Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1207

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
08/064534-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 27-jarige man uit Genemuiden tot een taakstraf van 120 uur voor het plegen van mishandeling. De man sloeg in het bijzijn van vele anderen met zijn vuist tegen de mond en de kaak van een andere man. Naast de taakstraf moet de man het slachtoffer ook een schadevergoeding betalen van ruim 4000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer : 08/064534-19 (P)

Datum vonnis : 22 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 januari 2021 en 8 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.P.G. Sommers en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) door hem met zijn – al dan niet tot vuist gebalde – hand tegen de mond en kaak te slaan. Dit is subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Primair

hij op of omstreeks 3 november 2018 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderkaak, een losgebroken en/althans ontwricht kaakdeel, een hersenschudding en een scheurwond aand de binnezijde van de onderlip, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met (een van) zijn al dan niet tot vuisen gebalde handen (zeer) (gewelddadig en/of krachtig) in/op/tegen de mond en/of de kaak en/althans (elders) in/op/tegen het hoofd te slaan of te stompen;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Subsidiair

hij op of omstreeks 3 november 2018, te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met (een van) zijn al dan niet tot vuisen gebalde handen (zeer) (gewelddadig en/of krachtig) in/op/tegen de mond en/of de kaak en/althans (elders) in/op/tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 3 november 2018 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met (een van) zijn al dan niet tot vuisen gebalde handen (zeer) (gewelddadig en/of krachtig) in/op/tegen de mond en/of de kaak en/althans (elders) in/op/tegen het hoofd te slaan of te stompen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Op 3 november 2018 reden verbalisanten naar keet [keet] in Genemuiden. Zij zagen daar een man op zijn buik op de grond liggen. Hij bloedde hevig uit zijn mond. Verbalisanten lieten met spoed een ambulance komen.2De man, genaamd [slachtoffer] , werd vervoerd naar het ziekenhuis en behandeld op de Spoedeisende Hulp. Daar werd geconstateerd dat – kort gezegd – verschillende kaakdelen waren gebroken en [slachtoffer] een hersenschudding had. Het letselrapport vermeldt dat voor het breken van kaakdelen zeer fors stomp botsend geweld nodig is.3

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] , zoals primair ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte

met zijn tot vuist gebalde hand in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen en hem daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Uit de wijze waarop verdachte heeft geslagen, valt volgens de officier van justitie af te leiden dat verdachte ook opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen. Hij zou [slachtoffer] hebben geduwd, waarna [slachtoffer] is gestruikeld en met zijn gezicht op de grond is gevallen. Het duwen van [slachtoffer] moet gezien worden als noodweer, omdat [slachtoffer] hem bij de keel had gepakt en verdachte hem weg wilde duwen. Bij een geslaagd beroep op noodweer dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde en vrijspraak van de mishandeling.

Het tweede verweer is dat in het geval de rechtbank een klap wel bewezen acht, de verdachte met het geven van één klap in het gezicht niet het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had. Dit betekent dat verdachte van de primair ten laste gelegde zware mishandeling moet worden vrijgesproken.

Volgens de raadsman moet verdachte om diezelfde reden eveneens van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling worden vrijgesproken.

De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan dan wel worden bewezen, aldus de raadsman.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij onder zijn keel werd gegrepen door [slachtoffer] en dat hij hem toen van zich af heeft geduwd. [slachtoffer] struikelde toen en viel achterover.
In hetzelfde verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] van zich heeft afgeweerd, dat [slachtoffer] twee tot drie stappen achteruit is gelopen en toen is gevallen. Hij kwam op de rechterkant van zijn gezicht te vallen.4

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] hem bij de keel wilde grijpen en dat hij toen [slachtoffer] heeft geduwd waarna deze is gevallen, met zijn gezicht op de grond.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat er is gebeurd.

[getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), de vriendin van [slachtoffer] , heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) zagen en hoorden praten met een andere jongen, van wie ze later hoorden dat het [verdachte] (hierna: verdachte) was. [slachtoffer] liep naar [getuige 1] toe. [getuige 2] liep op ongeveer één meter afstand achter hem aan. Op het moment dat ze bij [getuige 1] kwamen, zag [getuige 2] dat verdachte met zijn vuist uithaalde naar [slachtoffer] en hem volop raakte op zijn mond en kin. [getuige 2] hoorde een harde klap, alsof er wat brak.5

