Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1395

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
C/08/262713 / KG ZA 21-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen opheft en [gedaagde] verbiedt nadere beslagen te leggen op verbeurte van een dwangsom.

Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/262713 / KG ZA 21-53

Vonnis in kort geding van 24 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.B. Bollen te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. van Os te Lochem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de op voorhand toegezonden pleitnota van [eiser]

  • -

    de op voorhand toegezonden pleitnota van [gedaagde] met producties

  • -

    de mondelinge behandeling, die op 10 maart 2021 heeft plaatsgevonden via Skype.

1.2.

Ten slotte is vonnis gevraagd. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en Solide Ontwikkeling B.V. (hierna: Solide), een voormalige vennootschap waarvan [gedaagde] bestuurder was, hebben op 28 mei 2013 een koopovereenkomst gesloten, inhoudende dat het perceel van [eiser] gelegen aan [het adres 1] te [woonplaats] zou worden verkocht en geleverd aan Solide. Het was de bedoeling dat Solide op het perceel een appartementencomplex voor 14 appartementen zou realiseren, die vervolgens zouden worden verkocht.

2.2.

Het project kwam niet van de grond. Er was veel weerstand van omwonenden tegen het project hetgeen heeft geleid tot een bestuursrechtelijke procedure tot aan de

Raad van State. De benodigde vergunning en financiering voor het project kwamen niet rond.

2.3.

Met het oog op de financiering en bouw van het project hebben [eiser] en

Saterslo Bouw B.V. (hierna Saterslo) op 29 juni 2017 een (concept)koopovereenkomst gesloten, inhoudende dat het perceel van [eiser] gelegen aan [het adres 1] te [woonplaats] zou worden verkocht en geleverd aan Saterslo en waarbij [eiser] van Saterslo maandelijkse voorschotbedragen zou ontvangen, die later zouden worden verrekend met de te betalen koopsom. Ook is in deze (concept)koopovereenkomst de volgende passage opgenomen:

2. Koper zal, tot en met het einde van het vergunningstraject, voor eigen rekening, gebruik maken van de diensten (…) alsmede Solide Ontwikkeling B.V., aan partijen genoegzaam bekend.”.

2.4.

Bestuurder van Saterslo is de heer [A] .

2.5.

Op 3 juli 2017 hebben [eiser] en Solide de koopovereenkomst van 28 mei 2013 ontbonden, waarbij in aanmerking is genomen dat “de door de ondergetekende sub 2 (Solide, voorzieningenrechter) beoogde ontwikkeling op dit perceel grond niet is gelukt,”.

Verder is in de ontbindingsverklaring, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:

(…)

Zijn zij overeengekomen als volgt:

1. De ondergetekenden ontbinden bij deze gemelde koopovereenkomst en verklaren over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben uit gemelde koopovereenkomst.

2. De ondergetekenden doen over en weer afstand van alle rechten een aanspraken welke zouden kunnen voortvloeien uit voornoemde koopovereenkomst, hetgeen over en weer wordt aanvaard.

(…)”.

2.6.

Op 5 juli 2017 heeft [eiser] het perceel verkocht aan Saterslo. Op 14 juli 2017 hebben Solide en Saterslo gesproken over de invulling van hun samenwerking zoals vastgelegd in de (concept)koopovereenkomst van 29 juni 2017.

2.7.

Op 24 oktober 2017 hebben Solide en Saterslo in het kader van hun beoogde samenwerking een (concept)voorovereenkomst opgesteld.

2.8.

Op 22 augustus 2018 is Saterslo failliet verklaard met aanstelling van

mr. Holsbrink tot curator.

2.9.

Begin oktober 2018 heeft de Raad van State de vergunningsaanvraag van de bouw van het appartementencomplex definitief verworpen.

2.10.

De curator heeft met [eiser] en Saterslo – tegen finale kwijting over en weer – overeenstemming bereikt over ontbinding van de koopovereenkomst van 5 juli 2017.

2.11.

Omstreeks 28 december 2018 heeft [eiser] met [naam vastgoedbedrijf] B.V. een overeenkomst gesloten aangaande de projectontwikkeling. Daarbij is een nieuw vergunningstraject ingegaan voor een 11-tal appartementen. De vergunning is verleend en alle appartementen zijn verkocht. De levering van de appartementen stond aanvankelijk gepland op 22 februari 2021.

