Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1153

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
84/267786-20 en (gevoegd) 84/299599-20 (P)
vordering TUL: 84/671750-16; TUL 18-671750-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 51-jarige veehouder mag zes maanden lang beroepsmatig geen dieren houden op of rondom zijn boerderij omdat hij in februari 2020 zijn koeien ernstig verwaarloosde. Daarnaast legt de rechtbank Overijssel de man ook een taakstraf op van 90 uur. De boer is eerder veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor het niet goed zorgen voor zijn dieren in 2019. Omdat hij weer de fout in is gegaan wordt nu ook die straf tenuitvoergelegd. Datzelfde geldt voor de bij dat eerdere vonnis voorwaardelijk opgelegde geldboete van 1500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 84/267786-20 en (gevoegd) 84/299599-20 (P)

Parketnummer vordering TUL: 84/671750-16; TUL 18-671750-20.

Datum vonnis: 15 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
1 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de verklaring van verdachte en de vorderingen van de officier van justitie mr. S. Buist.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 84-267786-20:

feit 1: op 17 februari 2020, al dan niet opzettelijk, 36 runderen en 2 kalveren heeft gehouden terwijl deze niet (volgens de regeling) waren geïdentificeerd en/of geregistreerd en onjuiste gegevens heeft gemeld bij de registratie-instantie;

feit 2: op 17 februari 2020 als houder van ongeveer 185 runderen, al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat een deel van die runderen althans 29 kalveren konden beschikken over toereikende, voldoende hygiënische, behuizing;

feit 3: op 17 februari 2020 als houder van ongeveer 185 runderen al dan niet opzettelijk 19 kalveren heeft gehouden in een gebrekkige behuizing, te weten behuizing die scherpe randen of uitsteeksels bevatte waaraan die dieren zich konden verwonden.

Parketnummer 84-299599-20:

feit 1: op 21 september 2020, al dan niet opzettelijk, runderen heeft gehouden terwijl een aantal dieren niet (volgens de regeling) was geïdentificeerd en/of geregistreerd en onjuiste gegevens heeft gemeld bij de registratie-instantie;

feit 2: op 21 september 2020 als houder van (ongeveer) 166 runderen, al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat die runderen beschikten over voldoende hygiënische behuizing, met droge en /of schone ligplaatsen, en/of dat die runderen een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer kregen;

feit 3: op 21 september 2020 als houder van (ongeveer) 166 runderen, al dan niet opzettelijk, kalveren (jongvee) heeft gehuisvest in een gebrekkige behuizing, te weten behuizing die scherpe randen of uitsteeksels bevatte, waaraan de dieren zich konden verwonden.

feit 4: op 4 november 2020, als houder van (ongeveer) 166 runderen, al dan niet opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat de runderen beschikten over voldoende hygiënische behuizing, met droge en /of schone ligplaatsen,

en/of dat die runderen een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer kregen en/of

toegang hadden tot voldoende (en schoon) water.

feit 5: op 4 november 2020, als houder van (ongeveer) 166 runderen, al dan niet opzettelijk

runderen heeft gehuisvest in een gebrekkige behuizing, te weten behuizing die scherpe randen of uitsteeksels bevatte, waaraan de dieren zich konden verwonden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 84-267786-20:

1

hij, op of omstreeks 17 februari 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk,

één of meerdere runderen heeft gehouden, terwijl die dieren niet overeenkomstig de Regeling

identificatie en registratie van dieren was/waren geïdentificeerd en/of geregistreerd, aangezien hij, verdachte,

2 kalveren (NL 572529914 en NL 572529921), althans één of meer rund(eren), niet overeenkomstig het gestelde in artikel 8 lid 1 van die Regeling heeft geïdentificeerd door middel van twee conventionele merken, zijnde oormerken, immers droegen beide kalveren één oormerk (beide met nummer NL 572529914),

en/of

36 runderen, althans één of meer rund(eren) (welke een merk heeft/hebben verloren), niet overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van die Regeling was/waren geïdentificeerd, immers heeft hij, verdachte, niet binnen 3 werkdagen vanaf de dag na de dag waarop het merk/de merken is/zijn verloren een vervangend merk met dezelfde identificatiecode besteld en/of heeft hij, verdachte dat/die rund(eren) niet (uiterlijk) binnen 10 werkdagen nadat het verlies van het merk was geconstateerd hermerkt,

en/of

 als degene die ingevolge het gestelde in artikel 43 van die Regeling gegevens moet melden aan het I&R-systeem (op daartoe bestemde bescheiden), dit niet telkens volledig, juist en naar waarheid heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte in dat I&R-systeem doen voorkomen dat hij houder was van een rund (DE 0537381467) en/of dat rund (NL 647526446) was geslacht op 18 december 2019, zulks terwijl dat telkens niet het geval was;

2

hij, op of omstreeks 17 februari 2020 te Garrelsweer, gemeente Loppersum, in elk geval in

Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 185 runderen, althans een aantal dieren,

al dan niet opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat 29, althans één of meer kalveren (jongvee) (in de oude ligboxenstal aan de linkerzijde, zie pagina 6), over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers stond het mest boven de roosters en/of zat op de buiken en/of poten van dat/die rund(eren) opgedroogde mest en/of verse mest,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

hij, op of omstreeks 17 februari 2020 te Garrelsweer, gemeente Loppersum, in elk geval in

Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 185 runderen, althans een aantal dieren,

al dan niet opzettelijk,

19, althans een of meer kalveren (jongvee) (in de centrale gang in de oude ligboxenstal, zie

pagina 6), heeft gehouden en/of gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en/of scherpe randen en/of uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden, immers bevonden zich in die (afgesloten) centrale gang in de oude ligboxenstal bouwmaterialen, metalen buizen, houten platen, plastic en/of plastic buizen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden.

