Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1143

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
08.108628.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 36-jarige man tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het plegen van ontuchtige handelingen met meerdere minderjarige meisjes. Naast de gevangenisstraf moet de man de slachtoffers een schadevergoeding betalen van in totaal bijna 2500 euro en moet hij zich als bijzondere voorwaarde onder andere ambulant laten behandelen.

De man reed meerdere malen doelbewust met zijn auto rondjes door Zwolle en omstreken op zoek naar jonge meisjes. Als hij ze dan tegenkwam vroeg hij aan hen of ze zijn geslachtdeel wilden zien in ruil voor snoepjes of geld. Eén meisje heeft hij zelfs gedwongen ontuchtige handelingen bij hem te plegen. Zij moest dit doen, anders mocht ze de auto niet uit. Ook heeft hij zich in haar bijzin gemasturbeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.108628.20 (P)

Datum vonnis: 18 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1985 in [geboorteplaats] (Sri Lanka),

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Markink-Grolman en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D.G. Hassink, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 2 april 2020 heeft geprobeerd een meisje van zeven jaar ( [slachtoffer 1] ) opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden , dan wel heeft geprobeerd haar getuige te laten zijn van seksuele handelingen;

feit 2: op 2 april 2020 heeft geprobeerd ontuchtige handelingen te plegen met een meisje van twaalf ( [slachtoffer 2] ), dan wel heeft geprobeerd haar getuige te laten zijn van seksuele handelingen;

feit 3: op 4 april 2020 heeft geprobeerd een meisje van acht jaar ( [slachtoffer 3] ) en een meisje van drie jaar ( [getuige 1] )getuige te laten zijn van seksuele handelingen;

feit 4 primair: in de periode van 15 februari 2020 tot en met 19 april 2020 een meisje van negen jaar ( [slachtoffer 4] ) heeft gedwongen tot het plegen van seksuele handelingen bij hem;

feit 4 subsidiair: in de periode van 15 februari 2020 tot en met 19 april 2020 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een meisje van negen jaar ( [slachtoffer 4] );

feit 5: in de periode van 15 februari 2020 tot en met 19 april 2020 een meisje van negen jaar ( [slachtoffer 4] ) heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1
hij op of omstreeks 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en/of beloften van geld en/of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, (vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 1] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je een lift?”, “Wil je geld? ”, “Wil je mijn piemel zien?”, “Wil je mijn piemel zien voor 50 euro" en/of “Wil je mijn piemel zien voor 100 euro?",

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, (vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 1] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je een lift?”, "Wil je geld? ”, "Wil je mijn piemel zien?", “Wil je mijn piemel zien voor 50 euro?” en/of “Wil je mijn piemel zien voor 100 euro?",

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen te plegen,
(vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 2] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Kom eens”, “Wil je geld?”, “Ik heb veel geld”, “Wil je wat voor mij doen?”, “Wil je naast me zitten?” en/of “Wil je aan mijn piemel zitten?”,

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen,
(vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 2] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Kom eens”, “Wil je geld?”, “Ik heb veel geld”, “Wil je wat voor mij doen?”, “Wil je naast me zitten?” en/of “Wil je aan mijn piemel zitten?”,

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
hij op of omstreeks 4 april 2020 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meerdere meisje(s), te weten [slachtoffer 3] , geboren op
[geboortedatum 4] 2011, en/of [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2016, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen,
(vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 3] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je mijn piemel zien?”,

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
die [slachtoffer 5] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je een snoepje?”,

in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 februari 2020 tot en met
19 april 2020 te Zwolle, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2010) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het laten vasthouden en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis,
en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het
- overhalen van die [slachtoffer 4] om in zijn, verdachtes, auto plaats te nemen (om haar een lift te geven) en/of
- aan die, in de auto zittende, [slachtoffer 4] vragen of ze zijn piemel wilde zien en/of
- (nadat die [slachtoffer 4] "nee" had gezegd) ontbloten van zijn, verdachtes, penis en/of
- tegen die [slachtoffer 4] zeggen dat zij alleen de auto uit mocht als zij aan zijn piemel zou zitten en/of- gebruik maken van zijn, verdachtes, overwicht op die veel jongere [slachtoffer 4] en/of
- negeren van de door die [slachtoffer 4] geuite signalen van verzet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 februari 2020 tot en met
19 april 2020 te Zwolle, met (de in zijn, verdachtes, auto zittende) [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 6] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het door die [slachtoffer 4] laten vasthouden en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis;

