Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1266

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
08/252375-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De man die in oktober 2019 na een uitgaansnacht met een grote auto inreed op een groep mensen op met daarachterliggend een terras in Deventer is veroordeeld tot een celstraf van 3 jaar. Hij is schuldig aan een vijfvoudige poging doodslag en vernieling. De man gebruikte een geleende Audi Q7 als wapen meteen na een vechtpartij waarbij hij klappen kreeg. Twee andere deelnemers aan die vechtpartij zijn veroordeeld voor openlijke geweldpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/252375-19 (P)

Datum vonnis: 25 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na een vordering aanpassing omschrijving feiten van de tenlastelegging van 10 december 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en/of [medeverdachte 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven dan wel hen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een auto tegen hen aan te rijden;

feit 2: heeft geprobeerd [medeverdachte 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een auto tegen hen aan te rijden;

feit 3: meerdere goederen toebehorend aan [aangever 1] en/of [cafetaria] , [aangever 2] en/of [restaurant 1] en/of [bedrijf 1] en/of [stichting] en/of [aangever 3] heeft vernield;

feit 4: twee fietsen toebehorend aan [aangever 3] heeft vernield;

feit 5: een auto toebehorend aan [aangever 4] heeft vernield/beschadigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- [slachtoffer 1] en/of
- [medeverdachte 1] en/of
- [slachtoffer 2]
opzettelijk van het leven te beroven
- met een auto tegen die [slachtoffer 1] en/of [medeverdachte 1] en/of [slachtoffer 2] is
aan gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer aan
- [slachtoffer 1] ,
- [medeverdachte 1] en/of
- [slachtoffer 2]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] , te weten een botbreuk in de schedel, een snijwond in de linker flank, heeft toegebracht door met een auto tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden en/of

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan [medeverdachte 1] , te weten een gebroken scheen- en/of kuitbeen, heeft toegebracht door met een auto tegen die [medeverdachte 1] aan te rijden en/of
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] , te weten een hersenkneuzing, een vochtophoping in beide longenen/of een zware kneuzing van het rechter bovenbeen, heeft toegebracht door met een auto tegen die [slachtoffer 2] aan te rijden;

2
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- [medeverdachte 2] en/of
- [slachtoffer 3]
opzettelijk van het leven te beroven met een auto tegen die [medeverdachte 2] en/of [slachtoffer 3] is aan gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan
- [medeverdachte 2] en/of
- [slachtoffer 3]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een tegen die [medeverdachte 2] en/of [slachtoffer 3] is aan gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk
- meerdere terrasschotten/terrasschermen,
- een parasol,
- een bank,
- meerdere stoelen,
- een plantenbak met daarin een olijfboom,
- twee reclameborden en/of
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 1] en/of [cafetaria] , [aangever 2] en/of [restaurant 1] en/of [bedrijf 1] en/of [stichting] en/of [aangever 3] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk twee fietsen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Audi, type: Q7), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 4] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt, die de volgende schade ten gevolge heeft gehad:
- meerdere krassen en/of deuken aan de voorzijde en/of aan de zijkanten van voornoemde auto;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Op 20 oktober 2019 vindt op de Keizerstraat in de binnenstad van Deventer een vechtpartij plaats voor [restaurant 2] . Voor het treffen rijdt verdachte samen met twee anderen in een Audi Q7 door het voetgangersgebied voor het restaurant. Op dat moment komt een groep van vijf personen aangelopen. Er ontstaat, na verbale agressie over en weer, een vechtpartij waarbij verdachte een flink aantal harde klappen tegen zijn hoofd en lichaam heeft opgelopen. De groep van vijf personen loopt na de vechtpartij weg en verdachte en de twee andere personen stappen weer in de auto. Vervolgens rijdt verdachte de groep van achteren aan met zijn auto en raakt ook aangeefster [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), die niet tot de groep van vijf behoorde. Bovendien heeft de auto een enorme ravage aangericht op aldaar gelegen terrassen. Verdachte heeft bekend dat hij degene was die de auto bestuurde, maar hij heeft verklaard dat hij niet meer weet wat er is gebeurd nadat hij in de auto is gestapt en vol gas heeft gegeven.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair, 2 primair en de feiten 3 tot en met 5 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie gesteld dat het inrijden met een heel grote auto, als ware het een tank, op personen, op zijn minst het voorwaardelijk opzet oplevert, dat verdachte deze personen van het leven heeft willen beroven. Wat betreft feit 3 heeft de officier van justitie opgemerkt dat aangever [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) in de tenlastelegging wordt genoemd, maar dat is een kennelijke verschrijving, omdat de vernieling aangaande de goederen van [aangever 3] staat vermeld onder feit 4. Wat betreft feit 5 heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat de schade aan de auto minstens voor een gedeelte te wijten is aan het inrijden van verdachte op de personen en goederen die zich op de terrassen bevonden ten tijde van het ten laste gelegde.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle feiten. De raadsman heeft betoogd dat alle ten laste gelegde feiten het bestanddeel opzet bevatten. Uit geen van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had dat vereist is om tot een bewezenverklaring van de feiten te kunnen komen.

