Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1517

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
08-997503-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De twee bedrijven Chickfriend en Chickclean krijgen een voorwaardelijke boete van 25.000 euro opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar. De twee eigenaren zijn door de rechtbank veroordeeld tot 12 maanden celstraf. De Barnevelders hebben willens en wetens honderden pluimveestallen ontsmet met een bestrijdingsmiddel waar het verboden en schadelijke fipronil in zat. Zij verwaarloosden het belang van voedselveiligheid, zorgden voor gezondheidsrisico’s, milieuschade en een enorme economische schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-997503-17 (P)

Datum vonnis: 12 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf 1] V.O.F., handelend onder de naam [verdacht bedrijf 1] ,

gevestigd aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 december 2020 en 10, 11 en 29 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. D. van Ieperen en mr. F.A. Demmers en van hetgeen namens verdachte door haar wettelijke vertegenwoordigers [verdachte 1] en [verdachte 2] en haar raadsman

mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte telkens in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari 2018 al dan niet samen met [verdacht bedrijf 2] :

feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van een middel dat de werkzame stof fipronil bevatte, terwijl verdachte wist dat dit middel voor het leven of de gezondheid schadelijk is en die schadelijkheid heeft verzwegen;

feit 2 en feit 3: zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden of in voorraad hebben van biociden zonder toelating;

feit 4 en feit 5: zich schuldig heeft gemaakt aan het op de markt aanbieden en/of gebruiken van biociden zonder toelating.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015

tot en met 12 februari 2018,

te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in

Nederland, en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), een waar/waren, te weten

- Dega en/of Degal6 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of

Mentho-boast, (telkens) bevattende de werkzame stof Fipronil,

heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben

afgeleverd,

(telkens) wetende dat (een of meer van) die waar/waren voor het leven of de

gezondheid schadelijk is / zijn,

terwijl zij en/of haar mededader(s) (telkens) dat schadelijk karakter

hebben/heeft verzwegen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij

in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12 februari 2018,

te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in

Nederland, en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan om op

zorgvuldige wijze om te gaan met biociden en/of de daarbij behorende werkzame

stoffen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)

een niet toegelaten biociden te weten Dega en/of Degal6 en/of Dega P en/of

Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast, (telkens) bevattende de

werkzame stof Fipronil op de markt gebracht en/of gebruikt en/of verkocht

en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd,

waardoor zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den)

kunnen vermoeden, dat door dit handelen en/of nalaten gevaar ontstond en/of

kon ontstaan voor een mens en/of voor een dier en/of voor de bodem en/of voor

het water;

2.

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015

tot en met 12 februari 2018,

te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in

Nederland, en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten

- Dega en/of Degal6 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of

Mentho-boast en/of

- Miteclean

voorhanden en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet

gewasbeschermingsmiddelen en biociden" was/waren toegelaten;

3.

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015

tot en met 12 februari 2018,

te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten

- Formaline en/of

- Kilcox en/of

- Envirex en/of Virex en/of

- Neporex en/of

- Fatal en/of

- Lurectron,

voorhanden en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet

gewasbeschermingsmiddelen en biociden" was/waren toegelaten;

4.

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015

tot en met 12 februari 2018,

te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in

Nederland en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal

(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17,

eerste, vijfde en/of zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter

uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)

een of meer biocide(n), te weten

- Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of

Mentho-boast en/of

- Miteclean

(telkens) op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die

verordening was verleend;

5.

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015

tot en met 12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert

en/of Wageningen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17,

eerste, vijfde en/of zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter

uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)

een of meer biocide(n), te weten

- Formaline en/of

- Kilcox en/of

- Envirex en/of Virex en/of

- Neporex en/of

- Fatal en/of

- Lurectron,

(telkens) op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die

verordening was verleend.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank overweegt daarbij ambtshalve dat weliswaar verdachte niet gedagvaard is te verschijnen voor de meervoudige economische kamer van deze rechtbank ook al betreffen enkele ten laste gelegde feiten economische delicten, maar dat zij op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet op de economische delicten (WED) toch bevoegd is ook deze economische delicten te berechten, nu deze in samenhang zijn begaan met het eerste primair ten laste gelegde feit, welk geen economisch delict betreft, en waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft in juli 2017 een bedrijfsinspectie uitgevoerd bij de vennootschap onder firma [verdacht bedrijf 1] (hierna: [verdacht bedrijf 1] ), nadat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zijnde de Belgische toezichthouder op dit gebied, de NVWA op 19 juni 2017 erop had geattendeerd dat bij een Belgisch bedrijf, dat door [verdacht bedrijf 1] met een product genaamd Dega-16 was behandeld tegen bloedluis, fipronil in de eieren was aangetroffen.

De opdrachtgevers van [verdacht bedrijf 1] betroffen pluimveehouders. Uit onderzoeken die vervolgens door de NVWA zijn gedaan bij diverse (Nederlandse) opdrachtgevers van [verdacht bedrijf 1] , is gebleken dat het fipronilgehalte in de eieren van deze opdrachtgevers hoger was dan de norm die de NVWA hanteerde. Daarop is het bedrijf van [verdacht bedrijf 1] verzegeld en zijn in de tweede helft van 2017 aan de betreffende pluimveehouders afvoerverboden opgelegd. Zij mochten vanaf dat moment geen eieren, mest en kippen meer vervoeren. Ook moesten eieren die in de handel waren gebracht, worden teruggeroepen (recall) en vernietigd en werden kippen in de rui gezet, zodat zij een aantal weken geen eieren zouden leggen, of geruimd. Een en ander heeft grote economische en financiële gevolgen gehad voor de pluimveesector.

Op 10 augustus 2017 zijn de vennoten [verdachte 1] en [verdachte 2] aangehouden, onder meer op verdenking van het feitelijk leiding geven aan overtreding van de Wgb, alsook overtreding van de artikelen 174 en 175 Sr, door de vennootschappen [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] , die beide ook als verdachte zijn aangemerkt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit en hij doet een voorwaardelijk verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er strikt genomen geen sprake is geweest van verkopen, te koop aanbieden en/of afleveren of uitdelen van een product, nu het product is gebruikt bij de bestrijding van bloedluizen en alle werkzaamheden door verdachten zelf zijn verricht. Met betrekking tot het bestanddeel ‘wetende dat fipronil schadelijk was voor leven en gezondheid’ heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in eerste instantie überhaupt niet wist dat dat er fipronil in de door haar gebruikte middelen zat. Toen zij dit wel wist, wist zij niet dat fipronil schadelijk was. Het enkele feit dat een bepaalde stof schadelijk zou kunnen zijn, hoeft niet te betekenen dat het product waar die stof in zit ook schadelijk is. Verder betwist de verdediging dat verdachte had moeten weten dat fipronil via de kippen in eieren had kunnen komen.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde gesteld dat indien bewezen kan worden verklaard dat de betreffende stoffen biociden waren, er een veroordeling kan volgen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Algemene bewijsoverwegingen

