Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1101

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
8964532 / CV EXPL 21-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslagzaak. Werknemer (eiser) heeft volgens de rechtbank een weloverwogen beslissing genomen om de arbeidsovereenkomst met gedaagde te beëindigen i.p.v. een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Vorderingen tot uitbetaling van achterstallig loon afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer / rolnummer : 8964532 / CV EXPL 21-39

Vonnis in kort geding van 1 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. W.J.M. van Ophuizen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

AUTO DETAILING EU B.V.,

gevestigd te Almelo,

gedaagde, hierna te noemen: CarCare,

gemachtigde: mr. G.J. Ligtenberg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 januari 2021;

  • -

    de aanvullende producties zijdens [eiser] ;

  • -

    de schriftelijke pleitaantekeningen van mr. Van Ophuizen;

  • -

    de schriftelijke pleitaantekeningen van mr. Ligtenberg;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 3 februari 2021 via een Skype-verbinding. Verschenen zijn de heer [eiser] , bijgestaan door mr. Van Ophuizen en een kantoorgenoot mr. Nagel en voorts, aan de zijde van CarCare, de heer [A] (directeur), bijgestaan door mr. Ligtenberg. Bij die gelegenheid hebben beide partijen het eigen standpunt mondeling nader toegelicht. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden. Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak in overleg met partijen aangehouden, teneinde hen in de gelegenheid te stellen een minnelijke oplossing van het geschil te bespreken. Die onderhandelingen hebben niet tot overeenstemming geleid.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is met ingang van 16 mei 2017 in dienst getreden van CarCare. Hij ontvangt een bruto maandsalaris van € 1.482,88, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een arbeidsomvang van 32 uur per week.

2.2.

Naast deze werkzaamheden is [eiser] , met instemming en medeweten van CarCare, werkzaam binnen zijn eenmanszaak. Hij exploiteert de onderneming met de naam “ [X] ” te Almelo.

2.3.

Gaandeweg het dienstverband zijn tussen partijen verschillende gesprekken gevoerd. De twee directeuren CarCare, de heer [A] en de heer [B] , gaven in die gesprekken aan dat zij vanaf mei 2020 bij [eiser] een verminderde inzet en focus op de werkzaamheden hadden geconstateerd.

2.4.

Op zondagavond 23 augustus 2020 is [eiser] een auto-ongeval overkomen.

Diezelfde avond heeft [eiser] telefonisch CarCare ingelicht over het ongeval.

2.5.

Enkele uren na het ongeval kampte [eiser] met verminderd zicht en misselijkheid. Zekerheidshalve bezocht hij diezelfde avond de spoedeisende hulp van het ziekenhuis te Almelo. De arts adviseerde [eiser] rust te nemen.

2.6.

Op dinsdag 25 augustus 2020 heeft [eiser] zijn werkzaamheden ten dele hervat. In september en oktober 2020 is hij daarmee doorgegaan op arbeidstherapeutische basis (50% van de arbeidsomvang).

2.7.

Omdat in de visie van CarCare de door haar gewenste verbetering in focus en inzet van [eiser] uitbleef, en zij nog steeds ontevreden was over de prestaties en werkhouding van [eiser] , spreken partijen elkaar op 12 oktober 2020.

2.8.

In dat gesprek hebben partijen enkele opties besproken, waaronder de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

2.9.

In een WhatsApp-bericht van 14 oktober 2020 schrijft [eiser] aan CarCare:

Tevens heb ik erover nagedacht over de voorgestelde opties.

Ik zou graag een vaststellingsovereenkomst aangaan. Ik zal morgenmiddag telefonisch contact opnemen.”

2.10.

Daarop zijn partijen wederom met elkaar in gesprek gegaan op 16 oktober 2020 en is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de orde gekomen. Na het gesprek is een conceptvaststellingsovereenkomst opgemaakt en voorgelegd aan [eiser] .

2.11.

[eiser] heeft de vaststellingsovereenkomst niet voor akkoord ondertekend.

2.12.

Kort daarna, op 23 oktober 2020, spreken partijen ( [eiser] en [A] ) elkaar telefonisch. Uit een transscriptie van dat telefoongesprek blijkt het volgende:

Werkgever: Dus ja, dan moet je kiezen of je ontslagbrief inlevert of de vorige week overhandigde vaststellingsovereenkomst en die bij mij inlevert.

[eiser] : Ja.

(…)

Werkgever: (…) Dus ja, kortom hamvraag: ga je dat document tekenen en aan mij overhandigen of niet ?

