Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:867

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
8305282 \ CV EXPL 20-473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft ten onrechte het loon van werknemer in ziekteperiode niet uitbetaald. Werkgever wordt veroordeeld het achterstallige loon alsnog te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8305282 \ CV EXPL 20-473

Vonnis in kort geding van 4 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. W. van der Kolk,

tegen

de besloten vennootschap CCW TRANSPORT B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde partij, hierna te noemen CCW,

verschenen in persoon.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiser] heeft bij dagvaarding van 11 februari 2020 een voorziening gevorderd. CCW heeft een verweerschrift ingediend.

Ter zitting van 19 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. CCW is vertegenwoordigd door haar bestuurders [A] en [B] . Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

1 De feiten

1.1.

[eiser] is in de periode van 12 augustus 2019 tot en met 11 februari 2020 als chauffeur in dienst geweest bij CCW. Het laatstverdiende loon bedraagt € 1.877,38 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

1.2.

Op 19 september 2019 heeft [eiser] zich bij CCW ziekgemeld.

1.3.

CCW heeft het salaris van [eiser] over augustus 2019 tot en met november 2019 niet volledig en/of tijdig betaald. Het salaris over december 2019 tot en met februari 2020 is in het geheel niet betaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat CCW bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot betaling van:

I. € 781,77 aan bruto loon over augustus 2019 en september 2019;

II. € 1.877,38 aan bruto loon over december 2019;

III. € 1.877,38 aan bruto loon over januari 2020;

IV. het bruto loon over 1 februari 2020 tot en met 11 februari 2020;

V. € 1.295,38 ter zake van de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) over het niet
tijdig betaalde loon over oktober 2019 en november 2019;

VI. de wettelijke verhoging over het onder I. t/m IV. gevorderde;

VII. de wettelijke rente over het onder I. t/m IV. gevorderde.

Verder vordert [eiser] afgifte van salarisspecificaties, alles met veroordeling van CCW in de proceskosten.

2.2.

[eiser] legt samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat hij op grond van de arbeidsovereenkomst, die inmiddels is geëindigd, nog recht heeft op betaling van salaris.

2.3.

CCW voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het spoedeisend belang is in deze zaak gegeven omdat het gaat om betaling van loon en [eiser] heeft gesteld dat hij dit loon nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien.

3.2.

CCW vindt dat zij het loon van [eiser] niet hoeft te betalen omdat zij twijfelt of [eiser] daadwerkelijk ziek was vanaf zijn ziekmelding op 19 september 2019. CCW heeft echter verzuimd een bedrijfsarts in te schakelen, zodat het ervoor wordt gehouden dat [eiser] wél ziek was. De stelling van CCW dat [eiser] zijn ziekte doelbewust in scène heeft gezet is door [eiser] betwist en verder door CCW niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk geworden dat partijen afspraken hebben gemaakt over de betaling van overuren, zoals door CCW is gesteld en door [eiser] is betwist. Er is inmiddels een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat [eiser] recht heeft op loon. De ruzie tussen partijen die na de ziekmelding is ontstaan, doet hieraan niet af.

3.3.

De kantonrechter zal daarom het door [eiser] gevorderde loon toewijzen. Het loon over februari 2020, berekend tot en met 11 februari 2020, bedraagt (€ 1.877,38 / 31 dagen × 11 dagen =) € 666,17. Over het toe te wijzen loon wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen.

3.4.

De gevorderde wettelijke verhoging is als niet bestreden ook toewijsbaar, in dit kort geding evenwel gematigd tot 10%. Dit betekent dat de vordering onder V. toewijsbaar is tot een bedrag van € 375,48. Dit bedrag betreft 10% van het tweemaandelijkse loon (oktober en november 2019). Nu verder in deze procedure onduidelijk is gebleven of het loon over januari en februari 2020 al dan niet tijdig is betaald, zal de wettelijke verhoging daarover worden toegewezen voor zover aan de wettelijke voorwaarden voor opeisbaarheid daarvan is voldaan.

3.5.

De gevorderde salarisspecificaties is CCW op grond van artikel 7:626 BW gehouden aan [eiser] te verstrekken. Dit onderdeel van de vordering zal daarom ook worden toegewezen.

3.6.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt CCW veroordeeld in de proceskosten. Aangezien aan [eiser] een toevoeging is verleend zijn de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (exclusief verschotten zoals informatiekosten) in debet gesteld. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding aan [eiser] in aanmerking. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 4,79 aan informatiekosten, € 83,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is in totaal € 567,79.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt CCW tot betaling aan [eiser] van:

I. € 781,77 aan bruto loon over augustus 2019 en september 2019;

II. € 1.877,38 aan bruto loon over december 2019;

III. € 1.877,38 aan bruto loon over januari 2020;

IV. € 666,17 aan bruto loon over februari 2020;

V. € 375,48 aan wettelijke verhoging over het loon in oktober en november 2019;

VI. de wettelijk verhoging, gematigd tot 10%, over de onder III. en IV. toegewezen bedragen, voor zover aan de wettelijke voorwaarden voor opeisbaarheid daarvan is voldaan;

VII. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder I. t/m IV. toegewezen bedragen vanaf heden tot aan de voldoening.

4.2.

veroordeelt CCW tot verstrekking aan [eiser] van deugdelijke specificaties over de salarisperiode 12 augustus 2019 tot en met 11 februari 2020;

4.3.

veroordeelt CCW in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 567,00;

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.