Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1396

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
08-264873-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast krijgt hij een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van 3 jaar. De man reed onder invloed van alcohol een fietsster aan. De man reed na het ongeluk door en liet de fietsster zwaargewond achter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-264873-18 (P)

Datum vonnis: 2 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. van der Steeg, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor

[slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;

feit 2: onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd;

feit 3: de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander in hulpeloze toestand werd achterlaten;

feit 4: de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval aan een ander schade was toegebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij, op of omstreeks 18 december 2018 te Deventer in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, te weten het naast de rijbaan van de Zwolseweg gesitueerde vrijliggende verplichte fietspad, bestemd voor het verkeer in twee richtingen,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, in strijd met het bepaalde in artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gebruik heeft gemaakt van de rijbaan van die weg (de Zwolseweg) en/of

met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 50 en 52 kilometer, - zijnde gelet breedte en/of bestemming van die weg (dat fietspad) en/of de breedte van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), een te grote snelheid-, over een afstand van ongeveer 450 meter over die weg (dat fietspad) heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (dat fietspad) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (dat fietspad) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of

is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een over die weg (dat fietspad) rijdende, hem verdachte tegemoetkomende fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 18 december 2018 te Deventer in de gemeente Deventer, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede heeft gereden over de weg, te weten het naast de rijbaan van de Zwolseweg gesitueerde vrijliggende verplichte fietspad, bestemd voor het verkeer in twee richtingen en

in strijd met het bepaalde in artikel 10 van het regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gebruik heeft gemaakt van de rijbaan van die weg (de Zwolseweg) en/of

met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 50 en 52 kilometer, - zijnde gelet breedte en/of bestemming van die weg (dat fietspad) en/of de breedte van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), een te grote snelheid-, over een afstand van ongeveer 450 meter over die weg (dat fietspad)heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (dat fietspad) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een over die weg (dat fietspad) rijdende, hem verdachte tegemoetkomende fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 18 december 2018 te Deventer, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 920 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden te Deventer in de gemeente Deventer de weg, te weten het naast de rijbaan van de Zwolseweg gesitueerde vrijliggende verplichte fietspad, op of omstreeks 18 december 2018 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel en/of schade was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

4.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Deventer in de gemeente Deventer op de Nico Bolkesteinlaan, op of omstreeks 18 december 2018, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten de gemeente Deventer) letsel en/of schade was toegebracht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig het door hem overgelegde schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, als gevolg waarvan sprake is van ernstige schuld aan de aanrijding in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Verdachte heeft onder invloed van alcohol een verkeersongeval veroorzaakt waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het onder 1 primair ten laste gelegde, met uitzondering van ‘met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 50 en 52 kilometer’ kan volgens de officier van justitie dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Ook ten aanzien van de onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij de raadsvrouw er van uit gaat dat de rechtbank bewezen zal verklaren dat er ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 en van strafverhogende omstandigheden zoals genoemd in artikel 175 lid 4 WVW 1994. De raadsvrouw concludeert dat het lichamelijk letsel van [slachtoffer] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht (Sr).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte op 18 december 2018 in Deventer een verkeersongeval heeft veroorzaakt door, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, op een fietspad te gaan rijden, niet in staat te zijn geweest om zijn personenauto tijdig tot stilstand te brengen en niet heeft gelet en is blijven letten op dat fietspad en het zich daarop bevindende verkeer. Vervolgens is verdachte tegen een hem tegemoetkomende fietsster aangereden ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het slachtoffer heeft het volgende letsel opgelopen: een gebroken nekwervel, beide onderbenen gebroken, een gebroken elleboog, een gebroken neus, een afgebroken linker voortand, een grote hoofdwond en schaafwonden op haar hoofd.

Het juridisch kader omtrent de mate van schuld

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komt het bij de beoordeling van (de mate van) schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in algemene zin is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan.

Voor schuld is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De overwegingen van de rechtbank

In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. Iedere verkeersdeelnemer heeft naar het oordeel van de rechtbank de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer.

Verdachte heeft de op hem rustende plicht om de verkeersregels na te leven geschonden door zich te gedragen als hiervoor omschreven.