[getuige 1] heeft verklaard dat hij met verdachte sprak toen hij [slachtoffer] naar zich toe zag komen lopen. [getuige 1] zag dat verdachte met zijn rechterhand een vuist maakte en met opzet met deze vuist tegen de kaak van [slachtoffer] sloeg. Het was echt een harde “hoek”. [getuige 1] zag dat [slachtoffer] door de klap op zijn kaak een kwartslag met zijn lichaam draaide en vervolgens steil achterover viel met zijn gezicht op de grond.6

[getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] met rechts een klap gaf en (daarmee) [slachtoffer] “ondersteboven” sloeg.7

In een verklaring bij de rechter commissaris heeft [getuige 4] verklaard dat zij verdachte en [slachtoffer] tegenover elkaar zag staan. Verdachte gaf [slachtoffer] een klap en die viel

voorover op de grond8.

Forensisch arts S.J.Th. van Kuijk (hierna: Van Kuijk) heeft in een aanvullend rapport uitvoerig onderbouwd dat het onwaarschijnlijk en feitelijk bijna onmogelijk is dat het geconstateerde letsel is ontstaan door een val met het gezicht op de klinkers, gezien de bouw van het hoofd en de plaatsen waar de botbreuken aan het hoofd zijn geconstateerd. Daarentegen is het wel mogelijk dat het geconstateerde letsel past bij slaan in het gezicht. Van Kuijk heeft geconcludeerd dat slaan in het gezicht in vergelijking met een val op de klinkers veel waarschijnlijker is.9


Op grond van de getuigenverklaringen en de rapportages van Van Kuijk acht de rechtbank bewezen dat verdachte met zijn tot vuist gebalde hand gewelddadig en krachtig tegen de mond en de kaak van [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte had met een harde uithaal naar de mond en kaak van [slachtoffer] ongetwijfeld de bedoeling om [slachtoffer] pijn te doen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat verdachte ook de bedoeling had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is dan ook geen sprake.

Ook voorwaardelijk opzet acht de rechtbank niet aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank roept één enkele vuistslag tegen de mond en de kaak in zijn algemeenheid niet de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dus van oordeel dat verdachte geen rekening hoefde te houden met de kans dat zijn handelen tot zwaar lichamelijk letsel zou leiden. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel spreekt de rechtbank verdachte eveneens vrij van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Door [slachtoffer] een vuistslag tegen de mond en de kaak te geven, heeft verdachte zich wel schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] , zoals meer subsidiair ten laste is gelegd. Deze mishandeling had naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel – te weten een meervoudige kaakbreuk – tot gevolg, als bedoeld in artikel 300 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), maar deze strafverzwarende omstandigheid is niet ten laste gelegd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 november 2018 te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met zijn tot vuist gebalde hand zeer gewelddadig en krachtig tegen de mond en de kaak te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en bepleit dat verdachte ter zake van mishandeling dient te worden vrijgesproken.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet

kan slagen omdat niet aannemelijk is geworden dat een noodweersituatie bestond.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier niet aannemelijk geworden dat zich zo’n situatie heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen is af te leiden dat het juist verdachte is geweest die de fysieke confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan door hem met zijn tot vuist gebalde hand tegen de mond en de kaak te slaan. De verklaring van verdachte dat hij daarvoor bij de keel was of zou worden gegrepen door [slachtoffer] staat nagenoeg op zichzelf. Er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat geen sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen iets wat [slachtoffer] zou hebben gedaan en dat reeds daarom het beroep op noodweer moet worden verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf

voor de duur van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat een vervangende hechtenis van 90 dagen zal worden toegepast. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, geëist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft uitdrukkelijk verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat hij dan zijn vaste baan zal kwijtraken. De raadsman heeft daarnaast verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en de omstandigheid dat het om een verouderd feit gaat.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft met zijn vuist tegen de

mond en de kaak van [slachtoffer] geslagen. Hierdoor is de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Geweld veroorzaakt daarnaast doorgaans gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, zoals in dit geval bij de omstanders bij de keet.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de ernst van het letsel en het leed dat door verdachte is toegebracht aan het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn onder- en bovenkaak op meerdere plaatsen gebroken en een hersenschudding en een scheurwond aan de binnenzijde van de onderlip opgelopen. Operatief ingrijpen was onmiddellijk noodzakelijk en het slachtoffer heeft enkele maanden geheel niet kunnen werken. Als gevolg van de mishandeling heeft het slachtoffer later een wortelkanaalbehandeling aan een voortand ondergaan en is deze alsnog vervangen door een kroon. Volledig herstel heeft vele maanden in beslag genomen.

Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , die hij tijdens de zitting van 21 januari 2021 heeft voorgedragen, kwam heel duidelijk naar voren dat de mishandeling grote gevolgen voor hem heeft (gehad). Naast de fysieke gevolgen kampt hij nog steeds met gevoelens van onveiligheid.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte geen inzicht heeft getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen en geen enkele betrokkenheid heeft getoond bij de gezondheidstoestand van het slachtoffer. Toen [slachtoffer] op de grond lag, heeft verdachte slechts een blik op hem geworpen om vervolgens weg te lopen. Ook nadien heeft hij geen contact met het slachtoffer opgenomen om te vragen hoe het met hem gaat. De rechtbank neemt hem dat kwalijk en zal in verzwarende zin rekening houden met het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De redelijke termijn is aangevangen op 8 januari 2019, de dag waarop verdachte voor het eerst werd verhoord. Omdat het eindvonnis op 22 maart 2021 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat deze overschrijding niet aan verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 3 maanden.

Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte geen documentatie heeft op het gebied van geweldsdelicten en ziet daarin ook geen aanwijzingen dat verdachte in de twee jaren sinds de hier bewezen verklaarde mishandeling in contact is geweest met politie of justitie.

Vanwege voormelde omstandigheden zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen, maar die is lager dan door de officier van justitie geëist. Dit is met name gelegen in het feit dat de officier van justitie de primair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen acht en de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de meer subsidiair gelegde mishandeling. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte de afgelopen twee jaren in contact is geweest met politie en justitie en derhalve van een concreet recidivegevaar niet blijkt.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, indien deze niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij heeft een bedrag van € 2.600,00 aan immateriële schade gevorderd. Daarnaast heeft hij, na wijziging van de vordering ter terechtzitting, aan materiële schade gevorderd:

- € 385,00 eigen risico zorgverzekering;

- € 1.910,00 tandartskosten;

- € 60,00 daggeldvergoeding opname ziekenhuis;

- € 98,74 reiskosten ziekenhuis en tandarts.

In totaal heeft [slachtoffer] een bedrag van € 5.053,74 gevorderd, te vermeerderen met de

wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. Volgens haar moet de gevorderde immateriële schade worden gematigd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schade aangevoerd dat een bedrag van € 955,00 aan tandartskosten niet kan worden toegewezen, omdat van één tand nog niet zeker is of die moet vervangen worden.

Verder heeft de raadsman verzocht om de gevorderde immateriële schade te matigen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

- Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzittingen, komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [slachtoffer] . De kosten die verband houden met het ‘eigen risico zorgverzekering’ ad € 385,00, ‘tandartskosten’ ad € 955,00, ‘daggeldvergoeding opname ziekenhuis’ ad € 60,00 en ‘reiskosten ziekenhuis en tandarts’ ad € 98,74 zijn door hem voldoende onderbouwd, terwijl door of namens verdachte (de hoogte van) deze kosten niet zijn betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.498,74.

Omdat nu nog onbekend is of de voortand, door de tandarts aangeduid met ‘22’, in de toekomst moet worden vervangen, verklaart de rechtbank [slachtoffer] wat betreft dat deel van de tandartskosten ad € 955,00, niet-ontvankelijk. [slachtoffer] kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

- Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat wat betreft de gevorderde immateriële schade wordt verwezen

naar verschillende rechterlijke uitspraken in soortgelijke zaken. Naar het oordeel van de rechtbank is het gevorderde daarmee voldoende onderbouwd, terwijl door de verdediging het gevorderde onvoldoende is betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.600,00.

In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van € 4.098,74 toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit: meer subsidiair) van een bedrag van € 4.098,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.098,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] voor een deel van € 955,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. M. van Berlo en

mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2021.

Buiten staat

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, met proces-verbaalnummer PL0600-2018496523-28. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen, van 22 januari 2019, pagina’s 40-41.

3 Een geschrift, zijnde een door forensisch arts S.J.Th. van Kuijk opgestelde letselrapportage, van 27 december 2018, pagina’s 25-26.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 januari 2019, pagina 91.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 5 november 2018, pagina’s 42-43.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 26 november 2018, pagina’s 44-45.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 24 januari 2019, pagina’s 67-68.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 22 november 2019, RC nummner 19/375

9 Een geschrift, zijnde een door forensisch arts S.J.Th. van Kuijk gegeven aanvulling op de letselrapportage, van 3 februari 2021.