Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1366

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
AK_21 _ 362
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf als er in het geheel geen beweiding plaatsvindt; voorlopig oordeel niet conclusie te trekken dat bedrijf van derde-partij is in strijd met de bestemming in werking is; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 21/362

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster] te [woonplaats 1] , verzoekers,

gemachtigde: K. Weren-van Gemert LLB,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe, verweerder,

gemachtigde: A. Karolak.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde partij]

[derde partij] , te Olst,

gemachtigde: [naam] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partijen een omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 9 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar daartegen van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door T. van der Linde en

H. van der Spa. De derde-partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld of voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,

op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat het onderhavige verzoek om een voorziening zich niet leent voor onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Tot het treffen van een voorziening bestaat in het algemeen slechts aanleiding als op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat voor degene die om een voorlopige voorziening verzoekt het uit het bestreden besluit voortkomend nadeel zonder die voorziening onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat de verzoeker zonder onevenredig nadeel een beslissing in de hoofdzaak (in het onderhavige geval de beslissing op bezwaar) kan afwachten, dan dient het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening al op die grond te worden afgewezen en komt de voorzieningenrechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Als vorenstaande situatie zich niet voordoet dan is het antwoord op de vraag of sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel over de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak al dan niet voor vernietiging in aanmerking zou komen.

3. Op 11 september 2015 is aan de derde-partijen vergunning verleend voor het realiseren van een veehouderij op het perceel [adres] te Olst. Deze vergunning staat rechtens vast.

Op 5 maart 2020 hebben de derde-partijen aan verweerder gevraagd om hen ten behoeve van hun veehouderij een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een kapschuur op het perceel [adres] te Olst. Het bouwplan heeft een oppervlakte van

1.602 m2.

Op 20 maart 2020 is door de adviseur Ruimtelijke Kwaliteit geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Uit de gedingstukken volgt dat het gebouw aan een bestaande koeienstal wordt gebouwd en is bedoeld om te functioneren als kapschuur voor de opslag van stro en machines. Uit een wijzigingsmelding (milieu) van de derde-partijen aan verweerder op 17 augustus 2020 volgt dat onder de kapschuur voorts een kelder wordt gerealiseerd voor de opslag van mest.

4. Artikel 2.1, aanhef en a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Dit in artikel 2.10 van de Wabo neergelegde stelsel voor de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo betreft een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel. Dat houdt in dat dwingend is voorgeschreven dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als één of meer van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoet/voordoen en dat de vergunning moet worden verleend als geen van die weigeringsgronden zich voordoet.

Er is dus sprake van een gebonden beschikking waarbij geen plaats is voor een afweging van de betrokken belangen.

Beoordeeld dient dan ook te worden of verweerder dwingendrechtelijk gehouden was om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen dan wel te weigeren.

5. Op het perceel [adres] te Olst gelden de planvoorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied Olst-Wijhe (verder: het geldende bestemmingsplan). Op dit perceel rust de enkelbestemming “Agrarisch”.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van het geldende bestemmingsplan zijn de voor “Agrarisch” aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in – onder meer – artikel 1 lid 1.11 aanhef en onder b van het geldende bestemmingsplan.

Op grond van artikel 1, lid 1.11, aanhef en onder b van het geldende bestemmingsplan wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een ter plaatse functionerend deeltijd, reëel of volwaardig agrarisch bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in de productietak grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder tevens een paardenfokkerij.

6. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch”, omdat op het perceel [adres] te Olst geen grondgebonden veehouderij aanwezig is. Zij voeren daartoe aan, dat de koeien niet worden gehouden op open grond maar permanent in de stallen aanwezig zijn, waarmee de melkveehouderij van de derde-partijen als zodanig in strijd met de planvoorschriften wordt uitgeoefend.

Derde-partijen spreken dit standpunt tegen en menen dat er wel sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, aangezien zij hun eigen ruwvoer telen en de mest uitrijden over hun eigen gronden.

