020 en 23 april 2020 vijfenveertig maal heeft gebeld met [ziekenhuis] in Zwolle en dat zij zich in deze gesprekken dwingend opstelde, dreigde met zelfmoord en het ziekenhuis daarvan de schuld gaf. Daarbij sprak verdachte medewerkster [naam 2] nadrukkelijk met haar voornaam aan. Als gevolg van het gedrag van verdachte voelden de medewerkers van het ziekenhuis zich onveilig en geïntimideerd. Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

In de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20:

feit 1

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tussen 10 april 2020 en 29 april 2020 frequent heeft gebeld met de huisartsenpraktijk van aangever [aangever 1] en met de huisartsenpost en dat deze telefoongesprekken regelmatig verzandden in geschreeuw, gescheld en het dreigen met suïcide. Uit de aangifte van [aangever 1] blijkt dat de assistentes van de praktijk op een indringende wijze door verdachte tegemoet werden getreden en dat [aangever 1] en de assistentes de schuld kregen van de door verdachte aangekondigde suïcide.

Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20, dat:

1
zij in de periode van 20-05-2020 t/m 08-07-2020 te Hardenberg, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] (huisarts)en medewerkers van [huisartsenpost] , door veelvuldig te bellen naar die huisartsenpost, met het oogmerk die [aangever 1] en medewerkers van die huisartsenpost te dwingen iets te dulden;

2.
zij op 12 juli 2020 te Hardenberg opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door meermalen zonder noodzaak te bellen naar het alarmnummer 112;

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20, dat:

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2020 tot en met 23 april 2020 te Zwolle, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van meerdere medewerkers van [ziekenhuis] , door veelvuldig te bellen naar het telefoonnummer van voornoemde ziekenhuis met het oogmerk die medewerkers van het ziekenhuis, te dwingen iets te dulden;

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20, dat:

1
zij in de periode van 2 april 2020 tot en met 24 april 2020 te Hardenberg, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] en medewerkers van [huisartsenpost] , door meerdere malen te bellen naar die huisartsenpraktijk met het oogmerk die [aangever 1] en meerdere medewerkers van die huisartsenpraktijk te dwingen iets te dulden;

2
zij in de periode van 23 april 2020 tot en met 24 april 2020 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk politiecel 8, die aan Politie Nederland toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder voornoemde parketnummers meer of anders is ten laste gelegd en zal haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 142, tweede lid, 285b en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20:

feit 1

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd.

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20:

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20:

feit 1

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair verzocht om de zaak aan te houden ten einde een maatregelrapport op te laten maken, waarin verschillende mogelijkheden van behandeling van verdachte worden onderzocht.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit een minder vergaand middel te kiezen dan een tbs-maatregel met dwangverpleging, die disproportioneel zou zijn in verhouding tot de door verdachte gepleegde belagingsfeiten.

Meer subsidiair, indien de rechtbank een tbs-maatregel wenst op te leggen, heeft de raadsman bepleit om een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, nu de rapporten van de psychiater en psycholoog daarvoor aanknopingspunten bevatten.

Meest subsidiair, indien de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging op zou leggen, heeft de raadsman bepleit te bepalen dat deze maatregel gemaximeerd is.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aan de hoge kant is, en verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen in het geval de rechtbank ook een tbs-maatregel oplegt.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich in de maanden april tot en met juli 2020 schuldig gemaakt aan het belagen van medewerkers van [huisartsenpost] te Hardenberg en van [ziekenhuis] in Zwolle door deze instellingen veelvuldig te bellen en daarbij een intimiderende toon aan te slaan en te dreigen met zelfmoord. Dit gedrag van verdachte heeft niet alleen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers die haar te woord stonden, maar heeft ook de bedrijfsvoering van deze instellingen in ernstige mate belemmerd. Daarmee vergelijkbaar heeft verdachte meermalen zonder noodzaak naar alarmnummer 112 gebeld en zodoende de lijn enige tijd bezet gehouden. Het betreffen hele nare gedragingen voor degenen die verdachte hiermee heeft getroffen en feiten die ook voor grote overlast hebben gezorgd. Ook wordt verdachte veroordeeld voor het onbruikbaar maken van een politiecel, eveneens een kwalijk feit.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

‑ een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 26 februari 2021;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 8 maart 2021;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 12 maart 2021;

‑ een reclasseringsrapport over de persoon van verdachte d.d. 25 maart 2021;

- een aanvullend reclasseringsrapport over de persoon van verdachte d.d. 31 maart 2021.

Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog komt naar voren dat verdachte een langdurige (forensisch) psychiatrische voorgeschiedenis kent en dat zij sinds 1989 vele hulpverleningstrajecten in diverse kaders heeft doorlopen.

Verdachte heeft volgens beide deskundigen een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische persoonlijkheidskenmerken en een stoornis in alcoholgebruik. De psycholoog stelt daarnaast een posttraumatische stressstoornis vast. Als gevolg daarvan disfunctioneert verdachte al tientallen jaren. Zij verliest gemakkelijk overzicht en structuur en kan bij stress kortdurend paranoïde psychotisch decompenseren. Haar gevoel om afgewezen te worden wordt dan nog versterkt en dat leidt tot boosaardig, claimend en aanklampend gedrag. Door alcoholmisbruik wordt zij nog impulsiever. Deze stoornissen zijn chronisch en waren ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aanwezig. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op de complexe problematiek en het strafrechtelijk verleden van verdachte wordt het risico op recidive van soortgelijke feiten ingeschat als hoog en het risico dat verdachte daadwerkelijk geweld zal toepassen als matig tot hoog. Beide deskundigen adviseren het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging in overweging te nemen, waarbij wordt aangetekend dat het beveiligen van de samenleving op de voorgrond staat, omdat van behandeling weinig resultaat te verwachten valt.

Voor de reclassering is het niet mogelijk gebleken om op constructieve wijze met verdachte in gesprek te komen en de reclassering heeft haar advies daarom met name op de hiervoor besproken rapporten van de psycholoog en psychiater gebaseerd. Zij constateert dat sprake is van jarenlang grensoverschrijdend gedrag en van een instabiele situatie op verschillende leefgebieden, terwijl in het verleden is gebleken dat reclasseringsbegeleiding daarop geen positieve invloed kan uitoefenen. In lijn met de adviezen van de psycholoog en de psychiater wordt geadviseerd een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, omdat geen enkel ander forensisch kader effectief wordt geacht. In haar aanvullend rapport adviseert de reclassering om tevens een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, die na ommekomst van de terbeschikkingstelling zou kunnen worden geëffectueerd.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen ten aanzien van de diagnostiek, de toerekeningsvatbaarheid en het recidivegevaar over en maakt deze tot de hare.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte daarvan in strafverzwarende zin rekening met de frequente recidive die uit het strafblad van verdachte naar voren komt. Anderzijds weegt zij als strafmatigende factor mee dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Daarnaast is het op grond van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek evident dat verdachte zich niet zelfstandig in de samenleving kan handhaven, dat er een groot risico is dat zij opnieuw strafbare feiten pleegt en dat zij behandeling behoeft. De rechtbank heeft zich daarbij de vraag gesteld in welk juridisch kader deze behandeling moet worden gegoten en overweegt daaromtrent als volgt.

Verdachte is vanaf 1989 bekend met psychiatrische hulpverlening in verschillende instellingen. Haar problematiek is uitermate complex en brengt onder meer met zich mee dat een behandelrelatie niet of nauwelijks tot stand kan komen, waardoor de kans op een succesvolle behandeling en, in het verlengde daarvan, op gedragsverandering, zeer gering is. De resultaten uit het verleden spreken in dat verband boekdelen; er lijkt, ondanks vele interventies, weinig verbetering in de psychische toestand van verdachte en in haar gedrag te zijn opgetreden. Sinds 2002 is zij herhaaldelijk veroordeeld voor strafbare feiten, waarbij het veelal gaat om belaging en vernieling. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat verdachte bij vonnis van 26 april 2019 door de rechtbank Overijssel is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook toen heeft de rechtbank het opleggen van een tbs-maatregel overwogen, maar deze niet opgelegd. Verdachte is, zo blijkt uit de strafmotivering in dat vonnis, uitdrukkelijk een kans geboden om haar eigen plan van aanpak op te stellen en te volgen. Naar nu is gebleken, is verdachte daartoe niet in staat geweest en is zij opnieuw vervallen in het plegen van misdrijven en het veroorzaken van veel overlast, waarbij bovendien in de periode van de nu bewezenverklaarde feiten een toename in zorgwekkend gedrag zichtbaar is. Uit mutaties in het dossier blijkt dat verdachte – naast de bewezenverklaarde feiten – ook de politie, de belastingdienst en triagepost heeft lastiggevallen. Hoewel de psychische toestand van verdachte bij de onderhavige feiten niet tot fysiek geweld hebben geleid, heeft het strafrechtelijk verleden van verdachte aangetoond dat zij ook die drempel kan passeren.