Parketnummer 84-299599-20:

1

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk,

één of meerdere runderen heeft gehouden, terwijl die dieren niet overeenkomstig de Regeling

identificatie en registratie van dieren was/waren geïdentificeerd en/of geregistreerd, aangezien hij verdachte,

15, althans één of meer rund(eren) (welke een merk heeft/hebben verloren) niet overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van die Regeling binnen 3 werkdagen vanaf de dag na de dag waarop het merk/de merken is/zijn verloren een vervangend merk met dezelfde identificatiecode heeft besteld en/of heeft hij, verdachte dat/die rund(eren) niet (uiterlijk) binnen 10 werkdagen nadat het verlies van het merk was geconstateerd hermerkt,

en/of

 bij 1 kalf (roodbont, geen oormerken) niet overeenkomstig het gestelde in art. 15 van voornoemde Regeling één of meer merken heeft aangebracht binnen drie werkdagen na de dag waarop de geboorte van dat kalf heeft plaatsgevonden,

en/of

 als degene die ingevolge het gestelde in artikel 43 van die Regeling gegevens moet melden aan het I&R-systeem (op daartoe bestemde bescheiden), dit niet telkens volledig, juist en naar waarheid heeft gedaan,

immers heeft hij, verdachte, in dat I&R-systeem doen voorkomen dat rund NL 6795 2943 9 dood was (door een doodmelding op 6-2-2019 te registeren) en/of rund NL 6475 2644 6 geslacht was (door een slachtmelding te doen op 18-12-2019) en/of een kalf (roodbont, zonder merken) was geboren op 23 september 2020 (door een geboortemelding te registeren), zulks terwijl dat telkens niet het geval was;

2

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, althans een aantal dieren, al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat:

A

 1 1 kalf buiten op het terrein (in de verbouwde IBC-vaten, pagina 10 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat kalf niet de beschikking had over een droge en/of schone ligplaats, immers was het strobed nat en/of was het stro vermengd met natte mest, en/of

 1 3, althans één of meer kalveren in de oude ligboxengang (middengang, rechterzijde, pagina 10 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat/die kalveren niet de beschikking hadden over een droge en/of schone ligplaats, immers was de bodem niet droog en/of lag er natte mest vermengd met stro op de bodem, en/of

 één of meer runderen in de nieuwe ligboxenstal (ziekenboeg c.q. afkalfruimte en/of een of meer hokken en/of gangen, pagina 12 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers was toen aldaar de bodem bedekt met natte mest vermengd met paardenmest en/of was/waren de bodem en/of roosters besmeurd met natte en/of aangekoekte mest,

en/of

B.

 2, 2, althans één of meer kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (middengang, rechterzijde, pagina 11 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen/kreeg toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen ruwvoer tot hun beschikking, en/of

 2, 18, althans één of meer kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de linkergang, pagina 11 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen/kreeg toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen geschikt (ruw)voer tot hun beschikking en/of lagen aldaar oude resten van voer vermengd met schimmel, plastic, hout, stenen en/of rubber,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden;

3

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, althans een aantal dieren, al dan niet opzettelijk,

5, althans één of meer kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de middengang aan de rechterzijde, zie pagina 10 proces-verbaal) heeft gehouden en/of gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en/of scherpe randen en/of uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden, immers stond toen aldaar een schuingeplaatst houten hekwerk en/of lagen er losse stukken hout in de ligboxenstal,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden;

4

hij op of omstreeks 4 november 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, althans een aantal dieren, al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat:

A.

11, althans één of meer kalveren in de oude stal (in twee hokken in de middengang aan de rechterzijde, pagina 21 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat/die kalveren niet de beschikking hadden over een droge en/of schone ligplaats, immers bestond de bodem uit natte mest vermengd met stro en/of was de bodem niet droog en/of was/waren dat/die kalf/kalveren vuil van de mest,

en/of

1 kalf (in een hok tegenover voornoemde twee hokken in de middengang, pagina 22 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat kalf niet de beschikking had over een droge en/of schone ligplaats, immers was de bodem nat en/of was dat kalf vuil van de mest,

en/of

 meerdere, althans één of meer rund(eren) in de oude stal (in de linkergang aan de rechterzijde) over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers was/waren de roosters besmeurd met mest,

en/of

B.

14 althans één of meer kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de linkergang aan de rechterzijde, pagina 22 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen/kreeg toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen geschikt (ruw)voer tot hun beschikking en/of werd dit (ruw)voer aangeboden in en/of vermengd met plastic en/of zat er schimmel in het aangeboden voer, en/of

C.