De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de verklaringen van verdachte, maar ook uit de verklaringen van aangevers blijkt dat verdachte een groot aantal harde klappen op zijn hoofd heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij vlekken voor zijn ogen zag en in paniek was toen hij weer in de auto stapte. Vervolgens heeft verdachte verklaard: “ik was in blinde paniek en heb vol gas gegeven.” De neuropsycholoog dr. Ligthart heeft in zijn rapportage en op de terechtzitting verklaard dat het waarschijnlijk is dat bij verdachte door de klappen op zijn hoofd licht traumatisch hersenletsel (hierna: LTH) is ontstaan, waardoor het mogelijk is dat vervolgens posttraumatische amnesie is opgetreden. De neuropsycholoog sluit niet uit dat verdachte als gevolg van het hersenletsel in combinatie met stress en paniek, is weggereden met grote snelheid en daarbij de kortst beschikbare weg heeft genomen, zonder daarbij de gevolgen van zijn handelen te registreren dan wel bij die gevolgen stil te hebben gestaan.

De raadsman heeft geconcludeerd dat derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, namelijk dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gevolgen van zijn handelen zullen intreden.

Subsidiair heeft de raadsman (voorwaardelijk) verzocht dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, de zaak zal worden aangehouden om de deskundige dr. Ligthart collaterale informatie te laten inwinnen bij de partner van verdachte, om zo alsnog een heteroanamnese te kunnen opstellen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel, op grond van de hieronder genoemde bewijsmiddelen, dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 primair en de feiten 3 tot en met 5 heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feiten en omstandigheden

Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat verdachte degene is geweest die op 20 oktober 2019 op de Keizerstraat te Deventer de Audi Q7 heeft bestuurd ten tijde van de ten laste gelegde feiten.2 Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op de Keizerstraat reed en werd uitgedaagd door een groep van vijf mannen. Nadat [naam 1] , [naam 2] en verdachte waren uitgestapt, volgde er een vechtpartij, waarbij vooral verdachte het moest ontgelden. Verdachte heeft een flink aantal harde klappen tegen zijn hoofd gekregen. [naam 1] heeft daarover verklaard bij de politie: “we krijgen allemaal veel stoten en [verdachte] het meest”. Als verdachte, [naam 1] en [naam 2] weer in de auto stappen met verdachte op de bestuurdersplaats, blijven de mannen nog bij de auto staan en wordt de spiegel van de auto getrapt. Dan lopen de mannen weg van de auto.

Op de camerabeelden die zijn gemaakt door de camera van [restaurant 2] is te zien dat om 05:30:37 uur meerdere mensen rond de auto lopen en dat de lampen van de auto uitgaan. Om 05:32:28 uur gaan de lampen van de auto weer aan. Om 05:32:57 uur rijdt de auto iets naar voren en is te zien dat meerdere mensen voor de auto staan en wordt er een schoppende beweging richting de auto gemaakt. Vervolgens is te zien dat om 05:33:14 uur de auto iets naar achteren rijdt en de mannen weglopen van de auto met hun rug naar de voorkant van de auto. De auto rijdt nog iets verder naar achteren en schiet dan om 05:33:22 uur met zeer hoge snelheid naar voren in de richting van de weglopende mannen.3

