Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1102

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
08/232455-20 en 08/170262-18 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 49-jarige man tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook krijgt hij een rijontzegging van 12 maanden en moet hij twee politieagenten een schadevergoeding van €850,- betalen. De man zocht ondanks een contactverbod zijn ex-partner op. Toen de politie hem hiervoor wilde aanhouden vluchtte hij en reed hij met hoge snelheid in op een tegemoetkomende politiebus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/232455-20 en 08/170262-18 (tul) (P)

Datum vonnis: 16 maart 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

thans verblijvende in P.I. Vught, PPC, te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

2 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 september 2020 tot en met 15 september 2020 [slachtoffer 1] heeft gestalkt;

feit 2 primair: heeft geprobeerd politieagenten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een auto op hen in te rijden;

feit 2 subsidiair: die politieagenten heeft bedreigd met de dood althans zware mishandeling door met een auto op hen in te rijden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 15 september 2020, te Tubbergen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten van [slachtoffer 1] , door, zittend in een auto, die [slachtoffer 1] op te wachten, wanneer zij tijdens haar pauze naar buiten gaat en (vervolgens), naast die [slachtoffer 1] is gaan rijden en/of vervolgens heeft getoeterd en/of heeft gezwaaid naar die [slachtoffer 1] en/of naast die [slachtoffer 1] is gaan rijden en/of die [slachtoffer 1] via het geopende raam

heeft aangesproken en/of heeft gezegd “Ik wil met je praten en/of Alsjeblieft” en/of ik hou van jou en/of die [slachtoffer 1] achterna is gelopen en/of is gelopen in de richting van die [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2

hij op of omstreeks 15 september 2020, te Vriezenveen, gemeente Twenterand, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , opsporingsambtena(a)r(en) van de Nationale Politie, opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een door hem bestuurde auto (Volkswagen Touran) met grote snelheid, althans met aanmerkelijke snelheid, te rijden in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] , die als bestuurder en/of passagier zaten in een politiebus, en/of door is blijven rijden in de richting van die politiebus, die hem, verdachte, tegemoet reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2020, te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

althans in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , opsporingsambtena(a)r(en) van de Nationale Politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem bestuurde auto (Volkswagen Touran) met grote snelheid, althans met aanmerkelijke snelheid, te rijden in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] , die als bestuurder en/of passagier zaten in een politiebus, en/of door is blijven rijden in de richting van die politiebus, die hem, verdachte, tegemoet reed.

3 De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende ten aanzien van feit 1.

Op grond van artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan vervolging alleen plaatsvinden op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Door [slachtoffer 1] is op 25 februari 2021 een klacht ingediend. Dit is niet binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, Sr. De ratio van de klachtregeling is gelegen in het persoonlijk belang van het slachtoffer, om niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging. De rechtbank stelt vast dat het de bedoeling van aangeefster was dat strafvervolging zou worden ingesteld. Zij heeft aangifte gedaan en een klacht ingediend. Dat de klacht niet tijdig is ingediend doet niet af aan haar bedoeling dat strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat nu van een wens tot vervolging blijkt de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank stelt ook ten aanzien van feit 2 vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Laatste voorvraag

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder feit 1 en de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat uitsluitend wettig en overtuigend is te bewijzen dat verdachte op 15 september 2020 in de richting van

[slachtoffer 1] is gelopen. De raadsman heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde te komen. De raadsman acht het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier het volgende vast.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 1 en 8 september 2020 in haar middagpauze door het centrum van Tubbergen liep en dat verdachte - haar ex-partner - op beide dagen contact met haar heeft gezocht door vanuit zijn auto naar haar te toeteren en te zwaaien terwijl er door de politierechter een contactverbod was opgelegd. Ook heeft hij herhaaldelijk vanuit het geopende autoraam naar haar geroepen dat hij nog een keer met haar wil praten en dat hij van haar houdt.

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 1] op die dagen heeft benaderd.

Blijkens dataverkeer van de telefoon van verdachte is zijn telefoon op 1 en 8 september 2020 in de buurt van Tubbergen geweest.