37, althans één of meer runderen (drachtige vaarzen en/of droge koeien) in de oude ligboxenstal (in de linkergang aan de rechterzijde, pagina 23 proces-verbaal) toegang had(den) tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen, immers was/waren onvoldoende drinkbakken aanwezig voor voornoemde (type) runderen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden;

5

hij op of omstreeks 4 november 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, in elk geval in Nederland, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, althans een aantal dieren, al dan niet opzettelijk, 37, althans één of meer runderen (drachtige vaarzen en/of droge koeien) in de oude stal (in de linkergang aan de rechterzijde, zie pagina 23 proces-verbaal) heeft gehouden en/of gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en/of scherpe randen en/of uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden,

immers

 was/waren de ligboxen zo geplaatst dat dat/die rund(eren) met de kopzijde strak tegen de

muur aan stonden en/of niet zelfstandig kon(den) opstaan, en/of

 lag in het hok een metalen plaat met diverse scherpe opstaande randen en/of lagen in het hok losse buizen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

84/267786-20

Op 17 februari 2020 gingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), na overleg met de officier van justitie, voor een inspectie naar het agrarische bedrijf van verdachte, gelegen in Garrelsweer. Het bedrijf van verdachte is een melkveebedrijf, in de vorm van een eenmanszaak, gevestigd te Garrelsweer, aan [adres] .1 De controle werd verricht met het oog op de nakoming van de Regeling identificatie en registratie van dieren, de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, in verband met een eerder opgelegde voorwaardelijke stillegging van de onderneming. Bij aankomst was verdachte op het erf. Na mededeling van het doel van het bezoek heeft de NVWA de controle aangevangen. De bevindingen zijn hierna weergegeven onder ‘De inspectie van 17 februari 2020’.

84/299599-20

Op 21 september 2020 rond 9.45 uur gingen verbalisanten van de NVWA voor een hercontrole opnieuw naar het melkveebedrijf van verdachte, samen met een toezichthoudend dierenarts, drs. [dierenarts] . Vooraf had de NVWA de stallijst opgevraagd. Daarop stonden toen 166 runderen geregistreerd.2 Na een telefoontje kwam verdachte aanlopen; hij vertelde niet fit te zijn. De hercontrole werd verricht.

Ook in de ochtend van 4 november 2020 heeft de NVWA het bedrijf bezocht in het kader van (her-)controle. Verdachte bleek niet op het erf aanwezig te zijn. Tijdens een telefoontje vertelde verdachte al een ronde te hebben gedaan en op bed te liggen.3

De bevindingen van de hercontroles van 21 september 2020 en 4 november 2020 zijn hierna weergegeven, onder ‘de inspectie van 21 september 2020’ en ‘de inspectie van 4 november 2020’.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten onder de parketnummers 84-267786-20 en 84-299599-20 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie gewezen op de bevindingen van de NVWA en de toezichthoudend dierenarts van de NVWA, waaruit blijkt dat tijdens meerdere inspecties van de NVWA op het bedrijf van verdachte ernstige tekortkomingen, zoals ten laste gelegd, zijn geconstateerd.

4.3

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting deels erkend het tenlastegelegde te hebben begaan. Verdachte geeft echter aan met de NVWA van mening te verschillen met betrekking tot de aard en ernst van de toestand op zijn bedrijf en de door de NVWA geconstateerde tekortkomingen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder
parketnummer 84-267786-20 onder 1, 2, 3, en de onder parketnummer 84-299599-20 onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.4

Parketnummer 84-267786-20:

De inspectie van 17 februari 2020 (feiten 1, 2 en 3)

(feit 1)

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen tijdens de controle van 17 februari 2020 in de nieuwe ligboxenstal veel runderen met slechts één oormerk. In het andere oor zat alleen een gat. Verbalisanten zagen 36 runderen met één oormerk en twee runderen zonder oormerken. Aan de hand van een ‘responder’ aan de halsband van die twee runderen moest de identiteit van deze runderen, met behulp van de melkcomputer, worden vastgesteld. Voor een aantal runderen was een oormerk bijbesteld. Vier bijbestelde oormerken waren al binnen, maar niet aangebracht. De oormerken van twee van de runderen bleken al in 2017 en 2018 te zijn bijbesteld. Er was sprake van een bovenmatig merkverlies (17,8%).

Eén rund, met identificatiecode NL 647526446, stond niet op de stallijst. Ten aanzien van dat rund was sprake van een slachtmelding van 18 december 2019. Het rund droeg evenwel een origineel oormerk (ID-code NL 647526446). In het systeem was te zien dat voor dit rund op 27 oktober 2017 en 23 januari 2018 oormerken waren bijbesteld.

Verbalisanten hebben daarop mede aan de hand van de stallijst een 100% controle uitgevoerd op de identificatie en registratie van de runderen. Aan het einde van die controle bleef één rund over (identificatiecode DE 0537381467) dat niet op het bedrijf aanwezig was. Verdachte verklaarde dat dat rund dan waarschijnlijk met de oormerken van een ander rund (code NL 647526446) naar het slachthuis was afgevoerd. Daags na de controle heeft verdachte een foto naar de controleurs gestuurd, van een factuur met slachtdatum 18 december 2019 van een rund met identificatiecode NL 647526446.