4.4.1.1 De ondernemingen

De vennootschap onder firma [verdacht bedrijf 1] met handelsnaam [verdacht bedrijf 1] is op

1 januari 2014 opgericht door [verdachte 1] en [verdachte 2] .1 Op 1 januari 2015 hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] daarnaast de vennootschap onder firma [verdacht bedrijf 2] opgericht.2 Uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel (KvK) van beide vennootschappen blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 2] enig vennoten waren en dat de ondernemingen op hetzelfde adres stonden ingeschreven, namelijk op het woonadres van [verdachte 2] . De vennootschappen hadden allebei een eigen website, te weten www. [verdacht bedrijf 2] .nl en www. [verdacht bedrijf 1] .nl. Op de website van [verdacht bedrijf 1] werd het bedrijf omschreven als ‘de specialist in bloedluisbestrijding’ die snel en effectief bloedluis kon bestrijden. [verdacht bedrijf 2] stond geregistreerd bij IKB Nederland (een keurmerk binnen de dierhouderij) voor ontsmettingswerkzaamheden.3 Op printscreens die in de ten laste gelegde periode van de websites zijn gemaakt, valt te lezen dat beide vennootschappen dezelfde bedrijfslocatie hadden en dat ze te bereiken waren middels dezelfde 06-nummers.4 Op de website valt ook te lezen “algemene voorwaarden [verdacht bedrijf 1] / [verdacht bedrijf 2] ”, waaruit blijkt dat de vennootschappen dezelfde algemene voorwaarden hanteerden en waaruit kan worden afgeleid dat er door [verdachte 1] en [verdachte 2] zelf niet heel strikt onderscheid tussen beide vennootschappen werd gemaakt.5 De vennootschappen maakten eveneens gebruik van hetzelfde materieel en hetzelfde ingehuurde personeel.6 Beide vennootschappen gebruikten de gehuurde loods aan de [adres 2] te Lunteren als opslaglocatie en om bedrijfsvoertuigen een plek te geven.7 Ook werd er een voertuig aangetroffen waarop beide bedrijfsnamen stonden vermeld.8

Uit verklaringen van pluimveehouders kan worden afgeleid dat er voor de buitenwereld geen onderscheid viel te maken tussen [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] , omdat zij als één onderneming naar buiten traden.9 Zo heeft pluimveehouder [pluimveehouder 1] van [bedrijf 1] verklaard: “als ze moesten ontsmetten en bloedluisbestrijden dan werd dit in de uitvoering als één bedrijf in één keer gedaan met dezelfde machine”.10 Pluimveehouder [pluimveehouder 2] heeft een soortgelijke verklaring afgelegd, te weten: “Ontsmetten en bloedluisbestrijding gebeurt in 1 behandeling”.11

De rechtbank stelt op basis van het hiervoor uiteengezette relaas vast dat, hoewel [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] op papier verschillende werkzaamheden uitvoerden, hun activiteiten in de praktijk op een zodanig intensieve wijze met elkaar verweven waren, dat de rechtbank hun gedragingen en rol als inwisselbaar beschouwt. De rechtbank zal dan ook bij de bespreking van de feiten en omstandigheden [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] telkens gezamenlijk bespreken.

4.4.1.2 Het juridisch kader van biociden

Voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten is een goed begrip van de term ‘biocide’ van belang, zodat de rechtbank eerst het juridisch kader daaromtrent uiteen zal zetten.

Biociden vallen onder de reikwijdte van de Wgb en ook de Biocidenverordening of BPR-verordening (EU 528/2012) is van toepassing. De toepassing van biociden in Nederland – en ook binnen Europa – is strikt gereguleerd en biociden mogen alleen voorhanden zijn en op de markt worden aangeboden als ze overeenkomstig de BPR-verordening zijn toegelaten. In artikel 1 Wgb valt te lezen dat gesproken kan worden van een biocide als voldaan is aan de definitie zoals die staat gegeven in artikel 3 lid 1 sub a van de BPR-verordening. Uit dit artikel volgt dat, wil er sprake zijn van een biocide, het middel – kort gezegd – moet bestaan uit een werkzame stof en het doel moet hebben om een schadelijk organisme te vernietigen of af te schrikken of te bestrijden op een andere dan op fysieke of mechanische wijze.

Blijkens artikel 3 lid 1 onder c van de BPR-verordening is een werkzame stof “een stof of micro-organisme met een werking op of tegen schadelijke organismen”. De stof die erin zit moet met andere woorden een beoogd effect bewerkstelligen.

Uit de BPR-verordening volgt dat de werkzame stof in een biocide dient te zijn toegelaten en ook de biocide zelf dient te zijn toegelaten voor de specifieke behandeling waarvoor het middel wordt ingezet. Om een toelating voor de werkzame stof te krijgen dient er een aanvraag te worden gedaan bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Op de website van het ECHA is een lijst te vinden waarin alle werkzame stoffen die zijn toegelaten, staan opgenomen.12

In Nederland is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) verantwoordelijk voor de toelating van biociden op de Nederlandse markt. Het houdt een register bij dat voor een ieder toegankelijk is en waarin eenvoudig valt te raadplegen of een biocide is toegelaten. Daarnaast moet het toelatingsnummer op het product vermeld staan.13

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de ten laste gelegde feiten hierna, niet de volgorde zoals opgenomen in de tenlastelegging aanhouden, maar beginnen met bespreking van de feiten 2 en 4. Vervolgens bespreekt de rechtbank feit 1 en tenslotte de feiten 3 en 5.

4.4.2

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 en 4

4.4.2.1 Voorhanden hebben/ in voorraad hebben/ op de markt brengen/ gebruiken

Aan verdachten wordt onder 2 verweten dat zij (opzettelijk) de biociden Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast en/of Miteclean voorhanden en/of in voorraad hebben gehad en onder 4 wordt hen verweten dat zij diezelfde biociden op de markt hebben aangeboden en/of hebben gebruikt. De rechtbank zal bij de beoordeling van deze feiten eerst stilstaan bij de vraag of verdachten deze middelen daadwerkelijk voorhanden hebben gehad en/of hebben gebruikt, alvorens te toetsen of de in de tenlastelegging genoemde middelen als biociden kwalificeren.

Verdachten betrokken de door hen gebruikte middelen grotendeels van de Belgische leverancier [bedrijf 2] BVBA, handelend onder de naam [bedrijf 2] , een bedrijf van [getuige 1] . Uit de administratie van [getuige 1] blijkt dat er vanaf 10 juni 2014 door [getuige 1] facturen worden gestuurd aan [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] voor middelen ten behoeve van bloedluisbestrijding.14 Een factuur van 28 mei 2015 is de eerste factuur waarop het middel Miteclean staat vermeld.15 Het middel genaamd Fyprorein wordt voor het eerst op 25 oktober 201516 op een factuur vermeld en op 6 december 2015 is er door [getuige 1] gefactureerd voor het middel Fyprocleaner.17 In onderstaande tabel is per jaar de totale hoeveelheid liters van de door [getuige 1] aan [verdacht bedrijf 1] gefactureerde middelen Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean weergegeven.18

Inkoop

Dega 16

Dega 1L

Dega P

Fyprorein

Fypro-cleaner

Mentho-Boast

Miteclean

2015

135

60

2.177

2016

1.080

47

200

575

1.600

560

2017

2.880

-93

1.145

totaal

3.960

47

107

710

60

1.600

3.882

Op werkbonnen en facturen uit de administratie van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] staan de middelen vermeld die door hen vervolgens werden (door)verkocht aan de pluimveehouders. De werkbonnen en facturen waarop de middelen Fyprorein, Dega-16 en Mentho-Boast staan vermeld, beslaan de periode van 12 november 2015 tot en met 23 juni 2016.19 [verdachte 1] heeft ter zitting ook verklaard dat zij de in de tenlastelegging genoemde middelen gebruikten bij de bestrijding van bloedluis.20 De aangetroffen facturen en werkbonnen zijn verwerkt in onderstaande tabel21, die het totaal aantal verkochte liters van een product per jaar weergeeft22:

Mentho-boast Dega-16 Fypro

factuur

werkbon

factuur

werkbon

factuur

werkbon

2015

0

62,5

2016

1.488

1.498

713

696

466

447,5

2017

2.531

2.704

22

22

Totaal

1.488

1.498

3.244

3.400

488

532

Op basis van de facturen en werkbonnen is eveneens vast te stellen dat verdachten over de jaren 2016 en 2017 de middelen bij 283 unieke afnemers hebben toegepast.23

[verdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat hij op 12 februari 2018 een aanhangwagen met daarop onder meer jerrycans met de producten Dega-16 en Miteclean op een parkeerplaats nabij het kantoorgebouw van de NVWA te Wageningen heeft geparkeerd, waarna hij dit – door tussenkomst van zijn raadsman – heeft gemeld bij de NVWA.24 Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar de inhoud van de verschillende jerrycans en daaruit bleek dat het onder meer ging om een hoeveelheid van middelen bevattende de stoffen fipronil (Dega-16) en amitraz (Miteclean).25

De rechtbank overweegt dat het bestanddeel ‘gebruik’ zoals ten laste gelegd onder 4, in artikel 3, lid 1, onder k van de BPR-verordening, voor zover hier van belang, nader is gedefinieerd als “alle handelingen die met een biocide worden verricht, met inbegrip van de opslag, hantering, menging en toediening ervan”.

De rechtbank concludeert op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dat verdachte samen met haar medeverdachte [verdacht bedrijf 2] en onder leiding van haar vennoten [verdachte 1] en [verdachte 2] , de in de tenlastelegging genoemde middelen voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en op de markt heeft aangeboden en/of heeft gebruikt.

4.4.2.2 Biociden

Zoals reeds uiteengezet onder 4.4.1.2 kwalificeert een middel als een biocide wanneer het een werkzame stof bevat en het als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

[verdachte 1] , [verdachte 2] en hun vennootschappen [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] gebruikten de middelen Dega-16 en Miteclean om bloedluis te bestrijden.26 Bloedluis is een mijt die het bloed uit de kip zuigt, wat kan leiden tot bloedarmoede, vermindering van eierproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziektes. Bloedluis is derhalve een schadelijk organisme. Het middel werd gespoten op de omgeving en de inrichting van een pluimveestal en uit verklaringen van getuigen volgt dat het middel effectief was en dat de bloedluis (lang) wegbleef.27 Zo verklaarde pluimveehouder [pluimveehouder 2] : “De resultaten vanuit de bloedluisbehandeling van stal 1 waren goed, de luis bleef weg”28 en getuige [getuige 2] heeft verklaard: “Voor de bloedluis was het Dega-16 en dat was ook een eigen product. Natuurlijk hielp het middel wel want anders waren ze niet door heel Nederland gereden”.29 [verdachte 1] zelf heeft ook verklaard dat het middel Dega-16 heel goed hielp tegen bloedluis.30 Dat het middel werkzaam was, betekent dat daaruit kan worden afgeleid dat er een werkzame stof in zat.

[verdachte 1] heeft verklaard dat [getuige 1] hem in juni 2016 heeft verteld dat de stof fipronil in Dega-16 zat.31 Op verschillende plekken in de bedrijfsvoertuigen van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] is fipronil aangetroffen.32 Ook in de rugspuit, waarmee [verdachte 1] en [verdachte 2] de ontsmettingsbehandeling uitvoerden in de stallen, is fipronil aangetroffen.33 In het bedrijfsvoertuig dat geparkeerd stond in de loods aan de [adres 2] werden meerdere verpakkingen aangetroffen waarin een middel met de werkzame stof amitraz bleek te zitten.34 De getuige [getuige 3] was gedurende een deel van de ten laste gelegde periode als zzp’er werkzaam voor [bedrijf 2] BVBA. Tijdens zijn verhoor werd hem de verklaring van [getuige 1] voorgehouden inhoudende dat [verdacht bedrijf 1] de producten Fiprorein, Fiproclean en Menthol-Boost kocht en dit zelf mengde en dat dit product later Dega-16 ging heten. [getuige 3] verklaarde daarop dat hij dit al vermoedde en dat het door [verdacht bedrijf 1] of [getuige 1] werd gemengd om het minder opvallend te maken.35 In een whatsapp bericht dat [getuige 3] op 10 april 2016 stuurde aan [verdachte 1] staat geschreven: “Als ik wat schuif en goede afspraken kan maken met jullie dan kan ik rond de koers leveren van: -Fypro: 93,72, -Mite: 46,89, - [bedrijf 2] : 52,17. Laat maar weten of dit interessant kan zijn als jullie overlegd hebben. Ter verduidelijking, zelfde fabriek, zelfde hoeveelheid werkz. stoffen etc.”36

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat fipronil de werkzame stof was in de middelen Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner en Mentho-boast en dat deze middelen biociden waren, nu zij werden gespoten ter bestrijding van het schadelijke organisme bloedluis.

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen komt de rechtbank daarnaast tot de conclusie dat amitraz de werkzame stof was in het middel Miteclean en dat ook dit middel een biocide was dat werd gespoten ter bestrijding van het schadelijke organisme bloedluis.

4.4.2.3 De toelating van de biociden

Zoals onder 4.4.1.2 staat beschreven kan op de site van het ECHA eenvoudig bekeken worden of een werkzame stof is toegelaten. Fipronil staat sinds 1 oktober 2013 op de lijst met toegelaten stoffen en is toegelaten om gebruikt te worden in een biocide voor de bestrijding van insecten, acariciden en andere geleedpotigen.

