Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1219

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
AK_20_818
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is het besluit van 4 september 2017, waarin het college heeft besloten tot anonimisering van eisers e-mail met bijlagen, in rechte onaantastbaar geworden;beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/818

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder,

gemachtigden: mr. W. van Steenbergen en mr. O.S. Nijveld.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal,

gemachtigde: T.R.F. Asbreuk.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het door eiser ingediende verzoek om maatregelen te treffen richting het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal (verder: het college) afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 16 juni 2020, 23 juni 2020 en 13 juli 2020 zijn nadere stukken van eiser ontvangen.

Verweerder heeft op 11 september 2020 een verweerschrift ingediend. Op 16 september 2020, 21 september 2020, 4 oktober 2020 en 14 oktober 2020 heeft eiser de gronden van het beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op 5 maart 2021. Eiser is verschenen. Verweerder en de derde-partij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Bij brief van 16 mei 2019 heeft eiser een klacht ingediend bij verweerder met het verzoek om corrigerende maatregelen richting het college te nemen. Eiser vraagt in het bijzonder aandacht voor het feit dat het college een e-mail van eiser van 20 februari 2017 inclusief bijlagen, met daarop meerdere hem betreffende persoonsgegevens, op de openbare gemeentelijke website heeft gepubliceerd en vervolgens niet aan het door eiser ter zake gedane verwijderingsverzoek van 25 maart 2017 heeft voldaan. Daarmee heeft het college volgens eiser de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geschonden.

1.2.

Bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is bevestigd, heeft verweerder het door eiser bij diens klacht van 16 mei 2019 ingediende verzoek om handhavend tegen het college op te treden afgewezen. Op grond van de voorliggende informatie heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat er op dat moment sprake was van een overtreding van de AVG of daaraan gerelateerde wet- en regelgeving.

1.3.

Alvorens in te gaan op eisers beroep tegen het bestreden besluit, schetst de rechtbank nu eerst de voorgeschiedenis van het onderhavige geschil.

Voorgeschiedenis

2.1.

Eiser heeft op 20 februari 2017 een email geschreven naar de gemeenteraad van Oldenzaal. De email bevat een klacht over het handelen van het college. De email inclusief bijlagen is door de gemeente vervolgens integraal op haar openbare website geplaatst ten behoeve van de raadsvergadering van 27 maart 2017.

Eiser heeft op 25 maart 2017 bij het college bezwaar gemaakt tegen deze publicatie op de gemeentelijke website.

Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 10 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Het publiceren van eisers email met bijlagen op de gemeentelijke website is volgens het college geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan.

De rechtbank Overijssel heeft het beroep bij uitspraak van 30 april 2018 ongegrond verklaard. Deze ongegrondverklaring is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) bij uitspraak van 28 augustus 2019 in hoger beroep bevestigd.

2.2.

Het college heeft bij besluit van 4 september 2017 eisers verzoek van 31 juli 2017 om schadevergoeding afgewezen, eisers gelijktijdige verzoek om rectificaties te plaatsen op de gemeentelijke website en in de media, eveneens afgewezen en eisers gelijktijdige verzoek om diens email van 20 februari 2017 met bijlagen te verwijderen van de openbare gemeentelijke website op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), aangemerkt als een verzoek om deze documenten te anonimiseren en dit verzoek ingewilligd. De volgende gegevens waren ten tijde van eisers verzoek zichtbaar in de door de gemeente op haar website gepubliceerde documentatie: eisers naam, zijn bankrekeningnummer en het e-mailadres van eisers onderneming. Verweerder heeft besloten de gepubliceerde documentatie zowel digitaal als analoog te anonimiseren.

Het college heeft bij besluit van 29 november 2017 eisers bezwaar tegen het besluit van

4 september 2017 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

De rechtbank Overijssel heeft dit beroep bij uitspraak van 21 november 2018 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het besluit van het college van 29 november 2017 vernietigd voor zover daarin sprake is van een ongegrondverklaring van eisers bezwaar tegen de afwijzing van eisers verzoeken om documenten te verwijderen van de gemeentelijke website en om rectificaties te plaatsen op deze website en in de media, en het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 29 november 2017. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 augustus 2019 de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep bevestigd (ECLI:NL:RVS:2019:2846).

Beroepsgronden

3. Eiser heeft – samengevat weergegeven – in beroep aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit diens onjuiste standpunt uit het primaire besluit ten onrechte heeft gehandhaafd. Verweerder had eisers verzoek van 16 mei 2019 om handhavend op te treden ten opzichte van het college, moeten inwilligen. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat de rechtbank het college ten onrechte de mogelijkheid heeft geboden om als derde-partij aan de onderhavige beroepsprocedure deel te nemen.

Het college als derde-partij toelaten tot het geding

4. De rechtbank overweegt dat in artikel 8:26 van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid kan stellen als partij aan het geding deel te nemen. Nu eiser wenst dat verweerder handhavend optreedt tegen het college, dient het college als belanghebbende in de onderhavige procedure te worden beschouwd. Op grond hiervan is het college door de rechtbank ambtshalve in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen.

Beoordeling van de beroepsgronden

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser, voor zover deze zien op het integraal publiceren van zijn e-mail en bijlagen op de website van de gemeente ten behoeve van de raadsvergadering van 27 maart 2017 en op het daarop volgende verwijderingsverzoek, betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover eiser tot in hoger beroep bij de Afdeling heeft geprocedeerd. Met de – hierboven onder punt 2.2 genoemde – uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is het besluit van 4 september 2017, waarin het college heeft besloten tot anonimisering van eisers e-mail met bijlagen, in rechte onaantastbaar geworden.

5.2.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten het door eiser ingediende verzoek maatregelen te treffen richting het college af te wijzen.

5.3.

Daarbij komt dat tegen de besluitvorming door het college op verwijderingsverzoeken van eiser zelfstandige bestuursrechtelijke rechtsbescherming heeft open gestaan, waarvan eiser ook gebruik heeft gemaakt. In dergelijke situaties acht verweerder het niet aangewezen om naast de bestaande rechtsbeschermingsprocedures, via de route van nader onderzoek als het ware een parallelle bestuursrechtelijke procedure te doorlopen. Ter zitting heeft verweerder nogmaals toegelicht hierbij ook nadrukkelijk haar prioriteringsbeleid voor de behandeling van AVG-klachten in aanmerking te nemen. De rechtbank kan zich in deze zienswijze en aanpak van verweerder vinden.

5.4.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat in de documentatie op de gemeentelijke website weliswaar zijn zakelijke (en niet zijn persoonlijke) e-mailadres vermeld staat, maar dat op basis van dat e-mailadres zijn naam en persoonsgegeven vrij gemakkelijk te achterhalen zijn via bijvoorbeeld raadpleging van de registers van de Kamer van Koophandel. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college niet kunnen aangeven waarom het e-mailadres van eisers onderneming niet is geanonimiseerd. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat een e-mailadres op zich te beschouwen valt als een persoonsgegeven in de zin van de AVG. Op grond van het vorenstaande geeft de rechtbank eiser in overweging bij het college een verzoek in te dienen om ook het emailadres van eisers onderneming te anonimiseren.

6. Het beroep is ongegrond.

7. De rechtbank ziet in hetgeen hierboven onder punt 5.4 is overwogen, voldoende aanleiding verweerder te gelasten aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. van Montfort, rechter, in aanwezigheid van

C. Kuiper, als griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.