Op 15 september 2020 hebben verbalisanten in Tubbergen verdachte zien rennen in de richting van [slachtoffer 1] . Zij hebben gezien dat verdachte zich omkeerde toen hij in de gaten kreeg dat hij door de verbalisanten werd achtervolgd.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 september 2020 in de richting van [slachtoffer 1] is gelopen, maar dat hij geen contact met haar heeft gehad omdat hij is omgekeerd.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. De verklaring van aangeefster over de door verdachte verrichte handelingen op 1 en 8 september 2020 vindt onvoldoende steun in het dossier. Er kan enkel worden vastgesteld dat verdachte op

15 september 2020 in Tubbergen in de richting van [slachtoffer 1] is gerend dan wel gelopen. Gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit van die gedraging alsmede de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die [slachtoffer 1] . De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Feit 2

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte is op 15 september 2020 door een politiewagen achtervolgd, omdat hij zich aan zijn aanhouding had onttrokken. Verdachte heeft met een snelheid van circa 120 kilometer per uur gereden toen hij in tegenovergestelde richting een politiebus met daarin politieagenten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan zag komen rijden. De agenten in de politiebus hebben geprobeerd verdachte te laten stoppen door midden op de weg te gaan rijden. Verdachte is met onverminderde snelheid doorgereden en is op de politiebus afgereden zonder daarbij van zijn lijn af te wijken. Toen verdachte met zijn auto op een afstand van minder dan twintig meter van de politiebus was verwijderd, is [slachtoffer 3] , bestuurder van de politiebus, naar rechts uitgeweken. Vlak daarna heeft verdachte zijn auto naar rechts gestuurd in de richting van een boom. Verdachte is met zijn auto tegen die boom tot stilstand gekomen.

Verdachte heeft verklaard dat toen hij de politiebus aan zag komen rijden, hij zich bedacht niet te gaan stoppen voor de politievoertuigen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij in de richting van de boom heeft gestuurd omdat hij op dat moment het leven niet meer zag zitten.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte minstens het voorwaardelijk opzet op de dood van politieagenten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gehad en overweegt daartoe als volgt.

Aanmerkelijke kans op de dood

Door met zijn auto met een hoge snelheid op de politiebus met daarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] af te rijden, bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van die politieagenten. Door de uitwijkmanoeuvre van [slachtoffer 3] is een frontale botsing tussen het voertuig van verdachte en de politiebus voorkomen.

Aanvaarding van die aanmerkelijke kans

Verdachte heeft bewust besloten om op het moment dat hem een politiebus tegemoet kwam rijden die bovendien midden op de weg reed, niet te stoppen en is met een snelheid van circa 120 kilometer per uur doorgereden. Hij heeft vervolgens in de richting van de politiebus met daarin politieagenten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gestuurd en is met onverminderde snelheid in een rechte lijn op hen afgereden. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard. Relevant daarbij is dat verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment het leven niet meer zag zitten. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op de koop heeft toegenomen dat hij ook zelf het leven zou laten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 september 2020 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , opsporingsambtenaren van de Nationale Politie, opzettelijk van het leven te beroven door met een door hem bestuurde auto (Volkswagen Touran) met grote snelheid, te rijden in de richting van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , die als bestuurder respectievelijk passagier in een politiebus zaten en door is blijven rijden in de richting van die politiebus, die hem, verdachte, tegemoet reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2 primair:

het misdrijf: poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het onder feit 2 primair bewezenverklaarde.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering te verbinden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v Sr worden opgelegd, inhoudende dat verdachte zich gedurende een periode van drie jaren niet bevindt in de regio Twente, alsmede dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer 1] heeft of zoekt, op straffe van een week vervangende hechtenis bij elke overtreding hiervan. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregelen gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte ter zake van feit 2 primair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft, nadat hij - ondanks een contactverbod - contact heeft proberen te zoeken met zijn ex-partner, zich aan zijn aanhouding onttrokken door zich tegenover de verbalisanten die hem wilden aanhouden agressief op te stellen, plotseling in zijn auto te stappen en van die verbalisanten weg te rijden. Verdachte heeft zich vervolgens met hoge snelheid op de weg begeven en is daarbij minutenlang door een politiewagen achtervolgd die optische en geluidssignalen voerde. Verdachte wist hierdoor goed dat hij moest stoppen, maar is welbewust doorgereden. Op een hem tegemoetkomende politiebus met daarin twee politieagenten die verdachte ook wilden laten stoppen, is verdachte met hoge snelheid afgereden.

De rechtbank acht dit feit zeer ernstig, omdat verdachte met zijn handelen de politieagenten in de politiebus ernstig in gevaar heeft gebracht terwijl zij hun publieke taak uitoefenden, het bewaren van de rust en veiligheid binnen de samenleving, waar ook verdachte zelf onderdeel vanuit maakt. Dat er geen frontale botsing heeft plaatsgevonden met mogelijk de dood tot gevolg, is niet aan verdachte te danken, maar uitsluitend aan de adequate reactie van de agent die de politiebus bestuurde.