5
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 februari 2020 tot en met
19 april 2020 te Zwolle, [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2010), van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door in het bijzijn van die (in zijn, verdachtes, auto zittende) [slachtoffer 4] zijn, verdachtes, penis te ontbloten en/of (vervolgens) te masturberen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De modus operandi is gelijk en de verklaringen zijn consistent. De aangiften staan niet op zichzelf en zijn ingebed in de context die bevestiging vindt in andere bronnen. Ten aanzien van feiten 4 en 5 komt de officier van justitie ook tot een bewezenverklaring, op grond van de eigen verklaring van verdachte, de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van [slachtoffer 4] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich wat betreft feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat sprake is van het alternatief tenlastegelegde seksueel corrumperen. Hetzelfde geldt voor feit 3, maar alleen wat betreft de gedragingen ten aanzien van [slachtoffer 3] . De gedragingen jegens [getuige 1] leveren, zonder nadere toelichting, volgens de raadsman geen strafbaar feit op. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de verklaring van [slachtoffer 2] in combinatie met de andere stukken de optie openlaat dat het niet verdachte is geweest die haar heeft aangesproken. Subsidiair heeft de raadsman ook voor dit feit bepleit dat alleen voor het alternatief tenlastegelegde voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Verdachte ontkent stellig de onder 4 en 5 tenlastegelegde gedragingen ooit te hebben verricht. Uit niets blijkt dat hij in de buurt van de plek is geweest waar [slachtoffer 4] woont of in de auto is gestapt. Het signalement dat [slachtoffer 4] heeft gegeven van de persoon komt in het grote lijnen enigszins overeen, maar dit komt met name omdat het signalement te weinig specifiek is. De auto van verdachte is niet wit en geen Toyota. De verklaring van verdachte en [slachtoffer 4] lopen zo ver uiteen dat het onwaarschijnlijk is dat beide verklaringen zien op hetzelfde incident. De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit voor de feiten 4 en 5.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Verdachte heeft over een aantal feiten bekennende verklaringen afgelegd bij de politie en ter terechtzitting. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij in zijn auto rondreed in Zwolle en Apeldoorn op zoek naar jonge meisjes om zijn geslachtdeel aan hen te tonen. Dit alles heeft in een kort tijdsbestek plaatsgevonden. De rechtbank gaat bij de bewijsmotivering daarom uit van telkens dezelfde modus operandi en is van oordeel dat de feiten in dezelfde context en in samenhang met elkaar moeten worden bezien.

Feit 1

Verdachte heeft de tenlastegelegde materiële gedraging bekend2 en zijn verklaring vindt steun in de verklaring die [slachtoffer 1] heeft gegeven tijdens haar studioverhoor.3 De rechtbank is evenwel van oordeel dat de woorden: “Wil je een lift?”, “Wil je geld? ”, “Wil je mijn piemel zien?”, “Wil je mijn piemel zien voor 50 euro" en “Wil je mijn piemel zien voor 100 euro?", niet zonder meer kunnen leiden tot bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd. Wel komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het alternatief tenlastegelegde (het seksueel corrumperen). De door de verdachte gebruikte bewoordingen en de context waarin deze werden gebruikt, leiden tot de conclusie dat verdachte met ontuchtig oogmerk heeft geprobeerd de minderjarige [slachtoffer 1] getuige te laten zijn van seksuele handelingen, zoals bedoeld in artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Feit 2

