Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1068

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
C/08/260801 / KG ZA 21-13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen (onder meer) ontruiming van de aan hen gelegateerde woning. Gedaagde stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek naar de feiten nodig is om vast te kunnen stellen of er een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Een kort geding leent zich echter niet voor dergelijk onderzoek. De vordering wordt afgewezen, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarmee ontbreekt ook de grond voor de overige vorderingen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/260801 / KG ZA 21-13

Vonnis in kort geding van 4 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.G. Baan te Oldenzaal,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.J.M. van Denderen te Hengelo Ov.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 februari 2021 met producties 1 t/m 10,

  • -

    de producties 1 t/m 10 van [gedaagde] ontvangen ter griffie op 11 februari 2021,

  • -

    de producties 11 t/m 14 van [eisers] ontvangen ter griffie op

16 februari 2021,

  • -

    de producties 11 t/m 13 van [gedaagde] ontvangen ter griffie op 17 februari 2021,

  • -

    de productie 15 van [eisers] ontvangen ter griffie op 17 februari 2021,

  • -

    de mondelinge behandeling van 18 februari 2021,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] ,

  • -

    de pleitnota van [eisers]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] is de heer [naam erflater] (hierna: de erflater), de vader van [eisers] , overleden. Erflater had een relatie met [gedaagde] .

2.2.

Erflater heeft bij uiterste wil op 22 februari 2018 [eisers] als erfgenamen benoemd. In het testament van erflater zijn diverse legaten opgenomen. Erflater heeft zijn woning met ondergrond, erf en tuin aan de [het adres]

te [woonplaats] (hierna: de woning) gelegateerd aan eisers sub 1 en 2. Daarnaast heeft erflater zijn vordering op eiser sub 3 aan eiser sub 3 gelegateerd, een geldbedrag van

€ 50.000,- aan [gedaagde] gelegateerd en een geldbedrag van € 5.000,- aan

de heer [A] , benoemd tot executeur (hierna: de executeur), gelegateerd.

2.3.

[gedaagde] verbleef na het overlijden van erflater in de woning. Hierover ontstond discussie. Vervolgens is, door tussenkomst van de executeur, besproken dat [gedaagde] enige tijd zou krijgen om zaken te regelen en de woning te verlaten. In de tussentijd zou [gedaagde] gebruikerslasten van € 550,- per maand voldoen. [gedaagde] heeft zich eind 2020 ingeschreven op het adres van de woning.

2.4.

Op 28 oktober 2020 ontving de executeur een brief van de advocaat van [gedaagde] waarin werd medegedeeld:

“Met betrekking tot het tot stand gekomen huurrecht is mevrouw [gedaagde] bereid op termijn tot een beëindiging te komen zodra zij haar passende vervangende woonruimte heeft gevonden.”


Daarbij verwees de advocaat van [gedaagde] naar de notariële akte van 3 september 1991 waarin erflater en [gedaagde] het volgende zijn overeengekomen:

“Voor het geval de comparant sub 1 [erflater] mocht komen te overlijden vóór de comparante sub 2 [ [gedaagde] ], en zij ten tijde van het overlijden van de comparant sub 1 [erflater] nog een gemeenschappelijke huishouding met elkander voeren:

Verhuurt de comparante sub 1 [erflater] bij deze voormeld onroerend goed aan de comparante sub 2 [ [gedaagde] ], die dit heeft gehuurd.”

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om de woning zoals (kadastraal) beschreven onder punt 4 van de dagvaarding, uiterlijk binnen twee dagen na betekening van het vonnis van de rechtbank te verlaten, de woning ter vrije beschikking van

[eisers] te stellen onder afgifte van de sleutels van de woning en de erfafscheiding, en niet in de woning terug te keren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,-;

II. [gedaagde] te gebieden om bij het verlaten van de woning alle inboedelgoederen en persoonlijke goederen/zaken van erflater, waaronder de inboedel, in de woning achter te laten en enkel haar persoonlijke eigendommen te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,-;

III. [eisers] te machtigen bij gebreke van volledige voldoening van [gedaagde] aan het onder I en II gevorderde, deze verlating en ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagde] ;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de advocaat van [eisers] , alsmede de nakosten voor afwikkeling van het dossier na het in deze te wijzen vonnis;

V. Een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vordering – samengevat – ten grondslag dat de woning aan hen gelegateerd is en dat [gedaagde] inbreuk maakt op de eigendomsrechten van [eisers] door zonder hun toestemming gebruik te maken van de woning.

[eisers] stellen dat [gedaagde] , door tussenkomst van de executeur, in eerste instantie tot 1 september en vervolgens tot 1 januari 2021 de tijd heeft gekregen om de woning te verlaten, maar dat zij dit heeft nagelaten. Volgens [eisers] is het noodzakelijk om de woning zo spoedig mogelijk te verkopen, omdat [gedaagde] slechts de gebruikerslasten van € 550,- voldoet en de overige lasten van de woning niet meer van de ervenrekening kunnen worden voldaan, en omdat de nalatenschap, inclusief legaten, pas kan worden afgewikkeld zodra de woning is verkocht, aangezien het vermogen van de nalatenschap vastzit in de verkoopwaarde van de woning. Daarnaast vorderen

[eisers] om [gedaagde] te gebieden om alle goederen in de woning te laten staan, omdat de inboedel in de woning volgens [eisers] aan erflater toebehoorde en dus tot de nalatenschap behoort, en omdat zij vrezen dat [gedaagde] bij vertrek uit de woning de gehele inboedel, inclusief de persoonlijke spullen van erflater, zal meenemen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu [eisers] aan hun vordering ten grondslag leggen dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft, het spoedeisend belang bij de vordering is gegeven.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vordering strekt tot ontruiming van de woning. Een ontruimingsvordering is in kort geding toewijsbaar, indien voldoende aannemelijk is dat deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen en indien van [eisers] niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van de eventuele bodemprocedure afwachten.

4.3.

Zoals vermeld leggen [eisers] aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. [gedaagde] stelt echter dat zij gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning, omdat een huurovereenkomst tot stand is gekomen bij de akte zoals genoemd onder 2.4. Volgens [gedaagde] was er ten tijde van het overlijden van erflater sprake van een gemeenschappelijke huishouding. Zij overlegt diverse verklaringen ter onderbouwing van dit standpunt. Volgens [gedaagde] is derhalve een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen erflater en [gedaagde] , waaraan ook

[eisers] gebonden zijn. Er is volgens [gedaagde] dan ook geen plaats voor de gevraagde voorziening.

4.4.

[eisers] betwisten dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding tussen [gedaagde] en erflater. Volgens hen stond [gedaagde] niet ingeschreven op het adres van de woning en verbleef [gedaagde] het overgrote deel van het jaar niet in de woning bij erflater, maar elders, vermoedelijk in (haar woning in) België en/of Denemarken. Bovendien voeren [eisers] aan dat [gedaagde] en erflater niet gezamenlijk (als fiscaal partner) aangifte deden voor de inkomstenbelasting. [eisers] overleggen tevens verklaringen ter onderbouwing van hun standpunt en betwisten de juistheid van de verklaringen die door [gedaagde] zijn overlegd.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek naar de feiten nodig is om vast te kunnen stellen of sprake was van een gemeenschappelijke huishouding tussen erflater en [gedaagde] ten tijde van het overlijden van erflater, en of er aldus een huurovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] gerechtigd is om in de woning te wonen. Dit kort geding leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. De aard van een kort geding procedure verzet zich immers tegen een uitvoerig onderzoek naar de feiten en biedt geen mogelijkheid voor getuigenverhoren. De slotsom is daarom dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vordering van [eisers] in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De ontruimingsvordering zal dan ook worden afgewezen.

4.6.

Nu er thans geen, althans onvoldoende, grond is voor toewijzing van de ontruimingsvordering, ontbreekt die grond ook voor de overige vorderingen van

[eisers] Die vorderingen behoeven daarom niet verder behandeld te worden en zullen worden afgewezen.

4.7.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 85,00

- salaris advocaat € 656,00

Totaal € 741,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 741,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2021.1

1 type: coll: