Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:150

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
AK_ 19 _ 2223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrechter oordeelt dat een mesttransportbedrijf terecht een boete heeft gekregen wegens het overtreden van de Meststoffenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[bedrijf 1] BV, gevestigd te Fleringen, eiseres,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres vijf boetes van in totaal € 1.500,- opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw) en daarop gebaseerde regelgeving.

Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 1 december 2020 ter zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Kram,

I.A. Harbers en T.J.J. Oosterwijk.

Overwegingen

Aanleiding

1. Eiseres is een erkend intermediair en transportbedrijf dat onder andere dierlijke meststoffen exporteert. Op 27 oktober 2018 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het veehouderijbedrijf [bedrijf 2] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 2]) aan de [adres] in Rossum bezocht voor een (aselecte) controle op de naleving van de voorwaarden voor de onafhankelijke monstername bij het laden van dierlijke meststoffen (in dit geval ‘koek na mestscheiding rundveemest’). Bij de NVWA was gemeld dat op die dag drie vrachten zouden worden bemonsterd door de onafhankelijke monsternemende organisatie Dumea. Op 27 oktober 2018 heeft de toezichthouder geconstateerd dat twee keer een vracht dierlijke meststoffen is geladen in een vrachtwagen van eiseres. Deze vrachtwagen had één container. Ook heeft de toezichthouder geconstateerd dat voor beide vrachten een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM) is ingevuld en dat de voorgeschreven AGR/GPS-laadmeldingen zijn gedaan. Verder heeft de chauffeur van de vrachtwagen, na aflevering van de eerste vracht dierlijke meststoffen bij de afnemer, de weegbon van die vracht aan de toezichthouder getoond. Op deze weegbon was voor de vracht dierlijke meststoffen een gewicht van 16.320 kg. ingevuld.

In november 2018 heeft de toezichthouder de gegevens van de twee vrachten in het digitale systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geraadpleegd.

Hij constateerde dat voor de eerste vracht (met VDM-nummer 1166476537) een gewicht van 33.420 kg was geregistreerd en voor de tweede vracht (met VDM-nummer 1166476545) een gewicht van 34.340 kg.

Om vast te stellen of de VDM’s juist zijn opgemaakt heeft de toezichthouder op

27 november 2018 opnieuw [bedrijf 2] bezocht om de administratie in te zien. Hij las daar op VDM 1166476537 (‘exemplaar voor leverancier’) een nettogewicht van 33.420 kg en op VDM 1166476545 (‘exemplaar voor leverancier’) een nettogewicht van 34.320 kg.

Omdat de toezichthouder vermoedde dat op de VDM’s een onjuist gewicht was vermeld, heeft hij vervolgens afschriften meegenomen van enkele VDM’s en facturen die betrekking hadden op de afvoer van ‘koek na mestscheiding rundveemest, mestcode 13’ in de maanden oktober 2018 en november 2018.

Op 28 november 2018 heeft de toezichthouder Dumea gevraagd om inzage in de formulieren van de monsternames die waren uitgevoerd bij [bedrijf 2]. Die heeft Dumea de volgende dag verstrekt. Uit deze informatie is de toezichthouder gebleken dat in de week van 27 oktober 2018 tot en met 2 november 2018 vijf monsternameformulieren zijn opgemaakt voor vrachten dierlijke mest met geschatte volumes van tussen de 12 m³ en 16,5 m³. Op basis van zijn bevindingen bij de eerste twee vrachten vermoedde de toezichthouder dat het gewicht van deze vijf vrachten op de bijbehorende VDM’s - zoals gezien bij [bedrijf 2] - niet juist was ingevuld.

Op 14 mei 2019 heeft de toezichthouder telefonisch contact opgenomen met eiseres.

Hij heeft toen gesproken met [naam], werkzaam als planner (hierna te noemen: [naam]). Aan hem heeft de toezichthouder inzage gevraagd in vijf VDM’s met de bijbehorende weegbonnen. Vervolgens heeft de toezichthouder op 21 mei 2019 eiseres bezocht om deze stukken in te kijken. Ook heeft hij daar met [naam] gesproken over zijn vermoeden dat het gewicht van de vijf vrachten niet juist was ingevuld op de VDM’s en niet juist was geregistreerd bij de RVO. Verder heeft hij daar afschriften genomen van de weegbonnen en enkele VDM’s. Volgens de toezichthouder hing er op dat moment een gespannen sfeer en mogelijk om die reden heeft hij van 2 VDM’s geen afschrift genomen.