[eiser] : Nee, ik dien ontslag in

Werkgever: Oké, nou dat kan ook. Waar is je ontslagbrief dan?

[eiser] : die heb ik nog niet.

Werkgever: Oké, nou ja dan zou je die kunnen maken.

[eiser] : Ja, dat klopt.

(…)

Werkgever: (…) dus dan moet je een ontslagbrief gaan maken en die bij mij inleveren.

[eiser] : Dat is goed.

Werkgever: Dan mag je nu wel naar huis gaan, die maken en dan zie ik je misschien in de loop van de dag terug.

[eiser] : Ja.”

2.13.

Bij brief van 23 oktober 2020 schrijft de heer [A] het volgende aan [eiser] :

“ Tijdens ons gesprek op 23-10-2020 8:35-8:55 heb je ons mondeling mede gedeeld ontslag te nemen. Wij hebben geantwoord dat te accepteren.

Er was in het gesprek geen sprake van stemverheffing, niet toepasselijke informatieverstrekking of evt. andere kenmerken waaruit wij konden afleiden dat je in een evt. emotionele toestand verkeerde.

Conform arbeidsovereenkomst is je opzegtermijn 30 dagen einde maand.”

2.14.

Bij brief van diezelfde datum, 23 oktober 2020, schrijft [eiser] aan de heer [A] het volgende:

Zondagmiddag 23-8-2020 ben ik betrokken geweest bij een auto-ongeluk (…).

Diezelfde avond heb ik mij voor 50% ziekgemeld bij u, volgens de regels in het verzuimreglement.

(…) u heeft mij op 23-10-2020 mondeling medegedeeld de ziekmelding niet te accepteren.

Via deze brief laat ik u weten dat ik het hier niet mee eens ben.

Tot 22-10-2020 heb ik steeds 50% gewerkt, maar aangezien de door u gedane beschuldigingen, (als zou mijn ziekte gefingeerd zijn, en dat u mij wilt beschuldigen van bedrijfs-imago-schade) mij zoveel stress- en hoofdpijnklachten opleveren, dat ik mij genoodzaakt zie mij met ingang van maandag 26-10-2020 voor 100% ziek te melden.”

2.15.

Op 30 november 2020 ontving [eiser] een laatste salarisbetaling van CarCare met daarbij de omschrijving “salaris november 2020 + eindafrekening.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (samengevat), CarCare te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:

I. het achterstallig loon, vanaf 1 november 2020 tot de dag van dagvaarding, onder aftrek van het reeds betaalde bedrag op 30 november 2020, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijft;

II. het loon van € 1.482,88 bruto per maand, gerekend vanaf de dag van dagvaarding en tot zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, vermeerderd met vakantietoeslag en emolumenten, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijft;

III. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW lid over het onder sub 1 gevorderde loon;

IV. de wettelijke rente over het onder sub 1 en sub III gevorderd, gerekend vanaf de betreffende vervaldata althans vanaf de dag van dagvaarding;

V. de buitengerechtelijke kosten groot € 263,68;

VI. de proceskosten, daaronder ook begrepen de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

Ter onderbouwing van die vorderingen is het volgende aangevoerd.

Als gevolg van het ongeval van 23 augustus 2020 was [eiser] niet in staat de bedongen arbeid volledig verrichten. Hij werkte in september en oktober 2020 weliswaar op therapeutische basis, maar vanwege de spanningen tussen partijen als ook de aanhoudende klachten van [eiser] , heeft hij zich genoodzaakt gezien om zich eind oktober 2020 weer volledig arbeidsongeschikt te melden.

CarCare heeft nagelaten de arbeidsongeschiktheid van [eiser] door een bedrijfsarts of door de Arboarts te laten beoordelen. In plaats daarvan heeft CarCare in het telefoongesprek van 23 oktober 2020 [eiser] onder druk gezet en gedreigd met een aanzienlijke schadeclaim (boete) wegens gestelde ongeoorloofde nevenactiviteiten.

Het transscript van dat gesprek toont aan dat [eiser] moest kiezen tussen twee kwaden, óf zelf ontslag nemen óf de vaststellingsovereenkomst voor akkoord ondertekenen.

In het heetst van de strijd koos [eiser] voor ontslagname.

CarCare heeft niet alleen misbruik gemaakt van de omstandigheden maar bovendien niet onderzocht of sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige wilsverklaring van [eiser] die gericht is op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat lag wel op de weg van CarCare als werkgever. Een ontslagname door de werknemer heeft immers verstrekkende gevolgen en daar mag niet te lichtvaardig mee worden omgegaan.