Verweerder is van mening dat er sprake is van een grondgebonden veehouderij in de zin van het geldende bestemmingsplan als er ook feitelijk sprake is van beweiding van de koeien en dat aldus onvoldoende is dat de veehouder het eigen ruwvoer teelt en de geproduceerde mest uitrijdt over de eigen gronden. Verweerder heeft gewezen op de berekeningen van de ammoniakemissie die ten grondslag liggen van de in 2015 verleende omgevingsvergunning milieu, waaruit geen andere conclusie kan worden getrokken, volgens verweerder, dan dat derde-partijen de koeien beweiden.

Ter zitting hebben derde-partijen desgevraagd verklaard dat zij hun vee wel beweiden maar niet elk jaar in dezelfde mate. Verzoekers waren daarentegen stellig in hun stelling dat het vee in het geheel niet wordt beweid. Verweerder heeft geen beeld van de vraag de mate waarin het vee wordt beweid maar heeft ook geen informatie uit controles waaruit blijkt dat er wel of geen beweiding plaatsvindt.

Verweerder is nog van mening dat als er geen beweiding plaatsvindt dat dan in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld en er feitelijk geen grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig is. Als dat het geval is dient de aangevraagde omgevingsvergunning te worden geweigerd omdat de te bouwen schuur in dat geval niet ten dienste staat van een toegestaan agrarisch bedrijf.

7. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat een redelijke uitleg van de planvoorschriften er toe leidt dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf als er in het geheel geen beweiding plaatsvindt. De voorlopige voorzieningsprocedure leent zich evenwel niet voor de beantwoording van de vraag in welke mate beweiding dient plaats te vinden.

De voorzieningenrechter is voorts vooralsnog met verweerder van oordeel, te meer nu dat standpunt van verweerder niet onderbouwd is weersproken, dat uit de berekeningen die ten grondslag hebben gelegen aan de verlening van de, thans nog geldende, omgevingsvergunning van 2015 de conclusie kan worden getrokken dat daarbij is uitgegaan van beweiding. De vraag of al dan niet nadien en thans sprake is van beweiding kan uit die berekeningen niet worden afgeleid. Die vraag kan de voorzieningenrechter bij gebrek aan objectief verifieerbare gegevens niet in positieve noch in negatieve zin beoordelen.

Verzoekers hebben er op gewezen dat als er concrete aanwijzingen zijn voor een vermoeden dat van het te bouwen gebouw een met het bestemmingsplan en met de gevraagde vergunning strijdig gebruik zal plaatsvinden, de aangevraagde omgevingsvergunning dient te worden geweigerd.

De door verzoekers genoemde aanwijzingen zijn ter zitting besproken. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verzoekers hun standpunt, dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een waarschijnlijk te achten strijdig gebruik van het te bouwen gebouw, niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt.

De stelling van verzoekers dat de derde-partij niet beschikt over een milieuvergunning voor het gebruik van het gebouw als dierenverblijf, welke activiteit onlosmakelijk verbonden is aan het bouwen van de kapschuur, zodat verweerder de daarvoor ingediende aanvraag had moeten laten aanvullen en aanhouden, volgt de voorzieningenrechter op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin.

Het voren overwogene leidt tot het voorlopig oordeel dat de voorzieningenrechter op basis van de thans voorhanden zijnde informatie de conclusie niet kan trekken dat het bedrijf van derde-partijen in strijd met het bestemmingsplan in werking is en evenmin dat het te bouwen gebouw in strijd met de verleende vergunning en het geldende bestemmingsplan in gebruik zal worden genomen.

Mocht evenwel na realisering van het gebouw blijken dat het bedrijf in strijd met het bestemmingsplan in werking is dan wel het in geding zijnde gebouw in strijd met de verleende vergunning in gebruik is dan zal verweerder daartegen handhavend moeten optreden. Dat geldt evenzo als het gebruik van het gebouw voor de opslag van mest zal leiden tot strijd met de verleende omgevingsvergunning milieu dan wel tot strijd met het Activiteitenbesluit voor wat betreft bijvoorbeeld geur- en geluidsoverlast.

8. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen en geoordeeld ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, temeer niet nu derde-partijen hun belang bij een spoedige realisering van het gebouw in voldoende mate aannemelijk hebben gemaakt.

9. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.K. Witteveen, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier voorzieningenrechter

verhinderd om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.