[slachtoffer 2] was aan het skeeleren op het schoolplein toen zij werd aangesproken door een getinte man in een grijs/blauwe auto, met een donkerblauwe jas met een logo op de mouw. De man vroeg aan haar: “Wil je geld, wil je wat voor mij doen, ik heb veel geld, wil je aan mijn piemel zitten, wil je naast me zitten”.4[slachtoffer 2] heeft gedetailleerd verklaard over onder andere de portemonnee die de man bij zich had. Die was donkerbruin, ongeveer 15 bij 15 centimeter, met een drukknoop. Verdachte heeft zo’n portemonnee.5 Verdachte rijdt in een grijs/blauwe Kia Cerato6 en verdachte is later die dag in Zwolle geweest waar hij [slachtoffer 1] heeft aangesproken (zie hiervoor onder feit 1).

De rechtbank neemt kennis van de verklaring van verdachte dat hij wellicht situaties door elkaar haalt en niet in Zwolle maar wel in Apeldoorn een meisje op skeelers bij een industrieterrein of schoolplein heeft aangesproken. Dit neemt niet weg dat verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij in Zwolle een meisje op skeelers heeft aangesproken, dat hij een bruine portemonnee bij zich had en dat hij graag wil zeggen dat hij gevraagd heeft of het meisje aan zijn piemel wilde zitten.7 De rechtbank is op grond van die wettige bewijsmiddelen overtuigd dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 2] die dag heeft aangesproken. Omdat verdachte aan haar heeft gevraagd of ze aan zijn piemel wilde zitten, is de rechtbank van oordeel dat zijn gedragingen moeten worden gekwalificeerd als een poging om ontuchtige handelingen te plegen met een minderjarige. De verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde alternatief.

Feit 3

Verdachte heeft ten aanzien van de tenlastegelegde materiële gedragingen een bekennende verklaring afgelegd.8 De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich ten aanzien van beide meisjes schuldig heeft gemaakt aan seksueel corrumperen. Verdachte heeft eerst aan [slachtoffer 3] gevraagd of ze zijn piemel wilde zien. Toen zij ‘nee’ zei en zich omdraaide, hoorde zij dat verdachte aan haar zusje vroeg of zij een snoepje wilde hebben. Daarop besloot [slachtoffer 3] haar zusje bij de hand te nemen en tegen haar zusje te zeggen dat ze bij oma wel een snoepje gaan halen.9 Die hele gang van zaken moet worden opgevat als één voortgezette handeling in een poging om beide meisjes zijn geslachtsdeel te laten zien. De vraag ‘wil je een snoepje’ is op zichzelf bezien niet strafbaar, maar moet in de context van de eerdere vraag aan [slachtoffer 3] wel worden opgevat als een poging om ook [getuige 1] getuige te laten zijn van seksuele handelingen. De rechtbank verklaart derhalve feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 4 en 5

Op 21 april 2020 heeft verdachte verklaard over een situatie in Zwolle waarin hij een meisje een lift heeft aangeboden. Het meisje had een tas bij zich met spul erin. Ze was rond de tien à elf jaar oud. Het meisje stapte in zijn auto en hij vroeg of zij wat wilde zien. Ze zei ‘nee’. Ze moest een paar blokken verder en verdachte heeft al rijdend zijn riem en de knoop van zijn broek los en de rits van zijn broek open gemaakt. Daarop heeft verdachte zijn broek en onderbroek naar beneden gedaan. Verdachte had een erectie, maar verklaarde dat hij dat eigenlijk niet wilde. Het meisje kon zijn geslachtsdeel zien, maar had haar tas op haar schoot en keek recht voor zicht uit. Volgens verdachte heeft hij het meisje daarna vlakbij haar huis afgezet. Verdachte weet niet meer op welke dag dit is geweest, wel dat het in de middag was.10

De moeder van [slachtoffer 4] heeft op 11 mei 2020 aangifte gedaan namens haar dochter.11

Via de ouders van een vriendinnetje van [slachtoffer 4] , getuige [getuige 1] , is zij op de hoogte gebracht van wat [slachtoffer 4] is overkomen.