Het geheel aan gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziend, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van een ernstige mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 en concludeert de rechtbank dat het rijgedrag van verdachte, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest.

4.3.2

De feiten 1 primair, 2, 3 en 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 maart 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte van [getuige] van 26 januari 2019, pagina 49;

3. het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] van 26 januari 2019, pagina’s 51 en 52;

4. het proces-verbaal van bevindingen met bijlage van verbalisant [verbalisant 2] van

19 december 2018, pagina’s 43 en 44;

5. de letselrapportage betreffende [slachtoffer] opgemaakt door S.J.T. van Kuijk, forensisch arts, van 19 februari 2019, pagina’s 60 en 61;

6. het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 19 december 2018, pagina 39;

7. het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse met foto’s van de verbalisanten

[verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 27 augustus 2019, pagina’s 205, 206, 230, 246 en 248 tot en met 251;

8. het proces-verbaal van aangifte van [naam] (namens de Gemeente Deventer) van 26 september 2019, pagina’s 62 tot en met 64;

9. het proces-verbaal Verlaten Plaats Ongeval met foto’s van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , van 20 april 2018 (de rechtbank begrijpt: 2019), pagina’s 256, 259 tot en met 261, 265 en 268.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 18 december 2018 te Deventer in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, te weten het naast de rijbaan van de Zwolseweg gesitueerde vrij liggende verplichte fietspad, bestemd voor het fietsverkeer in twee richtingen,

zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol,

in strijd met het bepaalde in artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gebruik heeft gemaakt van de rijbaan van die weg (de Zwolseweg) en

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (dat fietspad) kon overzien en waarover deze vrij was en

niet heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (dat fietspad) en het zich daarop bevindende verkeer en

in aanrijding is gekomen met een over die weg (dat fietspad) rijdende, hem verdachte tegemoetkomende fiets en de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 18 december 2018 te Deventer, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 920 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden te Deventer in de gemeente Deventer op de weg, te weten het naast de rijbaan van de Zwolseweg gesitueerde vrijliggende verplichte fietspad, op 18 december 2018 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten

[slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

4.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Deventer in de gemeente Deventer op de Nico Bolkesteinlaan, op

18 december 2018, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten de gemeente Deventer) schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.5

Eendaadse samenloop

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de onder feit 1 primair en 2 bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich op dezelfde plaats en tijd afspelend, feitencomplex op dat verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt. Daarom is sprake van eendaadse samenloop van die bewezenverklaarde feiten, wat meebrengt dat slechts één strafbepaling, de zwaarste, wordt toegepast, te weten artikel 175 WVW 1994.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 175 en 176 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

feit 1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid onderdeel a van deze wet;

en

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8 tweede lid onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (920 microgram);

en

feiten 3 en 4

telkens het misdrijf: overtreding van artikel 7 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak en het feit dat er een bemiddelend gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het tijdsverloop in deze zaak en het feit dat er een bemiddelend gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . De raadsvrouw heeft verzocht af te wijken van de oriëntatiepunten en aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ten aanzien van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de werkzaamheden van verdachte als onderhoudsmonteur, waarbij hij afhankelijkheid is van zijn rijbewijs.

7.3

De gronden voor een straf

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deelgenomen terwijl hij onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol verkeerde (feit 2). Daarbij heeft hij buitengewoon onberekenbaar en gevaarlijk gereden. Verdachte is al vanaf het moment dat hij vertrok vanaf de parkeerplaats van het ziekenhuis in Deventer niet in staat geweest om de rotonde te volgen waarbij hij rechtdoor over de rotonde is gereden. Ten gevolge daarvan heeft hij een aantal verkeersborden geraakt en is vervolgens doorgereden, waarmee hij de plaats van het ongeval heeft verlaten (feit 4). Een eindje verderop heeft verdachte met zijn auto enige tijd stilgestaan. Nadat verdachte vervolgens was weggereden vanaf die plek is hij met zijn personenauto een fietspad opgereden. Daar is hij frontaal in aanrijding gekomen met een fietsster, ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen en zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen (feit 1 primair). Tot slot heeft verdachte ook hier de plaats van het ongeval verlaten. Daarbij heeft hij het slachtoffer op het fietspad in een hulpeloze toestand achtergelaten (feit 3).