De rechtbank is, op grond van deze combinatie van escalerend zorgwekkend gedrag, het onvermogen van verdachte om dat zelfstandig een halt toe te roepen en de omstandigheid dat zij in het verleden tot geweld in staat is gebleken, van oordeel dat het noodzakelijk is om de samenleving te beschermen tegen nieuw en verdergaand gedrag van verdachte, waarbij niet alleen overlast, maar ook potentieel gevaar voor andere personen reëel is.

De rechtbank ziet in de deskundigenrapporten geen aanknopingspunten om de zaak aan te houden en de mogelijkheden van andere maatregelen dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging nader te onderzoeken. In hun rapporten hebben de deskundigen deze mogelijkheden benoemd en verkend, maar daarbij is, zakelijk weergegeven, overwogen dat deze om een aantal redenen niet zijn aangewezen. Zo is het de vraag of verdachte handhaafbaar is in een ISD-setting en is de duur van een ISD-maatregel vermoedelijk te kort om aan de problematiek van verdachte te kunnen werken. Ook een voorwaardelijk strafdeel, dan wel een tbs-maatregel met voorwaarden ligt niet in de rede, nu verdachte zich in het verleden meerdere malen niet aan de haar gestelde voorwaarden heeft gehouden.

Opmerking verdient nog dat verdachte niet aan de voorwaarden voor het opleggen van een zorgmachtiging voldoet en dat een ISD-maatregel slechts zou kunnen worden opgelegd op vordering van de officier van justitie. De rechtbank wijst het verzoek om de zaak aan te houden op grond van deze overwegingen af.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat slechts de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan bewerkstelligen dat enerzijds de samenleving voldoende tegen verdachte wordt beschermd en dat anderzijds de noodzakelijke omstandigheden worden gecreëerd waarbinnen verdachte zich moeilijk aan zorg kan onttrekken en zodoende een poging kan worden gedaan om gedurende een langere periode aan haar complexe problematiek te werken. De rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen. Nu deze zal worden opgelegd voor misdrijven die niet waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, kan de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan.

De rechtbank ziet in de onderhavige zaak ten slotte onvoldoende aanknopingspunten om naast de tbs-maatregel ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De rechtbank overweegt dat deze maatregel blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld is om langdurig toezicht voor met name plegers van zware gewelds- en zedenmisdrijven mogelijk te maken.1 Hoewel aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, rechtvaardigen de door verdachte gepleegde feiten naar het oordeel van de rechtbank niet een langdurend toezicht na afloop van de tbs-maatregel.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van 26 april 2019 van de rechtbank Overijssel opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden in de zaak met parketnummer 08/730228-18 alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Almelo in de zaak met parketnummer 08/021910-18 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, af te wijzen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in de zaak met parketnummer 08/730228-18 niet de volledige voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden alsnog ten uitvoer te leggen, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft om afwijzing van de vordering in de zaak met parketnummer

08/021910-18 verzocht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 08/021910-18 moet worden toegewezen, nu is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet in de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte geen aanleiding om een gedeelte van de voorwaardelijke straf niet alsnog ten uitvoer te leggen, nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank voldoende in staat is geweest om de gestelde voorwaarde – het niet opnieuw plegen van een strafbaar feit – te begrijpen en de consequenties van het overtreden ervan te kunnen overzien.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 08/730228-18 afwijzen, nu de tenuitvoerlegging van de in deze zaak opgelegde voorwaardelijke taakstraf zich niet laat verenigen met de bij dit vonnis op te leggen maatregel.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a, 37b en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20:

feit 1

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten.

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20:

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20:

feit 1

het misdrijf: belaging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld;

- beveelt dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Rechtbank Overijssel van 26 april 2019 van de rechtbank Overijssel (parketnummer 08/021910-18) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

- wijst af de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis de politierechter te Overijssel van 30 april 2018 met parketnummer 08/730228-18 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mrs. H.M. Braam en

C.H. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar

uitgesproken op 15 april 2020.

Buiten staat

Mr. Dijkstra is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

in de dagvaarding met parketnummer 08/182205-20 2

1. Een proces-verbaal van aangifte [aangever 1] namens [huisartsenpost] te Hardenberg d.d. 13 juli 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever, p.17-19:

Ik ben de huisarts van de [huisartsenpost] , gelegen aan [adres 2] te

Hardenberg. Vanuit mijn functie als huisarts doe ik aangifte tegen [verdachte]

.

