Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1160

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
AK_20_624
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering; aanwezigheid op de werkplek buiten de afgesproken werktijden is voldoende verklaard; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser en [naam 1] (hierna: [naam 1] ) ingetrokken met ingang van 1 maart 2019. De als gevolg hiervan over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 april 2019 ten onrechte betaalde bijstandsuitkering van € 872,52 netto heeft verweerder van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L.C. Visser en M.J. Nieuwland.

Overwegingen

Wat aan het besluit is voorafgegaan

1. Eiser en [naam 1] hebben vanaf 21 maart 2011 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm voor gehuwden. Vanaf 2016 is eiser werkzaam bij [naam 2] te Hengelo. Aanvankelijk werkte hij daar 10 uur per week op wisselende tijden.

Bij besluit van 10 januari 2019 heeft verweerder eiser de verplichting opgelegd vanaf

7 januari 2019 wekelijks ingevulde en ondertekende weekroosters in te leveren bij verweerders afdeling Werk en Inkomen. Daarbij is eiser meegedeeld dat hij er rekening mee moet houden dat verweerder kan controleren of hij de roosters naar waarheid invult en dat het gevolgen kan hebben voor zijn uitkering als dit niet het geval blijkt te zijn. Tegen dit besluit is geen bezwaar aangetekend.

Eiser heeft verweerder een arbeidsovereenkomst van 28 februari 2019 toegestuurd waaruit blijkt dat hij met ingang van 1 maart 2019 in dienst is getreden bij [naam 2] voor 25 uur per week als garagemedewerker.

Bij besluit van 15 maart 2019 heeft verweerder eiser en [naam 1] meegedeeld dat tussen eiser, de werkgever en de gemeente is afgesproken dat eiser vaste uren werkt. Eiser werkt van maandag tot en met vrijdag van 10:00 uur tot 15:00 uur. Bij afwijkende werktijden dient eiser telefonisch of per e-mail een dag van tevoren contact op te nemen met zijn contactpersoon. Verweerder heeft eiser erop gewezen dat het gevolgen kan hebben voor zijn uitkering als hij zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Vanaf 1 maart 2019 hoeft eiser de weekoverzichten niet meer in te leveren. Ook tegen dit besluit is geen bezwaar aangetekend.

Verweerder heeft aanleiding gezien een onderzoek te starten naar eisers werkzaamheden.

In het kader van dit onderzoek zijn waarnemingen verricht (vanaf de openbare weg) op het uitkeringsadres en bij [naam 2] in de periode van 12 februari 2019 tot en met 18 mei 2019. Ook is met eiser en [naam 1] afzonderlijk gesproken op 24 mei 2019.

Op 29 mei 2019 is gerapporteerd door verweerders afdeling Handhaving. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Standpunten van partijen

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij de observaties is gezien dat eiser eerder dan de afgesproken aanvangstijd bij [naam 2] aanwezig is en later dan de afgesproken eindtijd vertrekt. Ook is eiser op zaterdag in en bij dit bedrijf gezien. Eiser heeft dit bevestigd in het gesprek op 24 mei 2019. Hij heeft van zijn aanwezigheid geen mededeling gedaan aan verweerder. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan de verplichting die hem is opgelegd met het besluit van 15 maart 2019 en heeft eiser zijn inlichtingenverplichting geschonden. Eiser heeft niet met concrete verifieerbare gegevens aangetoond dat hij en [naam 1] over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 april 2019 wel recht hebben gehad op (aanvullende) bijstand. Eiser heeft geen eigen registratie, administratie of boekhouding bijgehouden, waaruit blijkt op welke dagen en gedurende welke uren hij heeft gewerkt bij [naam 2] . Volgens verweerder moet daarom het recht op bijstand worden ingetrokken met ingang van 1 maart 2019 op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (PW). Verweerder heeft gekozen voor 1 maart 2019 als ingangsdatum, omdat dit de ingangsdatum is van de arbeidsovereenkomst.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van geld/giften die hij heeft ontvangen van zijn broer in de periode voorafgaand aan het verhoor op 24 mei 2019. Eiser heeft hiervan geen deugdelijke administratie overgelegd, dan wel heeft hij anderszins inzichtelijk gemaakt om welke bedragen het gaan en met welke frequentie hij deze heeft ontvangen. Verweerder is van oordeel dat ook op grond hiervan niet langer kan worden vastgesteld of en tot welk bedrag er recht op (aanvullende) bijstand heeft bestaan vanaf 1 maart 2019.

2.2

Eiser stelt dat verweerder niet op grond van artikel 55 van de PW de voorwaarden heeft kunnen stellen die zijn gesteld. Tevens dienen voorwaarden opgelegd te worden tegelijk met de toekenning, dan wel voortzetting van de bijstand. De brief van 15 maart 2019 is volgens eiser niet aan te merken als een dergelijk besluit.