[getuige 1] heeft daarover het volgende verklaard.

[slachtoffer 4] heeft aan haar vriendinnetje [naam 1] , zijn dochter, verteld wat er was gebeurd. Samen hebben zij aan de moeder van [naam 1] verteld wat er was gebeurd. Dat is ergens in maart geweest. Ongeveer vier weken later raakte getuige ervan op de hoogte en die heeft de ouders van [slachtoffer 4] ingelicht. Volgens [getuige 1] vertelde [slachtoffer 4] dat ze terugliep van het circus toen een witte auto met een lichtgetinte man met zwart haar en een zwart stoppelbaardje stopte. Die man dwong haar met woorden in de auto te stappen. De man zat aan de bestuurderskant en heeft haar niet fysiek aangeraakt. Hij vroeg naar haar adres en [slachtoffer 4] gaf antwoord. Toen zijn ze naar de hoek van de straat gereden en op een bepaald moment heeft hij zijn onderbroek naar beneden getrokken en gevraagd aan [slachtoffer 4] "wil je hier voelen". [slachtoffer 4] heeft dat toen gedaan. De man vroeg toen of ze nog een keer wilde voelen. [slachtoffer 4] heeft toen nee gezegd. [slachtoffer 4] is toen uitgestapt en is huilend en met buikpijn thuis gekomen. De vader van [slachtoffer 4] was toen wel thuis maar ze heeft het toen niet verteld.12

Volgens moeder moet het op zaterdag 15 februari 2020 zijn gebeurd, omdat dat een van de laatste keren was dat [slachtoffer 4] naar het kindercircus kon vanwege corona. Het kindercircus duurde tot 12:15 uur. Toen [slachtoffer 4] via de Bachlaan naar huis liep, is ze aangesproken door een man. Die kwam achter haar aan rijden in een witte auto. Het was een getinte man met stoppeltjesbaard en zwart haar boven. Volgens [slachtoffer 4] vroeg hij: "Zal ik je naar huis brengen?". [slachtoffer 4] heeft iets gezegd in de trant van: "Nee, is niet nodig". Hij bleef aandringen. [slachtoffer 4] is uiteindelijk in de auto gestapt.
Daar heeft hij haar gevraagd of geforceerd om aan zij piemel te zitten. Hij heeft ook gezegd: "als je wilt dat ik je weer thuis breng, dan moet je dit eerst bij mij doen'. Dat heeft ze toen ook bij hem gedaan. Hij is toen dezelfde weg terug gereden. Hij zei dat zij aan zijn piemel moest zitten. Hij zei dat ze het zachtjes moest doen. Hij zei ook: "als je het harder doet dan komt er wit spul uit". [slachtoffer 4] haar moeder had haar nog gevraagd of ze niet gewoon uit de auto wilde stappen. Ze zei wel dat ze daar even aan had gedacht toen hij de auto uit was, maar ze was bang dat hij een mes bij zich zou hebben of achter haar aan zou komen.

Op 12 mei 2020 is [slachtoffer 4] in een studio verhoord.13 Zij heeft verklaard dat ze van het kindercircus naar huis moest lopen en er toen een man stopte. Die vroeg of ze wilde instappen. Dat wilde ze eigenlijk niet, maar hij bleef zo lang vragen, dat ze wel moest instappen. Toen is ze ingestapt. Hij reed langs haar huis naar een soort van schooltje, met allemaal poppetjes. Hij zei dat hij iets zou laten zien, maar dat wilde ze niet. Ze zei ook ‘nee’ maar hij deed het toch. Hij zei dat ze alleen uit de auto mocht als ze aan zijn piemel zat. Ze wilde heel graag uit de auto dus deed ze het maar. Ze zag zijn piemel, die was bruin en wees schuin naar beneden. Hij deed voor wat hij wilde dat [slachtoffer 4] zou doen door op en neer gaande bewegingen te maken met zijn hand met de duim en wijsvinger tot een rondje gevormd. Hij zei dat als je dat lang en snel doet, er wit spul uitkomt en dat dat grappig is, maar dat had ze niet gedaan. Ze deed het drie keer op en neer en daarna liet ze los. Hij zei dat ze het met de andere hand ook mocht doen maar dat wilde ze niet. Toen ging hij er zelf mee door, tijdens het rijden, en kwam er wit spul uit. Hij stopte ermee toen hij ongeveer bij haar huis was. Hij heeft haar op de hoek van de straat afgezet.

