Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1241

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
8676716 \ CV EXPL 20-3180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak. Overeenkomst van opdracht. Consumentenrecht. Opdracht tot organiseren trouwfeest opgezegd. Terugvordering aanbetaling. Vraag of onkosten moeten worden vergoed. Art. 7:406 BW. Kantonrechter wijst vordering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8676716 \ CV EXPL 20-3180

Vonnis van 9 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser],
wonende te [woonplaats] ,

eisers,

gemachtigde: mr. J.M.C. Kemper,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
YAGMUR ORGANISATIE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L. Oass.

Eisers worden hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) [eiseres] c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna Yagmur genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 juli 2020, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle;

- het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 15 september 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;

- de aanvullende producties 10 en 11 van [eiseres] c.s.;

- de op 28 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling alwaar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Yagmur is een organisatiebureau dat trouwfeesten organiseert en verzorgt.

2.2.

Op 4 januari 2020 hebben [eiseres] c.s. en Yagmur met elkaar gesproken over de wensen van [eiseres] c.s. met betrekking tot hun trouwfeest. Partijen hebben toen afgesproken dat Yagmur de organisatie en de verzorging van hun trouwfeest zou gaan verzorgen. Het trouwfeest zou op 11 oktober 2020 plaatsvinden in een zaal (Maxima Ballroom) van zaalverhuurder [X] in Amsterdam (hierna: de zaalverhuurder). Na afloop van het gesprek heeft [eiseres] c.s. een contante aanbetaling van € 3.000,- aan Yagmur gedaan.

2.3.

Op 11 april 2020 heeft [eiseres] c.s. het trouwfeest geannuleerd vanwege de onzekerheid die het coronavirus teweegbrengt. Daarbij heeft [eiseres] c.s. Yagmur verzocht de aanbetaling terug te betalen. Yagmur heeft dat geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] c.s. vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van Yagmur tot (terug)betaling van de aanbetaling van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 11 april 2020. Ook vordert [eiseres] c.s. veroordeling van Yagmur tot betaling van € 514,25 aan buitengerechtelijke incassokosten en van de proces- en nakosten.

3.2.

[eiseres] c.s. stelt hiertoe – kort gezegd – dat zij de overeenkomst met Yagmur heeft opgezegd en dat haar dit als niet-professionele partij vrijstond. Yagmur heeft geen onkosten gemaakt ter uitvoering van de overeenkomst, zodat Yagmur gehouden is de aanbetaling geheel terug te betalen, aldus [eiseres] c.s.

3.3.

Yagmur concludeert tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij heeft aangevoerd, zal hierna worden ingegaan voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Yagmur moet worden veroordeeld tot (terug)betaling aan [eiseres] c.s. van de aanbetaling van € 3.000,-.

4.2.

De overeenkomst van partijen is een overeenkomst van opdracht. De wettelijke bepalingen hierover zijn opgenomen in de artikelen 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en verder. Op grond van artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever, in dit geval [eiseres] c.s., de overeenkomst te allen tijde opzeggen.

4.3.

Yagmur heeft zich echter op het standpunt gesteld dat [eiseres] c.s. deze opzeggingsbevoegdheid niet kan uitoefenen, omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze onaanvaardbaarheid zou er, aldus Yagmur, in bestaan dat op het moment van opzeggen (in april 2020) nog geen duidelijkheid bestond over de situatie in oktober 2020, en dat Yagmur bovendien een aantal (volgens haar: redelijke) alternatieven aan [eiseres] c.s. heeft aangeboden. De kantonrechter is echter, met [eiseres] c.s., van oordeel dat [eiseres] c.s. onder de gegeven omstandigheden haar recht om de overeenkomt van opdracht met Yagmur op te zeggen, mocht uitoefenen. Dat [eiseres] c.s. – om aan haar voorbehouden redenen – de situatie in oktober 2020 niet heeft willen afwachten, en dat zij niet is ingegaan op voorstellen van Yagmur, is niet onredelijk, laat staan dat haar handelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden genoemd.

4.4.

[eiseres] c.s. mocht haar overeenkomst met Yagmur dus op 11 april 2020 opzeggen. De opdrachtnemer, in dit geval Yagmur, heeft bij een opzegging geen recht op een schadevergoeding (artikel 7:408 lid 3 BW), maar wel op een vergoeding van gemaakte onkosten (artikel 7:406 lid 1 BW). Het moet dan gaan om redelijk verantwoorde onkosten die aan de uitvoering van de opdracht zijn verbonden.