Er is aangifte gedaan door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), die heeft verklaard: “De auto reed dus een stukje achteruit, in de richting van de Keizerstraat en toen recht op ons in. Ik werd geraakt door de voorkant van de auto op mijn borst. Dit ging hard, ik kreeg geen lucht meer. Door de klap viel ik achterover, met mij hoofd keihard op straat. De voorband ging over mijn rechterschouder, de achterband over mijn rechterhand.” 4 Ook is aangifte gedaan door [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) die heeft verklaard dat hij de motor van de Audi hoort en de voorbumper op zich af ziet komen rijden. Hij voelt dat hij wordt geraakt aan de linkerzijde van zijn lichaam en hij voelt direct veel pijn en ziet dat hij onder het bloed zit.5 Voorts is aangifte gedaan door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) die heeft verklaard dat hij wegloopt met zijn rug naar de auto en dan slippende banden hoort en een auto die vol gas geeft. Vervolgens weet hij niets meer, tot hij bijkomt als hij op de grond ligt en heel veel pijn heeft.6 Ook is aangifte gedaan door [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) die heeft verklaard dat hij hoort dat de Audi wordt gestart, zodat hij aanneemt dat verdachte gewoon wil wegrijden. Dan hoort en ziet hij dat de Audi met een hoog toerental recht naar voren rijdt, terwijl hij voor de auto loopt. Hij voelt en ziet dat hij wordt geraakt door de Audi, hij valt op de grond en ziet dat de rechter voor- en achterband van de Audi over zijn rechterbeen heen rijden.7 Tot slot is aangifte gedaan door [slachtoffer 3] , die niet tot de groep mannen behoort, maar op het terras staat bij haar fiets. Zij heeft verklaard in haar aangifte: “ Ik zag en hoorde dat de Audi gestart werd. Ik zag dat de auto een klein stukje achteruit reed. Ik heb het tot aan dat moment gezien. Vervolgens hoorde ik dat de Audi met piepende banden heel snel vooruit reed. Ik heb echt de piepende banden en het optrekken van de auto gehoord. Ik heb de auto niet op mij af zien komen want ik keek achter mij en kort hierna lag ik op de grond. Ik raakte helemaal in paniek en begon te huilen. En toen begon de pijn.” 8

Er is ook veel materiële schade ontstaan door het rijden van de auto over de terrassen aan de Keizerstraat. Er is aangifte gedaan door de eigenaren van restaurant ‘ [restaurant 1] ’9 en [cafetaria]10 van de vernieling van terrasmeubilair. De stichting [bedrijf 1] heeft aangifte gedaan van de vernieling van windschermen.11 [aangever 3] heeft aangifte gedaan van de vernieling van zijn fietsen die op het terras stonden en die door de Audi om ver zijn gereden.12 Ten slotte heeft de eigenaar van de Audi aangifte gedaan, omdat er schade aan zijn auto is ontstaan.13 De politie heeft bij onderzoek aan de auto geconstateerd dat zich verse schade aan de linkerzijde, de voorzijde en de rechterzijde van de auto bevond.14

Getuige [aangever 3] heeft verklaard dat hij de auto op volle toeren hoort draaien als de mannen weer in de auto zijn gestapt en dat vervolgens de auto vol gas weg rijdt. Hij heeft verklaard dat de auto niet recht vooruit rijdt, maar naar rechts draait waar de mannen liepen met wie de inzittende van de Audi zojuist hadden gevochten. Hij verklaart dat het lijkt alsof de bestuurder dat doelbewust deed, omdat hij de mannen makkelijk had kunnen ontwijken.15 Ook getuige [getuige 1] – die boven [restaurant 2] woont en vanuit zijn raam het incident heeft gezien – heeft verklaard dat de auto eerst iets naar achteren rijdt en dan met “absurd hoge snelheid heel bewust op de mensen af rijdt”. De bestuurder had de mannen gemakkelijk kunnen ontwijken, aldus de getuige16. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze de motor van de Audi drie keer hoort brommen en een geluid van vol gas alsof de Audi snel wilde optrekken. Daarna zag ze de Audi vol gas inrijden op een aantal personen.17

Door de politie is onderzoek gedaan op de plaats van het incident, waarbij is geconstateerd dat het wegdek bezaaid ligt met glasresten. Door de glasresten zijn onder druk van de banden van de Audi Q7 krassporen op het wegdek gemaakt. De krassen vormen twee boogvormige sporen en ten opzichte van de boog staan de krassen onder een hoek. De politie concludeert dat dit past in het beeld van een auto, die met aangedreven wielen en slippende banden, een bocht naar links maakt. Als de auto zou hebben geremd en de banden slippen door, ontstaat er in het algemeen een spoor in een nagenoeg rechte lijn.

