Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1228

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
08/963548-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 46-jarige Zwollenaar tot een gevangenisstraf van 4 jaar voor het bezit van een grote hoeveelheid heroïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/963548-19 (P)

Datum vonnis: 23 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] (Iran),

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 oktober 2019 en 9 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Hofstee en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte handelingen heeft verricht met betrekking tot dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad 169 kilogram heroïne.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 31 mei 2019, te Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, (in totaal) ongeveer 169 (154 + 15) kilogram heroïne, in elk geval een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft de heroïne niet aanwezig gehad, omdat deze zich nooit in zijn machtssfeer heeft bevonden. Verdachte heeft bovendien geen rol van betekenis gespeeld. Zo is hij tot twee maal toe door de anderen weggestuurd en heeft hij slechts wat opgeruimd in de loods.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Nadat bij het Team Criminele Inlichtingen van de Landelijke Eenheid informatie was binnen gekomen dat in een loods, gevestigd aan [adres 2] , een omvangrijke hoeveelheid verdovende middelen aanwezig was, werd in deze loods op vrijdag 31 mei 2019 binnen getreden. Bij de doorzoeking zijn in de achterste ruimte van het pand, 18 pallets met marmeren tegels aangetroffen. In een groot deel van de aangetroffen tegels waren ronde openingen met een doorsnede van ongeveer 15 à 20 cm aangebracht. In deze openingen was een lichtkleurige substantie te zien, hetgeen duidelijk afweek van de rest van de tegels en logischerwijs niet in deze tegels hoort te zitten. Er werden vijf verdachten aangehouden, waaronder verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die bezig waren de substantie uit de marmeren tegels te halen. Achter in de ruimte bevonden zich meerdere marmeren tegels, die vermoedelijk met een moker kapot waren geslagen. Door medewerkers van de Forensische Opsporing zijn de marmeren tegels onderzocht op de aanwezigheid van verdovende middelen. Bij de doorzoeking zijn 154 pakketten met wat naar later bleek heroïne te zijn met een totaal gewicht van ongeveer 154 kilo in beslag genomen.1 Er werden in totaal 94 pakketten met een roze kleurig briefje en 60 pakketten met een groen kleurig briefje aangetroffen. Het poeder werd indicatief getest op heroïne.2 Ook uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) bleek het poeder heroïne te betreffen.3

Op vrijdag 31 mei 2019 omstreeks 11:36 uur is waargenomen dat het rolluik van de loods open gaat en een voertuig, merk Volvo, type V70 voorzien van het kenteken [kenteken] de loods binnen rijdt, waarna het rolluik zich weer sluit. Drie minuten later gaat het rolluik weer open en komt dat voertuig weer naar buiten rijden en vertrekt.4 Medeverdachte [medeverdachte 3] werd korte tijd later als bestuurder van deze Volvo aangehouden.5

Door verbalisanten werd een forensisch onderzoek uitgevoerd aan deze Volvo. In de kofferruimte van het voertuig werd een verborgen bergruimte aangetroffen. Door medewerkers van het Team Forensische Opsporing werd vastgesteld dat er sprake was van een zeer geavanceerd systeem dat toegang moest geven tot deze ruimte. Door een kleine opening was waarneembaar dat in de bergruimte meerdere gesealde pakketten lagen met daarin een bruine substantie.6

Op 3 juni 2019 is het voertuig nader onderzocht en zijn er in totaal 15 gesealde pakketten met vermoedelijk heroïne in aangetroffen. Tien aangetroffen pakketten waren voorzien van een groene post-it en vijf pakketten waren voorzien van een roze post-it. De pakketten met post-it’s vertoonden sterke overeenkomsten met de op 31 mei 2019 in de loods ruimte te Emmen aangetroffen 154 pakketten met daarin heroïne.7

Door het Team Forensische Opsporing werd op 11 juli 2019 onderzoek gedaan naar de 15 pakketten. De schijven wogen circa 1.000 gram netto per stuk. De schijven werden getest en gaven een positieve uitslag op de aanwezigheid van heroïne.8 Ook uit onderzoek door het NFI bleek de inhoud van de schijven heroïne te betreffen.9

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet is niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

