Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1147

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
08/994539-19 (FP) (P) + 08/994548-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een pluimveebedrijf tot een geldboete van €30.000,- waarvan €15.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het bedrijf hield van 2016 tot en met 2018 meer kippen dan toegestaan en overtrad daarmee de Meststoffenwet.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2021:1145 ECLI:NL:RBOVE:2021:1146 ECLI:NL:RBOVE:2021:1148

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/994539-19 (FP) (P) + 08/994548-15 (TUL)

Datum vonnis: 18 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.,

gevestigd aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H.E. Groeneboer en van wat door de (indirect) bevoegd bestuurder van verdachte, [medeverdachte 1] , en haar raadsman mr. J. Vlug, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte (samen met anderen) in 2016, 2017 en 2018 een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht toestond.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij in het kalender jaar 2016 en/of 2017 en/of 2018 te Manderveen, gemeente Tubbergen, althans in Nederland op een bedrijf met BRS nummer [nummer] , gelegen aan of nabij [adres] , tezamen en in vereninging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk,

-in het kalenderjaar 2016 gemiddeld 87.810 kippen, in elk geval een groter aantal kippen, heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht, en/of

- in het kalender jaar 2017 gemiddeld 50.124,in elk geval een groter aantal kippen, heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht, en/of

- in het kalenderjaar 2018 al dan niet opzettelijk gemiddeld 71.637, in elk geval een groter aantal kippen, heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De inspectie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) heeft gedurende een aantal jaren meerdere controles bij verdachte uitgevoerd. Naar aanleiding van een inspectieverzoek van de NVWA heeft op 21 januari 2019 opnieuw een controle aan [adres] in Manderveen plaatsgevonden. De controle zag onder meer op de beschikbare pluimveerechten van verdachte in de jaren 2016, 2017 en 2018. Voor het houden van pluimvee moet een bedrijf volgens de Meststoffenwet in het bezit zijn van de daarvoor benodigde pluimveerechten. Vanaf 2006 wordt een pluimveerecht uitgedrukt in pluimvee-eenheden (hierna: PE). Voor het houden van gemiddeld één vleeskuiken is 0,48 PE nodig. Op basis van de veesaldokaarten over de jaren 2016, 2017 en 2018 is door de NVWA vastgesteld dat verdachte gedurende deze jaren meer pluimvee in de vorm van kippen (vleeskuikens) heeft gehouden dan volgens het op haar rustende PE-recht was toegestaan.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat per 25 maart 2008 [medeverdacht bedrijf] B.V. (hierna: de Holding) enig aandeelhouder en bestuurder is van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 2] was tot 7 november 2018 enig aandeelhouder en bestuurder van de Holding. Sinds 7 november 2018 is de echtgenoot van [medeverdachte 2] , medeverdachte [medeverdachte 1] , enig aandeelhouder en bestuurder van de Holding. Het bedrijf van verdachte wordt door de echtgenoten gezamenlijk gevoerd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft zich hierbij gebaseerd op het proces-verbaal van de NVWA en de bekennende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , respectievelijk thans en destijds de enig (indirect) bestuurder van verdachte.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel

van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettige vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, opgemaakt proces- verbaal met bijlagen d.d. 7 mei 2019 (met referentienummer 149716/115984/6016718/2);

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2021, voor zover inhoudende de

bekennende verklaring van de enig (indirect) bestuurder van verdachte, als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Aanvullende overwegingen 1

Overschreden hoeveelheid kippen

De rechtbank overweegt dat uit het dossier is gebleken dat verdachte in 2016 gemiddeld 87.810, in 2017 gemiddeld 50.124 en in 2018 gemiddeld 71.637 kippen aanwezig had, en daarmee een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op haar rustende pluimveerecht.2

Nu bij het uitstrepen van de tenlastelegging, inhoudende het laten staan van de hiervoor genoemde aantallen en het doorstrepen van de zinsnede ‘in elk geval een groter aantal kippen’ een tenlastelegging resteert waaruit niet blijkt dat het gaat om een overschrijding van een groter aantal kippen, zal de rechtbank de hoeveelheid kippen niet opnemen in de bewezenverklaring, maar volstaan met ‘een groter aantal kippen dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht’.

