Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1180

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
ak_20 _ 449
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor gebruik gronden ten behoeve van Zonnepark Enterveen; verweerder zich terecht bevoegd geacht om af te wijken van het bestemmingsplan; vergunde activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/449

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers 1] eisers 1,

[eisers 2] eisers 2,

[eisers 3] eisers 3,

[eisers 4] , eisers 4,

J [eisers 5], eisers 5,

[eisers 6] , eisers 6,

[eisers 7] eisers 7,

[eisers 8] eisers 8,

[eisers 9] , eisers 9,

[eisers 10] eisers 10,

[eiser] , eiser 11,

tezamen eisers, allen woonachtig te Enter,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden, verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Solar Energy Works B.V., te Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Solar Energy Works B.V., te Utrecht (hierna: vergunninghoudster) voor 25 jaar een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van gronden ten behoeve van het zonnepark Enterveen op locatie Boltensweg/Elsenerbroekweg te Enter, kadastraal bekend gemeente Wierden, Z 560 te Enter.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020.

Eisers zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.L.B. Boers. Namens vergunninghoudster zijn verschenen mr. J.J.G. Niederer, I.M.E. Hazeleger en L. Boerman.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 25 juli 2019 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van gronden ten behoeve van het zonnepark Enterveen op locatie Boltensweg/Elsenerbroekweg te Enter, kadastraal bekend gemeente Wierden Z 560 te Enter.

Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in §3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) gevolgd. Het ontwerpbesluit heeft van 19 september 2019 zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Eisers hebben, met uitzondering van eisers 2, een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.

Eisers belanghebbenden?

2. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eisers zijn aan te merken

als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en meer specifiek of er sprake is van gevolgen van enige betekenis.

2.1

Het instellen van beroep bij de bestuursrechter is slechts voorbehouden aan belang-hebbenden, zo blijkt uit artikel 8:1 van de Awb. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb).

2.2

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Het vereiste van een persoonlijk of individueel belang houdt in dat er een belang aanwezig is dat zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van een ieder. Een persoon van wie eventueel gezegd kan worden dat hij enig belang heeft maar zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet worden aangemerkt als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang.

2.3

Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een omgevingsvergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Daarbij zij opgemerkt dat er wel sprake dient te zijn van ‘gevolgen van enige betekenis’ en die ontbreken als de gevolgen van de activiteit wel zijn vast te stellen, maar voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op en planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien.

2.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand van de woningen van eisers 7 tot en met 10, gelegen aan de oostzijde van de Rondweg, tot de projectlocatie varieert van 390 tot 470 meter. Voorts hebben deze eisers vanuit hun woningen geen zicht op de planlocatie door de afschermende werking van bebouwing aan de westzijde van de Rondweg.

2.5

De afstand van de woning van eisers 2 tot de projectlocatie bedraagt, zo blijkt uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting, 260 meter. Voorts is er vanuit de woning van eisers 2 aan de Elsenerbroekweg 4 vanwege het tussenliggende talud en de groenstrook langs de N347 geen zicht op de projectlocatie.

2.6

Hieruit volgt dat eisers 2, 7, 8, 9, 10 en 11 niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb en dat het beroep van eisers 2, 7, 8, 9, 10 en 11 daarom niet-ontvankelijk is.

2.7

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers 1, 3, 5, en 6 ontvankelijk is.

Zoals verweerder ook erkent zullen eisers 1, 3, 5 en 6 vanwege het open karakter van het landschap ter plaatse en de landschappelijke inpassing gevolgen van enige betekenis ondervinden voor het uitzicht. De rechtbank gaat dan ook over tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Bestemmingsplan

3.1

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2009” heeft het perceel aan de Boltensweg te Enter de bestemming ‘Agrarisch’ met aanduiding ’Reconstructiewetzone-Verwevingsgebied’. Ter plekke zijn bouwwerken met een hoogte van 2 meter toegestaan (artikel 3.2.1.a planvoorschriften). De zonnepanelen die een hoogte hebben van 1,5 meter boven het maaiveld, passen binnen dit planvoorschrift.

3.2

De strijd van het project met het bestemmingsplan bestaat er uit dat een zonnepark niet past binnen de in artikel 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving.