Twee jonge kalveren hadden slechts één oormerk in. In het andere oor van die kalveren zat geen gat. Eén van die kalveren, vrouwelijk en Belgisch blauw, had identificatiecode NL 572529914. Het andere, een zwartbont mannelijke kalf, had een oormerk in met dezelfde code. Met behulp van de stallijst is vastgesteld dat het vrouwelijke kalf de identificatiecode NL 572529921 had moeten dragen.5

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 18 februari 2020 erkend dat hij de koeien vaker op merkverlies zou moeten langslopen. De oormerken van het rund met de identificatiecode eindigend op 2644 (de rechtbank begrijpt: 6446) waren waarschijnlijk met die van een ander rund verwisseld, waardoor sprake was van een onjuiste slachtmelding, zo heeft verdachte verklaard.6

(feit 2)

In een gang in de oude ligboxenstal stonden aan de linkerkant 29 kalveren (jongvee). De mest stond daar boven de roosters en aan de buik en de poten van de runderen zat opgedroogde alsook verse mest. De controleurs constateerden dat de mestkelder helemaal vol zat en dat de mest boven de roosters stond.7

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor erkend dat, toen de controleurs er waren, de mest op de roosters stond.8

(feit 3)

De controleurs zagen verder in de oude ligboxenstal, in een centrale gang van de stal en aan de linkerzijde, 19 kalveren/ stuks jongvee staan terwijl zich daar verschillende losse (bouw)materialen bevonden. Er lagen metalen buizen, houten platen, plastic, en plastic buizen waaraan de runderen zich konden verwonden. Tussen de bouwmaterialen liep een rund dat met zijn poot linksachter kreupel liep.9

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor erkend dat dat jongvee op die plek in de stal bij de bouwmaterialen kon komen.10

Parketnummer 84/299599-20

Bevindingen tijdens de inspectie van 21 september 2020

Feit 1:

Eerste gedachtestreepje:

Tijdens de controle op 21 september 2020 zagen de controleurs dat tenminste 15 runderen slechts één oormerk droegen; in het andere oor zat wel een gat. Eén rund had géén oormerken. Dat rund had een halsband met nummer 649. Verdachte verklaarde dat hij telefonisch had doorgekregen welke oormerken waren verloren maar dat hij er nog niet aan was toegekomen om een bestelling te doen. Verdachte heeft aan verbalisanten een door hem ontvangen WhatsApp bericht laten zien waarin de werknummers 0182, 0184, 0206, 2229, 3041, 3407, 5532 en 8434, en 2649 (2 x) stonden vermeld. In geval van merkverlies dient binnen tien werkdagen een vervangend merk te besteld en aangebracht. Bij tenminste vijf runderen had dit niet (tijdig) plaatsgevonden.11

Tweede gedachtestreepje:

Eén roodbont kalf, ouder dan drie werkdagen, had geen oormerken en ook geen gaten in de oren. Verdachte verklaarde dat dat kalf drie weken te vroeg was geboren, en dat hij daarom het kalf niet kon registreren. De verwachte geboortedatum van het kalf zou 20 september 2020 zijn geweest.12

Derde gedachtestreepje:

Op het bedrijf liep een rund met ID-code NL 6795 2943 9 dat niet op de stallijst stond.

In het I & R systeem was te zien dat een rund met deze code een doodmelding had van 6 februari 2019.

Verder zagen controleurs een rund met ID-code NL 6475 2644 6, welk rund niet voorkwam op de stallijst. In het systeem van I & R was te zien dat een rund met die code een slachtmelding had van 18 december 2019.13

Op 12 november 2020 kon aan de hand van het I&R-systeem worden vastgesteld dat verdachte de verloren oormerken nog altijd niet had bijbesteld. De laatste bestelling vond plaats op 2 maart 2020.14 Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 21 september 2020 erkend dat hij ‘rijkelijk te laat’ was met het registreren van de runderen.15

feit 2. 16

Sub A.

Eerste gedachtestreepje:

Tijdens de controle van 21 september 2020 zagen verbalisanten buiten twee IBC-vaten staan, verbouwd tot kalverenhokken. In de hokken zaten kalveren.

Eén van de kalveren was dood.

Het strobed in de hokken was nat en vermengd met natte mest. De kalveren konden daardoor niet droog en onder hygiënische omstandigheden staan of liggen. Voor de hokken hingen melkemmers met daarin oude, aangekoekte, resten van melk, hetgeen er op duidt dat de emmers niet regelmatig worden gereinigd.17

Tweede gedachtestreepje:

In de middengang van de oude ligboxenstal aan de rechterzijde waren kalveren gehuisvest. Er tegenover waren meerdere hokken met in totaal vier kalveren, waaronder een kadaver. Op de bodem van deze hokken, lag natte mest, vermengd met stro. De runderen hadden geen schone en droge ligplaatsen. In de melkemmers, die voor de hokken hingen, zaten oude melkresten en aangekoekte melk, wat erop duidt dat de emmers niet regelmatig worden gereinigd. Het kadaver van het dode kalf was niet afgedekt en daarmee toegankelijk voor vogels, knaagdieren, honden en katten.18

Derde gedachtestreepje:

Controleurs zagen dat het hok van de ziekenboeg c.q. afkalfruimte, in de nieuwe ligboxenstal, achterin niet schoon en droog was. Er lag natte mest vermengd met paardenmest; de runderen konden hier niet schoon en droog liggen.

De roosters in de (nieuwe) ligboxenstal waren besmeurd met natte en aangekoekte mest. Twee van de vier gangen waren afgesloten. De mestrobot was kennelijk al enige tijd niet gebruikt.19

Sub B:

Eerste en tweede gedachtestreepje:

Tijdens de controle zagen verbalisanten een verblijf met twee stuks jongvee. Dit jongvee had geen ruwvoer ter beschikking en gedroeg zich onrustig.

