Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1560

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
AK_19_2121_AK_19_2420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling aanwijsbesluit parkeren voor vergunninghouders in Deventer ; afwijzing verzoek om toetreding tot de vergunningzone; aanwijsbesluit doorstaat rechterlijke toetsing; verder heeft verweerder in redelijkheid verzoeken van eisers kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/2121 en AWB 19/2420

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eisers] , te [woonplaats] ,

eisers in zaak AWB 19/2121,

gemachtigde: [naam 1]

en

[eiser] te Deventer,

eiser in zaak AWB 19/2420,

tezamen eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B. van Dijk.

Procesverloop

Bij een op 8 november 2018 gepubliceerd besluit van 23 oktober 2018, heeft verweerder het ‘Derde gewijzigde aanwijsbesluit gebieden voor belanghebbenden parkeren 2018’ vastgesteld.

Eisers hebben daartegen achtereenvolgens op 12 november 2018 en 20 november 2018 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 25 juni 2019 heeft verweerder de uit de bezwaren naar voren komende verzoeken om toetreding tot de vergunningzone afgewezen.

Hiertegen hebben eisers achtereenvolgens op 9 juli 2019 en 23 juli 2019 bezwaar gemaakt.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 november 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 8 november 2018 en 25 juni 2019 ongegrond verklaard.

Eisers hebben ieder afzonderlijk tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021.

Eisers zijn verschenen in de persoon van [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door F. Waalkens.

Overwegingen

1. Bij besluit van 23 oktober 2018 heeft verweerder het ‘Derde gewijzigde aanwijsbesluit gebieden voor belanghebbenden parkeren 2018’ (hierna: het Aanwijsbesluit) vastgesteld. Daarbij is onder toepassing van artikel 2, lid a, van de Parkeerverordening 2018, in artikel 1 van dat Aanwijsbesluit, voor zover hier van belang, een deel van de Rivierenwijk van Deventer (onder het kopje Zone Buiten-Centrum) aangewezen als gebied waar vergunninghouders op belanghebbenden plaatsen mogen parkeren. Dat gebied wordt globaal omsloten door de Veenweg, Oude Bathmenseweg (eerste deel tot aan de Schipbeekstraat), en het gebied tussen de Schipbeekstraat en de Snipperlingsdijk tussen de Veenweg en de Dinkelstraat.

Tevens is in de artikelen 2 en 3 van het Aanwijsbesluit bepaald op welke uren het aan vergunninghouders is toegestaan om aldaar te parkeren en waar men met een parkeer-vergunning mag parkeren.

De woningen van eisers aan achtereenvolgens de [adres 1] en [adres 2] vallen niet onder deze zone, terwijl de woningen aan de overzijde van de Veenweg wel in de zone zijn opgenomen.

Het verzoek om de woningen aan de Veenweg 146 t/m 164 (even) en de Snipperlingsdijk 5 t/m 21 (oneven) alsnog in de zone op te nemen heeft verweerder bij besluiten van 25 juni 2019 afgewezen.

2. Eisers kunnen zich niet verenigen met het Aanwijsbesluit en de afwijzing van hun verzoeken om toetreding tot de vergunningzone, omdat door het Aanwijsbesluit alle vrije en onbetaalde parkeerplaatsen in hun directe omgeving verdwijnen, waardoor er parkeer-problemen ontstaan. Zij menen dat de bewoners van de Veenweg [nummers 1] (even) en de Snipperlingsdijk [nummers 2] (oneven) ongelijk behandeld worden ten opzichte van de andere bewoners in de Schilwijken omdat zij geen reguliere bewonersparkeervergunning, dan wel een parkeervergunning voor hun eigen tweede of derde auto kunnen aanvragen.

Eisers stellen verder dat dit leidt tot wildparkeren, irritaties, gevaarlijke situaties, ongelukken en schades.

Ook menen zij dat verweerder ten onrechte stelt dat de parkeerbalans in hun buurt 1,42 bedraagt. Volgens eisers moet dat 1,00 zijn.

Daarnaast stellen eisers dat er geen acceptabele parkeeralternatieven in de directe omgeving zijn en dat dit alleen kan worden opgelost door de begrenzing van de zone Buiten-Centrum (Rievierenwijk) aan te passen.

Tenslotte geven eisers aan dat er mondeling toezeggingen zijn gedaan door de heer

[naam 2] de wethouders [naam 3] en [naam 4] en de heren [naam 5] en [naam 6] om ten behoeve van de bewoners van de Veenweg [nummers 1] (even) en de Snipperlingsdijk [nummers 2] (oneven) drie extra parkeerplaatsen te creëren in het plangebied de Venen c.q. gebruik te kunnen maken van parkeerruimte in het gereguleerde gebied.

3. Met toepassing van artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) heeft de raad van de gemeente Deventer op 8 november 2017 de Parkeerverordening 2018 vastgesteld.

Op grond van artikel 2 van de Parkeerverordening 2018 kan verweerder bij openbaar te maken besluit:

a weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door

parkeervergunninghouders;

b weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het betaald parkeren middels

parkeerapparatuur (parkeerautomaten en parkeermeters);

c tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan parkeervergunninghouders is

toegestaan.

De rechtbank constateert vooreerst dat niet in geschil is dat het Aanwijsbesluit is aan te merken als een concretiserend besluit van algemene strekking. Hetzelfde heeft te gelden voor de afwijzing van de verzoeken om toetreding tot een aangewezen zone. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 9 juli 2003 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2003:AH9465). Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers in hun beroep worden ontvangen, omdat zij wijzen op de gestelde gevolgen voor hun woongenot en veiligheid. Dat betreft immers een individueel belang dat zij hebben bij dat Aanwijsbesluit en die afwijzing.

4.1

Aanwijsbesluit

De rechtbank is van oordeel dat de aanwijsbevoegheid moet worden aangemerkt als een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Bij de vraag of en zo ja op welke wijze de verschillende belangen, waaronder de in artikel 2, eerste lid, van de WVW1994 genoemde belangen, dienen te worden beschermd komt verweerder dan ook een ruime beoordelings-marge toe en is het daarbij aan hem om die verschillende betrokken belangen af te wegen. De bestuursrechter dient zich bij de beoordeling van het Aanwijsbesluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit al dan niet strijdig is met de wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Daarvan acht de rechtbank niet gebleken.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de raad van de gemeente Deventer mede met het oog op het streven naar een autoluwe binnenstad en het streven om de bewoners in de rond de binnenstad liggende Schilwijken (waaronder ook de Veenweg valt), de mogelijkheid te bieden om binnen acceptabele loopafstand van hun woning te kunnen parkeren op 30 januari 2013 een Parkeerbeleidsplan (definitief januari 2013) heeft vastgesteld. Daarin is als uitgangspunt voor de Schilwijken onder 4.2 opgenomen dat van een hoge parkeerdruk wordt gesproken als op de wekelijks terugkerende piekmomenten de bezettingsgraad boven de 85% ligt. Tevens is opgenomen dat de gemeente pas zal overgaan tot het invoeren van een parkeerregime als er ook voldoende draagvlak onder de bewoners is. Ook is aangegeven dat op het moment dat regulering voor een bepaald gebied wordt overwogen het te verwachten uitwijkgebied in één keer in de planvorming wordt meegenomen.

Verder is opgenomen dat bij de vertaling van het parkeerbeleid naar de in het beleidsplan genoemde maatregelen, de uitgangspunten zoals opgenomen in bijlage 2, leidend zullen zijn. De te volgen procedure om een parkeerregime in een wijk in te voeren, is in 6.3 opgenomen. Van belang daarbij is dat het initiatief vanuit de wijk komt, de gemeente weliswaar ondersteuning biedt, maar de aanvrager het parkeeronderzoek uitvoert en checkt of er een initieel draagvlak in de wijk is.

De rechtbank acht dat beleid niet onredelijk.

Ten aanzien van het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid tot het Aanwijsbesluit is kunnen komen overweegt de rechtbank dat van de zijde van verweerder is gesteld dat het Aanwijsbesluit jaarlijks wordt herzien, waarbij de vergunningzones indien nodig worden uitgebreid. In het onderhavige geval is de vergunningzone uitgebreid vanwege de nieuwe woonwijk De Venen. Aanvankelijk zou de Veenweg daar geheel buiten vallen, maar na overleg met de bewoners is de (ten opzichte van eisers) overzijde van de Veenweg alsnog onder de vergunningzone gebracht. Dit omdat verweerder de weg achter de woningen aan de overzijde van de Veenweg, die de bewoners op grond van eerdere afspraken als eigen weg beschouwden, bij de vergunningzone wilde betrekken om daar zeven openbare parkeer-plaatsen te realiseren. Ter compensatie is een deel van de groenstrook verkocht zodat de overburen van eisers alsnog eigen parkeerplaatsen tot hun beschikking konden krijgen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee uitvoering heeft gegeven aan het uitgangspunt dat op het moment dat regulering voor een bepaald gebied wordt overwogen het te verwachten uitwijkgebied in één keer in de planvorming wordt meegenomen. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat verweerder in dat stadium meer gewicht had moeten toekennen aan hun belangen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eisers weliswaar stellen dat hun woongebied ongelijk wordt behandeld, maar geen feiten en omstandigheden aandragen waaruit kan volgen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

Het Aanwijsbesluit doorstaat de rechterlijke toetsing.

4.2

Afwijzing verzoek tot toetreding van de vergunningzone

Voor zover eisers vragen om de woningen aan de Veenweg [nummers 1] (even) en de Snipperlingsdijk [nummers 2] (oneven) alsnog in de zone op te nemen is de rechtbank van oordeel dat verweerder gemotiveerd heeft aangevoerd dat de bewoners van dat gebied allen de beschikking hebben over één (of soms twee) parkeerplekken in de vorm van door verweerder gerealiseerde carports. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de door verweerder berekende parkeerdruk voor dat door eisers beoogde gebied. Deze komt overeen met de voor nieuwbouw gehanteerde norm van 1,4.

Daarnaast heeft verweerder een parkeerverbod ingesteld op de Berkelweg achter de woningen van eisers waardoor daar kan worden opgetreden tegen de door eisers gestelde gevaarlijke situaties door bijvoorbeeld foutparkeerders. Ter zitting is gebleken dat dit enig effect heeft geresulteerd.

Dat verweerder voorts een lagere prioriteit heeft toegekend aan een parkeerplek voor de tweede of derde auto, acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan verweerders stelling dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor de tweede of derde auto. Verweerder heeft immers een zevental extra openbare parkeerplaatsen gerealiseerd in de vergunningzone. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder eisers tevens een gereduceerd tarief heeft aangeboden voor een parkeerjaarkaart voor de tweede c.q derde auto.

Tenslotte heeft verweerder de gestelde mondelinge toezeggingen over het realiseren van drie extra parkeerplaatsen gemotiveerd betwist. Eisers hebben geen bewijs van de bedoelde toezeggingen bijgebracht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid de verzoeken van eisers heeft kunnen afwijzen.

5. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, als griffier op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

verhinderd om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.