Eiser stelt dat het uit de waarnemingen verkregen bewijs onrechtmatig is. Er was geen aanleiding om hem te observeren en verweerder heeft niet onderzocht of er minder belastende manieren zijn om te controleren of eiser meer uren werkt dan overeengekomen. Zo had verweerder navraag kunnen doen bij de werkgever omtrent het aantal uren dat eiser heeft gewerkt. Volgens eiser is in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer.

Eiser bestrijdt dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft niet meer dan 25 uur per week gewerkt. Volgens eiser is er geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting, indien hij in een week 25 uur werkt, maar deze uren incidenteel anders worden verdeeld, omdat het werk dit vraagt. Indien er twijfels zijn met betrekking tot de verklaring van eiser mag van verweerder verwacht worden dat deze verklaring wordt geverifieerd bij de werkgever.

Verweerder heeft eiser verder onvoldoende duidelijk gemaakt dat met gewerkte uren in het kader van de PW iets anders wordt bedoeld dan gewerkte uren in het normale spraakgebruik. Pas in het gesprek met de handhavingsmedewerkers is hem hierover uitleg gegeven.

Bij het besluit van 15 maart 2019 is eiser niet de verplichting opgelegd zijn aanwezigheid op de werkplek te melden, maar slechts afwijkende werktijden.

Dat eiser iets eerder aanwezig is op de werkplek rechtvaardigt niet de veronderstelling dat sprake is van werkzaamheden. Hetzelfde geldt voor een korte periode na afloop van de gebruikelijke werktijd. Slechts op één dag is waargenomen dat eiser voor 10:00 uur komt aanrijden op de werkplek, namelijk op 15 mei 2019 om 9:33 uur. Eiser rijdt verder in verschillende auto’s van het bedrijf en heeft ook auto’s geleend voor privégebruik.

Met de waarneming dat een bepaald voertuig op een bepaalde plek staat, heeft verweerder niet bewezen dat eiser daadwerkelijk aanwezig was op de werkplek en werkzaamheden heeft verricht.

Als eiser de inlichtingenverplichting al heeft geschonden, heeft verweerder niet aangetoond dat dit vanaf 1 maart 2019 het geval is. In de eerste plaats omdat eiser pas per brief van 15 maart 2019 de verplichting is opgelegd afwijkende werktijden op te geven en in de tweede plaats omdat pas op 23 april 2019 is geconstateerd dat eiser later op de werkplek aanwezig is dan overeengekomen. Eiser ziet dan ook geen grondslag voor herziening of intrekking met ingang van een eerdere datum dan 23 april 2019.

Eiser heeft verklaard dat zijn broer voor hem twee à drie keer de kosten van de kroeg heeft betaald. Het betreft hier giften in natura. Het is eiser nooit kenbaar gemaakt dat hij giften in natura ook moest melden. Van een schending van de op eiser rustende inlichtingen-verplichting is derhalve geen sprake, als hij niet redelijkerwijs kan weten dat het gaat om informatie die van belang is voor het recht op uitkering. Daarnaast kan verweerder op basis van eisers verklaring het recht op bijstand vaststellen.

Juridisch kader

3.1

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

3.2

Artikel 53a, zesde lid, van de PW bepaald dat verweerder bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan verweerder besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

3.3

Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is verweerder op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW gehouden de bijstand te herzien of in te trekken, indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag, respectievelijk ten onrechte bijstand is verleend.

3.4

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW is verweerder verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.

3.5

In artikel 8, eerste lid, van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het oordeel van de rechtbank

4.1

De beoordelingsperiode loopt van 1 maart 2019, de datum met ingang waarvan de bijstandsuitkering is ingetrokken, tot en met 2 juli 2019, de datum van het primaire besluit.

4.2

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3

De vraag ligt dan ook voor of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 1 maart 2019 tot en met 2 juli 2019 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Over de werkzaamheden

4.4

Met het besluit van 15 maart 2019 heeft verweerder eiser en [naam 1] meegedeeld dat tussen eiser, de werkgever en de gemeente is afgesproken dat eiser vaste uren werkt.

Eiser werkt van maandag tot en met vrijdag van 10:00 uur tot 15:00 uur. Bij afwijkende werktijden dient eiser telefonisch of per e-mail een dag van tevoren contact op te nemen met zijn contactpersoon. Verweerder heeft eiser erop gewezen dat het gevolgen kan hebben voor zijn uitkering als hij zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Vanaf 1 maart 2019 hoeft eiser de weekoverzichten niet meer in te leveren. Tegen dit besluit is geen bezwaar aangetekend. Dit besluit is in juridische zin onaantastbaar geworden. Wat eiser over het besluit van 15 maart 2019 heeft aangevoerd zal de rechtbank daarom onbesproken laten. Verweerder heeft eiser kunnen houden aan hetgeen in dit besluit is meegedeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting heeft bevestigd dat voor de werktijden deze afspraak ook echt is gemaakt.

