Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1387

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
AK_20_1388_1390_1524_1831_2055
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing inkomensaanvulling en rentedragend krediet op grond van de Tozo-regeling; beroepen ongegrond/niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO AWB 20/1388, AWB 20/1390, AWB 20/1524, AWB 20/1831

en AWB 20/2055

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal, verweerder

(gemachtigde: M. Sijbrandij).

Procesverloop

In de zaak AWB 20/1388

Bij besluit van 21 april 2020 (primair besluit 1) heeft de Regionale Organisatie zelfstandigen (ROZ) namens verweerder eisers aanvraag voor een uitkering voor een inkomensaanvulling op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo regeling) toegewezen. Deze besluitvorming staat hier niet ter discussie.

Bij besluit van 23 april 2020 (primair besluit 2) heeft de ROZ namens verweerder de aanvraag van eiser van 30 maart 2020 voor een bedrijfskrediet op grond van de Tozo regeling afgewezen. Eiser heeft op 24 april 2020 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en dezelfde dag ook weer ingetrokken.

Op 24 april 2020 heeft eiser een nieuwe aanvraag voor - onder meer - een bedrijfskrediet

op grond van de Tozo-regeling ingediend.

Bij besluit van 7 mei 2020 (primair besluit 3) heeft de ROZ namens verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 4 mei 2020 is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 april 2020. Op 8 mei 2020 heeft eiser (nogmaals) bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 23 april 2020 en 7 mei 2020.

Bij besluit van 24 juni 2020 heeft de ROZ namens verweerder de aanvraag van 24 april 2020 om inkomensaanvulling aangemerkt als een herhaalde aanvraag en deze buiten behandeling gelaten, omdat aan eiser al een inkomensaanvulling is toegekend.

Bij het besluit van 29 juni 2020 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaarschrift gedateerd 8 mei 2020, ontvangen 13 mei 2020, gericht tegen de besluiten van 23 april 2020 en 7 mei 2020 ten dele niet ontvankelijk en ten dele ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is met de uitspraak van
16 oktober 2020 (AWB 20/1387) afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak AWB 20/1390


Met een bezwaarschrift gedateerd 8 mei 2020 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 23 april 2020 en 7 mei 2020.


Op 6 juli 2020 heeft eiser bij de rechtbank rechtstreeks beroep ingesteld tegen

‘het uitblijven van een besluit’ door de ROZ op het bezwaarschrift van 8 mei 2020

en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek met de uitspraak van 16 oktober 2020

(AWB 20/1389) afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak AWB 20/1524

Op 15 mei 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een inkomensaanvulling en een rentedragend bedrijfskrediet, met ingang van 1 juni 2020.

Op 2 juni 2020 heeft eiser een aanvraag gedaan voor verlenging van de inkomensaanvulling vanaf 1 juni 2020 voor vier maanden en een bedrijfskrediet voor maximaal € 10.157,-.

Bij besluit van 4 juni 2020 (primair besluit 4) heeft de ROZ namens verweerder eiser vanaf 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 een inkomensaanvulling op grond van de Tozo toegekend. Dit besluit staat in deze procedure niet ter discussie.


Bij besluit van 5 juni 2020 (primair besluit 5) heeft de ROZ namens verweerder de aanvragen van 15 mei 2020 en 2 juni 2020 voor zover het betreft het aangevraagde bedrijfskrediet afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 5 juni 2020 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak AWB 20/1831

Bij besluit van 24 juni 2020 (primair besluit 6) heeft de ROZ namens verweerder eisers aanvraag van 24 april 2020 op grond van de Tozo buiten behandeling gesteld en geweigerd eiser een dwangsom te betalen.

Bij besluit van 31 augustus 2020 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met een correctie van de motivering in die zin dat de aanvraag van 24 april 2020 niet buiten behandeling is gelaten maar is afgewezen.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit 3 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak AWB 20/2055

Bij besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit 7) heeft de ROZ namens verweerder eisers aanvraag voor een inkomensaanvulling op grond van de Tozo regeling vanaf 1 oktober 2020 voor de duur van maximaal zes maanden toegewezen. Dit besluit staat hier niet ter discussie.

Bij afzonderlijk besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit 8) heeft de ROZ namens verweerder eisers aanvraag voor een bedrijfskrediet op grond van de Tozo regeling afgewezen.

Op 1 juli 2020 heeft eiser bij de rechtbank rechtstreeks beroep ingesteld tegen het besluit van 5 oktober 2020 betreffende de weigering om een bedrijfskrediet toe te kennen.

In alle zaken

Het onderzoek ter zitting heeft via een (telefonische) Skype-verbinding plaatsgevonden op 19 januari 2021. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De feiten

1. Eiser is sinds 1 augustus 2014 zelfstandig ondernemer. Hij heeft bij verweerder diverse aanvragen om inkomensaanvulling en een rentedragend bedrijfskrediet op grond van de Tozo regeling ingediend.

