Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1083

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
8903982 \ EJ VERZ 20-409
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Legataris verzoekt om opheffing van het verzorgingsvruchtgebruik. Vader heeft echter geen wettelijk verzorgingsvruchtgebruik gevestigd. Erflaatster heeft vader bij testament het levenslang vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap gelegateerd. Dat is een wilsrechtenvruchtgebruik. Beëindiging daarvan op grond van Boek 3 BW moet worden gevorderd bij de handelskamer; de kantonrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8903982 \ EJ VERZ 20-409

Beschikking van de kantonrechter van 9 maart 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna te noemen [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. C.E. Koopmans,

tegen

[verweerster] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene],

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen bewindvoerder,

gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend, dat de kantonrechter op 30 november 2020 heeft ontvangen. De bewindvoerder heeft op het verzoekschrift gereageerd met haar verweerschrift.

1.2.

Het verzoek is mondeling behandeld op 9 februari 2021 door middel van een beeldbelverbinding (Skype). Namens [verzoekster] is [X] verschenen, bijgestaan door mr. Koopmans. De bewindvoerder is verschenen, eveneens bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen naar voren hebben gebracht.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat zij voldoende is geïnformeerd om een beslissing te nemen in deze zaak. Die beslissing wordt vandaag meegedeeld en toegelicht in deze beschikking.

2 De beoordeling

Waarover gaat deze zaak?

2.1.

[verzoekster] is door een legaat rechthebbende geweest op de woning aan de [adres] in [plaats] . De woning is verkocht. [verzoekster] wil haar aandeel in de koopsom ontvangen, maar omdat dat is belast met een vruchtgebruik ten behoeve van [betrokkene]
(vader), verzoekt [verzoekster] in de eerste plaats de opheffing van dat vruchtgebruik.

Wat aan de zaak vooraf is gegaan.

2.2.

[betrokkene] is getrouwd geweest met [A] (moeder). Uit dit huwelijk zijn [verzoekster] en [B] geboren. Moeder is [2004] overleden.

2.3.

Moeder heeft een testament opgesteld, dat op 9 februari 1988 is verleden. In dat testament heeft moeder [verzoekster] en [B] benoemd tot haar enige erfgenamen. Moeder heeft aan vader het levenslang vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap gelegateerd. Daarnaast heeft moeder aan [verzoekster] de eigendom van het woonhuis aan de [adres] in [plaats] gelegateerd, belast met voormeld recht van vruchtgebruik ten behoeve van vader.

2.4.

De bewindvoerder heeft bedoelde woning verkocht. Kort voor de levering is zij erachter gekomen dat [verzoekster] de koopovereenkomst ook had moeten ondertekenen. Omdat
dat weigerde, is de bewindvoerder een kortgedingprocedure begonnen bij deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft op 22 januari 2020 mondeling uitspraak gedaan en
besloten dat de bewindvoerder wordt gemachtigd de woning te verkopen en te leveren.

2.5.

Op 24 januari 2020 is de woning geleverd. De verkoopopbrengst van € 124.492,99 is in depot gestald bij de notaris.

2.6.

De bewindvoerder heeft bij dagvaarding een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank, bij de kamer voor handelszaken, waarin zij vordert dat het in depot gehouden
bedrag aan vader wordt uitgekeerd.

Wat [verzoekster] wil.

2.7.

Het is voor [verzoekster] onzeker of vader het vruchtgebruik heeft gevestigd, omdat [verzoekster] niet bekend is met de daarvoor benodigde notariële akte. Maar als ervan moet worden uitgegaan dat vader het vruchtgebruik heeft gevestigd, vindt [verzoekster] dat het inmiddels moet worden opgeheven op grond van artikel 4:33 lid 1 sub 2 van het Burgerlijk Wetboek (verzoek onder a.). In dat artikellid is een belangenafweging voorgeschreven, en die afweging valt in het voordeel van [verzoekster] uit. Daarvoor vindt [verzoekster] van belang dat zij, komende vanaf Aruba, noodgedwongen bij haar zoon inwoont en - op een tijdelijk uitzendbaantje na - werkloos is. Vader daarentegen heeft - gelet op zijn gezondheid en leeftijd, wonend in een verzorgingstehuis - geen behoefte aan het vruchtgebruik op de goederen van de nalatenschap voor zijn verzorging.

2.8.

Naast de opheffing van het eventueel op de nalatenschap rustende vruchtgebruik, verzoekt [verzoekster] (verzoek onder b.) een verklaring voor recht, waarin staat dat de notaris de helft van het bedrag dat hij in depot houdt, aan [verzoekster] uitkeert, en vader te veroordelen om zijn medewerking aan die uitkering te verlenen.

Het verweer daartegen.

2.9.

De bewindvoerder voert verweer. Zij vindt om meerdere redenen dat [verzoekster] niet ontvankelijk is in haar verzoek. Als de kantonrechter het verzoek toch inhoudelijk behandelt, stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat het moet worden afgewezen. Er is in dit geval geen sprake van verzorgingsvruchtgebruik, zodat de rechter niet tot een belangenafweging komt. En zelfs al zou er een belangenafweging moeten plaatsvinden, dan geldt dat [verzoekster] geen zwaarwegend belang heeft aangetoond. Daar staat tegenover dat vader wel degelijk
behoefte heeft om te kunnen blijven beschikken over het vruchtgebruik dat hij over de
nalatenschap van moeder heeft.