4.5

Eiser stelt dat er voor verweerder geen aanleiding bestond om een onderzoek in te stellen naar de werkzaamheden van eiser en dat de waarnemingen onrechtmatig zijn. De rechtbank is het daarmee niet eens. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is verweerder op grond van artikel 53a van de PW bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2615. Deze stelling van eiser leidt daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

4.6

Uit het rapport van 29 mei 2019 van verweerders afdeling Handhaving blijkt dat de observaties gedurende een periode van drie maanden hebben plaatsgevonden. In die maanden hebben de sociaal rechercheurs in de periode van 12 februari 2019 tot en met 18 mei 2019 (vanaf de openbare weg) waarnemingen gedaan op het uitkeringsadres en bij [naam 2] . Het betreft 39 waarnemingen op 17 dagen. De waarnemingen zijn gericht geweest op eiser en op de auto’s waarmee hij zich verplaatste. Op 11 dagen is in totaal 14 maal (meestal één keer op een dag, maar op drie dagen twee maal) geobserveerd bij de woning op het uitkeringsadres. Het gaat om kortdurende observaties. De overige observaties, waarvan enkele gedurende een paar uur, zijn gedaan bij [naam 2] . Eiser lijkt daarbij vier maal te zijn gevolgd. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van technische onderzoeksmiddelen. Wel is eiser op vier verschillende dagen diverse malen gefotografeerd. De observaties zijn erop gericht geweest om vast te stellen of eiser conform de afspraken 25 uur per week werkzaam is geweest.

4.7

Het onderzoek van verweerder had een gerechtvaardigd doel, te weten het tegengaan van misbruik van sociale uitkeringen. Niet gebleken is dat de inbreuk onevenredig is in verhouding tot dit doel. Verweerder stond geen minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking om de rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken. De rechtbank ziet niet in dat het doen van navraag bij de werkgever minder ingrijpend zou zijn voor eiser. Daarmee zou eisers werkgever immers op de hoogte zijn gebracht van het onderzoek naar eiser, wat de rechtbank ingrijpender voorkomt dan observaties vanaf de openbare weg.

Van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM is dan ook geen sprake. De wijze van observeren en de intensiteit daarvan acht de rechtbank niet dusdanig ingrijpend dat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Dat geldt ook voor het feit dat de sociaal rechercheurs foto’s hebben gemaakt. Deze zijn enkel bedoeld ter bevestiging van de observaties.

4.8

Ter zitting heeft verweerder gewezen op de waarnemingen, waaruit is gebleken dat eiser op 23 april 2019, 24 april 2019 en 26 april 2019 na 15:00 uur aanwezig was bij [naam 2] . Ook op zaterdag 18 mei 2019 is eiser gezien in en rond het pand van [naam 2] .

Op 15 mei 2019 om 9:33 uur is waargenomen dat een auto die diezelfde ochtend nog bij eisers woning stond bij [naam 2] stond. Dit is buiten de afgesproken werktijden om en eiser heeft hiervan geen melding gemaakt bij zijn contactpersoon bij de gemeente.

4.9

Op 24 mei 2019 heeft eiser tegenover medewerkers van verweerders afdeling Handhaving erkend dat hij ook op andere tijden dan in het afgesproken tijdvak op het bedrijf [naam 2] aanwezig is geweest. Hij heeft verklaard dat hij op doordeweekse dagen meestal om een uur of negen naar zijn werk rijdt, Hij drinkt daar dan even koffie en komt tot rust, anders dan thuis waar zijn echtgenote en vier kinderen zijn. Eiser heeft ook verteld dat hij vaak later dan 15:00 uur weggaat. Hij drinkt nog even koffie en gaat dan naar huis. De uren die hij buiten het afgesproken tijdvak doorbrengt op het bedrijf zijn voor zijn rust en ontspanning. Hij heeft verder verklaard geen eigen administratie bijgehouden te hebben van de feitelijk gewerkte uren en dagen vanaf 1 maart 2019, omdat dat niet meer hoefde van verweerder. Zijn werkgever hield dat ook niet bij omdat er gewerkt werd volgens de afspraken. Het was ook niet nodig om extra uren te werken omdat het niet zo druk was.

Het koffiedrinken voorafgaand aan het werk, of het appeltje of biertje na het werk of op zaterdag zijn voor eiser geen werk. Hij zag geen reden verweerder daarvan op de hoogte te stellen.