Immers, in de tenlastelegging is bij elk van die aantallen niet tot uitdrukking gebracht dat zij groter zijn dan het pluimveerecht dat in het betreffende kalenderjaar op het bedrijf van verdachte rustte. Een bewezenverklaring waarin voormelde aantallen wordt genoemd zou dan leiden tot een onbegrijpelijke feitelijke vaststelling, namelijk dat ‘verdachte in een kalenderjaar een gemiddeld aantal kippen heeft gehouden dan het op haar bedrijf rustende pluimveerecht.’ Een bewezenverklaring van de variant die met de zinsnede “, in elk geval een groter aantal kippen,” bij elk van de hiervoor genoemde kalenderjaren telkens impliciet subsidiair ten laste is gelegd leidt wel tot een begrijpelijke feitelijke vaststelling. De rechtbank zal daarom die subsidiaire variant bewezen verklaren op de wijze zoals onder 4.5 hierna wordt vermeld.

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel medeplegen, aangezien medeverdachten de Holding, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , naar het oordeel van de rechtbank zijn aan te merken als feitelijk leidinggevende van het door verdachte begane strafbare feit, en het naar het oordeel van de rechtbank in strafrechtelijke zin niet mogelijk is feitelijk leiding te geven aan eigen gedragingen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in het kalenderjaar 2016 en 2017 en 2018 te Manderveen, gemeente Tubbergen, op een bedrijf met BRS nummer [nummer] , gelegen aan [adres] , opzettelijk,

- in het kalenderjaar 2016 gemiddeld een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht, en

- in het kalender jaar 2017 gemiddeld een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht, en

- in het kalenderjaar 2018 gemiddeld een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op haar verdachtes bedrijf rustende pluimveerecht.

De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet juncto artikel la van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete

van € 30.000,-.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is én met de bijzondere omstandigheden die geheel buiten de macht van verdachte liggen en als een soort overmacht kunnen worden aangemerkt.

In 2010 heeft de bank na een tegenvallende productie en winst van verdachte in verband met gebreken aan de in 2003 nieuwgebouwde stallen het krediet aan de BV opgezegd. De bank wenste haar alleen te herfinancieren als de BV haar productie en liquiditeitspositie zou verbeteren. Gelet op signalen en de daarop gebaseerde verwachting dat de mestrechten zouden worden afgeschaft (eerst per 2005, later per 2011) heeft [medeverdachte 1] – hij zag dit als enige keuze om het familiebedrijf te kunnen voortzetten – de mestrechten in samenspraak met de bank verkocht en de benodigde mestrechten vervolgens teruggeleased.

Tot een afschaffing van de mestrechten is het evenwel niet gekomen. De leasekosten stegen vervolgens drastisch en werden in 2015 zelfs hoger dan de opbrengst per kip, waardoor er niet meer winstgevend geproduceerd kon worden. Daarnaast konden de benodigde mestrechten pas in november/december van een productiejaar geleased worden. Vanwege de financiering van de stallen was leegstand ook geen optie. Verdachte verkeerde derhalve in een onmogelijke positie.

De raadsman heeft, mede gelet op de financiële vermogenspositie van verdachte, verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. De oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete betekent een einde van het bedrijf en de mogelijkheid van een nieuwe bedrijfsvoering.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de aard van de onderneming, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft in de jaren 2016, 2017 en 2018 kippen gehouden, terwijl zij niet beschikte over de vereiste pluimveerechten. Verdachte heeft de toegekende pluimvee-eenheden overschreden door gemiddeld in 2016 42.148 PE, in 2017 24.059 PE en in 2018 11.585 PE meer te houden dan was toegestaan. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op het stelsel van de Meststoffenwet dat tot doel heeft het terugdringen van het mestoverschot door een verdere groei van de (pluim)veestapel in te dammen en de daarmee gepaard gaande bescherming van de bodem. Bovendien heeft verdachte een concurrentievoordeel voor zichzelf bewerkstelligd ten opzichte van haar branchegenoten die zich wel aan de voorgeschreven regels hebben gehouden.