Besluitvorming heeft plaatsgevonden, zoals vermeld in de rubriek ‘Procesverloop’.

De standpunten van partijen

2. Aan de afwijzing van de aanvragen voor een bedrijfskrediet heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 10 en artikel 12, aanhef en onder b, van de Tozo regeling ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een liquiditeitsprobleem in verband met reeds bestaande financiële verplichtingen waaraan ten gevolge van de coronacrisis niet langer

kan worden voldaan. De aanschaf van een auto, de aangevoerde vervoerskosten en de aanleg van een stabiele digitale infrastructuur kunnen daartoe niet gerekend worden. Het is onduidelijk aan welke zakelijke financiële verplichtingen eiser niet meer kan voldoen. De kosten van huur, gas, water en licht hebben betrekking op de woning van eiser en dienen voldaan te worden uit de toegekende inkomensvoorziening.

3. Eiser voert - samengevat weergegeven - aan dat de ROZ belanghebbend bestuursorgaan is en niet het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal. De ROZ is onbetrouwbaar. Er is sprake van willekeur. Eiser stelt dat hij wel in aanmerking komt voor een bedrijfskrediet op grond van de Tozo. De aanvragen zijn ten onrechte afgewezen.

4. De beoordeling door de rechtbank.

Juridisch kader

4.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tozo kan algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

4.2.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Tozo kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de zelfstandige die schriftelijk verklaart en aannemelijk maakt dat hij als gevolg van de crisis in verband met COVID-19 over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te kunnen voldoen.

In alle zaken

`

4.3.

Eiser heeft aangevoerd dat de ROZ niet bevoegd was om de primaire besluiten te nemen en dat deze besluiten daarom geen rechtskracht hebben. Deze grond slaagt niet.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de primaire besluiten in mandaat zijn genomen door de ROZ. De rechtbank is van oordeel dat het mandaat ook betrekking heeft op besluiten op grond van de Tozo regeling, nu de Tozo regeling is gebaseerd op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Echter, ook als de primaire besluiten wel onbevoegd zijn genomen doet dit er niet aan af dat de besluiten op bezwaar door verweerder zijn genomen. Met de besluiten op bezwaar zijn de primaire besluiten gehandhaafd zonder dat de primaire besluiten inhoudelijk zijn gewijzigd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat aan de bevoegdheid tot het nemen van de bestreden besluiten een gebrek kleeft. Hierbij merkt de rechtbank op dat waar de ROZ in

de bezwaarfase een rol heeft gespeeld, dit niet onrechtmatig is, omdat verweerder bij de ROZ louter advies heeft ingewonnen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten aanwezig voor de door eiser gestelde vooringenomenheid van een medewerker van de ROZ.

In de zaken AWB 20/1388, AWB 20/1524 en 20/2055

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht eisers aanvragen voor een bedrijfskrediet op grond van de Tozo regeling heeft afgewezen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.5.

Bij een aanvraag ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden om voor een bedrijfskrediet op grond van de Tozo regeling in aanmerking te komen. Met de door eiser gegeven verklaringen en overgelegde stukken heeft eiser het benodigde inzicht niet gegeven. Eiser heeft niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de coronacrisis in financiële problemen is geraakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de aanschaf van een auto om in de toekomst klanten te kunnen bezoeken, de vervoerskosten en de aanleg van een digitale infrastructuur niet aangemerkt kunnen worden als lopende financiële kosten en/of verplichtingen waaraan ten gevolge van de coronacrisis niet langer kan worden voldaan. Deze financiële verplichtingen vallen daarom niet onder de Tozo.

De rechtbank vindt daarvoor steun in de Nota van Toelichting (toelichting) bij de Tozo. Volgens deze toelichting kunnen zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis worden geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem een beroep doen op bijstand ter voorziening

in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Een liquiditeitsprobleem betekent dat de zelfstandige (tijdelijk) over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de aan het bedrijf of zelfstandig beroep verbonden financiële verplichtingen te kunnen voldoen. De zelfstandige geeft bij de aanvraag aan waaruit het liquiditeitsprobleem bestaat en licht dit toe, geeft aan welke financiële verplichtingen er nu zijn, welke middelen nog wel beschikbaar zijn om daaraan te voldoen en welke invloed de crisis hierop heeft gehad. 1

Met verweerder is de rechtbank ook van oordeel dat de kosten van huur, gas, water en licht betrekking hebben op de woning van eiser en voldaan dienen te worden uit de toegekende inkomensvoorziening.

4.6.

Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van onrechtmatige besluitvorming, omdat de

Tozo regeling ten tijde van de aanvraag van 30 maart 2020 nog niet was gepubliceerd.