In het register van het Ctgb kan worden nagegaan of de toepassing van een bepaalde biocide is toegelaten. Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was een biocide met de werkzame stof fipronil in Nederland niet toegelaten voor bloedluisbestrijding.37 Ook de biocide Miteclean met de werkzame stof amitraz is in Nederland niet toegelaten.38 Voor beide middelen bestond eveneens geen Europese toelating.39

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat Dega, Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean geen toegelaten biociden zijn.

4.4.2.4 Opzet

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de term ‘opzettelijk’ in het economisch strafrecht te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dat betekent dat verdachtes opzet slechts gericht hoefde te zijn op de gedraging zelf (te weten het voorhanden hebben van biociden) en niet op de wederrechtelijkheid van die gedraging. Voorwaardelijk opzet is hierbij voldoende. Niet vereist is dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op het niet naleven van de op de haar rustende wettelijke verplichtingen. Dat verdachte naar eigen zeggen niet wist dat dat de middelen biociden waren die niet waren toegelaten, staat aan het bewijs van het opzet daarom niet in de weg.

Volgens [verdachte 1] en [verdachte 2] geloofden zij hun leverancier, de heer [getuige 1] , die zou hebben gezegd dat fipronil een legaal middel was om bij bloedluisbestrijding te gebruiken. Van verdachten, die handelen in het economisch verkeer, mag echter worden verwacht dat zij op de hoogte zijn van de voor hen van toepassing zijnde regelgeving. Dit geldt temeer nu verdachten zich presenteerden als specialisten in de bestrijding van bloedluis en zij naar eigen zeggen bekend zijn met de pluimveesector en ook weten dat bloedluis daar een groot probleem is. Zij wilden daarvoor een oplossing bieden en dachten die te hebben gevonden met het middel Dega. Een middel waardoor de bloedluis beduidend langer wegbleef dan bij enig ander middel. Van professionele spelers op de (commerciële) markt mag deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeven en dat zij op de hoogte zijn van de specifieke regelgeving die van toepassing is op hun activiteiten. Van hen mag daarnaast worden verwacht dat zij onderzoek doen en nagaan of het is toegelaten dat zij een bepaald ‘wondermiddel’ bij een voedselproducerend bedrijf gebruiken. Verdachten hebben diverse middelen bij [getuige 1] ingekocht en bij de bestrijding van bloedluis gebruikt, zonder enige – eigen – controle of deze middelen wel waren toegelaten. [verdachte 1] heeft verklaard dat [getuige 1] hem in juni 2016 heeft verteld dat de stof fipronil in Dega-16 zat, maar verdachten hebben ook toen geen nader onderzoek gedaan en zijn gewoon doorgegaan met het toepassen van het middel Dega-16 en de daarmee samenhangende “Dega-middelen”. Een dergelijk onderzoek hebben zij ook nagelaten ten aanzien van de door hen gebruikte middelen Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean.

De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte 1] en [verdachte 2] , als leidinggevenden van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , met hun handelen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij niet-toegelaten biociden voorhanden en/of in voorraad hadden en hebben aangeboden en/of gebruikt.

4.4.2.5 Strafbaarheid rechtspersoon

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen en aan hen dienstig zijn geweest. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde samen met [verdacht bedrijf 2] heeft begaan.

4.4.3

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 primair

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, te koop aanbieden, of afleveren van middelen bevattende de werkzame stof fipronil, terwijl zij wist dat die stof schadelijk is voor het leven of de gezondheid maar dat schadelijk karakter heeft verzwegen.

4.4.3.1 Waren verkopen/ te koop aanbieden/ afleveren

De rechtbank heeft reeds hiervoor onder 4.4.2.1 de conclusie getrokken dat [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] de in de tenlastelegging genoemde middelen voorhanden en/of in voorraad hebben gehad en op de markt hebben aangeboden en/of hebben gebruikt. Onder 4.4.2.1 zijn de feiten en omstandigheden vastgesteld, op basis waarvan de rechtbank die conclusie heeft getrokken en de rechtbank volstaat daarom met een korte opsomming van de belangrijkste punten en een verwijzing naar hetgeen zij eerder heeft overwogen.

[verdachte 1] en [verdachte 2] presenteerden zichzelf en hun vennootschappen als professionele bloedluisbestrijders. Op basis van werkbonnen en facturen van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] kan worden vastgesteld dat dit middel aan 283 unieke afnemers is afgeleverd en dat dit middel werd verkocht als onderdeel van hun bloedluisbestrijding.40

De rechtbank stelt vast dat [verdachte 1] en [verdachte 2] , als leidinggevenden van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , de middelen Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast gedurende de ten laste gelegde periode te koop hebben aangeboden, verkocht, afgeleverd en hebben toegepast.

4.4.3.3 Schadelijk karakter

De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of de onder 1 genoemde middelen schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid in de zin van artikel 174 Sr. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor vaststelling van het schadelijk karakter niet is vereist dat de schade optreedt bij ieder (normaal) gebruik door elke mogelijke consument. Voldoende is dat vastgesteld wordt dat schade kan optreden als gevolg van elk gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden. Onder het bestanddeel ‘schadelijk voor het leven of de gezondheid’ vallen het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten.

Onder 4.4.2.3 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat Dega-16 een biocide is. Het gebruik van biociden is aan strikte Europese en nationale regelgeving onderworpen en mag slechts in beperkte situaties en onder strikte voorwaarden worden gebruikt. Uit overweging 1 van de BPR-verordening volgt dat dit onder andere zo is omdat door de intrinsieke eigenschappen en de bijpassende gebruikspatronen biociden gevaren kunnen inhouden voor mensen, dieren en het milieu. Fipronil is niet opgenomen in bijlage 1 van de Verordening (EU) nr. 37/2010, wat betekent dat het niet is toegelaten dit middel toe te passen bij voedselproducerende dieren, vanwege de gevaarlijke eigenschappen van het middel. Door middelen bevattende de werkzame stof fipronil toch te gebruiken hebben verdachten in strijd gehandeld met een strikt wettelijk kader, waardoor sprake was van een ongecontroleerd gebruik van een gevaarlijke stof bij voedselproducerende bedrijven.