20

In de linkergang van de oude ligboxenstal stonden 18 stuks jongvee, die geen beschikking hadden over voor hen geschikt voer. Er lagen oude voerresten, vermengd met schimmel, plastic, hout, stenen en rubber. De runderen waren onrustig. Tijdens de controle zette verdachte een geplastificeerde baal ruwvoer voor het voederhek, zonder het plastic open te snijden. Verdachte verklaarde dat hij zijn mes kwijt was en dat de runderen zelf wel een gat zouden maken. De runderen gingen door het plastic heen eten.21

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 21 september 2020 erkend dat hij de balen met kuilvoer voor het jongvee nog in het plastic voor het voederhek zet. Verdachte heeft voorts verklaard dat het klopt dat de mestrobot stil stond. Verdachte heeft verklaard door gebrek aan tijd nog niet te zijn toegekomen aan reparatie van het gat in de roosters; daarom had hij twee gangen van de stal afgezet. Verdachte heeft erkend dat het ‘een dikke bende’ wordt, als hij ‘achterin geen fris spul legt.’22

feit 3:

Tijdens de controle stonden in de middengang van de oude ligboxenstal aan de rechterzijde kalveren, met in één van de hokken een dood kalf.

Er stonden vijf kalveren bij elkaar in een hok. In dat hok stond, schuin, een houten hekwerk geplaatst. In het hok lagen losse stukken hout waar de kalveren zich aan konden verwonden.23

De inspectie van 4 november 2020 (feiten 4 en 5)

feit 4:

Sub A:

Eerste gedachtestreepje:

Tijdens de controle op 4 november 2020 zagen de controleurs in de oude stal, in de middengang aan de rechterzijde, twee hokken met kalveren met in het voorste hok vijf kalveren en in het achterste hok zes. De bodem was nat: bedekt met stro vermengd met natte mest. De kalveren waren vervuild door de mest.24

Tweede gedachtestreepje:

In de oude stal waren twee hokken met telkens één kalf. De bodem van die hokken was bedekt met stro, vermengd met natte mest. De bodem was nat en de kalveren waren vuil van de mest.25

Derde gedachtestreepje:

Aan de rechterzijde van de oude stal stonden, in de linkergang, ongeveer 37 runderen. Daar was een doorgang naar een ruimte in de middengang. De roosters waren besmeurd met mest. De runderen gleden uit op de roosters. Verdachte verklaarde tegenover de verbalisanten die roosters nooit schoon te maken; hij maakte alleen de ligboxen schoon.26

Sub B:

In de oude stal in de linkergang, links, stond een groep van 14 stuks jongvee. Eén van die koeien had een lang stuk plastic in haar bek. Verbalisanten zagen dat op de voedergang ruwvoer vermengd met plastic werd aangeboden. In het voer zat bovendien schimmel.27

Sub C:

Voor de groep van ongeveer 37 runderen - in de oude stal aan de rechterzijde, in de linkergang, drachtige vaarzen en droge koeien - was slechts één automatische drinkbak aanwezig. Op basis van hun ervaring stelden verbalisanten vast, mede gelet op het aantal en type runderen, dat deze drinkvoorziening onvoldoende was.28

feit 5

De ligboxen van de groep van ongeveer 37 runderen, in de linkergang van de oude stal, waren zó geplaatst dat de runderen met hun kopzijde strak tegen de muur stonden. Eén koe loeide klaaglijk en plaste en poepte liggend; zij kon niet zelfstandig gaan staan.

Om te gaan liggen of om op te staan, moet een koe een voorwaartse beweging kunnen maken. Deze ligboxen waren voor de grotere koeien te klein. Door de opstelling van die ligboxen konden deze letsel of pijn veroorzaken. Daarnaast was sprake van uitstekende delen, losse materialen, scherpe randen en gaten in de roosters waaraan de runderen zich zouden kunnen verwonden.29

Conclusie.

Op grond van de bevindingen van de verbalisanten en de toezichthoudend dierenarts van de NVWA, zoals hiervoor weergegeven - en in het dossier ook voorzien van ondersteunende foto’s - acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder het onder parketnummer 84/267786-20 1, 2, 3, en de onder parketnummer 84/299599-20 onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, waarbij de feiten ook opzettelijk door de verdachte zijn begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 84-267786-20:

1

hij, op 17 februari 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, opzettelijk,

runderen heeft gehouden, terwijl die dieren niet overeenkomstig de Regeling

identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd, aangezien hij, verdachte,

2 kalveren (NL 572529914 en NL 572529921) niet overeenkomstig het gestelde in artikel 8 lid 1 van die Regeling heeft geïdentificeerd door middel van twee conventionele merken, zijnde oormerken, immers droegen beide kalveren één oormerk (beide met nummer NL 572529914),

en

36 runderen (welke een merk hebben verloren), niet overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van die Regeling heeft geïdentificeerd, immers heeft hij, verdachte, niet binnen 3 werkdagen vanaf de dag na de dag waarop de merken zijn verloren een vervangend merk met dezelfde identificatiecode besteld en/of heeft hij, verdachte die rund(eren) niet (uiterlijk) binnen 10 werkdagen nadat het verlies van het merk was geconstateerd hermerkt,

en

 als degene die ingevolge het gestelde in artikel 43 van die Regeling gegevens moet melden aan het I&R-systeem (op daartoe bestemde bescheiden), dit niet telkens volledig, juist en naar waarheid heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte in dat I&R-systeem doen voorkomen dat hij houder was van een rund (DE 0537381467) en dat rund (NL 647526446) was geslacht op 18 december 2019, zulks terwijl dat telkens niet het geval was.