De verklaring van [slachtoffer 4] is zeer gedetailleerd en consistent met wat zij weken ervoor aan de ouders van haar vriendin en een paar weken daarna, maar twee weken voor het studioverhoor, aan haar eigen ouders heeft verteld. Verdachte heeft herhaaldelijk verklaard dat hij rond reed op zoek naar jonge meisjes om zijn geslachtsdeel aan te laten zien.14 Al vaker had hij aan een meisje gevraagd of ze een lift wilde (zie hetgeen overwogen onder feit 2). Geconfronteerd met de verklaringen van [slachtoffer 4] op 23 juni 2020, verklaart verdachte dat er niets van klopt. Hij had ‘hem niet eens stijf’15, terwijl hij op 21 april 2020 verklaarde dat hij wel een erectie had, maar dat niet wilde.16 De moeder van [slachtoffer 4] heeft verklaard dat ze thuis niet preuts zijn en dat [slachtoffer 4] weet waar kinderen vandaan komen, maar nog helemaal niet met seksualiteit bezig was.17 De rechtbank acht het om die reden hoogst onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 4] , gezien haar gedetailleerde verklaring, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feiten 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, (vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 1] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je een lift?”, "Wil je geld? ”, "Wil je mijn piemel zien?", “Wil je mijn piemel zien voor 50 euro?” en “Wil je mijn piemel zien voor 100 euro?",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 2 april 2020 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen te plegen,
(vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 2] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Kom eens”, “Wil je geld?”, “Ik heb veel geld”, “Wil je wat voor mij doen?”, “Wil je naast me zitten?” en “Wil je aan mijn piemel zitten?”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
hij op 4 april 2020 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meerdere meisjes, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2011, en

[slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2016, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe te bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen,(vanuit zijn, verdachtes, auto) die [slachtoffer 3] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je mijn piemel zien?”, en
die [slachtoffer 5] heeft benaderd/aangesproken met de woorden:
“Wil je een snoepje?”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op een tijdstip gelegen in de periode van 15 februari 2020 tot en met 19 april 2020 te Zwolle, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2010) heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten
- het laten vasthouden en aftrekken van zijn, verdachtes, penis,
en welke andere feitelijkheid bestond uit het
- overhalen van die [slachtoffer 4] om in zijn, verdachtes, auto plaats te nemen (om haar een lift te geven) en
- aan die, in de auto zittende, [slachtoffer 4] vragen of ze zijn piemel wilde zien en
- (nadat die [slachtoffer 4] "nee" had gezegd) ontbloten van zijn, verdachtes, penis en
- tegen die [slachtoffer 4] zeggen dat zij alleen de auto uit mocht als zij aan zijn piemel zou zitten en

- gebruik maken van zijn, verdachtes, overwicht op die veel jongere [slachtoffer 4] en
- negeren van de door die [slachtoffer 4] geuite signalen van verzet;
5
hij op een tijdstip gelegen in de periode van 15 februari 2020 tot en met 19 april 2020 te Zwolle, [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2010), van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door in het bijzijn van die (in zijn, verdachtes, auto zittende) [slachtoffer 4] zijn, verdachtes, penis te ontbloten en (vervolgens) te masturberen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 246, 247, 248a en 248d Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: poging tot een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

feit 2

het misdrijf: poging tot het met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen;

feit 3

het misdrijf: poging tot een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 5

het misdrijf: een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie wenst aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht, verplichte ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers. De officier van justitie heeft verzocht de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de officier van justitie geëist, en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte ging doelbewust op pad met zijn auto om jonge meisjes te zoeken aan wie hij zijn geslachtdeel kon laten zien. Verdachte heeft in korte tijd een aantal zeer jonge meisjes aangesproken met de vraag of ze zijn geslachtsdeel wilden zien in ruil voor geld of snoepjes. Daarnaast heeft hij een meisje van negen gedwongen hem af te trekken in zijn auto, voordat zij die auto mocht verlaten, en heeft hij in haar bijzijn gemasturbeerd.