3.3

Verweerder heeft bij het bestreden besluit omgevingsvergunning verleend voor zowel de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo als de activiteit ‘planologisch afwijkend gebruik’ zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo.

Aan het project is op grond van artikel 2.23 van de Wabo een instandhoudingstermijn van 25 jaar gekoppeld. Verweerder heeft aan de vergunning het voorschrift verbonden dat het zonnepark na 25 jaar na ingebruikname van het park dient te worden verwijderd en verwijderd te worden gehouden.

Volgens verweerder past het plan binnen de op 2 april 2019 door de gemeenteraad vastgestelde kadernota ‘Grootschalige Duurzame Energie in de gemeente Wierden’.

3.4

Voor de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

De rechtbank bespreekt hieronder de beroepsgronden.

Strijd met het bestemmingsplan

4.1

Eisers stellen dat het project in strijd is met de artikel 3.4b 3.2 van de planregels omdat het bouwwerk niet grenst aan de bestemming “Wonen, Wonen- landhuis”, de afstand tot de grens van het bouwblok meer dan 50 meter bedraagt, de oppervlakte aan zonnepanelen meer dan 500 m2 bedraagt, de hoogte meer dan 1,5 meter bedraagt, de noodzaak om buiten het bestemmingsvlak te bouwen niet (voldoende) is onderbouwd, de zonnepanelen landschappelijk niet ingepast worden en niet de afwijking genoemd in artikel 3.6, aanhef en onder g, van de planvoorschriften wordt toegepast.

4.2

De rechtbank overweegt dat artikel 3.4b 3.2 geen onderdeel uitmaakt van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan en ook overigens niet duidelijk is welk planvoorschrift eisers beogen met de door hen gestelde strijdigheid.

Zoals overwogen onder 3.2 is het projectplan (uitsluitend) in strijd met de in artikel 3.1 van de planvoorschriften opgenomen bestemmingsomschrijving. Van strijd met een ander planvoorschrift is de rechtbank niet gebleken.

Bevoegdheid verweerder: vvgb

5.1

Eisers stellen dat verweerder niet bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen nu de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ontbreekt.

5.2

De rechtbank overweegt dat de gemeenteraad op 2 april 2019 de kadernota ‘Grootschalige Duurzame Energie in de gemeente Wierden’ heeft vastgesteld en daarbij initiatieven van zonneparken die passen binnen de kadernota heeft aangewezen als een categorie van gevallen waarin geen verklaring van bedenkingen is vereist. Dat in de kadernota in hoofdstuk 7 ‘Procedure’ op pagina 32 staat dat bij projectomgevingsvergunningen voor zonneparken het initiatief aan de raad wordt voorgelegd voor het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen, doet, anders dan eisers stellen, hieraan niet af nu de raad bij vaststelling van de kadernota tevens een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor heeft genomen.

5.3

Het in geding zijnde zonnepark is geprojecteerd in deelgebied ‘Stuwwal van Enter’ waar volgens de bijlage bij de kadernota langs de N347 maximaal 3 kleine zonneparken zijn toegestaan. Het gaat hierbij volgens de kadernota (hoofdstuk 6, landschappelijke inpassing) om een kleinschalig landschap waar ruimte is voor relatief kleine zonneparken, ter grootte van circa 4 hectare.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat het vergunde zonnepark van 4,9 hectare volgens de kadernota geldt als klein zonnepark omdat in de kadernota geen strikte omvang wordt genoemd maar een grootte van ‘circa’ 4 hectare en overigens in dezelfde paragraaf wordt aangegeven dat is uitgegaan van zonneparken ter grootte van het reeds bestaande zonnepark de Groene Weuste van 4,5 hectare.

Verder kent de kadernota uitsluitend kleine en grote zonneparken en is volgens de kadernota eerst sprake van een groot zonnepark bij 8 hectare of meer.

5.5

Ook stelt de kadernota eisen aan de landschappelijke en maatschappelijke inpassing van zonneparken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt ook aan die eisen voldaan en zal zij dit uitleggen onder 11. en 12.

5.6

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het projectplan past binnen de kadernota.

5.7

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen verklaring van geen bedenkingen was vereist.

Bevoegdheid verweerder: Niet overeenkomstig aanvraag

6.1

Eisers stellen dat niet op de aanvraag is beslist omdat de aanvraag niet aangeeft dat het gaat om een tijdelijk bouwwerk.