Het is een geluk en zeker niet de verdienste van verdachte dat het slachtoffer het ongeval overleefd heeft. Dat het verkeersongeval grote gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer, blijkt uit haar verklaring over het herstel en de medische stukken. De gevolgen voor haar zijn, nu ruim twee jaar later, nog groot en zij is nog steeds niet volledig hersteld.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 10 maart 2021. Daaruit blijkt dat de oorzaak voor het delictgedrag vermoedelijk is gelegen in het feit dat verdachte niet kon omgaan met de spanning en stress rondom zijn zieke dochter. Er zijn volgens de reclassering geen andere situaties bekend waarin hij soortgelijk gedrag heeft vertoond in stresssituaties. De reclassering acht interventies of toezicht niet geïndiceerd en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 1 februari 2021, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. Verdachte is laatstelijk op 7 mei 2012 door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed en aan verdachte is toen onder andere een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven maanden opgelegd.

Ter zitting heeft verdachte verder aannemelijk gemaakt dat hij spijt heeft van zijn verkeersgedrag, dat hij zich zijn verkeersgedrag ook aanrekent en dat hij niet snapt waarom hij die dag met alcohol op heeft gereden. Ook heeft verdachte verklaard via een bemiddelaar een gesprek met het slachtoffer te hebben gehad waarin hij haar zijn excuses heeft aangeboden. Verder heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij kort na het verkeersongeval enkele gesprekken heeft gehad met een psychiater, maar dat hij deze gesprekken heeft gestaakt omdat hij ‘met zichzelf in de knoop kwam’. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van verdachte ter zitting en bij de politie uiteen lopen als het gaat om zijn alcoholgebruik. Verdachte lijkt daarin geen open kaart te spelen.

De redelijke termijn

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg binnen twee jaren dient te zijn afgerond. De onderhavige procedure heeft, vanaf het moment waarop de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling heeft verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld tot heden, langer dan twee jaren geduurd, namelijk twee jaren en vier maanden.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, van de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld en de invloed van de verdediging op het procesverloop. De oorzaak voor de duur van dit strafproces lag buiten de invloedssfeer van de verdediging.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden met vier maanden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke termijnoverschrijding in dit geval een strafvermindering rechtvaardigt. De rechtbank zal het tijdsverloop in deze zaak verdisconteren in de (hoogte van de) op te leggen straf.

De straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf die aan verdachte moet worden opgelegd acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van alleen artikel 6 WVW 1994 waarbij, zoals hier het geval is, sprake is van ernstige schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en sprake was van alcoholgebruik hoger dan 570 microram per liter uitgeademde lucht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval zijn door het LOVS geen oriëntatiepunten vastgesteld, zodat de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen betrekt.

De rechtbank ziet, gelet op het tijdsverloop in deze zaak, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen verdachte en het slachtoffer, aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van genoemd oriëntatiepunt. De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van de gepleegde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank is tevens van oordeel dat in deze zaak ook het preventieve doel van straffen aandacht verdient. Het is voor de toekomst van belang dat verdachtes rijgedrag zodanig wordt beïnvloed dat de kans op het veroorzaken van (een) verkeersongeval(len) door verdachte zoveel mogelijk wordt voorkomen. De rechtbank zal derhalve aan verdachte, gelet op zijn wisselende verklaringen over zijn alcoholgebruik, een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde opleggen teneinde beter inzicht te krijgen in verdachtes alcoholgebruik.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde koppelen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren met aftrek opleggen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 Sr en artikel 179 WVW 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid onderdeel a van deze wet;

en

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8 tweede lid onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (970 microgram);

en

feiten 3 en 4

telkens het misdrijf: overtreding van artikel 7 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

- meldt bij Reclassering Nederland op het adres Dobbe 70-74, 8032 JX in Zwolle op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde meewerkt aan het stellen van een diagnose en behandeling, indien en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd, waarin het rijbewijs voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd en ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Izgi, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021.

Mr. A.M. Rikken en mr. M.A.H. Heijink zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019436110, gesloten op 14 oktober 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.