Van zijn onderzoek heeft de toezichthouder verslag gedaan in het Rapport van bevindingen van 11 juni 2019 (hierna te noemen: het NVWA-rapport). Daarin heeft hij op basis van wat hij heeft waargenomen tijdens de inspectie van 27 oktober 2018 geconcludeerd dat de hoeveelheden mest die werden verantwoord op de VDM’s met de nummers 1166476537 en 1166476545 niet overeenkomen met de hoeveelheden die werkelijk werden afgevoerd.

Op basis van zijn administratieve onderzoek heeft de toezichthouder geconcludeerd dat het gewicht van de afgevoerde vrachten mest op de andere drie VDM’s evenmin naar waarheid is ingevuld. Het gewicht op deze VDM’s komt namelijk niet overeen met de geschatte volumes van deze vrachten, zoals die zijn vermeld op de monsternameformulieren. Verder heeft de toezichthouder op basis van de geschatte volumes, zoals vermeld op de monsternameformulieren, geconcludeerd dat de monsternemer de bemonstering telkens heeft uitgevoerd bij het laden van alleen een voorwagen en dat er gedurende de aanwezigheid van de monsternemer geen aanhanger is geladen. Ook zijn er van de in totaal tien weegbonnen (twee per vracht, waarvan één bij de voorwagen en één bij de aanhanger zou horen) meerdere waarbij het tijdstip van wegen niet past in de periode tussen de laadmelding en de losmelding die van de desbetreffende vracht zijn gedaan. Verder geldt voor de vijf vrachten waarop de VDM’s betrekking hebben dat alleen een AGR/GPS-melding van de voorwagen is gedaan en niet van een aanhangwagen. Ten slotte heeft de toezichthouder vastgesteld dat het gewicht zoals vermeld op de vijf VDM’s ook is geregistreerd bij de RVO.

Op basis van het NVWA-rapport heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Grondslag boetes

2. In het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres vijf boetes van € 300,- opgelegd voor het niet naar waarheid opmaken van de VDM’s met de nummers 1166476537, 1166476545, 1166468275, 1166468283 en 1166468348. Volgens verweerder heeft eiseres hiermee artikel 53, tweede lid, van de Uitvoeringsbesluit Msw overtreden en feitcode M303 als bedoeld in bijlage M van de Uitvoeringsregeling Msw begaan (niet naar waarheid opmaken van een VDM door de vervoerder, de leverancier of de afnemer).

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, met aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Beroepsgronden

3. Eiseres heeft in beroep allereerst gesteld dat zij alles wat zij in bezwaar heeft aangevoerd onverkort handhaaft. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat [naam] niet bevoegd was om namens eiseres te worden gehoord en dat daarbij bovendien ten onrechte de cautie niet is gegeven. Verder heeft eiseres aangevoerd dat haar ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om de boetes op te leggen. Ook zijn de boetes opgelegd op grond van vermoedens die niet worden ondersteund door het NVWA-rapport. Eiseres is van mening dat uit dit rapport en de daarbij behorende bijlagen geen enkele overtreding kan worden afgeleid. Volgens haar zijn de boetes opgelegd op grond van suggestieve opmerkingen van de toezichthouder, die geen enkele meting, weging of andere feitelijke vaststelling bij één van de betreffende transporten heeft uitgevoerd. Verder heeft zij aangevoerd dat in de boetebeschikking niet concreet is benoemd welke bepalingen zijn overtreden.

Beoordeling door de rechtbank

Zienswijze

4.1.

Artikel 5:53, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat dit artikel van toepassing is indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan

€ 340,- kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Het derde lid bepaalt dat, in afwijking van afdeling 4.1.2, de overtreder steeds in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

4.2.

Zoals ook volgt uit de uitspraak van deze rechtbank van 29 maart 2018, op het beroep van eiseres met zaaknummer AWB 17/2740 (ECLI:NL:RBOVE:2018:992), is het bieden van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen niet vereist, indien het gaat om boetes voor overtredingen waarvoor, afzonderlijk en op zich bezien, een bestuurlijke boete van maximaal € 340,- kan worden opgelegd. In de uitspraak van 30 april 2019, ECLI:NL: CBB:2019:181, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) de uitspraak van 29 maart 2018 bevestigd.