Met betrekking tot de door de raadsman naar voren gebrachte omstandigheden overweegt de rechtbank dat het uitstellen van het kopen dan wel leasen van de benodigde pluimveerechten tot het einde van het kalenderjaar, naar het oordeel van de rechtbank een welbewuste (ondernemers)keuze is om die rechten tegen een zo gunstig (laag) mogelijke prijs te verkrijgen. Het behoort dan eveneens tot het (voorzienbare) ondernemersrisico wanneer tegen het eind van 2016, 2017 en 2018 blijkt dat geen (voldoende) rechten meer verkrijgbaar zijn met als gevolg dat de BV in die jaren kippen heeft gehouden zonder over de daartoe benodigde mestrechten te beschikken. Dat wordt niet anders doordat verdachte blijkens de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ter terechtzitting, hoe begrijpelijk en respectabel ook, vast van plan is om haar crediteuren volledig te voldoen. De door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden rechtvaardigen dan ook niet dat in de jaren 2016, 2017 en 2018 kippen zijn gehouden zonder dat over de benodigde pluimveerechten beschikt werd.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 januari 2021. Daaruit is gebleken dat verdachte voor hetzelfde economische strafbare feit in 2017 een transactie heeft opgelegd gekregen en in 2018 voor het meermalen plegen van dit feit is veroordeeld. Daarentegen heeft de rechtbank bij haar afweging met betrekking tot de op te leggen straf rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank houdt voorts sterk rekening met de bedrijfsomstandigheden en de financiële draagkracht van verdachte. Daarnaast weegt zij in het voordeel van verdachte mee dat in 2019 en 2020 wel is voldaan aan de vereiste pluimveerechten.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de door de officier gevorderde geldboete voorwaardelijk op te leggen. Indien het bedrijf wordt voortzet, moet de voorwaardelijke geldboete verdachte ervan weerhouden om opnieuw (te) grote bedrijfsrisico’s te nemen.

Alles afwegende, acht de rechtbank een geldboete van € 30.000,-, waarvan € 15.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 25 juni 2018, gewezen door de rechtbank Overijssel, is verdachte veroordeeld tot, voor zover hier van belang, een geheel voorwaardelijke geldboete van € 45.000, met een proeftijd van drie jaren.

De proeftijd is ingegaan op 10 juli 2018.

Bij vordering van 12 januari 2021 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat de vordering voor één derde wordt toegewezen, te weten een geldbedrag van € 15.000,-. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte, rekening houdend met de omstandigheid dat zij na het veroordelend vonnis van 25 juni 2018 enkel invloed had op het kalenderjaar 2018, voldoende tijd had om ervoor te zorgen dat zij in 2018 over voldoende pluimveerecht zou beschikken. Verdachte heeft het op het laatste moment laten aankomen, waardoor zij zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft om afwijzing van de vordering verzocht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat artikel 63 Sr van toepassing is en dat verdachte zich nooit aan de algemene voorwaarde heeft kunnen houden, nu het ten laste gelegde feit bij de oplegging van de voorwaardelijke straf, reeds was gepleegd. Daarnaast ligt het buiten de schuld van verdachte dat zij in 2018 niet over voldoende pluimveerecht kon beschikken.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is de vordering – gelet op de omstandigheid dat de in 2016 en 2017 bewezenverklaarde gedragingen ten tijde van de vorige strafzaak reeds waren gepleegd – niet voor toewijsbaar voor enige handeling in 2016 en 2017. Dit geldt echter niet voor de gedraging die ziet op kalenderjaar 2018. Hoewel verdachte op grond van het vonnis van 25 juni 2018 wist dat zij geen kippen zonder de daartoe benodigde mestrechten mocht houden, heeft zij opnieuw tot het laatste moment (eind december 2018) gewacht om te trachten de vereiste pluimveerechten te bemachtigen. Hiermee heeft verdachte heel bewust het risico gelopen dat zij zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank kan zich, gelet op het voorgaande, dan ook vinden in de vordering van de officier van justitie en zal de vordering gedeeltelijk toewijzen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 30.000,- (dertigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 15.000,- (vijftienduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige economische strafkamer van de Rechtbank Overijssel van 25 juni 2018 met parketnummer 08/994548-15 voorwaardelijk opgelegde geldboete ten bedrage van

€ 15.000,- (vijftienduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en

mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2021.

Buiten staat

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s of bijlagen, zijn dit pagina’s van of bijlagen bij het proces-verbaal opgemaakt op 7 mei 2019 door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , buitengewoon opsporingsambtenaren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), afdeling Welzijn en Infrastructuur, met referentienummer 149716/115984/6016718/2.

2 Pagina 7 en bijlage 4, 5 en 6.