Voorts heeft de politie een aantal rijproeven gedaan met de Audi Q7. Omdat, gelet op de sporen, de auto eerst naar rechts is gestuurd waarna de bocht naar links is ingezet, heeft de politie onderzocht of het mogelijk is dat de Audi – vanuit stilstand met naar rechts ingedraaide wielen – ook naar rechts zou rijden als er niet gestuurd wordt. De politie heeft geconstateerd dat de voorwielen uit zichzelf naar de rechtuitstand draaien als er niet wordt gestuurd. Bij sneller accelereren wordt dit effect sneller bereikt. Voorts heeft de politie getest dat de Audi, vanuit stilstand, na 10 meter een maximaal haalbare snelheid van 41 km per uur kan behalen, na 20 meter 53 km per en na 30 meter een snelheid van maximaal 65 km per uur.18

Ten aanzien van de feiten 1 en 2: opzet

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [slachtoffer 1] , [medeverdachte 1] , [slachtoffer 2] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven door met een auto op hen in te rijden.

Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van wegrijden in paniek was en alleen maar kon denken dat hij onmiddellijk weg moest en daarom veel gas moest geven. Vanaf het moment dat hij vol gas gaf weet hij niets meer tot het moment dat hij bij het huis van [naam 1] op het toilet zit en moet overgeven. De raadsman heeft betoogd dat door het LTH de opzet bij verdachte heeft ontbroken.

De rechtbank overweegt dat de neuropsycholoog dr. Ligthart ter terechtzitting van 11 maart 2021 heeft verklaard dat het waarschijnlijk is dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van zogenoemd licht traumatisch hersenletsel (LTH) als gevolg van de forse klappen op zijn hoofd, opgelopen tijdens de vechtpartij vlak voor het ten laste gelegde incident. Als gevolg van een hoge mate van stress (die bij verdachte werd veroorzaakt door de vechtpartij) zal het cortisolniveau in zijn hersenen zijn opgelopen, hetgeen een negatief effect heeft op het declaratief geheugen en aldus op de mogelijkheid om gebeurtenissen op te diepen uit het geheugen. Dr. Ligthart heeft vervolgens verklaard dat in een dergelijke situatie van LTH gecombineerd met posttraumatische amnesie, het procedureel geheugen wel intact blijft, hetgeen meebrengt dat iemand wel in staat blijft een auto te besturen. Op het moment dat iemand door posttraumatische amnesie uitsluitend op zijn procedureel geheugen auto rijdt, zal hij altijd de kortste en veiligste weg kiezen. Op het moment dat er een keuze is tussen een logische en een onlogische weg, zal hij uit automatisme de weg kiezen die de minste weerstand oplevert (de logische weg). Dat komt doordat diegene heeft geleerd auto te rijden zonder brokken te maken, aldus nog steeds dr. Ligthart.