Het toegepaste gebruik door [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] bestond eruit dat de middelen Dega, Dega-16, Dega P, Fyprorein, Fyproclean, Mentho-boast, alle met de werkzame stof fipronil, werden gespoten in stallen met en zonder kippen ter bestrijding van bloedluis. Door biociden op deze manier te gebruiken is te verwachten dat deze middelen ook op het voer, de mest, de kip en in het ei terechtkomen. Kippen en eieren die gegeten worden door mensen en mest die onder meer als bemesting op landbouwgrond wordt uitgereden. Verdachten hebben geen enkele voorzorgsmaatregel genomen om verspreiding van fipronil op genoemde wijze te voorkomen. Uit onderzoek aan eieren en genomen monsters van mest van bedrijven waar verdachten bloedluisbestrijding hebben gedaan, is ook daadwerkelijk gebleken dat fipronil in de kippen, eieren en mest terecht is gekomen.41 Meerdere pluimveehouders hebben verklaard dat zij hun mest uitrijden over hun eigen landbouwgrond dan wel dat het via derden wordt uitgereden over landbouwgronden, zodat ook bemesting, naast het consumeren van kippen en eieren, geldt als een gebruik waarmee verdachten redelijkerwijs rekening hadden moeten houden.42

De vraag wat de gevaren zijn van het gebruik van het middel fipronil in kippenstallen wordt in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 31 juli 2019 als volgt beantwoord: “Fipronil breekt langzaam af onder de vorming van metabolieten die een vergelijkbare toxiciteit als fipronil zelf vertonen. Bij een ongecontroleerd gebruik van de stof fipronil in kippenstallen kan hierdoor een langdurige contaminatie van de kippen, eieren en mest optreden. Er is een risico voor een ongecontroleerde blootstelling van de boeren en een risico op verspreiding buiten de stallen met langdurige negatieve effecten op het milieu, bijvoorbeeld ook door het verspreiden van verontreinigde mest. Specifiek kan genoemd worden het risico voor bijen en het aquatisch milieu.”43

Het NFI heeft ook onderzocht of Dega-16 in dit concrete geval gevaarlijk kon zijn.44 Gelet op de toepassing van Dega-16 door [verdachte 1] en [verdachte 2] en hun vennootschappen is in het rapport onderscheid gemaakt tussen schadelijkheid voor leven of gezondheid van mensen bij de toepassing van de biociden door middel van verneveling in de pluimveestal, schadelijkheid voor leven of gezondheid van mensen door het eten van besmette eieren en gevaar voor leven of de gezondheid van mensen en dieren door het uitrijden van met fipronil besmette mest.

Uit het NFI rapport volgt dat de AOEL (Acceptable Operator Exposure Level) kan zijn overschreden, indien de pluimveehouder via een onbeschermde huid of via nat geworden werkkleding in contact is geweest met de nevel.45 Pluimveehouders hebben verklaard dat zij geen beschermende kleding of maskers hoefden te dragen als zij direct na de bloedluisbehandeling de stal ingingen. Zo verklaarde [pluimveehouder 1] : “Het middel was niet slecht voor je. De boer kon gewoon vijf minuten later de stal weer in als het rustig in de stal was” en [pluimveehouder 3] verklaarde: “Ook als ik naar achteren liep, dus in de volle nevel werd ik niet gewaarschuwd. Sterker nog; ze zeiden dat ik er zo in kon lopen”. De rechtbank is van oordeel dat er derhalve een reële kans bestond dat er gevaar voor de gezondheid kon optreden voor pluimveehouders die na de behandeling weer in de stallen rondliepen en werkten.

Met betrekking tot de aangetroffen fipronil in eieren concludeert het NFI op basis van de vastgestelde waardes, zoals de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI)46, dat de risico’s op gevolgen voor de lange termijn zeer klein zijn.47 Het NFI rekent met de waarde van 0,39 mg/kg, en komt tot de conclusie dat, uitgaande van een gemiddelde ei-consumptie, de inname bij de rekenwaarde onder norm van de ADI blijft. Dat er in het concrete geval, op basis van de gemeten waardes, geen concrete gezondheidsschade voor mensen te verwachten is, betekent niet dat gezondheidsschade voor mensen nooit kan optreden. Bij de ongecontroleerde toepassing van de biociden zoals door verdachten uitgevoerd is het niet uitgesloten dat er zodanige fipronil-waardes gemeten kunnen worden dat daadwerkelijke gezondheidsschade voor mensen, met name jonge kinderen, kan optreden. Zoals hiervoor overwogen kan bewezenverklaring van artikel 174 Sr volgen, niet alleen indien daadwerkelijk gezondheidsschade is opgetreden, maar dat voldoende is dat dergelijke schade kan optreden.

Blijkens het NFI-rapport kunnen voorts bij de concentraties fipronil, zoals die specifiek in dit geval in de mest zijn aangetroffen, met zekerheid “schadelijke effecten verwacht worden voor bodemdieren en het aquatisch milieu”.48

Gelet op het hiervoor overwogene en in het bijzonder in aanmerking nemende de inhoud van het NFI-rapport is de rechtbank van oordeel dat de middelen die de werkzame stof fipronil bevatten, schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid kunnen veroorzaken als gevolg van het gebruik waarmee [verdachte 1] , [verdachte 2] en hun vennootschappen redelijkerwijs rekening hadden moeten houden.

4.4.3.4 Wetende dat

Het bestanddeel ‘wetende dat’ ziet op het gegeven dat de verdachte met de schadelijke aard van de waren bekend is en is een uitdrukking van opzet die ook het voorwaardelijk opzet omvat.

Zoals gezegd waren verdachten steeds in een professionele hoedanigheid bezig met de uitoefening van bloedluisbestrijding. De rechtbank acht het van belang dat verdachten geen leken waren, maar professioneel gebruikers en zichzelf ook op die manier naar buiten toe hebben gepresenteerd. [verdachte 1] en [verdachte 2] moeten als professioneel bloedluisbestrijder hebben geweten dat biociden streng gereguleerd zijn en schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid.

Door een niet-toegelaten biocide te gebruiken bij dieren die bestemd waren voor de voedselketen, zonder onderzoek te (laten) doen naar de mogelijke gevolgen daarvan, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij middelen gebruikten die schadelijk waren voor het leven of de gezondheid.

4.4.3.5 Dat schadelijke karakter verzwijgende

Resteert de vraag of verdachten voor de pluimveehouders, die [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] inhuurden om in hun stallen de bloedluis te bestrijden, het schadelijk karakter van die middelen hebben verzwegen.

De afnemers van de biociden, de pluimveehouders, zullen ongetwijfeld uit hoofde van hun beroep kennis dragen omtrent de mogelijke schadelijke gevolgen van het gebruik van biociden. Dat ontheft verdachten echter niet van de plicht, telkens nog eens in het bijzonder te waarschuwen voor die schadelijke gevolgen.

[verdachte 1] heeft verklaard dat op het etiket van Dega-16 niet stond dat er fipronil in zat.49 Verschillende pluimveehouders hebben verklaard dat [verdachte 1] en [verdachte 2] niet precies wilden zeggen wat er in het middel zat en ook werden zij niet gewaarschuwd voor mogelijke schadelijke gevolgen voor mens, dier of milieu.50

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat, [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] , zich, onder leiding van hun vennoten [verdachte 1] en [verdachte 2] , schuldig hebben gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 174 Sr.

4.4.3.6 Strafbaarheid van de rechtspersoon

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde samen met [verdacht bedrijf 2] heeft begaan.