Verdachte heeft met zijn handelen de onbevangenheid en onschuld van de meisjes ernstig geschaad. Hij heeft daarbij geen enkele acht geslagen op de mogelijke gevolgen daarvan voor deze meisjes. Met zijn gedrag heeft verdachte een normale (seksuele) ontwikkeling van deze meisjes in gevaar gebracht en er blijk van gegeven zijn eigen seksuele behoeften belangrijker te vinden. In het bijzonder feit 4 rekent de rechtbank verdachte zwaar aan nu verdachte de minderjarige [slachtoffer 4] in een zeer benauwde en angstige positie heeft gebracht door haar tegen haar wil in zijn auto mee te nemen en haar niet toe te staan de auto te verlaten voordat zij deed wat hij wilde. Gebleken is dat zij de gevolgen daarvan nog steeds ondervindt.

Verdachte heeft daarnaast ook de grootste angst van de ouders van de slachtoffertjes waargemaakt namelijk dat hun kinderen niet veilig op straat of op het schoolplein konden spelen.

Bovendien heeft verdachte met zijn gedrag ook onrust in de maatschappij veroorzaakt. Wekenlang was in de kranten te lezen dat in Zwolle en Apeldoorn een kinderlokker actief was. Dat zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten en gelet op artikel 22b Sr, kan niet worden volstaan met louter een taakstraf en is een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De reclassering heeft op 15 februari 2021 gerapporteerd over verdachte. De reclassering concludeert dat de vastgestelde 'anders gespecificeerde parafiele stoornis', de (ten tijde van het tenlastegelegde) deels onbevredigende seksuele relatie met zijn partner en een disbalans op het gebied van 'dagbesteding' en 'psychosociaal functioneren' een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het delictgedrag. Door de uitkomsten van het diagnostisch onderzoek en de matig tot hoge kans op recidive vindt de reclassering de door de behandelaar geadviseerde meerdaagse groepsbehandeling bij een forensische zorgaanbieder gerechtvaardigd. Het gegeven dat verdachte de noodzaak niet inziet van een dergelijke behandeling, vindt de reclassering zorgelijk, echter zij schatten in dat hij uiteindelijk zijn

medewerking zal verlenen. De reclassering houdt toezicht op het nakomen van de voorwaarden en ondersteunt verdachte waar mogelijk bij zijn re-integratie in de maatschappij. Verdachte heeft reeds lange ervaring in het functioneren in de maatschappij zonder justitiebemoeienis, hetgeen de reclassering als een positieve factor beschouwt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan de proeftijd verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

De reclassering heeft geadviseerd en de ouders van [slachtoffer 4] hebben namens haar verzocht om een contactverbod op te leggen. De rechtbank begrijpt de zorg van de ouders maar ziet geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod. Uit alles is wordt duidelijk dat het verdachte niet ging om specifieke meisjes maar dat hij zijn slachtoffertjes willekeurig heeft benaderd. Er is geen reden om te vermoeden dat verdachte zich opnieuw tot dezelfde slachtoffers zal richten.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als matig-hoog en er heeft nog geen behandeling plaatsgevonden. De omstandigheid dat verdachte bij de reclassering en ook ter terechtzitting de indruk heeft gewekt dat hij de gevolgen die hij zelf ervaart buitenproportioneel acht, speelt tevens een rol bij de beslissing om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 2] heeft zich namens [slachtoffer 4] als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6967,57 [zesduizendnegenhonderdzevenenzestig euro en zevenenvijftig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- derving inkomsten moeder à € 3400,-;

- reiskosten à € 67,57;

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 3500,- gevorderd.

