Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:549

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
ak_19_1339
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor vervangen van stalinrichting voor het houden van 15.000 stuks biologische legkippen; deelactiviteit "natuur"valt buiten het beoordelingskader; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1339

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Leefbaar Buitengebied e.a., te Geerdijk, eisers,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Pluimveebedrijf [naam 1], te [plaats 1]

gemachtigde: mr. P. van Mombergen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Pluimvee-bedrijf [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ) een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het vervangen van de stalinrichting op het perceel [naam perceel] te [plaats 1] . De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en ‘beperkte milieutoets’ (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo).

Eisers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, het primaire besluit nader gemotiveerd en niet aan het bezwaar van eisers tegemoet gekomen door het primaire besluit niet te herroepen.

Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 december 2019 een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben op 2 januari 2020 een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020.

[naam 2] en [naam 3] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De overige eisers werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.E. Freriksen, J. Keizer en F.L. Maathuis. Voor derde-partij is verschenen [naam 1] bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De inrichting van [naam 1] is gevestigd aan de [naam perceel] in [plaats 1] . [naam 1] beschikt over een omgevingsvergunning voor het houden van 12.000 legkippen en 19 schapen, inclusief lammeren. [naam 1] wil biologische legkippen gaan houden met de mogelijkheid om over te stappen naar het houden van vleeskuikenouderdieren.

1.2

In verband hiermee heeft [naam 1] op 14 augustus 2018 bij verweerder een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan. In deze melding is aangegeven dat de stalinrichting van de pluimveestal wordt vervangen door een volière-huisvesting voor het houden van 15.000 stuks biologische legkippen (voorkeur) of 18.050 stuks vleeskuiken-ouderdieren (terugvaloptie).

1.3

Ook heeft [naam 1] op 4 augustus 2018 bij verweerder een omgevingsvergunning beperkte milieutoets aangevraagd voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo juncto artikel 2.2a, vierde lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht).

1.4

Naast een wijziging van het aantal en de soort dieren en een verandering van de inrichting van de stal, houdt het plan van [naam 1] ook de bouw in van een mestloods en een wintergarten (overdekte uitloop) in grondwaterbeschermingsgebied. Op 26 september 2018 heeft [naam 1] ten behoeve van zijn bouwplan bij verweerder een omgevings-vergunning voor handelen in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) aangevraagd wegens de ligging in het grondwaterbescherming-gebied.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de gewenste activiteiten aan [naam 1] verleend. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt.

1.6

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de aan [naam 1] verleende omgevingsvergunning gehandhaafd.

2.1

Eisers zijn het niet eens met verweerders besluit. In beroep hebben eisers aangevoerd dat zij ook beroep hebben ingesteld tegen de vergunningen op grond van de Natuurbe-schermingswet (Nbw) en de Wet natuurbescherming (Wnb) die gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) op 1 december 2015 respectievelijk 1 april 2019 aan [naam 1] hebben verleend. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, blijkt naar hun mening dat deze vergunningen niet in stand kunnen blijven. Volgens eisers had verweerder daarom de aan [naam 1] verleende omgevingsvergunning ambtshalve moeten intrekken.

2.2

Verder zijn volgens eisers niet alle activiteiten van de inrichting van belanghebbende bij het bestreden besluit betrokken. Er is naar hun mening geen zicht op legalisatie van de toegenomen stikstofuitstoot. Gelet hierop, had de omgevingsvergunning beperkte milieutoets volgens eisers niet verleend mogen worden.

2.3

Ook hebben eisers aangevoerd dat ten onrechte een aanmerkelijk gedeelte van de inrit en de uitloopbuitenruimte buiten de aanvraag en de m.e.r.-beoordeling is gehouden.

2.4

Ten slotte stellen eisers dat het vergunde bouwplan in strijd is met het bestemmings-plan omdat de kippen op te korte afstand van de woningen van eisers lopen en het bestemmingsplan dat niet toestaat. Het gaashek om de uitloopweide is volgens eisers in strijd met het bestemmingsplan gerealiseerd.

Wnb/Nbw/PAS

3.1

De rechtbank heeft bij uitspraken van 31 oktober 2019 de beroepen van eisers tegen de aan [naam 1] verleende Nbw-vergunning van 1 december 2015 (zaaknummer AWB 17/1030) respectievelijk tegen de Wnb-vergunning van 1 april 2019 (zaaknummer AWB 19/945) gegrond verklaard. De Nbw-vergunning van 1 december 2015 is door de rechtbank herroepen en de Wnb-vergunning van 1 april 2019 is vernietigd. Dat betekent dat GS opnieuw op de Wnb-aanvraag van [naam 1] moeten beslissen.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wnb-vergunning niet aanhaakt bij de omgevingsvergunning op grond van de Wabo, omdat belanghebbende vóór indiening van de aanvraag omgevingsvergunning al op 14 augustus 2018 een afzonderlijke aanvraag heeft ingediend bij GS voor een Wnb-vergunning. Dat de hierop verleende Wnb-vergunning is vernietigd in procedure AWB 19/945 en dat GS opnieuw op de aanvraag moeten beslissen, betekent niet dat de natuurvergunning nu alsnog aanhaakt bij de onderhavige procedure. Het moment van de aanvra(a)g(en) is namelijk beslissend.