2

hij, op 17 februari 2020 te Garrelsweer, gemeente Loppersum, als houder van in totaal 185 runderen, opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat 29 kalveren (jongvee) (in de oude ligboxenstal aan de linkerzijde, zie pagina 6), over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers stond het mest boven de roosters en zat op de buiken en/of poten van die runderen opgedroogde mest en/of verse mest,

zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

hij, op 17 februari 2020 te Garrelsweer, gemeente Loppersum, als houder van in totaal 185 runderen, opzettelijk,

19 kalveren (jongvee) (in de centrale gang in de oude ligboxenstal, zie pagina 6), heeft gehouden en gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat

bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en/of geen scherpe randen en/of uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden,

immers bevonden zich in die centrale gang in de oude ligboxenstal bouwmaterialen, metalen buizen, houten platen, plastic en/of plastic buizen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden.

Parketnummer 84-299599-20:

1

hij op 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, opzettelijk, runderen heeft gehouden, terwijl die dieren niet overeenkomstig de Regeling

identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd, aangezien hij verdachte,

15 rund(eren) (welke een merk hebben verloren) niet overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van die Regeling binnen 3 werkdagen vanaf de dag na de dag waarop de merken zijn verloren een vervangend merk met dezelfde identificatiecode heeft besteld en/of hij, verdachte die runderen niet (uiterlijk) binnen 10 werkdagen nadat het verlies van het merk was geconstateerd, heeft hermerkt,

en

 bij 1 kalf (roodbont, geen oormerken) niet overeenkomstig het gestelde in art. 15 van voornoemde Regeling meer merken heeft aangebracht binnen drie werkdagen na de dag waarop de geboorte van dat kalf heeft plaatsgevonden,

en

 als degene die ingevolge het gestelde in artikel 43 van die Regeling gegevens moet melden aan het I&R-systeem (op daartoe bestemde bescheiden), dit niet telkens volledig, juist en naar waarheid heeft gedaan,

immers heeft hij, verdachte, in dat I&R-systeem doen voorkomen dat rund NL 6795 2943 9 dood was (door een doodmelding op 6-2-2019 te registeren) en/of rund NL 6475 2644 6 geslacht was (door een slachtmelding te doen op 18-12-2019);

2

hij op 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat:

A

 1 1 kalf buiten op het terrein (in een verbouwd IBC-vat, pagina 10 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat kalf niet de beschikking had over een droge en schone ligplaats, immers was het strobed nat en was het stro vermengd met natte mest, en

 1 3 kalveren in de oude ligboxengang (middengang, rechterzijde, pagina 10 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die kalveren niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplaats, immers was de bodem niet droog en lag er natte mest vermengd met stro op de bodem, en

 meer runderen in de nieuwe ligboxenstal (ziekenboeg c.q. afkalfruimte en/of een of meer hokken en/of gangen, pagina 12 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers was toen aldaar de bodem bedekt met natte mest vermengd met paardenmest en waren de bodem en roosters besmeurd met natte en/of aangekoekte mest,

en

B.

 2 2 kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (middengang, rechterzijde, pagina 11 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen ruwvoer tot hun beschikking, en

 2 18 kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de linkergang, pagina 11 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen geschikt (ruw)voer tot hun beschikking en lagen aldaar oude resten van voer vermengd met schimmel, plastic, hout, stenen en/of rubber,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

hij op 21 september 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, opzettelijk,

5 kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de middengang aan de rechterzijde, zie pagina 10 proces-verbaal) heeft gehouden en gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en scherpe randen en uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden, immers stond toen aldaar een schuingeplaatst houten hekwerk en lagen er losse stukken hout in de ligboxenstal,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden;

4

hij op 4 november 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, opzettelijk,

er geen zorg voor heeft gedragen dat:

A.

11 kalveren in de oude stal (in twee hokken in de middengang aan de rechterzijde, pagina 21 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die kalveren niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplaats, immers bestond de bodem uit natte mest vermengd met stro en was de bodem niet droog en waren die kalveren vuil van de mest,

en

1 kalf (in een hok tegenover voornoemde twee hokken in de middengang, pagina 22 proces-verbaal) over een toereikende behuizing beschikte onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien dat kalf niet de beschikking had over een droge en schone ligplaats, immers was de bodem nat en was dat kalf vuil van de mest,

en

 meerdere, runderen in de oude stal (in de linkergang aan de rechterzijde) over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, immers waren de roosters besmeurd met mest,

en

B.

14 kalveren (jongvee) in de oude ligboxenstal (in de linkergang aan de rechterzijde, pagina 22 proces-verbaal) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers hadden die kalveren geen geschikt (ruw)voer tot hun beschikking en werd dit (ruw)voer aangeboden in en/of vermengd met plastic en zat er schimmel in het aangeboden voer, en

C.