[naam 3] heeft zich namens [slachtoffer 2] als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 750,- [zevenhonderdvijftig euro], bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voldoende zijn onderbouwd en toewijsbaar zijn.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.

de vordering van [slachtoffer 4]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten 4 en 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] . De vordering is niet betwist. De materiële schade die [naam 2] stelt te hebben geleden, merkt de rechtbank aan als verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De opgevoerde schadepost ten aanzien van de gederfde inkomsten is onvoldoende onderbouwd. Onbekend is of [naam 2] daadwerkelijk afspraken heeft moeten afzeggen en hoeveel. Het uurtarief is evenmin onderbouwd met stukken. De gevorderde reiskosten komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij procedeert met advocaat. In dat geval is artikel 238, lid 2 Rv van toepassing en is voor toekenning van een proceskostenvergoeding wegens reis-, verblijfs- en verletkosten van een partij geen plaats.18 Bovendien ziet de rechtbank geen aanleiding om een hoger tarief dan de gebruikelijke 0,19 cent per gereisde kilometer toe te wijzen. De rechtbank zal de gevorderde materiele schade toewijzen tot een bedrag van (233-7=266km x 0,19=) € 42,94.

De immateriële schade is voldoende onderbouwd en komt voor gedeeltelijke toewijzing in aanmerking. Voor de bepaling van de hoogte ervan zoekt de rechtbank aansluiting bij de ernst van het psychische letsel en ook bij wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend. De rechtbank zal de immateriële schade vaststellen op €2000,-.

De rechtbank zal het gevorderde aldus deels toewijzen tot een bedrag van € 2042,94 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 19 april 2020.

De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.4.2

de vordering van [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De vordering is niet betwist. De immateriële schade is voldoende onderbouwd en komt voor gedeeltelijke toewijzing in aanmerking. De rechtbank zal het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 2 april 2020.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 2, 4 en 5 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14d, 45 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2, 3, 4, en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: poging tot een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

feit 2

het misdrijf: poging tot het met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen;

feit 3

het misdrijf: poging tot een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 5

het misdrijf: een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4, en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op telefoonnummer 088 804 1100 op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij Transfore of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, ook als dit een driedaagse dagbehandeling inhoudt. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de instelling zullen worden gegeven;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feiten 4 en 5) van een bedrag van € 2042,94 (tweeduizend tweeënveertig euro en vierennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten 4 en 5 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2042,94 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 4] , voor een deel van € 4924,63 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) van een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , voor een deel van € 350,- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing schorsing voorlopige hechtenis

- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. M. van Bruggen en

mr. R.P. Adema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2021.

mr. R.P. Adema is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, Team Zeden met nummer ONRBC20426. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting, inhoudende de verklaring van verdachte van 4 maart 2021.

3 Proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [slachtoffer 1] ) van 15 april 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 74-78.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2020 (verhoor [slachtoffer 2] ), inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p. 98-100.

5 Proces-verbaal van bevindingen beschrijving inbeslaggenomen jas en portemonnee van 21 april 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , p. 228-232.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 april 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p. 42.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 april 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p. 51.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting, inhoudende de verklaring van verdachte van 4 maart 2021.

9 Proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor [slachtoffer 3] van 21 april 2020, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , p. 119-120.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 april 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p. 47-48.

11 Proces-verbaal van aangifte van 11 mei 2020, inhoudende de verklaring van [verbalisant 8] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 5] , p. 136-146.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 11 mei 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 10] , p. 147-152.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2020 (studioverhoor [slachtoffer 4] ), inclusief bijlagen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] , p. 157-181.

14 Proces-verbaal ter terechtzitting, inhoudende de verklaring van verdachte van 4 maart 2021.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 juni 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 11] , p. 56.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 april 2020, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p. 48.

17 Proces-verbaal van aangifte van 11 mei 2020, inhoudende de verklaring van [verbalisant 8] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 5] , p. 136-146.

18 ECLI:NL:GHARL:2020:10689.