Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1331

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
08/095347-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat een veroordeelde cocaïnedealer uit Zwolle iets minder dan 183.000 euro aan illegaal verdiend geld moet afstaan aan de Staat. De man die de rol van loopjongen had moet 3.225 euro inleveren. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2020:3382, ECLI:NL:RBOVE:2020:3383 en ECLI:NL:RBOVE:2021:1330.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/095347-20

Datum vonnis: 30 maart 2021

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 27 augustus 2020 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 12.825,-.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 10 september 2020 en

16 maart 2021. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht, is op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 16 maart 2021 heeft de officier van justitie – overeenkomstig de herberekening in zijn conclusie van repliek – geconcludeerd dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.225,- en voor het overige moet worden afgewezen, met de daaraan te verbinden consequentie van gijzeling bij niet-betaling.

De raadsman heeft – in een conclusie van antwoord, een conclusie van dupliek en ter terechtzitting – bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er – volgens de berekening van de verdediging – na aftrek van kosten een negatief bedrag aan wederrechtelijk voordeel overblijft.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 24 september 2020 veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit vonnis is thans onherroepelijk en heeft betrekking op de handel in cocaïne.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 augustus 2020 is een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt.1 In dit rapport is bij de berekening van het voordeel dat verdachte heeft genoten uitgegaan van een dealperiode van 190 dagen.

Op basis van tapgegevens van de dealertelefoon is er in de berekening voorts van uitgegaan dat veroordeelde niet iedere dag cocaïne heeft gedeald, maar op 90 procent van de dagen.

Op grond van de verklaring van veroordeelde dat hij ‘af en toe 50 euro per dag, soms 100 euro’ verdiende, is in de berekening ten slotte voor een gemiddelde dagopbrengst van € 75,- gekozen. Ook is er overeenkomstig de verklaring van veroordeelde voor € 10,- per dag aan brandstofvergoeding meegenomen in de berekening.

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 24 september 2020 veroordeeld voor, kortgezegd, het dealen van cocaïne gedurende een periode van 83 dagen en zal daarom – in afwijking van voornoemd rapport – in haar berekening van de bewezen verklaarde periode uitgaan. De overige uitgangspunten in het rapport acht de rechtbank aannemelijk en deze zullen dan ook worden overgenomen.

De stelling van de raadsman dat het absurd en onjuist is dat verdachte 90 procent van alle dagen heeft gedeald, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Dat de (hoeveelheid) handel van dag tot dag fluctueerde komt de rechtbank niet onlogisch voor en dit komt ook uit een verklaring van mededader [mededader] naar voren.2 Dat veroordeelde in één van de gemeten periodes niet op negentig procent van de dagen actief is geweest, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank daarom niet af aan de aannemelijkheid van het percentage over de gehele periode. Ook de omstandigheid dat veroordeelde een fulltimebaan en een gezin had naast het handelen in cocaïne maakt dit niet anders.

De verdediging heeft voorts gesteld dat veroordeelde niet iedere dag dat hij werkte, betaald heeft gekregen en dat hij zelf bij de politie heeft verklaard dat hij nooit meer heeft verdiend dan € 600,- à € 700,-.3 De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, nu dit bedrag in geen verhouding staat tot de periode waarin verdachte in cocaïne handelde en de risico’s die daarmee gepaard gaan. De rechtbank zal daarom overeenkomstig het rapport uitgaan van de verklaring van verdachte dat hij af en toe € 50,- per dag en soms € 100,- verdiende en op grond daarvan uitgaan van een gemiddelde dagopbrengst van € 75,-

Voor wat betreft de gestelde brandstofvergoeding van € 10,- per dag gaat de rechtbank er vanuit dat daartegenover ook (brandstof)kosten zijn gemaakt en dat de vergoeding en de kosten met elkaar in verhouding zijn. Dit bedrag zal daarom buiten beschouwing gelaten worden bij de berekening van het voordeel.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank op als volgt tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

83 dagen x 90 procent = 75 dagen;

75 dagen x € 75,- opbrengst = € 5.625,-

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel zodoende vast op € 5.625,-

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 september 2020 een personenauto (Opel Astra) en een grijze iPhone 6 verbeurd verklaard. Volgens de beslaglijst d.d. 17 november 2020 heeft deze een (executie)waarde van € 1.300,-. Volgens de verdediging is de auto minder dan één jaar vóór de aanhouding van verdachte aangeschaft voor € 2.500,-. De rechtbank zal de waarde van de Opel Astra schatten op (iets meer dan) het gemiddelde van die twee bedragen, te weten € 2.000,-, overeenkomstig het door de officier van justitie aangevoerde bedrag. De waarde van de iPhone zal de rechtbank schatten op € 400,-. De rechtbank zal bij het bepalen van de betalingsverplichting deze bedragen, opgeteld € 2.400,-, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen, zodat een bedrag van € 3.225,- resteert.

De rechtbank is zodoende van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.225,-.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.625,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 3.225,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 64 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, en mrs. A. van Holten en

C.A. Peterzon, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

Buiten staat

Mr. Van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderdeel van het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON12020003 (Simba).

2 Verklaring [mededader] d.d. 28 mei 2020, Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, p.7.

3 Dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON12020003 (Simba), p.237.