Mijn huisartsenpraktijk wordt meermalen per dag door [verdachte] gebeld.

Wij weten dat het [verdachte] is omdat zij zich als zodanig voorstelt, tevens

herkennen mijn assistentes de door haar gebruikte telefoonnummers. De telefoonnummers

waarmee [verdachte] mijn praktijk belt zijn: [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

Mijn verschillende assistentes en ik ervaren [verdachte] haar gedrag als

vervelend, tijdrovend, dreigend en voelen ons tegelijkertijd machteloos.

en voor zover in het bij de aangifte gevoegde logboek is vermeld, p.21:

Tussen 20 mei en 8 juli (de rechtbank begrijpt: in het jaar 2020) is de huisartsenpraktijk 225 keer gebeld en 21 keer gemaild. De huisartsenpost is daarnaast 41 keer gebeld.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2020 betreffende herkenning verdachte door assistentes huisartsenpraktijk, voor zover inhoudende, als verklaring van verbalisant [verbalisant 1] zakelijk weergegeven, p.35:

Op dinsdag 14 juli 2020 belde ik de huisartsenpraktijk aan [adres 2] te Hardenberg en kreeg ik contact met [naam 1] , 1 van de 8 werkzame assistentes in de praktijk.

Ik vroeg haar of alle daar werkzame assistentes bekend waren met [verdachte] .

Mevrouw [naam 1] antwoordde hier bevestigend op. Alle assistentes hadden [verdachte]

wel meerdere malen aan de telefoon gehad.

Ik vroeg haar hoe zij wisten dat het [verdachte] was die belde. Ik hoorde

mevrouw [naam 1] zeggen; "Wij weten dat ze regelmatig wisselt van telefoonnummers. Ze

heeft ons o.a. wel gebeld met de nummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .

Meestal noemt zij haar naam, [verdachte] of volledig [verdachte] . Aan haar stem herkent iedereen haar inmiddels door de jaren heen ook wel. Daarnaast is het haar manier van praten en hoe ze overkomt. Dan weer aardig, maar meestal dwingend en emotioneel. Ze scheldt, vloekt en tiert en dreigt met zelfdoding en geeft dan aan dat het onze schuld is of de schuld van dokter [aangever 1] .

Ik gaf aan dat ik begrepen had van [verdachte] dat haar onvrede zich met name richt op

dokter [aangever 1] en niet zozeer op de andere artsen in de praktijk. [naam 1] gaf aan

dat dit veelal het geval was, omdat [aangever 1] haar arts was. Maar dat [verdachte] iemand is die het ene moment een arts kan ophemelen, maar als ze haar zin niet krijgt diezelfde dag in een volgend gesprek weer helemaal kan afkraken. Dit doet ze naar andere artsen binnen de praktijk maar ook naar de assistentes.

3. Een proces-verbaal van aanhouding verdachte, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p.9-10:

Op zondag 12 juli 2020 omstreeks 18.00 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en

[verbalisant 3] belast met de noodhulp voor het basisteam Hardenberg en gekleed in uniform.

Wij kregen de opdracht om te gaan naar [adres 3] te Hardenberg omdat de

meldkamer van daar een melding had ontvangen van een vrouw die aangaf zelfmoord te

plegen. Het telefoonnummer waarmee de vrouw belde, bleek dezelfde te zijn als waarmee

[verdachte] eerder die middag had gebeld.

Intussen was een andere eenheid van het team bij de woning aangekomen. Daar werd op aanroepen en bellen niet opengedaan. Hierop heb ik, [verbalisant 2] , [verdachte] nog een paar keer aangeroepen dat zij open moest doen. Dit was door een openstaand raampje in de keuken. Ik hoorde dat zij zei dat zij dit niet wilde omdat zij dan aangehouden zou worden.

Uiteindelijk deed [verdachte] de deur open en heb ik een gesprek gevoerd met haar. In de woning was toen ook collega [verbalisant 4] aanwezig. Wij hoorden haar zeggen dat zij inderdaad 112 had gebeld.

Inmiddels was er toestemming van de OvD [verbalisant 5] om haar aan te houden. Dit hebben wij

de verdachte ook medegedeeld en haar gezegd dat het onrechtmatig bellen met 112

hieraan ten grondslag lag.