CarCare is zonder rechtsgeldige grondslag per december 2020 gestopt met het betalen van het loon van [eiser] . Dit terwijl [eiser] arbeidsongeschikt is. Van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst is geen sprake geweest.

CarCare is daarom gehouden het loon van [eiser] , ook gedurende de arbeidsongeschiktheid, te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente. [eiser] meent tot slot een spoedeisend belang bij zijn vordering te hebben. Hij sinds december 2020 verstoken van loon en kan daarom niet voorzien in zijn levensonderhoud. Van hem kan niet worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.

3.3.

CarCare heeft verweer gevoerd. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Bij CarCare was al enige tijd het beeld ontstaan dat [eiser] niet langer in dienst wilde zijn bij CarCare en dat hij zich liever fulltime wilde richten op de werkzaamheden voor zijn eenmanszaak. De inzet van [eiser] bleef achter en hij maakte fouten in het werk. Als gevolg van die constateringen zijn partijen in gesprek gegaan en is de keuze aan [eiser] gelaten. Er was voor hem voldoende werk voorhanden binnen het bedrijf van CarCare, onder de voorwaarde dat hij zich volledig inzette.

Het is onjuist dat CarCare op welke wijze dan ook heeft aangedrongen op de ontslagname door [eiser] . Integendeel, het was juist [eiser] die meermaals aangaf, zowel mondeling als per WhatsApp-bericht, dat hij ontslag wilde nemen.

CarCare heeft slechts bespreekbaar gemaakt dat waar haar betreft zij wil meewerken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tegen die achtergrond moet het concept van de vaststellingsovereenkomst die aan [eiser] is voorgelegd worden bezien.

[eiser] stelde eisen, in die zin dat hij enkel wilde tekenen onder de voorwaarde dat hij ‘direct’ weg kon, zonder inachtneming van de opzegtermijn. CarCare is vervolgens op 23 oktober 2020 in gesprek gegaan over de impasse die was ontstaan. Tijdens dat gesprek heeft [eiser] ondubbelzinnig aangegeven dat hij ontslag neemt. Partijen hebben toen ook telefonisch de afspraak gemaakt dat [eiser] zijn ontslagbrief schriftelijk in orde maakt en tegelijkertijd een zakelijke USB-stick inlevert bij CarCare.

Omdat dat laatste uitbleef, heeft CarCare ervoor gekozen de eerdere mondelinge ontslagname van [eiser] zelf schriftelijk te bevestigen in de door haar opgestelde brief.

Op 27 oktober 2020 ontving CarCare uit het niets de brief van [eiser] , gedateerd 23 oktober 2020, waarin hij zich 100% heeft ziekgemeld.

Dit staat haaks op de eerdere ontslagname. Dat is een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst geweest. CarCare mocht erop vertrouwen dat [eiser] wist wat hij deed. Partijen waren immers als sinds 12 oktober 2020 met elkaar in gesprek over de aanstaande beëindiging van de arbeidsovereenkomst; alleen de wijze waarop was stond nog open. [eiser] heeft die knoop doorgehakt en in het telefoongesprek van 23 oktober 2020 aangeven wat zijn wens is, namelijk ontslagname. Dat blijkt onmiskenbaar uit het overgelegde geluidsfragment van dat gesprek. Van enige druk is geen sprake geweest.

Van stemverheffing of een opwelling evenmin.

Kortom, [eiser] koos voor de opzegging en kan daaraan worden gehouden. CarCare heeft die beslissing gerespecteerd en vervolgens een eindafrekening opgesteld. Vanaf 30 november 2020 heeft [eiser] geen aanspraak meer op betaling van loon.

Daarmee ontbreekt enige grondslag voor de vorderingen van [eiser] .

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de spoedeisendheid voortvloeit uit de aard van de vordering, nu sprake is van een vordering die ziet op betaling van (achterstallig) loon, zodat [eiser] in zoverre ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.2.

De onderhavige zaak behelst een voorlopige voorziening. Bij de beoordeling daarvan dient, zonder een diepgaand onderzoek naar de feiten, in ieder geval betrokken te worden de vraag hoe aannemelijk het is dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure toegewezen zal worden. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of aan de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldig einde is gekomen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de stellingname van [eiser] kan worden afgeleid dat hij meent dat hij weliswaar de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd (dat is zijn ontslagname in het telefoongesprek van 23 oktober 2020, waarvan zowel de geluidsopname als het transscript is overgelegd), maar dat die opzegging niet rechtsgeldig is geweest.