6.2

Voor zover eisers beogen te stellen dat de omgevingsvergunning niet overeenkomstig de aanvraag is verleend, overweegt de rechtbank dat belanghebbende in het aanvraagformulier weliswaar heeft aangegeven dat het niet om een tijdelijk bouwwerk gaat maar in de ruimtelijk onderbouwing duidelijk heeft geschreven dat het om een tijdelijk bouwwerk gaat dat, overeenkomstig het door verweerder gehanteerde beleid, na 25 jaar zal worden ontmanteld.

6.3

Van het niet verlenen van de omgevingsvergunning overeenkomstig de aanvraag is dan ook geen sprake.

Tijdelijkheid aannemelijk?

7.1

Eisers stellen dat de tijdelijkheid van het zonnepark en het teruggaan naar de originele bestemming niet aannemelijk is omdat daarmee sprake zal zijn van kapitaalvernietiging.

7.2

De rechtbank overweegt dat bij een tijdelijke omgevingsvergunning slechts feitelijk mogelijk en aannemelijk dient te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De rechtbank acht het aannemelijk dat het zonnepark (bestaande uit onderconstructies, trafo’s, hekwerken en panelen) zonder onomkeerbare gevolgen kan worden verwijderd. Anders dan eisers veronderstellen is terugkeer naar de originele bestemming na het verstrijken van de termijn waarvoor vergunning is verleend ingevolge artikel 2.23 van de Wabo geen vereiste (niet is uit te sluiten dat het zonnepark wordt ingepast in een nieuw bestemmingsplan.)

Geen welstandsadvies

8.1

Volgens eisers is het plan ten onrechte niet voorgelegd aan de dorpsbouwmeester.

8.2

De rechtbank overweegt dat een welstandsadvies zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo niet is vereist voor een tijdelijk bouwwerk als het onderhavige dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.

Alternatief

9.1

Voor zover eisers stellen dat het zonnepark ook elders gerealiseerd kan worden, maar met minder planologische verslechtering, bijvoorbeeld op bedrijventerrein 'De Elsmoat' overweegt de rechtbank dat verweerder over het project dient beslissen zoals dat is aangevraagd. Dat betekent onder meer dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren (uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112).

9.2

Eisers motiveren overigens niet waarom de door hen aangedragen locatie geschikter zou zijn.

Noodzaak

10.1

Eisers stellen dat de noodzaak voor het realiseren van het zonnepark onvoldoende is aangetoond.

10.2

In de kadernota, waaraan de omgevingsvergunning is getoetst, is ingegaan op de afspraken die mondiaal, nationaal en regionaal zijn gemaakt over het terugdringen van broeikasgassen, en de keuze van de gemeenteraad voor energie uit zonneparken.

10.3

Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het windpark een bijdrage levert aan het behalen van de doelstelling om te komen tot een meer duurzame energievoorziening en daarmee in redelijkheid nut en noodzaak kunnen aannemen. Daarbij is van belang dat bij keuzes voor het beleid omtrent het vergroten van het aandeel duurzame energie politieke en bestuurlijke overwegingen een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat in dat verband aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen.

Maatschappelijk draagvlak

11.1

Eisers stellen dat van maatschappelijk draagvlak en participatie geen sprake is geweest. Er zijn slechts 2 informatieavonden geweest waar vergunninghoudster alleen informatie gaf en eisers geen vragen konden stellen. Met eisers zelf is nooit gesproken. Voorts komen de opbrengsten niet ten goede aan eisers.

11.2

De rechtbank stelt vast dat het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend is voorbereid met toepassing van de daarvoor in de Wabo en de Awb gestelde regelgeving.

11.3

Er is geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe zonnepark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Dat is, anders dan eisers menen, ook de strekking van de kadernota. In de kadernota staat niet dat de omgevingsvergunning niet mag worden verleend als draagvlak of een vorm van participatie ontbreekt. Daarin wordt de wens tot uitdrukking gebracht dat voldoende maatschappelijk draagvlak wordt verkregen, door het creëren van een maatschappelijke meerwaarde.