Eiser kon niet bij deze aanvraag al zien wat in de Tozo regeling was opgenomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Tozo regeling (Besluit van 17 april 2020, datum publicatie 21 april 2020) betreft een tijdelijke voorziening die met terugwerkende kracht is ingegaan per 1 maart 2020. Bij besluit van 23 april 2020, dus na de inwerkingtreding en publicatie van de Tozo regeling, heeft verweerder op de aanvraag van 30 maart 2020 een beslissing genomen. Uit de gedingstukken volgt dat verweerder de aanvraag van 30 maart 2020 heeft getoetst aan de bepalingen in de Tozo regeling. In zoverre is dus geen sprake van onzorgvuldige dan wel onrechtmatige besluitvorming. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat in het besluit van 23 april 2020 verweerder eiser heeft gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen. Hiervan heeft eiser op 24 april 2020 gebruik gemaakt.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat de ROZ namens verweerder op de aanvragen van

15 mei 2020 en 2 juni 2020 met één besluit van 5 juni 2020 heeft kunnen beslissen. In het besluit van 5 juni 2020 is expliciet vermeld dat het besluit zowel geldt ten aanzien van de aanvraag van 15 mei 2020 als de aanvraag van 2 juni 2020. Eiser is hiermee niet in zijn rechtspositie geschaad.

4.8.

In het feit dat verweerder met afzonderlijke besluiten een beslissing heeft genomen over de aangevraagde bedrijfskredieten en de inkomensondersteuning ziet de rechtbank geen onzorgvuldigheid. Geen rechtsregel verzet zich hiertegen. Eiser is ook hierdoor niet in zijn rechtspositie geschaad.

4.9.

Eiser heeft gesteld dat het bezwaarschrift van 29 augustus 2020 ingeschreven had moeten worden als een rechtstreeks beroep. De rechtbank overweegt hierover dat het bezwaarschrift van 29 augustus 2020 is toegevoegd aan de zaak met registratienummer AWB 20/1524. Op 29 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 juni 2020 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Op 23 augustus 2020 heeft eiser een ingebrekestelling gestuurd naar verweerder. Op 27 augustus 2020 heeft verweerder de dwangsom afgewezen, omdat er al een besluit tot stand is gekomen.

Op 2 september 2020 heeft verweerder van eiser een bezwaarschrift, gedateerd 29 augustus 2020 ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 23 augustus 2020 reeds een besluit tot stand was gekomen, waartegen al beroep is ingesteld en dat ingebrekestelling niet aan de orde is. Van een nieuw (rechtstreeks) beroep is derhalve geen sprake.

4.10.

Het klaagschrift van 12 augustus 2020 inzake het verspreiden van persoonsgegevens valt buiten deze procedure en blijft daarom onbesproken.

4.11.

De beroepen zijn ongegrond.

4.12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
AWB 20/1831

4.13.

Eiser heeft op 13 juni 2020 bij verweerder een ingebrekestelling voor het niet tijdig nemen van een besluit op de Tozo aanvraag van 24 april 2020 ingediend.

4.14.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat

het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvraag een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.15.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 24 juni 2020 op de op
24 april 2020 ingediende aanvraag van eiser heeft beslist. Bij brief van 13 juni 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 24 april 2020. Gelet op artikel 4:17, derde lid, van de Awb is geen sprake van een situatie waarin verweerder een dwangsom aan eiser is verschuldigd, nu verweerder binnen twee weken na de ingebrekestelling op de aanvraag heeft beslist. Verweerder was dus niet (meer) in gebreke. De beroepsgrond slaagt niet.

4.16.

Het beroep is ongegrond.

4.17.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

AWB 20/1390 rechtstreeks beroep:

4.18.

Volgens vaste rechtspraak is slechts sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft,

ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.19.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 17 september 2020 verzocht het belang bij het ingestelde beroep aan te geven.

4.20.

Eiser heeft niet op deze brief gereageerd.

4.21.

Eiser boogt met zijn beroep te bereiken dat verweerder alsnog een besluit op het bezwaarschrift van 8 mei 2020 neemt. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het beroep niet kan bereiken wat hij daarmee beoogt, omdat verweerder op 29 juni 2020 een besluit op het bezwaarschrift van 8 mei 2020 heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom geen procesbelang bij het beroep.

4.22.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van eiser, vanwege het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk.

4.23.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen sprake.

In alle zaken

4.24

Wat eiser overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep met kenmerk AWB 20/1388 ongegrond;

- verklaart het beroep met kenmerk AWB 20/1390 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep met kenmerk AWB 20/1524 ongegrond;

- verklaart het beroep met kenmerk AWB 20/1831 ongegrond;

- verklaart het beroep met kenmerk AWB 20/2055 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Knol, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier

rechter

De griffier is buiten staat te tekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Staatsblad 2020, 118.