Meer concreet voert [eiser] aan, dat aan de door hem gedane opzegging een wilsgebrek kleeft in de zin van art. 3:34 BW. Volgens [eiser] heeft CarCare druk uitgeoefend, althans heeft zij schuldig gemaakt aan misbruik van omstandigheden.

4.4.

Bij de beoordeling van het beroep op een wilsgebrek ex artikel 3:34 BW, zoals door [eiser] is gedaan, moet tot uitgangspunt worden genomen dat uit de artikelen 3:33 en 3:35 BW volgt dat CarCare als werkgever in beginsel erop mag vertrouwen dat de verklaringen van [eiser] overeenstemmen met zijn wil.

Of dat vertrouwen van CarCare gerechtvaardigd was, hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals de persoon van werknemer, de gevolgen van de opzegging door werknemer en de omstandigheden waaronder die opzegging is gedaan. In geval van een arbeidsrelatie kan volgens vaste rechtspraak het vertrouwen van een werkgever alleen dan gerechtvaardigd zijn als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, waarbij de werkgever niet snel zal mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (zie Hoge Raad van 10 juni 2005, LJN AS8387). In dat kader kan onder omstandigheden op de werkgever ook een onderzoeksplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen (zie HR 12 september 1986, NJ 1987, 267 Westerhoff/Spronsen).

4.5.

Uit de processtukken, in het bijzonder de geluidsopname van het telefoongesprek van 23 augustus 2020 als ook het transscript daarvan, bezien in samenhang met hetgeen door beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in aanvulling daarop naar voren is gebracht, leidt de voorzieningenrechter voorshands af dat de opzegging van [eiser] duidelijk en ondubbelzinnig gericht was op een opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Dat sprake is geweest van enige druk van de zijde van CarCare of dat zij op enigerlei wijze heeft aangestuurd op de ontslagname door [eiser] , is de voorzieningenrechter niet gebleken, althans [eiser] heeft onvoldoende omstandigheden aangedragen die daarop duiden. Van een opwelling of een emotionele gemoedstoestand, die hebben geleid tot de ontslagname door [eiser] is evenmin gebleken. De geluidsopname van het gesprek van 23 oktober 2020 biedt geen aanknopingspunten voor die stellingname van [eiser] .

Integendeel, het gesprek is op een gemoedelijke toon gevoerd, zonder stemverheffing.

Daar komt nog bij dat de gesprekken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst al waren aangevangen in eerder stadium, in het bijzonder in een gesprek op 12 oktober 2020 en dat partijen al langere tijd met elkaar in gesprek waren over de wijze waarop het dienstverband tot een einde zou komen. Dit was onder meer ingegeven door het feit dat [eiser] een eigen onderneming exploiteerde.

Kortom, alle omstandigheden in deze zaak duiden op een weloverwogen beslissing van [eiser] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Met de door [eiser] gedane opzegging van 23 oktober 2020 kan hij geen andere bedoeling hebben gehad dan dat hij niet langer in dienst wilde blijven bij CarCare en dat hij de voorkeur gaf aan opzegging boven een vaststellingsovereenkomst.

Het verlies van inkomen en mogelijk ook nog andere verstrekkende gevolgen van een ontslagname door de werknemer, moeten in zijn algemeenheid meegewogen worden bij dit oordeel, maar nu [eiser] naast zijn baan bij CarCare, een eigen onderneming exploiteert en daaruit ook inkomsten genereert, kan aan het verlies van inkomen geen gewicht van doorslaggevende betekenis worden toegekend.

[eiser] kan zich nu immers fulltime inzetten voor zijn onderneming en zodoende in zijn levensonderhoud voorzien en daarmee het verlies van inkomen als gevolg van zijn ontslagname opvangen.

Ander omstandigheden die moeten leiden tot een ander oordeel zijn gesteld noch gebleken.

4.6.

Dat alles tezamen leidt tot de voorzieningenrechter voorshands tot de slotsom dat, gelet op alle hiervoor geschetste omstandigheden, CarCare gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de verklaring van [eiser] dat hij de arbeidsovereenkomst met CarCare wilde opzeggen, zodat CarCare op goede gronden [eiser] aan de door hem gedane opzegging mocht gehouden, als zij heeft gedaan.

Daaruit volgt dat de vorderingen van [eiser] integraal voor afwijzing gereed liggen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij hierna worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van CareCare begroot op € 747,00 aan salaris voor haar gemachtigde.

5 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van CarCare begroot op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2021.