Het handelen van verdachte heeft grote impact gehad op de politieagenten. Uit de slachtofferverklaringen volgt dat zij voor hun leven hebben gevreesd en dat zij na deze gebeurtenis daar last van hebben gehad. Verdachte heeft voor dit alles geen oog gehad en zijn eigen belang om niet aangehouden te worden, voorop gesteld. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur en modaliteit van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 27 januari 2021 blijkt dat verdachte op 19 november 2018 is veroordeeld voor onder meer een mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Over verdachte is op 5 februari 2021 een rapportage opgemaakt door D.J. Burck, GZ-psycholoog. Hierin komt naar voren dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis die tot uitdrukking komt in beperkingen in het cognitief functioneren en aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door een beperkte draagkracht, problemen in de sociale aanpassing en een overwegend vermijdende copingstijl.

Tijdens het plegen van het delict was verdachte als gevolg van de beperkingen voortvloeiend uit de neurobiologische ontwikkelingsstoornis onvoldoende in staat om de situatie waarin hij zich bevond te beoordelen en te overzien. Hij is als gevolg van de bij hem ontwikkelde persoonlijkheidsstoornis vervallen in impulsief en vermijdend gedrag. Volgens de psycholoog is het gedrag van verdachte en de keuzes die hij maakte tijdens het plegen van het delict dusdanig beïnvloed door zijn ontwikkelings- en persoonlijkheidsstoornis dat wordt geadviseerd om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op gewelddadig gedrag wordt door de psycholoog ingeschat als laag tot matig.

De psycholoog heeft geadviseerd verdachte een behandeling te geven die hem inzicht geeft in zijn beperkingen. Hij heeft geadviseerd deze behandeling vanuit een klinisch forensisch kader in te zetten met de mogelijkheid tot doorstroming naar een ambulant kader en eventueel een ambulant nazorgtraject.

De rechtbank neemt de in deze onderzoeksrapportage vermelde bevindingen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde feit.

Over verdachte is een reclasseringsrapport uitgebracht op 23 februari 2021, waarin de conclusies van de psycholoog worden onderschreven. De reclassering schat door de genoemde psychische problematiek het risico op recidive echter in als gemiddeld tot hoog. Verdachte is overeenkomstig het advies van de psycholoog inmiddels aangemeld voor een klinische behandeling en zodra hij plaatsbaar is, kan hij worden opgenomen bij Kompas in Wolfheze. Dit betreft een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA). Gezien het voorgaande, wordt door de reclassering geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij onder meer de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering en opname in een zorginstelling met de mogelijkheid tot doorstroming naar een ambulant kader.

De adviezen zijn met verdachte besproken. Verdachte heeft verklaard zich in de adviezen te kunnen vinden en is bereid zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet worden opgelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht en een klinische behandeling voor de maximumduur van één jaar en aansluitend aan die behandeling een ambulante behandeling.

Ook acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden geboden, gelet op de ernst van dit met een auto gepleegde misdrijf.

8 De schade van benadeelden

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 650,-- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich ten aanzien van feit 2 via de gemachtigde

J. Emmelkamp als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Beide benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 850,-- per persoon wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden toegewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] , nu verdachte van het onder feit 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 850,-- per benadeelde partij, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 2 primair bewezenverklaarde is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 november 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand, omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden door zich schuldig te maken aan een of meer strafbare feiten.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hiervoor bewezenverklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank kan op grond daarvan in beginsel de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen. De rechtbank acht het evenwel in de onderhavige zaak, gelet op de persoon van verdachte en de op te leggen straf, aangewezen om de proeftijd met één jaar te verlengen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c Sr en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

11 De beslissing

De rechtbank:

ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde onder feit 2 primair het volgende strafbare feit oplevert: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen locatie, tijdstippen en data, zo lang de reclassering dat nodig acht;

- zich laat opnemen in een zorginstelling te weten Kompas (FPA Pro Persona te Wolfheze) of een ander door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing nader te bepalen zorginstelling. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering in samenspraak met de behandelaar nodig vindt. In het geval de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang wenselijk acht, zal verdachte meewerken aan de indicatiestelling en plaatsing;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

schadevergoeding

- feit 1: bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- feit 2 primair: veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 850,-- (achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 850,-- (achthonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

15 september 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 17 (zeventien) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- feit 2 primair: veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 850,-- (achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 850,-- (achthonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

15 september 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 17 (zeventien) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 november 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand, met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos , voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland met nummer PL0600-2020439412 van 17 november 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020 van verbalisant [verbalisant] , pagina’s 19 en 20, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag op 15 september 2020 dat er een melding binnenkwam dat verdachte [verdachte] zich had onttrokken aan zijn aanhouding en dat hij in een grijze Volkswagen Touran met kenteken [kenteken] zou zijn weggereden in de richting van Geesteren. De collega's van de 24.03, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , reageerden op deze oproep en zijn hun dienstvoertuig ingestapt om erop af te gaan. Ik ben ook in een dienstvoertuig gestapt. Op een gegeven moment zag ik een grijze Volkswagen Touran rijden. Ik zag dat het kenteken overeenkwam met het eerder doorgegeven kenteken. Ik reed achter de grijze Volkswagen. Ik zag dat de snelheid van de Volkswagen flink omhoog ging. Ik schat dat hij rond de 120 kilometer per uur reed. Ik bleef hem volgen en deed mijn optische en geluidssignalen aan. Op een gegeven moment reed ik rond de 120 kilometer per uur en zag ik dat de afstand steeds groter werd. Ik verhoogde mijn snelheid. Ik zag vervolgens dat de Volkswagen niet afremde op het moment dat hij de bebouwde kom in reed. Ik bleef het voertuig volgen. Toen ik op ongeveer 300 meter van de Volkswagen reed, zag ik in de verte de 24.03 aankomen. Zij kwamen van tegengestelde richting. Ik zag dat de 24.03 midden op de weg ging rijden. Ik zag dat de Volkswagen in eerste instantie niet van zijn lijn afweek en ook rechtdoor reed, op de rechter weghelft. Ik zag vervolgens dat de 24.03 naar rechts uitweek. Direct daarna zag ik dat de Volkswagen plotseling naar rechts stuurde en tot stilstand kwam tegen een boom. Dit was ongeveer tien meter voor het bordje van de bebouwde kom van Vriezenveen.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van 15 september 2020 van verbalisant [slachtoffer 2] , pagina’s 21 en 22, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 september 2020 werd er gemeld dat verdachte [verdachte] er met zijn auto vandoor was gegaan. Wij, collega [slachtoffer 3] en ik, zijn er vervolgens met de politiebus met roepnummer 24.03 op afgegaan. [slachtoffer 3] reed en ik was bijrijder. Ik zag de auto met de verdachte onze kant opkomen. Ik zag dat hij met zijn auto onze kant op stuurde. Ik keek hem recht aan. Ik zag dat hij met zijn stuur bewegingen maakte. Ik zag dat hij recht op ons af kwam, ik zag de blik in zijn ogen want ik keek hem recht aan. Ik zag een auto heel snel onze kant opkomen. Voor ik het wist was de auto met de verdachte al heel dichtbij. Ik weet nog dat ik heel hard heb geroepen: pas op, hij komt op ons af, hij gaat ons rammen. Ik had echt het gevoel dat de verdachte opzettelijk op ons in wilde rijden. Ik pakte het portier vast en ik zette mijn voeten schrap op de grond om de klap op te vangen. Ik wachtte tot de klap zou komen. [slachtoffer 3] is uitgeweken, want ik zag bandensporen door het gras. Wij zagen de auto van verdachte tegen een boom staan. Wij zagen dat hij gecrasht was.

3.

Het proces-verbaal van aangifte van 15 september 2020 van verbalisant [slachtoffer 3] , pagina’s 24 tot en met 26, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 september 2020 werd er gemeld dat verdachte [verdachte] er met zijn auto vandoor was gegaan. Wij, verbalisant [slachtoffer 2] en ik, zijn er vervolgens met de politiebus met roepnummer 24.03 op afgegaan. Ik bestuurde de politiebus. De personenauto kwam ons tegemoet rijden. Ik zag dat de auto ons met zeer hoge snelheid naderde. Ik reed ongeveer 20 tot 30 kilometer per uur. Ik reed iets links van het midden met de hoop dat [verdachte] zou stoppen. Gelijk zag ik dat de snelheid van [verdachte] zo hoog was dat hij nooit zijn voertuig tot stilstand zou kunnen brengen. Gelijk zag ik dat [verdachte] met onverminderde snelheid ons naderede en zag ik dat hij zijn Touran iets naar het midden van de weg stuurde, in onze richting. De afstand was toen naar schatting zo'n twintig meter tussen zijn Touran en ons voertuig. In een reflex stuurde ik de politiebus naar rechts gedeeltelijk de berm in, in de hoop een frontale aanrijding te kunnen voorkomen, maar elk moment verwachtte ik de frontale botsing. Ik weet nog dat ik meteen dacht dat het over en uit was. Ik ben zeker dat als ik in een reflex niet naar rechts de berm in had gestuurd, de Touran ons frontaal had geramd.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van 16 september 2020 van verdachte, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag een politieauto achter mij en heb gas bijgegeven. Ik had zoiets van ik laat me nu niet pakken. Ik zag redelijk ver van te voren dat er een politiebus in tegenovergestelde richting aankwam. Ik zag op dat moment het leven eigenlijk niet meer zitten.

5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik zag de politiebus en ik dacht ik ga niet stoppen.