4.4.3.6 Voorwaardelijke verzoek

Zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen heeft de rechtbank de getuigenverklaringen van [getuige 1] niet gebruikt voor het bewijs, zodat reeds daarom het voorwaardelijk verzoek [getuige 1] als getuige te horen wordt gepasseerd.

4.4.4

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 en 5

4.4.4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

Hetgeen hiervoor onder 4.4.1.2 omtrent de regulatie en toelating van biociden is overwogen geldt eveneens voor de onder de feiten 3 en 5 genoemde middelen.

Op 7 juli 2017 hebben twee inspecteurs van de NVWA een controle uitgevoerd in een loods gelegen aan de [adres 2] te Lunteren, zijnde een bedrijfspand gehuurd door [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] . Daar troffen zij een aantal van de op de tenlastelegging onder 3 en 5 genoemde middelen aan. 51 Vervolgens heeft er op 10 augustus 2017 een doorzoeking van onder andere deze loods en de zich daarin bevindende bedrijfswagen plaatsgevonden, waarbij verschillende middelen in beslag zijn genomen.52 [verdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat de in de tenlastelegging genoemde middelen in de loods gelegen aan de [adres 2] te Lunteren zijn aangetroffen en dat het zo kan zijn dat deze middelen niet-toegelaten biociden zijn.53

De in de tenlastelegging opgenomen middelen zullen hierna afzonderlijk en achtereenvolgend worden besproken.

Formaline

Tijdens de controle op 7 juli 2017 werd gezien dat er vijf bussen van 20 liter per stuk in de loods stonden en op 12 juli 2017 werden twee verpakkingen aangetroffen in de bedrijfswagen met kenteken 7-VXX-77.54 Op 10 augustus 2017 zijn vijf bussen van elk 20 liter in beslag genomen.55 Op het etiket stond het opschrift “formaldehyde 37%, cans 20 ltr, 21,6 kg, Breustedt Chemie B.V.”.56

Formaldehyde 37% is een biocide, nu het als een ontsmettingsmiddel werd gebruikt.57 Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was de formaline die bij [verdacht bedrijf 2] / [verdacht bedrijf 1] werd aangetroffen gedurende de ten laste gelegde periode geen toegelaten biocide.58

Uit de administratie van [verdacht bedrijf 2] volgt dat zij in de jaren 2016 en 2017 in totaal 24.060 liter formaline heeft ingekocht.59 Uit de boekhouding van [verdacht bedrijf 2] valt af te leiden dat zij in de periode van 2015 tot en met 10 augustus 2017 in totaal (ongeveer) 33.594 liter formaline heeft gebruikt en afgeleverd.60 [verdachte 1] heeft verklaard dat de formaline werd gebruikt voor de ontsmetting van pluimveestallen.61

Kilcox

Op 7 juli 2017 werden in de loods tien flessen van 25 liter, een fles van 7,5 liter en zes lege flessen van het middel Kilcox aangetroffen. Op het etiket viel te lezen “een ontsmettingsmiddel met hoog rendement voor de ondersteuning van het management van ernstige ziekten (met inbegrip van coccidiosis en cryptosporidiose)”.62 De ziekten coccidiosis en cryptosporidiose worden veroorzaakt door parasieten en dat zijn schadelijke organismen.63 Nu Kilcox kennelijk tot doel had om schadelijke organismen te vernietigen kan worden geconcludeerd dat het een biocide is.64 Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was Kilcox gedurende de ten laste gelegde periode geen toegelaten biocide in Nederland.65

Blijkens de administratie van [verdacht bedrijf 2] zijn in 2016 in totaal 91 flessen ingekocht bij [bedrijf 2] BVBA.66 Op 33 ontsmettingsformulieren staat vermeld dat Kilcox is gebruikt en werkzaamheden met dit middel zijn onder andere in Dalfsen verricht.67

Envirex en Virex

In de loods waren 67 zakken aanwezig met daarop de naam van het product “Envirex”. De tekst op het etiket was in het Engels en de vertaling van die tekst was: “Sterk absorberend hygiënisch stalstrooisel voor melkkoeien, varkens, pluimvee en paarden. Samenstelling: bevat een natuurlijk mengsel van silicaat, etherische oliën en plantenextracten met gewichtspercentage 2 van het biocideproduct VIREX”.68

Tevens werden er 33 emmers á 10 kg gezien, met daarop als productnaam “Virex”. Ook dit etiket was in het Engels en vertaald stond daar onder meer te lezen: “Dit desinfecteermiddel is goedgekeurd voor desinfectie daar waar gebruik van een goedgekeurd product vereist is volgens de beheersingsmaatregelen voor de volgende specifieke ziekte(n) beschikkingen: mond-en-klauwzeer, blaasjesziekte en pluimveeziekten”.69

Hieruit komt naar voren dat Virex een desinfectiemiddel is dat wordt ingezet ter beheersing van onder andere mond-en-klauwzeer, blaasjesziekte en pluimveeziekten en hiermee had het als doel om schadelijke organismen te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden. Het middel Virex is daarom aan te merken als biocide en omdat het middel Envirex 2 procent van het middel Virex bevat is Envirex ook aan te merken als biocide. Op de verschillende verpakkingen stond telkens geen Nederlands toelatingsnummer.70

Uit een viertal facturen die [bedrijf 2] aan [verdacht bedrijf 2] stuurde blijkt dat in 2016 in totaal 158 verpakkingen Envirex en 72 verpakkingen Virex zijn ingekocht door [verdacht bedrijf 2] .71 In een e-mail van 31 december 2016 die [verdachte 2] namens [verdacht bedrijf 1] aan Corné de Bruin stuurde is te lezen dat op dat moment de voorraad van Envirex 60 stuks en van Virex 30 stuks is.72 In verkoopfacturen van [verdacht bedrijf 2] is te lezen dat deze middelen aan Nederlandse pluimveehouders zijn geleverd.73

Neporex

In de loods werden ook 22 zakken Neporex aangetroffen.74 Op het etiket van dit product stond vermeld: “toegestaan is uitsluitend het gebruik als insecticide ter bestrijding van vliegenlarven in mest en andere broedplaatsen in stallen en hokken.”75 Hieruit volgt dat Neporex een biocide is, nu het was bedoeld ter bestrijding van de vliegenlarven, zijnde schadelijke organismen. Het betrof een niet toegelaten middel in Nederland.76

Uit de administratie blijkt dat van dit middel door [verdacht bedrijf 1] in 2016 vier zakken van vijf kilogram zijn ingekocht en in 2017 zestien zakken van vijf kilogram door [verdacht bedrijf 2] .77 [verdachte 1] heeft verklaard dat de Neporex is ingekocht bij [bedrijf 2] in België en dat het bestemd was voor de handel.78 Uit verkoopfacturen blijkt dat dit middel is geleverd aan Nederlandse pluimveehouders.79

Fatal

In de loods werden diverse verpakkingen Fatal haverkorrels en Fatal pasta aangetroffen. Blijkens de verpakkingen was het middel bestemd om ratten en muizen te bestrijden.80 Ratten en muizen zijn schadelijke organismen. Geconcludeerd kan worden dat Fatal een biocide is nu het middel bedoeld was om muizen en ratten mee te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

Op de verschillende aangetroffen verpakkingen werd telkens geen toelatingsnummer aangetroffen.81 Daaruit lijdt de rechtbank af dat Fatal een op grond van de Biocidenverordening niet een in Nederland toegelaten biocide was.