Het oordeel van de kantonrechter.

2.10.

De kantonrechter acht het verzoek niet-ontvankelijk voor wat betreft de verzochte opheffing van het vruchtgebruik (verzoek onder a.). De bewindvoerder heeft gelijk in haar stelling dat deze zaak niet gaat over een wettelijk verzorgingsvruchtgebruik in de zin van titel 3, afdeling 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekster] heeft geen belang bij de opheffing van het verzorgingsgebruik, nu dat niet is gevestigd. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek onder b. kennis te nemen. Daarvoor is de dagvaardingsprocedure aangewezen. Gelet op de relatie ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren tussen partijen.

2.11.

De kantonrechter zal hierna haar oordeel verder toelichten.

Er is geen sprake van een wettelijk verzorgingsvruchtgebruik.

2.12.

[verzoekster] doet een beroep op wat in artikel 4:33 lid 1 BW staat. Daarin is bepaald dat de kantonrechter het vruchtgebruik van een of meer goederen kan beëindigen op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van de verzoeker wordt gediend en in vergelijking hiermee het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad. Dit is geen generieke bepaling; niet ieder vruchtgebruik kan worden beëindigd als een belangenafweging in het voordeel van de hoofdgerechtigde uitvalt. Het feit dat het gaat om een belangenafweging tussen de hoofdgerechtigde en de echtgenoot wijst daar al op. Het artikellid moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 4:29 en 4:30 van het BW. Die artikelen geven een regeling voor het verzorgingsvruchtgebruik. Verzorgingsvruchtgebruik speelt een rol als de erflater de erfrechtelijke aanspraken van de echtgenoot bij versterf heeft uitgesloten dan wel heeft beperkt. De echtgenoot heeft dan de mogelijkheid de erfgenamen te verplichten mee te werken aan de vestiging van vruchtgebruik op de woning (artikel 4:29 BW) of op overige goederen van de nalatenschap (artikel 4:30 BW, dit voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft voor zijn verzorging). Dit verzorgingsvruchtgebruik is te beëindigen indien de verzorgingsbehoefte is gewijzigd. Daarop ziet artikel 4:33 lid 1 BW.

2.13.

Heeft vader het vruchtgebruik op de nalatenschap gevestigd? Dat is in deze procedure niet aangetoond. [verzoekster] weet het niet en de bewindvoerder stelt weliswaar dat ervan moet worden uitgegaan, maar toont geen notariële akte. Wat er ook van zij, vader heeft geen gebruik gemaakt van zijn wettelijk ‘recht op het wettelijk verzorgingsvruchtgebruik’, zoals hiervoor is omschreven. Moeder heeft in haar testament het levenslang vruchtgebruik heeft van haar gehele nalatenschap gelegateerd aan vader. Dat is een wilsrechtenvruchtgebruik dat niet volgens de regels van het erfrecht uit Boek 4 BW wordt gevestigd. Opheffing op grond van artikel 4:33 BW is daarom niet aan de orde, zodat [verzoekster] geen belang heeft bij de onderhavige verzoekschriftprocedure. Naar het oordeel van de kantonrechter hoort het debat over de vestiging en beëindiging van dit vruchtgebruiklegaat krachtens Boek 3 van het BW thuis in de procedure die de bewindvoerder al is gestart bij de handelskamer. [verzoekster] wordt daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

De kantonrechter is niet bevoegd om te oordelen over de uitkering van het gelddepot.

2.14.

[verzoekster] wil een verklaring voor recht dat de notaris gehouden is de helft van het door hem in depot gehouden bedrag aan [verzoekster] uit te keren. Ook wil zij dat vader wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de uitkering van die helft van de koopsom. Als het vruchtgebruik zou worden beëindigd, is vader verplicht het goed waarop het vruchtgebruik rust aan [verzoekster] te verstrekken. De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat een daartoe strekkende vordering niet thuishoort in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. Daarvoor is het geldelijk belang te groot en zo’n procedure hoort bij dagvaarding te worden ingeleid.

2.15.

De kantonrechter ziet af van een verwijzing van dit deel van het verzoek naar een dagvaardingsprocedure op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij de handelskamer in deze rechtbank is immers al eerder tussen dezelfde partijen een geschil aanhangig over hetzelfde onderwerp. Ten opzichte van de zaak die de bewindvoerder aanhangig heeft gemaakt bij de handelskamer, geldt het onderhavige verzoekschrift als de ‘later aangebrachte’ zaak. Daarom zal de kantonrechter zich onbevoegd verklaren om van dit deel van het verzoek kennis te nemen.

Tot slot.

2.16.

[verzoekster] en vader zijn familie van elkaar. Het uitgangspunt van de rechter in dit soort familiekwesties is dat geen partij in de proceskosten van de ander wordt veroordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarom zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek zoals opgenomen onder a. in het verzoekschrift;

3.2.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van hetgeen in het verzoekschrift is verzocht onder b.;

3.3.

compenseert de proceskosten op die manier dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021.