Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1536

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
08/952429-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de 75-jarige man 31.228,08 euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel terug moet betalen. De man verdiende dit geld met verschillende hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952429-16

Datum vonnis: 13 april 2021

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1945 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 De vordering van de officier van justitie

Het Openbaar Ministerie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 31.490,-.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 februari 2018,

16 september 2019, 15 juni 2020 en 2 maart 2021.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 juni 2020 schriftelijke rondes gelast. Na de schriftelijke rondes zijn aan de processtukken toegevoegd:

- een conclusie van antwoord van de verdediging;

- een conclusie van repliek van het Openbaar Ministerie, waarbij de vordering tot ontneming is gewijzigd in een bedrag van € 25.862,74,-.

De ontnemingszaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 2 maart 2021.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. P. Bonthuis, advocaat in Joure, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 2 september 2020 veroordeeld, voor zover van belang voor de ontnemingszaak, voor de strafbare feiten:

feiten 2 en 4: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

3.2.1

Inleiding

Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. In de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 zijn negen hennepkwekerijen opgerold. De rechtbank heeft geoordeeld dat het merendeel van die wietplantages verband houdt met een criminele organisatie, waarvan medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] de leider was. Het Openbaar Ministerie heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie berekend op een bedrag van € 2.529.555,61. Dit bedrag omvat onder meer de opbrengst van de hennepkwekerijen van de criminele organisatie. Het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is dat de overige betrokkenen, zoals de veroordeelde, anders dan de leider van de criminele organisatie, niet hebben meegedeeld in de opbrengst maar een vergoeding hebben ontvangen voor hun aandeel in de hennepkwekerij(en). Voor de hoogte van die vergoeding heeft het Openbaar Ministerie in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de verklaringen van een veroordeelde op dat punt. Bij het ontbreken van zo’n verklaring is het Openbaar Ministerie uitgegaan van het toen geldende minimumloon voor een fulltime werkweek.1

3.2.2

Opbrengsten

[adres 2] in Gramsbergen2

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de veroordeelde betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Gramsbergen. De rechtbank overweegt dat de veroordeelde een verklaring heeft afgelegd over de hoogte van de vergoeding die hij van de criminele organisatie ontving voor zijn aandeel in deze hennepkwekerij. De veroordeelde heeft namelijk verklaard dat hij 40% zou krijgen en ‘zij’ (de rechtbank begrijpt: de criminele organisatie) 60%.3 Anders dan het Openbaar Ministerie, zal de rechtbank ten aanzien van deze hennepkwekerij dan ook deze verdeelsleutel hanteren.

De vraag is wat de opbrengsten van de hennepkwekerij in Gramsbergen zijn geweest. Tijdens de inval op 15 februari 2015 zijn negenhonderd hennepplanten aangetroffen. Dit aantal is niet door de verdediging betwist. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kwekerij al langer in werking was, namelijk vanaf 1 augustus 2014. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de resultaten van de doorzoeking, de netmeting van Enexis, de verklaring van de veroordeelde en de waarneming van de overbuurman. De rechtbank acht het aannemelijk, gelet op het feit van algemene bekendheid dat een kweekcyclus van hennepplanten gemiddeld tien weken bedraagt, dat er in de bewezen verklaarde periode twee oogsten hebben plaatsgevonden. Hoewel de veroordeelde heeft verklaard dat de eerste oogst slecht was, vindt deze verklaring op geen enkele wijze steun in het dossier. Geen van de andere medeveroordeelden heeft hierover verklaard, terwijl dat wel voor de hand zou liggen als dat inderdaad het geval zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van de veroordeelde op dit punt dan ook niet aannemelijk.

De rechtbank stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij in Gramsbergen is vastgesteld op een bedrag van € 144.820,20. Dit bedrag is gebaseerd op twee oogsten van negenhonderd planten. Gezien het feit dat de rechtbank eveneens uitgaat van deze gegevens, zal de rechtbank deze berekening overnemen. Toepassing van de verdeelsleutel, zoals door de veroordeelde zelf aangegeven, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de opbrengsten van de veroordeelde neerkomen op een bedrag van (40% van

144.820,20 =) € 57.928,08.

[adres 3] in Steenwijk

De rechtbank overweegt dat de hennepkwekerij in Steenwijk nog in opbouw was. Dit brengt met zich dat er uit deze plantage geen opbrengsten zijn behaald. Dit is vermoedelijk ook de reden dat het Openbaar Ministerie deze hennepkwekerij niet heeft betrokken in de ontnemingsprocedure van Travee. Dat neemt echter niet weg dat er wel degelijk kosten voor de hennepkwekerij kunnen zijn gemaakt, zoals hieronder wordt besproken.

3.2.3

Kosten

De verdediging heeft in haar conclusie van antwoord een aantal kosten opgevoerd die de veroordeelde zou hebben gemaakt, namelijk:

 brandstofkosten van ongeveer € 6.000,- totaal;

 waarborgsom [bedrijf 1] van € 6.000,- eenmalig (Gramsbergen);

 huurkosten [bedrijf 1] van € 2.000,- exclusief BTW per maand (Gramsbergen);

 energiekosten Nuon/Vitens van € 577,- per maand (Gramsbergen);

 internet-/telefoonkosten Telfort van € 56,- per maand (Gramsbergen);

 investeringskosten ‘hardware’ van ongeveer € 55.000,- totaal (Gramsbergen);

 huurkosten [bedrijf 2] van € 20.000,- per jaar (Steenwijk);

 kachels/CO2-controller HGP van ongeveer € 2.000,-/3.000,- totaal (Steenwijk);

 investeringskosten [naam] c.s. van ongeveer € 35.000,- totaal (Steenwijk);

 ‘lening’ van € 180.000,- van zijn Thaise zakenpartner, deels in kwekerij gestopt.

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat deze kosten niet concreet en verifieerbaar zijn. Met name is volgens het Openbaar Ministerie niet verifieerbaar voor wiens (gezamenlijke) rekening deze kosten binnen de organisatie zijn gekomen, als ze al gemaakt zijn.

Gelet op het feit dat sommige kosten verband houden met beide hennepkwekerijen, zal de rechtbank de kosten niet per hennepkwekerij splitsen maar gezamenlijk bespreken.

De rechtbank overweegt dat de verdediging de kosten ten behoeve van de brandstof, investering in hardware en kachels/CO2-controller onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn geen facturen en/of bonnetjes overlegd waaruit blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat de veroordeelde een deel van de ‘lening’ van zijn Thaise zakenpartner in de kwekerij(en) heeft gestopt, is eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt. Datzelfde geldt voor de investeringskosten [naam] c.s..

De rechtbank merkt de energiekosten van Nuon/Vitens evenmin als kostenpost aan, omdat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Ten aanzien van de internet en telefoonkosten van Telfort merkt de rechtbank op dat zij deze niet in mindering zal brengen, omdat deze posten niet noodzakelijk zijn ten behoeve van een hennepkwekerij. De rechtbank acht het aannemelijk dat de huurkosten voor het pand in Steenwijk zijn gemaakt, maar de veroordeelde heeft op dat punt verklaard dat hij het geld van ‘die jongens’ (de rechtbank begrijpt: de criminele organisatie) heeft gekregen. Dit bedrag moet daarom worden aangemerkt als kostenpost van de criminele organisatie en niet van de veroordeelde.

Wel gaat de rechtbank mee in het standpunt van de verdediging dat de kosten van de waarborgsom en huur ten behoeve van de locatie Gramsbergen voor aftrek in aanmerking komen. Dit komt neer op een bedrag van € 18.000,- (6.000 + (6x2.000)).

Daarnaast zal de rechtbank, net als bij medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] , ambtshalve rekening houden met de loonkosten van de overige betrokkenen, omdat deze zijn betaald van de opbrengsten van de hennepkwekerij. Het betreft ten aanzien van de hennepkwekerij in Gramsbergen: [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 5] . En ten aanzien van de hennepkwekerij in Steenwijk: [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 6] . De rechtbank schat het bedrag dat zij maandelijks ontvingen op € 1.250,-. Gelet op de bewezenverklaarde periode van de hennepkwekerijen, ontvingen zij gezamenlijk een bedrag van € 30.000,- (6 maanden x

4 personen x 1.250) in Gramsbergen en een bedrag van € 18.750,- (5 maanden x 3 personen x 1.250) in Steenwijk.

De rechtbank zal op al deze kosten de verdeelsleutel, zoals door de veroordeelde aangegeven, toepassen. Dit komt neer op de volgende berekening:

- waarborgsom en huur Gramsbergen 40% van 18.000 = € 7.200,-

- loonkosten Gramsbergen 40% van 30.000 = € 12.000,-

- loonkosten Steenwijk 40% van 18.750 = € 7.500,-

De totale kosten van de veroordeelde bedragen dus: € 26.700,-

3.2.4

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde (57.928,08 - 26.700 =) € 31.228,08 bedraagt.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

3.3.1

Redelijke termijn

De rechtbank zal in alle ontnemingszaken in onderzoek Travee, op verzoek van de verdediging (daar waar dat verzocht is door de betreffende raadslieden) of ambtshalve, vaststellen of de redelijke termijn al dan niet is overschreden.

De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn in ontnemingszaken aanvangt op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig wordt gemaakt.4 Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen. De Hoge Raad geeft een aantal algemene voorbeelden dat kan gelden als aanvangsdatum, waaronder het moment dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank stelt vast dat in de zaak van de veroordeelde geen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontnemingsprocedure. Zij zal daarom aansluiting zoeken bij de datum van de zitting waarop deze vordering voor het eerst is aangebracht. Volgens de processen-verbaal betreft dat de zitting van 14 februari 2018. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat de veroordeelde in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 14 februari 2020 had mogen verwachten. Dit vonnis is echter op 13 april 2021 gewezen, circa een jaar en twee maanden later.

De vraag is of en, zo ja, op welke wijze, deze overschrijding moet worden gecompenseerd. De rechtbank overweegt daartoe dat zij in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak reeds strafvermindering heeft toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

3.3.2

Draagkracht

De rechtbank overweegt over het standpunt van de verdediging dat de draagkracht van de veroordeelde ontoereikend is, het volgende. De draagkracht dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. De enkele omstandigheid dat de veroordeelde reeds 75 jaren oud is, is onvoldoende om nu al aan te moeten nemen dat hij op geen enkele wijze nog inkomen zal kunnen genereren. Voorts is door de verdediging onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde thans geen financiële reserves bezit. De rechtbank verwerpt dan ook het gevoerde draagkrachtverweer.

3.3.3

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 31.228,08,-.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 31.228,08;

  • -

    legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 31.228,08 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 624 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en

mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

1 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Sr ( [veroordeelde] ) van 9 maart 2017.

2 ZD01, Pagina’s 6502 en 6588.

3 PD [veroordeelde] , Pagina 52.

4 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, m.n.t. P.A.M. Mevis (Redelijke termijn II).