37 runderen (drachtige vaarzen en/of droge koeien) in de oude ligboxenstal (in de linkergang aan de rechterzijde, pagina 23 proces-verbaal) toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen, immers waren onvoldoende drinkbakken aanwezig voor voornoemde (type) runderen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden;

5

hij op 4 november 2020 te Garrelsweer, in de gemeente Loppersum, als houder van in totaal (ongeveer) 166 runderen, opzettelijk,

37 runderen (drachtige vaarzen en/of droge koeien) in de oude stal (in de linkergang aan de rechterzijde, zie pagina 23 proces-verbaal) heeft gehouden en/of gehuisvest in een behuizing, welke behuizing waarin die dieren verbleven, niet op zodanige wijze was ontworpen, gebouwd en/of onderhouden dat bij die dieren geen letsel of pijn werd veroorzaakt en/of scherpe randen en/of uitsteeksels bevatte, waaraan die dieren zich konden verwonden,

immers

 waren de ligboxen zo geplaatst dat die runderen met de kopzijde strak tegen de

muur aan stonden en/of niet zelfstandig kon(den) opstaan, en

 lag in het hok een metalen plaat met diverse scherpe opstaande randen en lagen in het hok losse buizen,

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar

dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of

categorieën worden gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij:

Parketnummer 84/267786-20

feit 1:

artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 96 Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren juncto artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren junctis de artikelen 8, 16, 39 en 43 van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

feit 2:

artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder d Besluit houders van dieren;

feit 3:

artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, juncto artikel 1.8 lid 2 Besluit houders van dieren.

Parketnummer 84/299599-20

Feit 1:

artikelen 1,2 en 6 van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 96 Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren juncto artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren junctis de artikelen 15, 16, 20, 39 en 43 van de Regeling identificatie en registratie van dieren;

Feit 2:

A: artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder d Besluit houders van dieren;

en

B: artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder e Besluit houders van dieren;

Feit 3:

artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel b van de Wet dieren juncto artikel 1.8 lid 2 Besluit houders van dieren.

Feit 4:

A: artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder d Besluit houders van dieren;

en

B: artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder e en Besluit houders van dieren;

C:

artikel 1, en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 aanhef en onder f Besluit houders van dieren;

Feit 5:

artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel b van de Wet dieren juncto artikel 1.8 lid 2 Besluit houders van dieren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 84/267786-20:

feit 1:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Parketnummer 84/299599-20:

feit 1:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2:

A

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en

B. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 4:

A.

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren , terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en B. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en C. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 5:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 84/267786-20 en de feiten 1 tot en met 5 onder parketnummer 84/299599-20 wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en dat als bijkomende straf de stillegging van de onderneming zal worden opgelegd voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

7.2

Standpunt verdachte

Verdachte heeft de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het advies van de reclassering, waarin wordt geadviseerd tot een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, verplichte deelname aan ambulante behandeling en het verlenen van medewerking aan bewindvoering. Verdachte heeft verklaard te willen meewerken aan ambulante behandeling.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de hoeveelheid feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is als melkveehouder bij herhaling, in meerdere opzichten, ernstig tekort geschoten in de verzorging van de van hem afhankelijke runderen.

Het bedrijf van verdachte heeft al enkele jaren de uitdrukkelijke aandacht van de NVWA. Ondanks een veroordeling door de Economische Politierechter op 19 mei 2019, waarbij als straf onder meer de voorwaardelijke stillegging van de onderneming werd opgelegd, zijn op het bedrijf van verdachte zowel op 17 februari 2020 als op 21 september 2020 en 4 november 2020 vele ernstige tekortkomingen ten aanzien van de zorg voor het vee geconstateerd.

Als melkveehouder is verdachte verantwoordelijk voor de - volledig van zijn zorg afhankelijk zijnde - runderen. Verdachte lijkt het welzijn van zijn vee echter niet serieus te nemen. Door het handelen van verdachte is sprake van onnodig lijden van de runderen.

Verdachte is bovendien (opnieuw) in gebreke gebleven om zijn runderen volledig en/of juist, dan wel tijdig, te identificeren - met behulp van oormerken - en te registreren.

De identificatie- en registratieplicht is van essentieel belang in het kader van het tijdig signaleren van de oorsprong/herkomst van dierziekten in het geval van een eventuele (acute) uitbraak van ziekte(n) en het toezicht op de naleving van de milieuregelgeving.

De rechtbank acht het handelen van verdachte dan ook zeer kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte meermaals onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte al, op vordering van de officier van justitie, om verder dierenleed te voorkomen een voorwaardelijke stillegging van de onderneming opgelegd.

Die eerdere veroordelingen hebben bij verdachte kennelijk geen gedragsverandering kunnen bewerkstelligen. Ondanks de waarschuwingen heeft verdachte zich opnieuw meermalen niet aan de regelgeving gehouden.

Uit het verhandelde ter terechtzitting van 1 maart 2021 blijkt dat verdachte de gebleken, ernstige, tekortkomingen op zijn bedrijf nog altijd bagatelliseert.

De reclassering heeft op 22 februari 2021 advies uitgebracht. De reclassering meldt dat verdachte moeilijk te beïnvloeden is en problemen buiten zichzelf legt. Hij lijkt ook niet veel zelfkennis te hebben en heeft moeite met het vinden van oplossingen. Geconfronteerd met de consequenties van zijn handelen en nalatigheid vervalt verdachte in oude patronen, met vermijding en ontkenning. De recidivekans wordt als gemiddeld ingeschat.

Als beschermende factor wordt gezien dat verdachte zich niet boos of vervelend gedraagt, wanneer de reclassering zich kritisch toont. De reclassering adviseert, voor het geval het komt tot een veroordeling, tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, de verplichting tot deelname aan een ambulante behandeling (bij ‘de Waag’ of een soortgelijke instelling) en het verlenen van medewerking aan (agrarische) bewindvoering.