4.5.

Yagmur heeft naar voren gebracht dat zij onkosten heeft gemaakt, die bestaan in het bedrag van € 3.000,- dat zij aan de zaalverhuurder heeft betaald voor het reserveren van de zaal. Yagmur meent dat zij bij annulering van het trouwfeest dit bedrag niet van de zaalverhuurder zal terugkrijgen. Yagmur heeft dat naar eigen zeggen zo met de zaalverhuurder contractueel afgesproken. Yagmur heeft op de zitting desgevraagd verklaard vooralsnog geen acties te hebben ondernomen om de betaling van € 3.000,- van de zaalverhuurder terug te krijgen, omdat zij de bestaande goede relatie met de zaalverhuurder niet op het spel wil te zetten. [eiseres] c.s. betwist dat Yagmur onkosten heeft gemaakt.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat Yagmur haar stelling dat zij onkosten heeft gemaakt in de zin van artikel 7:406 lid 1 BW, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat in dit geval sprake moet zijn van kosten die Yagmur niet – na aanvankelijke betaling – alsnog terug kan krijgen. In dat geval heeft zij immers uiteindelijk geen nadeel geleden en kan niet van daadwerkelijke onkosten worden gesproken.

4.7.

Yagmur heeft in deze procedure weliswaar gesteld dat zij de van [eiseres] c.s. ontvangen aanbetaling op haar beurt aan de zaalverhuurder heeft betaald, maar zij heeft tegenover de betwisting door [eiseres] c.s. onvoldoende onderbouwd dat zij deze kosten niet van de zaalverhuurder zal terugkrijgen. Het had in dit verband allereerst op de weg van Yagmur gelegen om haar stelling dat zij de aanbetaling niet terug zal krijgen concreter te onderbouwen, onder meer door de algemene voorwaarden over te leggen die tussen haar en de zaalverhuurder gelden, en op grond waarvan Yagmur stelt de aanbetaling niet terug te krijgen. Dit heeft zij echter niet gedaan, terwijl dit gelet op haar standpunt wel van haar mocht worden verwacht. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of Yagmur het aan de zaalverhuurder betaalde bedrag van € 3.000,- voor het reserveren van de zaal ook definitief kwijt is, terwijl dit punt nu juist door [eiseres] c.s. is betwist. Verder heeft Yagmur aangegeven dat zij vooralsnog ook geen acties heeft ondernomen om de aanbetaling van de zaalverhuurder terug te krijgen omdat zij de goede relatie met de zaalverhuurder niet op het spel wil zetten, maar dat kan Yagmur niet aan [eiseres] c.s. tegenwerpen. Ook die omstandigheid brengt mee dat de onderbouwing die Yagmur heeft gegeven aan haar stelling dat zij (definitief) onkosten heeft geleden, tegenover de betwisting van [eiseres] c.s., onvoldoende is. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat Yagmur op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht.

4.8.

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Yagmur onkosten heeft gemaakt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat áls er geen onkosten zijn gemaakt, Yagmur gehouden is het bedrag van € 3.000,- aan [eiseres] c.s. terug te betalen. De vordering van [eiseres] c.s. daartoe is dan ook toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

4.9.

[eiseres] c.s. heeft hiernaast aanspraak gemaakt op de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Tegen toewijzing van deze schadepost heeft Yagmur, anders dan door verweer te voeren tegen toewijzing van de hoofdsom, geen specifiek verweer gevoerd. De buitengerechtelijke incassokosten van € 514,25 zullen daarom worden toegewezen.

4.10.

De proceskosten komen voor rekening van Yagmur omdat zij ongelijk krijgt. Aan [eiseres] c.s. is een toevoeging verleend. Daarom zijn in deze zaak de explootkosten door de griffier voorgeschoten. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk. De proceskosten worden aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 519,00. Dit bedrag bestaat uit € 83,00 aan griffierecht en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × tarief € 218,00 per salarispunt, volgens het geldende liquidatietarief). De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Yagmur tot betaling aan [eiseres] c.s. van € 3.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 april 2020 tot aan de dag van de volledige betaling;

5.2.

veroordeelt Yagmur tot betaling aan [eiseres] c.s. van € 514,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt Yagmur tot betaling van de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 519,00, vermeerderd met een bedrag van € 105,00 aan nakosten, indien Yagmur binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis niet volledig aan dit vonnis zal hebben voldaan, en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW gerekend vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis, tot aan de dag van de volledige betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021.