11.4

Verweerder heeft toegelicht dat overeenkomstig dat streven in een vroeg stadium in 2018 en 2019 een drietal bijeenkomsten is georganiseerd voor de buurtbewoners, waaronder eisers. Voor het verkrijgen van draagvlak is met de uitwerking van het plan rekening gehouden met de door hen naar voren gebrachte wensen en suggesties tijdens die bijeenkomsten over met name de landschappelijke inpassing.

Verder krijgen particulieren en bedrijven de mogelijkheid om financieel te participeren in het zonnepark en actief te profiteren van de op het zonnepark geproduceerde duurzame stroom en vindt financiële participatie plaats via een gebiedsfonds. Het gebiedsfonds heeft als doel kwaliteitsinvesteringen te doen ter compensatie van kwaliteitsverlies door het zonnepark.

11.5

De omstandigheid dat een aantal omwonenden zich ondanks dit proces niet gehoord voelt en zich niet kan verenigen met het zonnepark, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. Zoals de Afdeling in een vergelijkbare zaak maar dan ten aanzien van een windpark heeft overwogen (uitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112), is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De vraag of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het zonnepark goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal hierna aan de hand van de beroepsgronden over met name het verlies van uitzicht worden beoordeeld.

Landschappelijke inpassing

12.1

Eisers stellen dat de het zonnepark landschappelijk niet wordt ingepast, danwel dat de landschappelijke inpasbaarheid niet is aangetoond.

Eisers stellen in dat verband dat zij het er niet mee eens zijn dat de zonnepanelen pal voor hun neus worden gebouwd waarmee zij hun vrije uitzicht kwijt zijn.

12.2

In de ruimtelijke onderbouwing van Mees Ruimte & Milieu van 19 september 2019, die deel uitmaakt van de bestreden omgevingsvergunning wordt ingegaan op de gevolgen van het zonnepark voor het landschap. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het park is er een inpassingsplan opgesteld door landschapsarchitectenbureau Feddes en Olthof dat als bijlage deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing. Volgens het inpassingsplan zullen aan de zuidzijde van het projectgebied eiken en struweel worden geplant (of gepland?) om het zicht op de zonnepanelen te ontnemen. Om het gebied een aantrekkelijke uitstraling te geven zal bloemrijk kruidenmengsel worden geplant. Aan de noord- en oostzijde worden stroken met groen ingeplant om het gebied ook vanaf die zijden een aantrekkelijke uitstraling te geven.

12.3

Aan de omgevingsvergunning heeft verweerder het voorschrift verbonden dat de landschappelijke inpassing conform het inpassingsplan uiterlijk één jaar na plaatsing van het zonnepark moet zijn gerealiseerd, waarmee de landschappelijke inpassing handhaafbaar is

12.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op wat in de ruimtelijke onderbouwing staat in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare gevolgen voor landschappelijke waarden zullen voordoen.

Uitzicht

13.1

Voor wat betreft het door eisers gestelde onaanvaardbare verlies van uitzicht overweegt de rechtbank als volgt.

13.2

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge het vigerende bestemmingsplan het reeds mogelijk is om bouwwerken ten dienste van de agrarische bestemming op te richten met een maximale hoogte van 2 meter. De in geding zijnde panelen krijgen een hoogte van 1,5 meter ten opzichte van het maaiveld, waarbij tevens relevant is dat het plangebied circa 1,25 meter lager ligt dan de naastgelegen N347 en circa, 0,70 meter lager dan de zuidzijde van de Boltensweg.

13.3

Nu het project is voorzien van een goede landschappelijke inpassing kan niet worden gezegd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van omwonenden.

Uitvoerbaarheid

14.1

Eisers stellen dat de uitvoerbaarheid van het projectplan niet is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie.

14.2

De rechtbank overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing uitvoerig wordt ingegaan op deze door eisers genoemde aspecten. Nu eisers niet concreet aangeven wat er niet juist is aan deze onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing, slaagt deze beroepsgrond niet.

Ruimtelijke onderbouwing

15.1

Tot slot stellen eisers dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3.1.6 van het Bro tot stand is gekomen. Eisers hebben hierbij niet concreet gemaakt waarom de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

16 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van het zonnepark. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

17. Het beroep van eisers 1, 3, 5 en 6 is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers 2, 7, 8, 9, 10 en 11 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eisers 1, 3, 5 en 6 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Landstra, als griffier op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aanvraag – voor zover hier relevant en kortgezegd – in strijd is met het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend wordt dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.