Ik [verbalisant 3] , heb om 19.18 uur gebeld met het Operationeel Centrum. Zij vertelden aan

mij dat [verdachte] hen vandaag drie keer had gebeld. De eerste keer was om

16.25

uur. Zij heeft toen het regionaal service center gebeld. Zij wilde aangifte

doen. Op het moment dat de centralist naar de telefoonnummer vraagt wordt ze verbaal

agressief. Ze eindigde met de woorden vieze kut politie, als ik zelfmoord pleeg is

het jullie schuld. De tweede keer was om 17.15 uur. Zij heeft toen 112 gebeld en gaf

aan dat ze er een einde aan wilde maken. Vervolgens gooit ze de telefoon op. De

ambulance wilde terug bellen maar kreeg geen gehoor. De derde keer was om 17.39 uur.

Ze belde wederom 112. Ze vertelde dat ze er een eind wilde maken en verbrak wederom

de verbinding.

4. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 april 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat ik volgens een bijgehouden logboek van de huisartsenpraktijk van [aangever 1] in de periode van 19 mei tot begin juli 2020 in totaal 115 keer naar de huisartsenpraktijk heb gebeld en 119 keer naar de huisartsenpost. Ja, dat kan.

U vraagt mij of ik ook mails heb gestuurd aan de huisarts. Ja, dat ging via een portaal.

U vraagt mij of ik ook naar alarmnummers heb gebeld zonder noodzaak. Bellen met 112 deed ik de laatste tijd, daarvoor niet.

in de dagvaarding met parketnummer 08/131773-20 3

1. Een proces-verbaal van aangifte [naam 2] namens [ziekenhuis] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever, p.11-12.

Ik ben werkzaam in het [ziekenhuis] aan [adres 4] te Zwolle.

Een telefoniste van het ziekenhuis vertelde mij dat er al sinds gisteravond, 22 april 2020, met grote regelmaat gebeld wordt door een mevrouw uit Hardenberg, genaamd mevrouw [verdachte] . Zij belt telkens opnieuw naar het ziekenhuis, met tussenpozen van tussen de 10 en 15 minuten. Dit gaat dan ook de hele avond door. Zij vertelde mij dat [verdachte] telkens vertelde dat zij geholpen wil worden en dat ze dat op een hele dwingende manier vraagt. Ook zegt zij dat zij niet serieus wordt genomen en dat als zij niet geholpen wordt, dat zij dan zelfmoord zal gaan plegen. Ik heb vervolgens gezegd tegen de telefoniste dat zij [verdachte] de volgende keer naar mij moet doorverbinden. Vervolgens bleef [verdachte] maar bellen naar het ziekenhuis en werd dus doorverbonden naar mij. Ik heb haar tot nu toe drie maal aan de telefoon gekregen en telkens was de strekking van het gesprek hetzelfde, maar werd wel keer op keer vervelender en dreigender. Ze geeft telkens aan dat zij pijn heeft, niet geopereerd wordt en dat het slecht met haar gaat. Ook zegt zij dat de Covid-19 ervoor zorgt dat niemand meer geholpen wordt. Ook heeft zij hierin aangegeven dat als zij zelfmoord pleegt, dat dat dan mijn schuld was en daarbij noemde mijn voornaam nadrukkelijk. Dit doet zij in elk telefoongesprek. Onze telefonistes voelen zich door het toedoen van [verdachte] onveilig en geïntimideerd.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant 6] , p.16:

Op zondag 26 april 2020 ontving ik een lijst van [ziekenhuis] te Zwolle met inkomende telefoongesprekken afkomstig van de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] betreffende de periode van 01 april 2020 t/m 24 april 2020. De vrouw die belde met deze telefoonnummers stelde zich voor als [verdachte] uit Hardenberg.

In bovengenoemde periode is er in totaal 45 keer gebeld met deze 2 nummers waarbij

[verdachte] steeds dreigender en dwingender werd.

3. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 april 2021, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte:

U houdt mij voor dat er een lijstje is bijgehouden, waaruit volgt dat ik 45 keer heb gebeld in drie weken tijd. Dat zou kunnen.

in de dagvaarding met parketnummer 08/134694-20

1. Een proces-verbaal van aangifte [aangever 1] d.d. 29 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever, p.41-42:

Ik ben de huisarts van de [huisartsenpost] , gelegen aan [adres 2] te

Hardenberg. Vanuit mijn functie als huisarts doe ik aangifte tegen [verdachte]

.