De rechtbank overweegt dat, als verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan posttraumatische amnesie had geleden en als gevolg daarvan alleen zijn procedurele geheugen ter beschikking had, hij –zoals dr. Ligthart heeft verklaard – de meest logische route had gekozen om weg te rijden. De meest logische route was geweest om rechtdoor te rijden richting de Brink. Het komt de rechtbank niet logisch voor om eerst naar rechts te sturen, vervolgens dwars over een terras waarop zich mensen en terrasmeubilair bevinden te rijden, om vervolgens weer naar links te sturen. De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verdachte door stress, paniek en LTH niet meer in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien. Integendeel, gezien de omstandigheden waaronder verdachte met een grote, zware auto met hoge snelheid op aangevers is ingereden en ze heeft aangereden, is de rechtbank van oordeel dat dit handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangevers, dat het niet anders kan dat verdachte dat doelbewust en met opzet heeft gedaan.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Het doelbewust met een zware auto met hoge snelheid rijden over een terras waarop zich terrasmeubilair en fietsen bevinden, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het vernielen van dat terrasmeubilair en die fietsen, dat de rechtbank het opzet op het vernielen aanwezig oordeelt en de vernielingen ten laste gelegd onder 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte, door het inrijden met de auto op personen en terrasmeubilair, opzettelijk schade aan de auto heeft veroorzaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde onder 5 wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De rechtbank acht het alsnog opstellen van een heteroanamnese over de persoon van verdachte door dr. Ligthart niet noodzakelijk. De voorliggende rapportage van dr. Ligthart, in samenhang met de overige inhoud van het dossier en in het bijzonder de verklaring van dr. Ligthart ter zitting, is voldoende om tot een oordeel te kunnen komen. De heteroanamnese van de partner van verdachte gericht op de stemming en het functioneren van verdachte ná het voorval kan niet van invloed zijn op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld over het opzet onder “Ten aanzien van de feiten 1 en 2: opzet”. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman dan ook af.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 20 oktober 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- [slachtoffer 1] en
- [medeverdachte 1] en
- [slachtoffer 2]
opzettelijk van het leven te beroven
- met een auto tegen die [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 20 oktober 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
- [medeverdachte 2] en
- [slachtoffer 3]
opzettelijk van het leven te beroven met een auto tegen die [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk
- meerdere terrasschotten/terrasschermen,
- een parasol,
- een bank,
- meerdere stoelen,
- een plantenbak met daarin een olijfboom,
- twee reclameborden,

toebehorend aan [cafetaria] , [aangever 2] /Restaurant [restaurant 1] en [bedrijf 1] , heeft vernield;

4
hij op 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk twee fietsen, toebehorend aan [aangever 3] , heeft vernield;

5
hij op 20 oktober 2019 te Deventer opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Audi, type: Q7), toebehorend aan [aangever 4] , heeft beschadigd, de volgende schade ten gevolge heeft gehad:
- meerdere krassen en deuken aan de voorzijde en aan de zijkanten van voornoemde auto;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: poging tot doodslag, meermalen gepleegd

feit 3 en feit 4

telkens het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

feit 5

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte voor een periode van vijf jaar de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, niet uitgelaten over een op te leggen straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijfvoudige poging tot doodslag, door bewust en met snelheid met zijn (zware en grote) auto op een groep mensen in te rijden, die zich bevonden op een terras in de binnenstad van Deventer. Door zijn handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangevers en heeft hij hen pijn en (zwaar) letsel toegebracht. Zo heeft aangeefster [slachtoffer 3] ter terechtzitting verklaard dat zij nu nog altijd rugklachten heeft en de medische eindsituatie nog niet is bereikt. Het ongeval heeft nog steeds grote invloed op haar leven, doordat ze lichamelijk veel minder kan dan voorheen. Ook aangever [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard over de impact die de aanrijding op zijn leven heeft gehad en nog steeds heeft. Hij heeft letsel aan hoofd en hals, een hersenschudding en een breuk in zijn scheen- en kuitbeen opgelopen. Hij is geopereerd aan de beenbreuk en zal waarschijnlijk nogmaals geopereerd moeten worden. Daarnaast is hij gediagnostiseerd met PTSS doordat hij heeft gezien dat de auto over hem en over zijn vriend is gereden. Aangever [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in zijn slachtofferverklaring treffend verwoord wat de gevolgen van de aanrijding voor hem zijn geweest en nog steeds zijn. Doordat de auto in zijn rug is gereden is hij gelanceerd en een aantal meters verder in het glas terechtgekomen. Aangever [medeverdachte 2] heeft nog steeds veel last van pijn in zijn rug en nek en heeft psychische klachten. Aangever [slachtoffer 1] heeft een schedelbreuk, nekletsel en veel oppervlakkige schaaf- en snijwonden, zo blijkt uit zijn letselverklaring. Tot slot blijkt uit de letselverklaring van aangever [slachtoffer 2] dat hij een hersenkneuzing, een kneuzing in zijn borstkas, een zware kneuzing in zijn bovenbeen en veel schaaf- en kraswonden heeft opgelopen.

De angst die de aangevers hebben ervaren, doordat hun leven op het spel stond, is enorm. Zo heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard: “Toen ik die klap kreeg, het voelde alsof ik ergens in viel. Ik hoorde gegil, mensen die riepen en gilden. Ik dacht ik ga dood, dit is echt te erg.”