3.3

De deelactiviteit “natuur” valt daarom buiten het beoordelingskader van deze procedure. Ook het Programma aanpak stikstof (PAS) kan om diezelfde reden inhoudelijk geen rol spelen in deze zaak. Wat eisers in beroep hebben aangevoerd over de ammoniakuitstoot en de stikstof-depositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, moet daarom buiten beschouwing worden gelaten. GS moeten opnieuw op de Wnb-aanvraag van 14 augustus 2018 beslissen. In het kader van die procedure zal een passende beoordeling gemaakt moeten worden.

3.4

Verder ziet de rechtbank niet in waarom verweerder de omgevingsvergunning ambtshalve had moeten intrekken omdat de natuurvergunningen zijn herroepen respectievelijk vernietigd door de rechtbank. Gelet op de toetsing ex tunc in gevallen als deze, moet de rechtbank bij de beoordeling van het beroep immers uitgaan van de situatie zoals die was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Toen waren die natuurvergunningen nog van kracht. Daarbij komt dat vernietiging van een Wnb-vergunning geen intrekkingsgrond is voor de verleende omgevingsvergunning.

3.5

Dat [naam 1] feitelijk geen gebruik kan maken van zijn Wabo-omgevingsvergunning zolang hij niet beschikt over een nieuwe Wnb-vergunning, is een handhavingsvraag waarbij overigens niet verweerder het bevoegd gezag is, maar GS.

Ontsluitingsweg en uitloopweide ten onrechte buiten aanvraag en m.e.r.-beoordeling gehouden

3.6

Eisers stellen dat ten onrechte een aanmerkelijk gedeelte van de inrichting, te weten de inrit/ontsluitingsweg en de uitloopweide, buiten de aanvraag voor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets en de m.e.r.-beoordeling is gehouden.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

3.7

Het pluimveebedrijf heeft één ontsluiting via een uitweg naar de [straatnaam] Deze ontsluitingsweg is circa 275 meter lang en wordt gebruikt voor de aan- en afvoer van goederen en (pluim)vee. Volgens de tekening loopt de grens van de inrichting niet tot aan de [straatnaam] maar ergens halverwege de ontsluitingsweg. Het komt er daarom volgens eisers op neer dat meer dan de helft van de ontsluitingsweg en de uitloopweide niet zijn aangevraagd en geen onderdeel zijn van de verleende vergunning van 14 november 2018. Daarmee kunnen en mogen die ontsluitingsweg en uitloopweide naar de mening van eisers niet worden gebruikt. Volgens hen had verweerder de gevraagde vergunning daarom behoren te weigeren.

3.8

Verweerder heeft in het verweerschrift van 23 december 2019 opgemerkt dat het aantal vervoersbewegingen over de ontsluitingsweg in de aangevraagde situatie niet toeneemt, maar juist minder wordt ten opzichte van de vergunde situatie. Daardoor neemt de belasting van geluid en overige milieugevolgen af. Er is naar de mening van verweerder daarom geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die nopen tot het maken van een m.e.r. Er is volgens verweerder in dit verband dan ook geen sprake van een gebrek in de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit beperkte milieutoets.

3.9

In het verweerschrift heeft verweerder verder aangevoerd dat de aangevraagde activiteit, het houden van de dieren, qua intensiteit plaatsvindt in de stallen en wintergarten, alsmede in een beperkt deel van de uitloopweide. Deze delen zijn volgens verweerder meegenomen in de beoordeling en vallen binnen de grenzen van de inrichting zoals weergegeven op de tekening behorende bij de vergunningaanvraag. Het grootste gedeelte van de uitloopweide wordt naar de mening van verweerder extensief gebruikt, waarbij geldt: hoe verder van de stal gelegen des te extensiever het gebruik is.

3.10

Verweerder voert ook aan dat in de milieubeoordeling wordt gekeken naar de emissies die ontstaan door het houden van de dieren in de overdekte dierenverblijven (stallen en wintergarten). Volgens verweerder liggen voor ammoniak, geur en fijnstof de emissiepunten op de overdekte dierenverblijven en niet op de uitloopweide. De milieueffecten van het intensief gebruikte deel van de inrichting zijn beoordeeld en hieruit is geconcludeerd dat geen m.e.r. behoeft te worden gemaakt. Hierbij merkt verweerder nog op dat zelfs als de volledige uitloopweide in de beoordeling meegenomen zou zijn, het intensief gebruikte deel van de inrichting het meest bepalend blijft en dat de conclusie hetzelfde zou blijven, namelijk dat geen m.e.r. opgesteld hoeft te worden.