Vanaf 2 april 2020 tot en met vandaag 29 april 2020 is mijn huisartsenpraktijk

meermalen per dag door [verdachte] gebeld. Wij weten dat het [verdachte] is omdat zij

zich als zodanig voorstelt, tevens herkennen mijn assistentes de door haar gebruikte

telefoonnummers. De telefoonnummers waarmee [verdachte] mijn praktijk belt zijn:

[telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

De gesprekken tussen mijn assistentes en [verdachte] beginnen zoals mijn assistentes

dit verwoorden redelijk normaal, maar nadat de assistentes vragen aan [verdachte] wat

de hulpvraag precies is beginnen de bedreigingen, het uitschelden van de assistentes

en het dreigen met suicide. Deze gesprekken lopen vrijwel allemaal op dezelfde manier

af. Namelijk dat [verdachte] boos de verbinding verbreekt.

Mijn verschillende assistentes en ik ervaren [verdachte] haar gedrag als vervelend,

tijdrovend, dreigend en voelen ons tegelijkertijd machteloos. Vooral het dreigen met

suicide door [verdachte] maakt op sommige assistentes indruk.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant 7] , zakelijk weergegeven, p.45-46:

Op woensdag 29 april 2020, omstreeks 11:00 uur, nam ik, [verbalisant 7] , een aangifte op van

huisarts [aangever 1] van [huisartsenpost] te Hardenberg. [aangever 1] deed

aangifte naar aanleiding van de stalking door verdachte [verdachte] .

Ik vroeg [aangever 1] naar een schema, waarin duidelijk werd hoe vaak [verdachte] de

praktijk had gebeld in april 2020.

Gedurende de maand april 2020, welke in het bijgeleverde schema loopt van 10 april

2020 tot en met 29 april 2020 heeft [verdachte] de huisartsenpraktijk van [aangever 1] 57

maal gebeld.

Gedurende de maand april 2020, welke in het bijgeleverde schema loopt van 10 april

2020 tot en met 29 april 2020 heeft [verdachte] de Huisartsenpost Hardenberg 27 maal

gebeld.

Op het aangeleverde schema staan 2 telefoonnummer waar [verdachte] de

huisartsenpratijk mee belden. Deze 2 telefoonnummer zijn [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

Ik hoorde een van de assistentes van [aangever 1] zeggen dat zei beide telefoonummers

herkennen als zijnde de telefoonnummers van [verdachte] . Tevens herkennen zij de stem

van [verdachte] als zij belt met de huisartsenpraktijk.

3. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 april 2021, voor zover inhoudende:

U houdt mij voor dat ik volgens gegevens van de huisarts in de periode 2 april tot en met 29 april 57 keer heb gebeld met de huisartsenpraktijk en 27 keer met de huisartsenpost. Dat zou kunnen.

4. Een proces-verbaal van aangifte [aangever 2] namens Politie Zwolle, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever, p.37-38:

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte.

Ik ben werkzaam als senior beveiliging bij de afdeling arrestantentaken van de

Politie Zwolle.

Op vrijdag 24 april 2020 omstreeks 14:00 uur kreeg ik een werkbon binnen van

[schoonmaakbedrijf] . Ik hoorde van de collega's van de cellenwacht dat verdachte

[verdachte] , welke in cel 8 verbleef, de volledige cel onder had gesmeerd met uitwerpselen. Doordat deze cel besmeurd was met uitwerpselen, is deze een dag onbruikbaar geweest.

Het was noodzakelijk dat deze cel door een speciaal bedrijf gereinigd werd.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant 8] , zakelijk weergegeven, p.39:

Op vrijdag 24 april 2020 omstreeks 14:00 uur was ik verbalisant, belast met de

verzorging van de arrestanten. Ik bevond mij op de cellengang van het politiebureau

gelegen aan [adres 5] te Zwolle. Ik zag dat verdachte [verdachte] in cel acht

zat. Ik zag aan de binnenkant van cel acht, bruine vegen van ontlasting aan de muren

en de deur zitten. Ik zag dat aan die bruine vegen, wc papier geplakt was. Ik rook de

geur van ontlasting. Ik zag dat verdachte [verdachte] zelf ook onder de ontlasting

zat.

1 Kamerstukken II 2013/2014, 33816, 3.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met registratienummer PL0600-2020325262. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met registratienummer PL0600-2020224747. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.