Verdachte heeft bij herhaling getoond de verantwoordelijkheid voor het bedrijfsmatig houden van dieren niet aan te kunnen.

De rechtbank acht, anders dan de reclassering, in het bijzonder gelet op de forse recidive, oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 90 uren in combinatie met, als bijkomende straf, de onvoorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Gelet op de hierna weergegeven, gelijktijdig genomen beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging (o.a. stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden) leidt de optelsom tot een stillegging van de onderneming voor een (totale) duur van één jaar.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18.671750.16

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 mei 2019, gewezen door de rechtbank Noord-Nederland, is verdachte veroordeeld tot, voor zover hier van belang:

 de voorwaardelijke stillegging van de onderneming van verdachte voor de duur van 6 maanden;

 een geldboete van € 1.500,-- subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk,

met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 28 mei 2019.

Bij vordering van 2 februari 2021 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straffen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd, met dien verstande dat hij de rechtbank in overweging heeft gegeven de voorwaardelijk geldboete niet ten uitvoer te leggen.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan vóór het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Verdachte wist wat hem in het vooruitzicht was gesteld als hij weer de fout in zou gaan. Gelet op de hardnekkige en veelvuldig recidive binnen de proeftijd zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging geheel toewijzen.

De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18.671750.20

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 18.671750.20 gevorderd dat deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat sprake is van een onjuist parketnummer.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18.671750.20 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het parketnummer onjuist is gebleken.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en artikel 7 van de Wet op de economische delicten.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 84/267786-20 onder 1, 2 en 3 en de onder parketnummer 84-299599-20 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

verklaart de onder parketnummer 84/267786-20 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 84-299599-20 onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten strafbaar;

verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 84/267786-20:

feit 1:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Parketnummer 84/299599-20:

feit 1:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2:

A.

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en B. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 4:

A.

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2. lid 10 onder d van de Wet dieren , terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en B. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

en C. het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 5:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 onder b van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 84/267786-20 onder 1, 2 en 3, en het onder parketnummer 84-299599-20 onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde;

straf

Ten aanzien van parketnummer 84/267786-20, onder 1, 2 en 3 en parketnummer 84-299599-20, onder 1, 2, 3, 4 en 5:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 90 (negentig) uren en beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

beveelt de stillegging van de onderneming van de verdachte, waarin de economische delicten zijn gepleegd, voor de duur van 6 (zes) maanden;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf 18-671750- 16

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 mei 2019 met parketnummer 18-671750-16 voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten:

 stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden;

 een geldboete van € 1.500,-- , subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf 18-671750-20

- verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18-671750-20.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en
mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2021.

1 Uittreksel Kamer van Koophandel, pag. 38.

2 Rapportage NVWA opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 9 halverwege.

3 Rapportage NVWA opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 21 onderaan – 26 en pag. 29.

4 Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s of bijlagen, zijn dit pagina’s van of bijlagen bij het proces-verbaal van de NVWA, opgemaakt verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ambtenaren van de VVWA, en gesloten op 17 maart 2020, met bijlagen, en het door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , opgemaakte proces-verbaal van de NVWA, gesloten op 12 november 2020, met bijlagen.

5 Rapportage NVWA 17 maart 2020, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pag. 3 onderaan, pag. 4 bovenaan en onderaan en pag. 5 onderaan.

6 Verhoor van verdachte, rapportage NVWA, pag. 7, eerste en tweede alinea.

7 Rapportage NVWA, pag. 6, tweede alinea, onder kopje ‘Welzijn’.

8 Verhoor van verdachte, rapportage NVWA, pag. 7 halverwege.

9 Rapportage NVWA, pag. 6 vijfde alinea.

10 Verhoor van verdachte, rapportage NVWA, pag. 7, halverwege.

11 Rapportage NVWA, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 27 onderaan en 28 bovenaan.

12 Rapportage NVWA, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 28 onderaan, 29 bovenaan.

13 Rapportage NVWA, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 28 halverwege.

14 Rapportage NVWA, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 29.

15 Rapportage NVWA, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gesloten op 12 november 2020, pag. 31 onderaan.

16 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] van 12 nov. 2020, pag. 10, 11, 12.

17 Rapportage NVWA, 12 nov. 2020, pag. 9 onderaan, pag. 10 bovenaan.

18 Rapportage NVWA, pag. 10 onderaan, onder ‘Oude ligboxen middengang.’

19 Rapportage NVWA, 12 nov. 2020, pag. 11 onderaan, pag. 12 onderaan, pag. 13 bovenaan.

20 Rapportage NVWA pag. 11, vierde en zesde alinea.

21 Rapportage NVWA, 12 nov. 2020, pag. 11 onder ‘Oude logboxenstal’.

22 Verhoor van verdachte 21 september 2020, verklaring t.a.v. feit 2, zie Rapportage NVWA, pag. 30 onderaan en 31 halverwege.

23 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] van 12 nov. 2020, pag. 10 en 11.

24 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 21 – 23, i.h.b. pag. 21 onderaan e.v.

25 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 22 , vijfde en zesde alinea.

26 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 23, derde en vijfde alinea.

27 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 22 onderaan en 23 onderaan.

28 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 23 tweede alinea en onderaan.

29 Rapportage NVWA van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , en [verbalisant 3] , van 12 nov. 2020, pag. 23 derde alinea en pag. 24 vierde alinea.