4.3.

In dit geval gaat het om overtredingen waarvoor boetes van maximaal € 300,- per overtreding kunnen worden opgelegd. Dit betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 4:12, eerste lid, van de Awb in dit geval toepassing van artikel 4:8 achterwege heeft kunnen laten.

Horen [naam] en cautie

5.1.

Artikel 5:10a van de Awb luidt als volgt:

1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.

2. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

5.2.

Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een controlerapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het CBb van 22 juni 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX9692.

5.3.

In het NVWA-rapport heeft de toezichthouder over het gesprek dat hij op 21 mei 2019 met [naam] heeft gevoerd onder meer het volgende vastgelegd:

‘Ik werd uitgenodigd om in een spreekkamer plaats te nemen. Ik heb mij daar toen aan hem gelegitimeerd als toezichthouder van de NVWA en het doel van mijn komst medegedeeld, zijnde het inzien van documenten, zijnde de VDM’s en bijhorende weegbonnen waarover ik ook een mail had verstuurd. Ik deelde betrokkene [naam] mede dat ik het vermoeden had dat de gewichten die zijn vermeld op de VDM’s, en zijn geregistreerd bij RVO, niet juist zijn. Ik heb betrokkene [naam] daar toen medegedeeld dat ik een rapport van bevindingen zou gaan opmaken en dat hij niet tot antwoorden verplicht was.’

5.4.

Uit het NVWA-rapport blijkt dus dat de toezichthouder [naam] voorafgaand aan het gesprek op 21 mei 2019 de cautie heeft gegeven en de rechtbank ziet in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Eiseres heeft de juistheid van de inhoud van het NVWA-rapport ook niet bestreden. Ter zitting heeft zij gesteld dat de toezichthouder al in het telefoongesprek dat hij op 14 mei 2019 met [naam] voerde de cautie had moeten geven. Hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Uit het NVWA-rapport blijkt dat de toezichthouder [naam] in het telefoongesprek op 14 mei 2019 heeft gevraagd om documenten te verstrekken. Dit verzoek heeft de toezichthouder in een e-mail van 14 mei 2019 herhaald en op 15 mei 2019 heeft hij een e-mail gestuurd om een foute datum die in de eerste e-mail was genoemd te corrigeren. Op 16 mei 2019 heeft de toezichthouder nogmaals telefonisch met [naam] gesproken en toen hebben zij afgesproken dat eerstgenoemde op 21 mei 2019 bij eiseres zou langskomen om de documenten in te zien.

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de toezichthouder [naam] voorafgaande aan het opvragen van stukken op 14, 15 of 16 mei 2019 de cautie had moeten geven. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet een verplichting die voortvloeit uit artikel 5:10a van de Awb.

5.5.

Dat [naam] niet bevoegd zou zijn om namens eiseres stukken te verstrekken of te worden gehoord, volgt de rechtbank niet. Dit heeft eiseres op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Overtredingen

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder met het NVWA-rapport voldoende heeft onderbouwd dat eiseres de vijf VDM’s niet naar waarheid heeft ingevuld. In dat rapport is op basis van de geschatte mestvolumes, de vermelde gewichten en ook de overige omstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt dat de VDM’s niet naar waarheid zijn ingevuld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres niet heeft bestreden dat voor de vijf vrachten waarvoor de boetes zijn opgelegd alleen een laad- en losmelding van de voorwagen is gedaan en dat geen AGR/GPS-melding voor een aanhangwagen is gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op basis van het NVWA-rapport het primaire besluit heeft kunnen nemen en dat dat besluit in het bestreden besluit terecht is gehandhaafd. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het NVWA-rapport en/of de daarbij gevoegde bijlagen onvoldoende duidelijk zijn, volgt de rechtbank dat niet.

Vermelding overtreden bepalingen

7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat in het primaire besluit voldoende is gemotiveerd waarom de boetes zijn opgelegd en vermeld op basis van welke wettelijke bepalingen dat is gebeurd. In de eerste bijlage bij dat besluit zijn de relevante artikelen uit de wet- en regelgeving genoemd. De tweede bijlage bij dat besluit is het NVWA-rapport, waarin uitvoerig is beschreven op basis van welke bevindingen de boetes voor het niet naar waarheid opmaken van de vijf VDM’s zijn opgelegd.

Conclusie

8. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig of anderszins onjuist is. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.