3.11

De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat ten onrechte gedeelten van de inrichting buiten de aanvraag en de m.e.r.-boordeling zijn gehouden. In beroep hebben eisers evenmin feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het standpunt van verweerder dat in dit geval geen m.e.r. nodig is, geen stand kan houden. Het betoog van eisers slaagt niet.

Bestemmingsplan

3.12

Het bestreden besluit is volgens eisers in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Twenterand”. De kippen lopen naar hun mening op te korte afstand van hun woningen, althans op een afstand minder dan 25 meter tot die woningen. Het bestemmingsplan staat volgens eisers niet toe om pluimvee op een dergelijke korte afstand van hun woningen te houden. Uit welke planregel dat volgt, hebben zij niet nader onderbouwd.

3.13

De rechtbank overweegt dat de agrarische bestemming niet aan het gebruik van het weiland als uitloopweide voor kippen in de weg staat. Voor die uitloopweide is daarom geen omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) nodig. Het bestemmingsplan kent verder geen bepaling die een uitloopweide op een afstand van minder dan 25 meter afstand tot omliggende woningen verbiedt.

3.14

In het aanvullend beroepschrift en op de zitting hebben eisers voor het houden van dieren een minimale afstand van 50 meter van stankgevoelige objecten genoemd. Die afstand wordt echter niet in de planregels van het bestemmingsplan genoemd. Volgens eisers vloeit dit direct voort uit het Activiteitenbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dat eventueel een kwestie van handhaving die niet aan de orde is in deze procedure.

3.15

Verder stellen eisers dat het gaashek in strijd met het bestemmingplan aanwezig is.

3.16

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verweerschrift van 23 december 2019 en op de zitting terecht gesteld dat het gaashek niet – ook niet impliciet, zoals eisers in het aanvullend beroepschrift van 2 januari 2020 en op de zitting hebben aangevoerd – is aangevraagd en daarom geen deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergun-ning. Het gaashek is in deze procedure dan ook niet aan de orde. Het betoog van eisers slaagt niet.

3.17

Inmiddels hebben eisers ten aanzien van het gaashek een handhavingsverzoek ingediend, dat op dit moment in behandeling is bij verweerder. Die handhavingsprocedure staat echter los van deze procedure.

Te laat ingediende beroepsgronden

3.18

De gronden van het beroep moeten voor het einde van de beroepstermijn worden ingediend. Deze gronden mogen daarna nog wel worden aangevuld of uitgebreid, maar het indienen van geheel nieuwe beroepsgronden is niet toegestaan. Dat is in strijd met de goede procesorde.

Strijd met Europese Nitraatrichtlijn en Waterwet

3.19

In het aanvullend beroepschrift van 2 januari 2020 hebben eisers aangevoerd dat het beoogde gebruik naar hun mening in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het gaat om een grondwaterbeschermingsgebied en er een verslechtering van het drinkwater zal ontstaan door verhoogde nitraatafgifte aan het grondwater vanwege de vrije uitloop van kippen. Er wordt volgens hen niet voldaan aan de Europese nitraatrichtlijn en aan de Waterwet. Er had een passende beoordeling gemaakt moeten worden om te zien of wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan het gebruik van gronden in een grondwaterbeschermingsgebied.

3.20

Het gaat hierbij om een geheel nieuwe beroepsgrond, die te laat is ingediend en om die reden door de rechtbank buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

Beweiden/bemesten

3.21

Verder stellen eisers in het aanvullend beroepschrift van 2 januari 2020 dat voor het beweiden en bemesten een Wnb-vergunning nodig is nu de Afdeling de provinciale verordeningen waarin die activiteiten waren vrijgesteld van vergunningplicht, in haar uitspraak van 29 mei 2019 onverbindend heeft verklaard. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de vrije uitloop van kippen is volgens eisers daarom in strijd met die uitspraak. Ook wordt een deel van de uitloopweide naar hun mening gebruikt voor andere dieren, zoals pony’s.

Verkeerde procedure gevolgd

3.22

Ten slotte stellen eisers in het aanvullend beroepschrift van 2 januari 2020 nog dat bij het beoordelen van de onderhavige vergunningaanvraag de uitgebreide voorbereidings-procedure gevolgd had moeten worden in plaats van de reguliere procedure. Aangezien de Nbw/Wnb-vergunningen door de rechtbank zijn vernietigd, ontbreekt volgens eisers een referentiekader voor de significante gevolgen van de voorliggende omgevingsvergunning, waardoor een groter nadelig gevolg voor het milieu waarschijnlijk is dat niet in de wetgeving is gewaarborgd.

3.23

Voor de beide onder 3.21 en 3.22 genoemde beroepsgronden geldt dat deze zien op de relatie met de Wnb-vergunning of op effecten die in het kader van een Wnb-vergunning ter discussie gesteld kunnen worden en niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

Conclusie

4. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in stand blijven.

5. Het beroep van eisers is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en

mr. drs. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.