2.12.

Na daartoe op 17 februari 2021 verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft [gedaagde] op 18 februari 2021 conservatoir beslag laten leggen op de onroerende zaken van [eiser] , te weten de percelen plaatselijk bekend als [het adres 2] [huisnummers 1] , [het adres 1] [huisnummers 2] te [woonplaats] , kadastraal bekend als Hellendoorn [1] , met omschrijving “Bedrijvigheid (kantoor)”en “Erf-tuin”, ter grootte van 1254 m², een en ander zoals nader omschreven in het in het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken van 17 februari 2021. De beslagstukken zijn op 22 februari aan [eiser] betekend.

2.13.

Bij dagvaardingsexploot van 4 maart 2021 heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

2.14.

Bij dagvaardingsexploot van 4 maart 2021 heeft [gedaagde] een bodemprocedure gestart tegen [eiser] , [A] (voormalig bestuurder van Saterslo), [naam vastgoedbedrijf] B.V. en [B] (bestuurder van [naam vastgoedbedrijf] B.V. en broer van [A] ).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen op zijn percelen plaatselijk bekend als [het adres 2] [huisnummers 1] , [het adres 1] [huisnummers 2] te [woonplaats] , kadastraal bekend als Hellendoorn [1] , met omschrijving “Bedrijvigheid (kantoor)”en “Erf-tuin”, ter grootte van 1254 m² opheft en [gedaagde] verbiedt nadere beslagen te leggen op verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Gelet op de aard van het gevorderde is er sprake van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen.

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert – hier dus [eiser] – om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kortgedingrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

[eiser] stelt dat de beslagen moeten worden opgeheven omdat niet, zelfs niet summierlijk, is gebleken van een vorderingsrecht aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] meent dat het resultaat van het project aan hem toekomt als ontwikkelaar van het project.

De grondslag waar [gedaagde] in zijn beslagrekest naar verwijst “ is primair van mening dat [B] in strijd handelt met hem gemaakte afspraken, dan wel subsidiair een onrechtmatige daad pleegt jegens [gedaagde] , nu hij het (intellectuele) eigendomsrecht van [gedaagde] op het project schendt”, gaat niet op, volgens [eiser] . Indien en voor zover [gedaagde] al enige vordering uit hoofde van wanprestatie jegens [B] zou hebben - hetgeen wordt betwist door [eiser] – is hier van belang dat ten laste van [eiser] beslag is gelegd en dat niet valt in te zien hoe [eiser] [B] in staat zou hebben gesteld om zijn (door [gedaagde] vermeende) wanprestatie jegens [gedaagde] te plegen en [eiser] daarvan tracht te profiteren, temeer niet nu [eiser] geen contractant is geweest van [gedaagde] in privé. Daar komt nog bij dat volgens vaste rechtspraak het enkele profiteren van andermans wanprestatie, zonder bijkomende omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, niet onrechtmatig is. [gedaagde] heeft nagelaten voldoende onderbouwd te stellen welke intellectuele eigendomsrechten [eiser] jegens hem (in privé) zou schenden en waar dat uit zou blijken. Ook voor de meer subsidiaire grondslag, de ongerechtvaardigde verrijking, ontbreekt iedere grondslag, aldus [eiser] .

[gedaagde] betwist het voorgaande. Het project dat thans wordt gerealiseerd door [eiser] , [B] en [naam vastgoedbedrijf] is door hem ontwikkeld. [eiser] , [B] en [naam vastgoedbedrijf] zijn met ‘de taart’ van [gedaagde] aan de haal gegaan.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] - binnen de kaders van dit kort geding - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.5.

De gelegde conservatoire beslagen vinden hun grondslag in de stelling dat

[eiser] wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [gedaagde] omdat [B] jegens [gedaagde] in strijd zou hebben gehandeld met de in 2017 tussen [gedaagde] en [B] (mondeling) gemaakte afspraken. Die stelling houdt, in het licht van de door partijen geschetste omstandigheden, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen stand. Ook al zouden er in 2017 afspraken tussen [gedaagde] en [B] zijn gemaakt (hetgeen in deze procedure voorshands niet kan worden aangenomen), niet aannemelijk is geworden op welke wijze [eiser] in dat geval wanprestatie jegens [gedaagde] zou hebben gepleegd dan wel onrechtmatig jegens [gedaagde] zou hebben gehandeld. Gesteld noch gebleken is dat er voor [eiser] enige verplichtingen uit deze afspraken voortvloeien (omdat hij contractspartij was bij deze afspraken dan wel via een zogenaamd derdenbeding) op grond waarvan [gedaagde] thans meent een vorderingsrecht (uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad) op [eiser] te hebben. De voorzieningenrechter acht het voorshands dan ook onvoldoende aannemelijk dat [eiser] voor uit die vermeende overeenkomst uit 2017 voortvloeiende gevolgen kan worden aangesproken door [gedaagde] .