Uit een factuur van 8 mei 2016 uit de aan- en verkoop administratie van [bedrijf 2] blijkt dat [verdacht bedrijf 2] een zak Fatal haverkorrels van 5 kg heeft ingekocht.82 [verdachte 1] heeft verklaard de Fatal te hebben ingekocht.83

Lurectron

Tot slot werd in de loods 1 spuitbus Lurectron aangetroffen, op welke verpakking stond te lezen “tegen vliegende en kruipende insecten” en “Werkzame stof Dichloorvos, Toelatingsnummer 11016N”.84 Het middel heeft aldus de bedoeling om vliegende en kruipende insecten – zijnde schadelijke organismen – te bestrijden, en is daarom een biocide. Hoewel op de verpakking een toelatingsnummer staat blijkt uit het Ctgb register dat de toelating van Lurectron per 1 november 2012 was ingetrokken en dat er een opgebruiktermijn was vastgesteld tot 1 november 2013.85

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdacht bedrijf 1] , tezamen en in vereniging met [verdacht bedrijf 2] , onder leiding van [verdachte 1] en [verdachte 2] , opzettelijk, in de zin van willens en wetens, de onder 3 en 5 genoemde niet-toegelaten biociden voorhanden en/of in voorraad hadden en hebben aangeboden en/of gebruikt.

4.4.4.2 Strafbaarheid rechtspersoon

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven, welke gedragingen aan beide vennootschappen kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 en 5 ten laste gelegde samen met [verdacht bedrijf 2] heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland en België,

tezamen en in vereniging met een ander

meermalen, waren, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-

boast, bevattende de werkzame stof Fipronil,

heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd,

wetende dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn,

terwijl zij en haar mededader dat schadelijk karakter hebben verzwegen;

2.

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari 2018, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, opzettelijk, biociden, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl die biociden niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden" waren toegelaten;

3.

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, opzettelijk, biociden, te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl die biociden niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden" waren toegelaten;

4.

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland, en/of

België,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en/of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers hebben die [verdacht bedrijf 2] v.o.f. en die [verdacht bedrijf 1] v.o.f.

biociden, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl voor die biociden geen toelating overeenkomstig die verordening was verleend;

5.

zij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en/of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers hebben die [verdacht bedrijf 2] v.o.f. en die [verdacht bedrijf 1] v.o.f. biociden,

te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl voor die biociden geen toelating overeenkomstig die verordening was verleend.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten, zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 51 en 174 Sr en artikel 43 Wgb. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 3

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 4 en feit 5

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete ten bedrage van € 25.000,-- en daarnaast een stillegging van de onderneming van verdachte voor de duur van één (1) jaar. Met betrekking tot de inbeslaggenomen administratie heeft de officier van justitie gesteld dat deze kan worden teruggegeven aan verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat hij een geldboete niet passend vindt, gelet op de schade van de gedupeerden die mogelijk op verdachte wordt verhaald en de reeds aangekondigde ontnemingsvordering.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op de markt brengen van fipronil, waarvan zij wist, of in ieder geval had kunnen en moeten weten, dat dit schadelijk was voor het leven of de gezondheid, terwijl zij dit schadelijk karakter voor de afnemers verzweeg. De strafbare gedragingen vonden binnen de cultuur van het bedrijf plaats en hadden kennelijk tot doel om een product op de markt te brengen waarmee snel geld kon worden verdiend. Op nationaal en Europees niveau is strenge regelgeving ontwikkeld. Alleen die biociden die uitgebreid onderzocht zijn, kunnen, na ter toetsing te zijn voorgelegd aan het Ctgb, worden toegelaten en geregistreerd. Verdachte heeft geen verzoek tot toelating van de Dega-middelen, bevattende de werkzame stof fipronil gedaan. Door deze middelen zomaar op de Nederlandse markt te brengen, heeft verdachte het doel dat met de nationale en Europese regelgeving op het gebied van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu wordt gediend, doorkruist. Het op de markt brengen van dergelijke middelen is streng gereguleerd voor een goede reden; het kan namelijk schadelijke gevolgen hebben voor mensen, dieren en het milieu.

In het onderhavige geval heeft het handelen ook daadwerkelijk grote maatschappelijke gevolgen gehad. In 2016 en 2017 hebben ongeveer 283 pluimveehouders – hetgeen neerkomt op ongeveer 20 % van het totale aantal pluimveehouders in Nederland – hun stallen met Dega-16 laten reinigen door [verdacht bedrijf 2] en [verdacht bedrijf 1] . Als gevolg van de daarin vervatte verboden werkzame stof fipronil moesten uiteindelijk miljoenen kippen worden gedood en zijn tientallen miljoenen eieren vernietigd. Honderden bedrijven hebben langere tijd hun productie stil moeten leggen en de economische schade is voor velen van hen enorm geweest. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij alleen voor ogen had dat zij een product beschikbaar had waarmee zij én het bloedluisprobleem ogenschijnlijk kon oplossen én snel geld kon verdienen en is daarbij te makkelijk voorbijgegaan aan de gevaren en risico’s van dat product voor mens, dier en milieu.

Voedselveiligheid is een groot goed en van eminent belang voor de volksgezondheid, waarmee zeer zorgvuldig moet worden omgegaan, in het bijzonder door degenen die direct of indirect in de voedselproductie werkzaam zijn. Verdachte heeft dit belang ernstig veronachtzaamd en daarmee gezondheidsrisico’s in het leven geroepen, milieuschade en enorme economische schade veroorzaakt.

Voor wat betreft het recht op berechting binnen een redelijke termijn overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat in de strafzaak tegen verdachte op 10 augustus 2017 een doorzoeking ter inbeslagneming heeft plaatsgevonden, waarbij bedrijfsadministratie en bedrijfsmiddelen in beslag zijn genomen. Dit geldt als startpunt van de redelijke termijn. Het vonnis wordt gewezen op 12 april 2021, ongeveer drie jaren en acht maanden na aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met een jaar en acht maanden. Die overschrijding is echter te verklaren door de omvang en gecompliceerdheid van de zaak, nu het gaat om feiten die naar hun aard en omvang lastig in korte tijd te onderzoeken zijn en er op verzoek van de verdediging ook getuigen in het buitenland zijn gehoord. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en hieraan geen verdere consequenties voor de strafoplegging verbinden.