Verdachte heeft verklaard dat hij was gevraagd om te helpen, dat hij te horen kreeg dat het om hasj ging en dat hij er 2.000 tot 3.000 euro voor zou krijgen. Hij heeft verder verklaard dat toen hij bij de loods aankwam zag dat er twee jongere mannen, te weten de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , bezig waren met marmer breken en dat hij ging opruimen.10

Ter terechtzitting van 9 maart 2021 heeft verdachte verklaard dat hem van tevoren was verteld dat het om softdrugs ging in plaats van om harddrugs, maar dat hij toen hij in de loods was, zag dat het om harddrugs ging en dat iedereen in paniek raakte toen de politie kwam.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op 31 mei 2019 zag dat er in de loods een paar personen marmer aan het breken waren en er iets uit haalden, waardoor hij het vermoeden kreeg dat het iets illegaals was.11

Tijdens de doorzoeking in het pand werden mobiele telefoons aangetroffen die nagenoeg allemaal kapot waren. Vastgesteld werd dat de toestellen opzettelijk kapot waren gemaakt nu aan de telefoons inslagen en verbuigingen werden geconstateerd, die anders dan door forse kracht niet te realiseren zijn. Bovendien lagen de toestellen bij elkaar. Onder de aangetroffen toestellen bevonden zich een vijftal zogenaamde BQ Aquaris toestellen, waarvan bekend is dat deze gebruikt worden om geencrypte tekstberichten te verzenden en te ontvangen (encrochat).12

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van een medeverdachte een telefoon had gekregen die in de loods kapot is gegaan.

Op camerabeelden is verdachte reeds om 09:15 uur gezien bij de loods, terwijl de politie pas om 12:26 uur is binnengetreden in de loods.13 Verdachte is derhalve in elk geval ruim drie uren aanwezig geweest in of bij de loods.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevonden, dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de heroïne in de loods en daarmee deze aanwezig heeft gehad als bedoeld in de Opiumwet. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de 15 kilo heroïne die in de Volvo onder medeverdachte [medeverdachte 3] is aangetroffen ook afkomstig is uit de loods te Emmen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat medeplegen wettig en overtuigend bewezen is, nu verdachte met het oog op het opzettelijk aanwezig hebben van de heroïne nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen die zich in de loods hebben bezig gehouden met het verwijderen van de heroïne uit het marmer.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 mei 2019, te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in totaal) ongeveer 169 (154 + 15) kilogram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte bij een bewezenverklaring een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft samen met medeverdachten een grote hoeveelheid heroïne aanwezig gehad. De aangetroffen hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan, is een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en is bovendien een bron van ernstige geweldsdelicten. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze harddrugs rouleren. De rechtbank rekent dit verdachte aan en een forse vrijheidsbenemende straf is dan ook op zijn plaats.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank verder in aanmerking het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 24 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte in 2003 in Duitsland is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Deze veroordeling is dermate lang geleden dat deze niet als strafverhogend doorwerkt.

De rechtbank acht, alles afwegende en met inachtneming van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden voor verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank is van oordeel dat deze straf recht doet aan de ernst van het feit en in overeenstemming is met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

Buiten staat

Mr. Peper en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Algemeen dossier; pagina 6-7 (looppv) en pagina 26-28

2 Algemeen dossier; pagina 32-38

3 Een geschrift, te weten een rapport identificatie van veelvoorkomende drugs, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut van 26 juli 2019

4 Algemeen dossier; pagina 8 (looppv) en pagina 45

5 Algemeen dossier; pagina 6-7 (looppv)

6 Algemeen dossier; pagina 51

7 Algemeen dossier; pagina 8-9 (looppv) en pagina 53-56

8 Algemeen dossier; pagina 179-181

9 Een geschrift, te weten een rapport identificatie van veelvoorkomende drugs, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut van 26 juli 2019

10 Algemeen dossier; pagina 19 (looppv) en pagina 124-128 en 130-132

11 Algemeen dossier; pagina 9-10 (looppv) en pagina 74-77

12 Algemeen dossier; pagina 23 (looppv) en pagina 176-177

13 Het door de daartoe bevoegde opsporingsverbalisant [verbalisant] in de wettelijke vorm opgemaakt en op 8 maart 2021 gesloten proces-verbaal van bevindingen, nummer 26JeffersonHills-102