Door op deze manier zijn auto als een wapen tegen aangevers te gebruiken is het een ‘gelukkig’ toeval dat het bij bovengenoemd letsel is gebleven en er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Dat laatste is echter geenszins aan het handelen van verdachte te danken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Daarnaast heeft verdachte ook een enorme ravage aangericht op de terrassen van [cafetaria] en restaurant [restaurant 1] , waarop zich ook de schermen van [bedrijf 1] en de fietsen van [aangever 3] bevonden. Met zijn handelwijze heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij totaal geen respect heeft voor de eigendommen van anderen. Verdachte heeft de aangevers opgezadeld met schade en overlast.

Het voorval heeft een grote indruk gemaakt op de getuigen en omwonenden die ongewild van dit feit getuige zijn geweest, hetgeen blijkt uit de vele getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de samenleving.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 9 februari 2021 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 16 september 2020, waarin over verdachte is gerapporteerd door psychiater J. Marx. In dit rapport heeft de psychiater geconcludeerd dat geen ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is geconstateerd, waardoor niet kan worden onderbouwd dat verdachte – op basis van een stoornis – gepredisponeerd was om op een bepaalde manier te handelen ten tijde van het ten laste gelegde. De psychiater adviseert dan ook het ten laste gelegde – indien bewezen – aan verdachte toe te rekenen.

Ook is over verdachte gerapporteerd door GZ-psycholoog drs. A.P. van der Burg in het Pro Justitia rapport van 13 augustus 2020. De psycholoog stelt vast dat bij verdachte geen stoornis wordt waargenomen, zodat de feiten verdachte kunnen worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch onderzoek van klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog dr. L.E.E. Ligthart van 15 juni 2020. Dr. Ligthart heeft geconcludeerd dat het mogelijk is dat verdachte door de harde klappen die hij tijdens de vechtpartij voorafgaand aan de aanrijding LTH heeft opgelopen. Bij LTH worden de hersenen korte tijd door elkaar geschud en kan er kortdurend bewustzijns- en geheugenverlies optreden. Dat lijkt bij verdachte het geval te zijn geweest. Dr. Ligthart heeft geen neurocognitieve en/of cognitieve klachten kunnen vaststellen die relevant zijn voor het ten laste gelegde en concludeert dat het waarschijnlijk is dat de posttraumatische amnesie veroorzaakt door het LTH, aanwezig is geweest ten tijde van het ten laste gelegde.

Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden is. Daarvan zal moeten worden afgetrokken de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank zal daarnaast, als bijkomende straf, verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 1 jaar. De rechtbank zal verdachte deze straf echter voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. Dit om verdachte te doordringen van de ernst en het gevaar van het gebruik van een auto als wapen en hem van recidive te weerhouden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 1. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 24.219,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- reis- en verletkosten € 150,00

- schade door verblijf ziekenhuis € 90,00

- beschadigde kleding € 500,00

- medische kosten € 1.743,35

- huishoudelijke kosten en mantelzorg € 11.395,00

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd.

De raadsman van de benadeelde partij, mr. drs. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, heeft de rechtbank verzocht om geen deel van de vordering af te wijzen doch benadeelde niet ontvankelijk te verklaren voor dat deel dat niet wordt toegewezen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank geacht wordt ook complexe beslissingen te kunnen nemen.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 2. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.323,81 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- beschadigde kleding € 79,98

- reparatie fiets € 88,57

- daggeldvergoeding ziekenhuis € 60,00

- ziektekosten voor eigen rekening € 104,00

- medische verklaring pijntherapeut € 102,85

- verlies arbeidsvermogen € 799,87

- reiskosten € 110,37

- reiskosten ouders € 44,34

- verkies arbeidsvermogen ouders € 171,79

- kosten oefentherapie [bedrijf 2] € 637,50

- reiskosten pijntherapeut € 124,54

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.

[aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 3. De benadeelde partij heeft gesteld dat zijn totale schade een bedrag van € 14.077,00 behelst en vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen van een afgerond totaalbedrag van € 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- 10 tafels

- 30 armstoelen

- 8 terrasschermen

- bestickering terrasschermen

- 2 reclameborden

- 2 bloempotten

[cafetaria] vertegenwoordigd door [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 3. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.913,26 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- terrasstoelen € 699,70

- parasol € 1.381,22

- hangsloten € 139,05

- fiets € 1.250,00

- terrasschermen € 3.492,06

- stickers terrasschermen € 114,95

- reclamebord € 269,95

- reclamebord € 331,54

- houten banken € 300,00

[bedrijf 1] vertegenwoordigd door [aangever 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 3. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.607,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- 5 windschermen

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces inzake feit 4. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 894,80 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- vernielde schoenen € 239,95

- reparatie fiets € 104,85

- vernielde stationsfiets € 50,00

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 500,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft (in repliek) gesteld dat de vordering van [medeverdachte 1] voor zover het de materiële kosten betreft kan worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van de immateriële kosten dient niet ontvankelijk te worden verklaard in verband met de eigen schuld van de benadeelde partij.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de overige vorderingen in zijn geheel kunnen worden toegewezen. De vorderingen zijn deugdelijk onderbouwd met stukken en verwijzen wat betreft de immateriële schade naar vergelijkbare zaken.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de vordering van [medeverdachte 1] op onderdelen betwist. Hij heeft bepleit de vordering niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze te complex is om te behandelen in het strafproces, mede gelet op de late indiening van de vordering.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van [aangever 2] en de vordering van [cafetaria] dienen te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Beide vorderingen bevatten veel onduidelijke kostenposten. Het is niet duidelijk welke goederen op het terras aanwezig waren op 20 oktober 2019. Daarom kan ook niet worden vastgesteld welke goederen zijn vernield en derhalve vervangen dienen te worden. De vorderingen zijn dan ook te complex en de behandeling ter terechtzitting levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De raadsman heeft verzocht de vordering van [bedrijf 1] af te wijzen omdat de kostenpost van de schermen ook door de benadeelden [aangever 2] en [cafetaria] worden opgevoerd. De raadsman heeft geen opmerkingen over de vorderingen van de benadeelden [slachtoffer 3] en [aangever 3] .

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

Ten aanzien van de benadeelde partij [medeverdachte 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De rechtbank overweegt dat de vordering eerder had kunnen worden ingediend en dat het begrijpelijk is dat het minder dan twee uur voor de zitting aanleveren van nieuwe stukken ergernis wekt bij een advocaat die geen civielrechtelijke praktijk voert. Dit enkele gegeven is echter onvoldoende om vast te stellen dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij als verweer wil aanvoeren. Het processuele debat zou in voldoende mate gevoerd kunnen worden.

De raadsman van verdachte heeft zowel het tarief als de omvang van de huishoudelijke kosten en mantelzorgkosten betwist, alsmede betwist dat dit ook daadwerkelijk in rekening wordt gebracht bij benadeelde. De stelling van de benadeelde partij behoeft daarom nadere onderbouwing dan wel bewijsvoering, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Voorts wordt de rechtbank bij een groot aantal posten verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Uiteraard is de rechtbank hiertoe in staat, maar niet zonder een uitgebreide -bij voorkeur schriftelijke- wisseling van de standpunten van partijen. Een dergelijk debat is in dit stadium van het proces een onevenredige belasting van het strafgeding.

Verder geldt dat schatting van bedragen met zich kan brengen dat de rechtbank (een deel van) de vordering moet afwijzen. De verzoeken van de raadsman van de benadeelde partij aan de rechtbank om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de vordering niet af te wijzen maar niet ontvankelijk te verklaren zijn zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.

Tot slot speelt het vraagstuk van de eigen schuld bij zowel het vaststellen van een billijke (immateriële) schadevergoeding als bij de vaststelling van de vermindering (percentage) van de schadevergoeding. In het laatste geval vindt de vermindering plaats over de totaal vastgestelde schade en dus niet slechts over de immateriële schade. Nu de raadsman van verdachte en de officier van justitie hebben gesteld dat er sprake is van eigen schuld, behoeft de discussie daarover op zijn minst een nader juridisch debat en mogelijk zelfs bewijsvoering. Een dergelijk civielrechtelijk debat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank is dus van oordeel dat beoordeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering wordt daarom in zijn geheel niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.4.2

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De vordering is inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.323,81 kan worden toegewezen.

De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat [slachtoffer 3] immateriële schade heeft geleden, hetgeen ook is gebleken uit de onderbouwing van haar vordering en haar verklaring ter terechtzitting. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat het nog niet zeker is dat ze volledig zal genezen en of er restklachten zullen blijven bestaan.