Gelet op de aard, ernst en omvang van de strafbare feiten en de in het leven geroepen risico’s voor het leven en de gezondheid, zou naar het oordeel van de rechtbank in het beginsel niet kunnen worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Wanneer echter in het bijzonder wordt gelet op de vele benadeelden en de grote economische en financiële gevolgen van de strafbare gedragingen is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete evenmin opportuun is. Zo’n geldboete gaat immers altijd ten koste van het verhaal dat [verdacht bedrijf 1] de schuldeisers nog zal kunnen bieden. Het heeft er alle schijn van dat de vorderingen van benadeelden in totaliteit hoger zijn dat het bedrag dat bij verdachten en hun verzekeraars beschikbaar is voor verhaal. Omdat de rechtbank het belangrijker acht dat het beschikbare geld zoveel mogelijk ten goede komt aan de benadeelden, zal de rechtbank de op te leggen geldboete toch geheel voorwaardelijk opleggen.

Voor stillegging van de onderneming ziet de rechtbank geen aanleiding, nu binnen de vennootschap feitelijk al langere tijd geen activiteiten meer plaatsvinden en er evenmin aanwijzingen bestaan dat dit binnen afzienbare termijn wel het geval zal zijn.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde (stukken uit de) administratie, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 Sr en 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 3

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 4 en feit 5

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de veroordeelde tot betaling van een geldboete van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro);

- bepaalt dat deze geldboete in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de (diverse stukken uit de) administratie aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.

1 Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 67.

2 Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 50.

3 AMB-00269, pagina 2634.

4 AMB-00317, pagina 2761; DOC-04701, pagina 9809; DOC-04699, pagina 9807; DOC-04700, pagina 9808.

5 DOC-03099, pagina 8187 e.v.

6 AMB-00317, pagina 2762 en 2763; G010-00001, pagina 711; G016-00001, pagina 749.

7 AMB-00317, pagina 2761.

8 AMB-00269, pagina 2641; DOC-00768

9 AMB-00317, pagina 2763 en 2764.

10 G028-0001, pagina 834.

11 G026-0001, pagina 818.

12 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 918.

13 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 918.

14 AMB-00302, pagina 2716.

15 DOC-03440, pagina 8549.

16 DOC-03443, pagina 8552.

17 DOC-10957, pagina 11543.

18 AMB-00302, pagina’s 2716 en 2717; DOC-10965, pagina 11551; DOC-10966, pagina 11552.

19 DOC-03566 tot en met DOC-03577, pagina’s 86666 tot en met 8677.

20 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

21 AMB-00302, pagina 2716.

22 Toelichting tabel: De hoeveelheden in de tabel zijn bij de werkbon de som van alle verkopen. Bij de tellingen voor de hoeveelheid op factuur is er in sommige gevallen op factuur iets anders dan het betreffende middel gefactureerd. In deze gevallen is het aantal liter van de werkbon bij het aantal opgeteld. Bij de verkopen van Dega 16 in 2017 zijn bijvoorbeeld 2 bloedluisbehandelingen gefactureerd, op de werkbon zagen wij dan het gebruikte aantal liter Dega 16 staan. Dit aantal is dan bij de facturen opgeteld.

23 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 945; AMB-00302, pagina 2719; DOC-03580 tot en met DOC-03582.

24 AMB-00287, pagina’s 2675 en 2676; Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

25 AMB-00288, pagina 2684.

26 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

27 G027-00001, pagina 824; G028-00001, pagina 833.

28 G026-00001, pagina 818.

29 G036-0001, pagina 879.

30 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

31 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

32 AMB-0003, pagina 1112 tot en met 1116; DOC-00169 tot en met DOC-00181, pagina’s 5199 tot en met 5211

33 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 958; DOC-00725, pagina 5767.

34 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 987; DOC-00696 en DOC-00697, pagina’s ???

35 V-08-00002, pagina’s 531 en 532.

36 DOC-JIT-03289, pagina 8383.

37 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 943; AMB-00222, pagina 2527.

38 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 982.

39 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 919.

40 AMB-00302, pagina’s 2716 en 2717; DOC-03566 tot en met DOC-03577, pagina’s 8666 tot en met 8677.

41 DOC-04072 (ongenummerd, want digitaal verstrekt totaalbestand)

42 G027-00001, pagina 824; G028-00001, pagina 833; G026-00001, pagina 818; G036-0001, pagina 879.

43 Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 14 onder ‘Samenvattend:’.

44 Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling.

45 Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 22 onder 4.4.

46 De ADI staat meestal aangegeven in milligram per kilo lichaamsgewicht. Omdat de ADI wordt aangegeven per kilogram lichaamsgewicht is de aanvaardbare dagelijkse inname voor lichte mensen en kinderen dus lager dan voor mensen die zwaarder zijn.

47 Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 29 onder 5.12.

48 Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 31 onder 6.2.

49 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

50 G07-00001, pagina 694; G026-00001, pagina 817; G027-00001, pagina 826.

51 AMB-00004, pagina 1117 tot en met 1119.

52 AMB-00045, pagina’s 1351 tot en met 1353; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

53 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

54 AMB-00004, pagina’s 01119 en 1120; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

55 AMB-00045, pagina’s 3151 tot en met 1353.

56 DOC-02775, pagina 7819.

57 G037-00001, pagina 893.

58 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 991.

59 AMB-0289, pagina 2685.

60 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 992; DOC-02944 tot en met DOC-02946, pagina’s 7993 tot en met 7995.

61 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

62 DOC-03548, pagina 8649; DOC-03549, pagina 8650.

63 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 994.

64 G037-00001, pagina 893.

65 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 995.

66 AMB-0289, pagina 2686.

67 DOC-03316 pagina 8417; DOC-03317, pagina 8418; DOC-03318, pagina 8419.

68 DOC-03540, pagina 8641; DOC-03541, pagina 8642.

69 DOC-03544, pagina 8645; DOC-03545, pagina 8646.

70 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 999; AMB-00215, pagina 2514.

71 DOC-03324 tot en met DOC-03327, pagina’s 8425 tot en met 8428.

72 DOC-02528 tot en met DOC-02529, pagina’s 7571 en 7572.

73 DOC-11140, pagina 11730; DOC-11188, pagina 11778; DOC-11191, pagina 11781.

74 AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

75 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1001.

76 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1002.

77 AMB-0289, pagina 2686; DOC-03320, pagina 8421; DOC-03321, pagina 8422.

78 AMB-0208, pagina 2498.

79 DOC-10456, pagina 11032; DOC-10029, pagina 10605.

80 DOC-03180 tot en met DOC-03184, pagina’s 8269 tot en met 8273.

81 DOC-03180 tot en met DOC-03184, pagina’s 8269 tot en met 8273.

82 AMB-00289, pagina’s 2687; DOC-03359, pagina 8468.

83 AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

84 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1004; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

85 Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1005.