4.10

Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2232, rechtvaardigt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek de vooronderstelling dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank vindt dat eiser het tegendeel voldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat de vooronderstelling dat hij buiten de afgesproken uren op geld waardeerbare arbeid heeft verricht niet opgaat. De rechtbank licht dat oordeel als volgt toe.

4.11

Eiser heeft tijdens het verhoor bij de sociale recherche op 19 mei 2019 verteld dat hij buiten de afgesproken uren op het werk was omdat hij daar de rust en ontspanning vond die er thuis niet was. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij in die periode problemen had met zijn inmiddels ex-echtgenote en dat hij de drukte thuis met vier kinderen uit de weg ging. Hij ging op tijd, rond 9.00 uur, naar het werk of bleef wat langer hangen om koffie te drinken en de problemen thuis te ontlopen. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels is gescheiden.

Op 24 april 2019 is hij bij het bedrijf gezien na 15.00 uur als bestuurder van een auto-ambulance met rollen vloerbedekking. Eiser heeft hierover verklaard dat deze activiteit los staat van zijn werk bij de [naam 2] . De auto-ambulance was niet van zijn werkgever, maar had hij geleend van [naam 3] om een kennis te helpen met het wegbrengen van oude tapijtrollen. Op vrijdagmiddag 26 april 2019 had hij zijn zoon mee om de garage te laten zien en was hij niet aan het werk. Dat geldt ook voor zaterdag 18 mei 2019.

4.12

De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht op de dagen dat hij zijn zoon bij zich had. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan zijn verklaring voor zijn aanwezigheid voor en na de afgesproken werktijden in verband met problemen thuis en ziet in de echtscheiding daarvoor een bevestiging. Verder is de rechtbank het met eiser eens dat het gebruikelijk is dat hij niet pas om 10.00 uur op zijn werk aankomt, maar dat hij wat eerder aanwezig is. Van betekenis vindt de rechtbank ook dat de waarnemingen voornamelijk gericht zijn geweest op eisers aanwezigheid en op die van zijn auto. Uit de waarnemingen blijkt niet wat de precieze activiteiten zijn geweest, zodat deze waarnemingen ook geen afbreuk doen aan eisers eigen verklaring. De rechtbank kent ook gewicht toe aan de omstandigheid dat verweerder de bankafschriften van eiser in deze periode heeft onderzocht en dat daaruit geen bijzonderheden naar voren zijn gekomen. De bankafschriften vormen dus ook geen aanwijzing dat eiser meer op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht dan waarvan verweerder op de hoogte was.

Conclusie is dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden omtrent de omvang van de op geld waardeerbare werkzaamheden bij [naam 2] en de (mogelijke) inkomsten daaruit.

Ten aanzien van de contante bedragen

4.13

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser contante bedragen heeft ontvangen van zijn broer enkel gebaseerd op eisers verklaring op 24 mei 2019. De rechtbank acht deze verklaring echter onvoldoende concreet om hieruit te kunnen concluderen dat eiser te veel of ten onrechte bijstandsuitkering heeft ontvangen in de periode in geding.

4.14

Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser op 24 mei 2019 heeft verklaard dat hij vanaf april 2019 enkele keren geld van zijn broer heeft ontvangen. Gevraagd naar om welke bedragen het gaat heeft eiser verklaard dat hij dat niet meer weet, € 100,-- of € 200,--.

Hoe vaak eiser geld heeft ontvangen en hoeveel hij per keer heeft ontvangen en of de genoemde € 100,-- of € 200,-- een bedrag per keer of een totaalbedrag is, blijkt niet uit eisers verklaring. Eiser heeft de verklaring bovendien niet ondertekend.

4.15

In beroep en ter zitting is aangevoerd dat eiser het geld niet contant heeft ontvangen. Anders dan vermeld in het verslag van de verklaring van 24 mei 2019 heeft eiser verklaard dat zijn broer twee à drie keer de kosten van de kroeg heeft betaald. Het betreft giften in natura. De rechtbank stelt vast dat bij het onderzoek behoudens de enkele verklaring van eiser geen aanwijzingen zijn gevonden dat eiser geldbedragen heeft ontvangen van zijn broer. Zo is geen sprake van bijschrijvingen of stortingen op zijn bankrekening en is er ook geen sprake van een afwijkend bestedingspatroon. Voor zover hierover nog onzekerheid bestaat dient dit in dit geval voor rekening van verweerder te blijven, omdat de bewijslast op verweerder rust.

Conclusie

5. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden en wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden vernietigd. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. Tevens ziet de rechtbank aanleiding het primaire besluit te herroepen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.136,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 534,-- en een wegingsfactor 1) en voor de reiskosten van eiser in verband met het bijwonen van de zitting vast op € 6,60.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.142,60.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Ernens, als griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

de griffier is verhinderd

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.