De rechtbank acht een vergoeding van de immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom integraal toewijzen tot een bedrag van

€ 7.323,81, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019.

8.4.3

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank stelt vast dat de schadepost, betrekking hebbende op de kosten van de terrasschermen, ook gevorderd is door de eigenaar van de schermen: [bedrijf 1] . De rechtbank zal de overige opgevoerde kostenposten optellen en komt dan op een totaalbedrag van € 9.299,40. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.299,40, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019, nu de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het resterende bedrag van € 700,60 zal worden afgewezen.

8.4.4

Ten aanzien van de benadeelde partij [cafetaria]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering betreffende de schadepost, betrekking hebbende op de kosten van de terrasschermen – een bedrag van € 3.492,06 – afwijzen, omdat deze kosten ook gevorderd zijn door de eigenaar van de schermen: [bedrijf 1] . Voor het overige, een bedrag van € 4.421,20, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019, zal de rechtbank de vordering toewijzen, nu de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

8.4.5

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De rechtbank zal, nu blijkt uit de aangifte dat [bedrijf 1] de eigenaar is van de terrasschermen, de vordering in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019.

8.4.6

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De vordering is inhoudelijk niet betwist en de rechtbank zal de vordering toewijzen voor het gehele bedrag te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019, nu de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht, jegens de benadeelde partijen [aangever 2] , [cafetaria] en [bedrijf 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht en jegens de benadeelde partij [aangever 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 4 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 57 Sr en artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: poging tot doodslag, meermalen gepleegd

feit 3 en feit 4

telkens het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

feit 5

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

Strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één (1) jaar;

- bepaalt, dat deze bijkomende straf, in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de benadeelde partij [medeverdachte 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij [medeverdachte 1] (feit 1) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2) van een bedrag van € 7.323,81 (zevenduizenddriehonderddrieëntwintig euro en eenentachtig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.323,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 71 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 3) van een bedrag van € 9.299,40 (negenduizendtweehonderdnegenennegentig euro en veertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.299,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 81 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] tot een bedrag van € 700,60;

Ten aanzien van de benadeelde partij [cafetaria]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 3) van een bedrag van € 4.421,20 (vierduizendéénentwintig euro en twintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.421.20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 54 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [cafetaria] tot een bedrag

van € 3.492,06;

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] (feit 3) van een bedrag van € 3.607,00 (drieduizendzeshonderdzeven euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 46 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] (feit 4) van een bedrag van € 894,00 (achthonderdvierennegentig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 894,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 19 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en

mr. R.P. Adema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021.

Buiten staat

mr. R.P. Adema is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland. Districtrecherche IJsselland, Onderzoek Landgraaf/ON1R019103. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 De bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de feitelijkheden ter terechtzitting van 11 maart 2021.

3 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek camerabeelden [restaurant 2] van 9 januari 2020, pagina’s 419 tot en met 433.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 oktober 2019, pagina’s 74 tot en met 77.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] van 21 oktober 2019, pagina’s 102 tot en met 107..

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 22 oktober 2019, pagina’s 120 tot en met 124

7 Proces-verbaal van aangifte van [medeverdachte 1] van 22 oktober 2019, pagina’s 143 tot en met 145.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 22 oktober 2019, pagina’s 108 tot en met 111.

9 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 20 oktober 2019, pagina’s 165 tot en met 168.

10 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [cafetaria] van 20 oktober 2019, pagina’s 162 tot en met 164.

11 Proces-verbaal van aangifte van M.W. [aangever 5] namens [bedrijf 1] van 1 november 2019, pagina’s 172 tot en met 173.

12 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 28 oktober 2019, pagina’s 182 tot en met 184.

13 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 28 oktober 2019, pagina’s 172 tot en met 173.

14 Proces-verbaal forensisch omgevingsonderzoek en forensisch voertuigenonderzoek van 18 november 2019, pagina’s 335 tot en met 361.

15 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 28 oktober 2019, pagina’s 182 tot en met 184.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 23 oktober 2019, pagina’s 218 en 219.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 20 oktober 2019, pagina’s 197 en 198.

18 Proces-verbaal forensisch omgevingsonderzoek en forensisch voertuigenonderzoek van 18 november 2019, pagina’s 335 tot en met 361.