4.6.

Ook ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft [gedaagde] nagelaten feiten en omstandigheden te stellen op basis waarvan geoordeeld kan worden dat er sprake is van schending van (intellectuele) eigendomsrechten van [gedaagde] door [eiser] waardoor [eiser] onrechtmatig handelt jegens [gedaagde] . Voor de meer subsidiaire grondslag, de ongerechtvaardigde verrijking, ontbreekt iedere grondslag.

4.7.

Bij dit alles komt dat voorshands niet is komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde] in privé zaken met elkaar hebben gedaan. Wel heeft [eiser] met de vennootschap van [gedaagde] , Solide (die wegens gebrek aan baten heeft opgehouden te bestaan), op 28 mei 2013 een koopovereenkomst gesloten. Die samenwerking is echter ontbonden op 3 juli 2017, waarbij partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat zij uit hoofde van de koopovereenkomst van 28 mei 2013 niets meer van elkaar te vorderen hebben. Daar waar [gedaagde] bedoelt te stellen dat hij uit hoofde van de koopovereenkomst van 28 mei 2013 nog enig vorderingsrecht jegens [eiser] (in privé) zou hebben, kan dat reeds om die reden niet slagen. Het standpunt van [gedaagde] dat hij (ook) ná de ontbinding van de koopovereenkomst van 28 mei 2013 gerechtigd was (bleef) het project te ontwikkelen, omdat de ontbindingsverklaring van 3 juli 2017 enkel ziet op de (mislukte financiering met betrekking tot de) koopovereenkomst van 28 mei 2013 en niet op de projectontwikkeling (onder verwijzing naar de zinssnede in de ontbindingsverklaring: “de (…) beoogde ontwikkeling op dit perceel grond niet is gelukt,”), kan om die reden evenmin slagen.

4.8.

Dat er sprake zou zijn van een cessie (vanwege het advies van de boekhouder van [gedaagde] om vóór opheffing van Solide alle materiële en immateriële activa aan zichzelf over te dragen), zoals [gedaagde] in zijn pleitnota stelt - waarvan [eiser] overigens de rechtsgeldigheid heeft betwist - , is evenmin komen vast te staan.

4.9.

Met inachtneming van het voorgaande dient de gepretendeerde vordering van [gedaagde] die ten grondslag ligt aan de gelegde conservatoire beslagen als summierlijk ondeugdelijk te worden aangemerkt. De voorzieningenrechter kent om die reden aan het belang van [eiser] bij opheffing van de gelegde beslagen een zwaarder gewicht toe dan aan het belang van [gedaagde] bij handhaving daarvan. De vordering tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen dient te worden toegewezen.

4.10.

Ingevolge het voorgaande heeft [eiser] eveneens voldoende belang bij toewijzing van het gevorderde verbod tot het leggen van nadere beslagen ten laste van de door [gedaagde] gepretendeerde vordering, zodat deze vordering zal worden toegewezen en wel op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter acht het redelijk om het maximum aan de eventueel te verbeuren dwangsommen te matigen.

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,83

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.392,83.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de op 18 februari 2021 ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslagen op zijn percelen plaatselijk bekend als [het adres 2] [huisnummers 1] , [het adres 1] [huisnummers 2] te [woonplaats] , kadastraal bekend als Hellendoorn [1] , met omschrijving “Bedrijvigheid (kantoor)”en “Erf-tuin”, ter grootte van 1254 m²,

5.2.

verbiedt [gedaagde] ten laste van [eiser] nadere beslagen te leggen in verband met de vordering zoals genoemd in het verzoekschrift van 17 februari 2021tot het leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, met een maximum van

€ 300.000,00, te rekenen vanaf de dag van betekening van dit vonnis aan [gedaagde] ,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.392,83,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2021.1

1 type: coll: