Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4665

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
C/08/199248 / HA ZA 17-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis na deskundigenbericht. Eiser en een van de gedaagden hadden samen een onderneming voor de productie van veevoer opgericht. Eiser stelt onder meer dat een van de gedaagden tekortschoot in haar verplichtingen jegens deze gezamenlijk opgerichte onderneming, onder meer door het hanteren van een te hoge kostprijs van zogenoemde reststromen die door de gezamenlijk opgerichte onderneming moesten worden ingekocht. Eiser stelt hierdoor schade te hebben geleden en stelt dat gedaagden hiervoor aansprakelijk zijn. De rechtbank heeft eerder een deskundigenonderzoek gelast. In dit vonnis worden de resultaten van dat onderzoek en de daartegen ingebrachte bezwaren van partijen beoordeeld. Verder worden de verschillende vorderingen van eiser beoordeeld. Leerstukken die in dit vonnis onder meer de revue passeren zijn:

- (Bezwaren tegen) deskundigenberichten;

- Aansprakelijkheid jegens een aandeelhouder (niet-contractpartij) voor

wanpresteren jegens de vennootschap;

- Bestuurdersaansprakelijkheid;

- Onrechtmatig verkregen bewijs;

- Haviltex-maatstaf;

- Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/199248 / HA ZA 17-120

Vonnis van 12 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PORC SPECIAL PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Mill,

eiseres,

advocaat mr. H.M.M. van den Elzen te Boxtel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.P.C. van Ruiven te Enschede.

Eiser zal hierna Porc SP genoemd worden, gedaagden zullen respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en gezamenlijk [gedaagde 4] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 oktober 2019 en het daarin beschreven procesverloop tot dan toe,

  • -

    het deskundigenbericht van 23 december 2019,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van Porc SP, tevens wijziging van eis van 19 februari 2020,

  • -

    de akte na deskundigenbericht van [gedaagde 4] van 18 maart 2020,

  • -

    de akte uitlating producties van Porc SP van 1 april 2020,

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde 4] van 15 april 2020,

  • -

    de e-mail van de rechtbank van 29 april 2020, waarin partijen een termijn tot 5 mei 2020 wordt gegeven om aan te geven of zij – als gevolg van een wisseling van de samenstelling van de rechtbank – behoefte hebben aan een nadere zitting,

  • -

    het rolbericht van 29 april 2020 van [gedaagde 4] waarin zij vonnis verzoekt,

  • -

    het rolbericht van 4 mei 2020 van Porc SP, waarin wordt aangegeven dat Porc SP geen behoefte heeft aan een nadere zitting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

In het vonnis van 29 november 2017 zijn reeds feiten opgenomen. De rechtbank stelt (aanvullend) de volgende feiten vast.

2.1.

In artikel 2 lid 2 van de Overeenkomst Levering en Afname Reststromen (hierna: Overeenkomst Reststromen) is, voor zover relevant, bepaald:

“Tenzij partijen anders overeenkomen zal al hetgeen (100%) [gedaagde 4] aan reststromen inkoopt dan wel verwerkt aan Special Food Products worden geleverd. [gedaagde 4] heeft de inspanningsverplichting de inkoop en verwerking zoveel als mogelijk af te stemmen op de vraag vanuit Special Food Products. Special Food Products heeft de inspanningsverplichting de producten die [gedaagde 4] aanbiedt te vermarkten. Mocht Special Food Products er niet in slagen deze producten te vermarkten en kan [gedaagde 4] zelf deze producten wel vermarkten, dan heeft [gedaagde 4] het recht om deze via Special Food Products te vermarkten. Zowel inkoop als verkoop zal altijd in overleg plaatsvinden.

2.2.

In artikel 3 leden 1 en 2 van de Overeenkomst Reststromen is, voor zover relevant, geregeld:

1. Special Foods Products is aan [gedaagde 4] een prijs per ton verschuldigd ter hoogte van de kostprijs.

2. De kostprijs betreft de door [gedaagde 4] gemaakte (on)kosten ten behoeve van inkoop, verwerking en levering (inclusief transport) van de reststromen.

De opbouw van de kosten is nader als volgt gespecificeerd:

[..]

[..] [gedaagde 4] is gehouden op eerste verzoek van Special Food Products volledig, gespecificeerd en onderbouwd inzicht te verstrekken in de kostprijs. Investeringen zullen in onderling overleg plaatsvinden.[..]

2.3.

In artikel 6 van de Overeenkomst Reststromen is, voor zover relevant, geregeld:

“1. Beide partijen zullen strikte vertrouwelijkheid in acht nemen ten aanzien van de informatie over elkaars organisatie en de daarbij behorende documentatie zowel schriftelijk als elektronisch. Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij zal ieder der partijen informatie en gegevensdragers welke hem ter beschikking staan, niet buiten het kader van hetgeen in deze is toegestaan aan derden ter beschikking stellen en aan zijn personeel en voor zover dit krachtens deze overeenkomst is toegestaan aan desbetreffende derden slechts bekend maken voor zover dit nodig is voor het verrichten van de overeengekomen prestaties.

2. Tevens zullen partijen strikte geheimhouding betrachten ten aanzien van de wijze van uitvoering van ieders activiteiten en ten aanzien van de productlocaties.[..]

5. Bij overtreding van bovengenoemde verboden verbeurt de overtredende partij aan de wederpartij een dadelijk en ineens, zonder sommatie of ingebrekestelling, opeisbare boete van € 10.000 per overtreding en van € 500 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd haar gehoudenheid tot vergoeding aan wederpartij van alle daardoor toegebrachte schade indien deze meer dan gemeld boetebedrag mocht belopen.

2.4.

In de Aandeelhoudersovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“ 1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Porc Special Products B.V., [..]

2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] , [..], vertegenwoordigd door haar bestuurder [gedaagde 3] ., die op haar beurt wordt vertegenwoordigd door haar bestuurder [gedaagde 4] ;

en

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Special Food Products B.V.[..], hierna te noemen de vennootschap [..]

Artikel 6

AANVULLENDE AANBIEDINGSVERPLICHTING

1. Iedere houdstervennootschap – partij bij deze overeenkomst – is verplicht zijn aandelen in de vennootschap aan te bieden – op de wijze als bepaald in de statuten, waarop de hierop ziende artikelen van de statuten van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken – in de volgende gevallen:

[..]

b. het overtreden van het non-concurrentiebeding, hierna in de overeenkomst opgenomen;

[..]

Artikel 9

NON-CONCURRENTIEBEDING

  1. Partijen alsmede hun (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon verplichten zich tegenover de vennootschap zich te onthouden van het direct of indirect ontwikkelen en/of uitvoeren van activiteiten waarmee de vennootschap (waaronder ten deze mede wordt verstaan een onderneming behorende tot de groep waartoe de vennootschap behoort) concurrentie kan worden aangedaan, alsmede geen directe of indirecte belangen te bezitten in enige onderneming welke activiteiten ontwikkelt en/of uitvoert waarmee met de vennootschap in concurrentie wordt getreden.

  2. Partijen alsmede hun (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon zullen niet anders dan ten behoeve van de vennootschap en uit hoofde van hun functie en betrokkenheid bij de vennootschap klanten en andere relaties en personeel van de vennootschap benaderen met het oog op het aangaan, wijzigen of beëindigen van de relatie met de vennootschap c.q. enige andere onderneming.

  3. De verplichtingen genoemd in dit artikel blijven ten aanzien van partijen alsmede hun (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon van kracht gedurende de periode waarin deze partij is bij de onderhavige overeenkomst en/of houder van aandelen in het kapitaal van de vennootschap is, alsmede gedurende een termijn van 24 maanden daarna.

  4. Partijen bij deze overeenkomst zijn bekend met het feit dat partij 1 en partij 2 en/of een aan hen gelieerde partij en/of haar bestuurders-natuurlijk persoon reeds ondernemingen exploiteren. Deze exploitaties zijn uitdrukkelijk uitgezonderd van het non-concurrentiebeding zoals vermeld in dit artikel.

Artikel 10

GEHEIMHOUDING

  1. De partijen alsmede hun (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon zijn tot geheimhouding gehouden van alle bijzonderheden betreffende of verband houdende met de door de vennootschap geëxploiteerde onderneming dan wel de aan haar gelieerde bedrijven.

  2. Het is partijen alsmede hun (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon verboden, hetzij gedurende de looptijd van deze overeenkomst, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm ook en op welke wijze ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheid of enige bijzonderheden het bedrijf van de vennootschap betreffende of daarmede verband houdende.

[..]

Artikel 12

BOETEBEDING

  1. De partij of (middellijk) bestuurder-natuurlijk persoon die enige bepaling uit deze overeenkomst overtreedt, verbeurt, door de enkele overtreding, ten behoeve van de niet in gebreke zijnde partij(en) een terstond, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst nodig is, opeisbare boete van € 10.000 voor iedere overtreding en € 1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van laatstgenoemde(n) om van de nalatige partij vergoeding te vorderen van schade, welke dit boetebeding, voorzover aan hem uitgekeerd, te boven gaat.

  2. Degenen die gehouden zijn de uit deze akte voortvloeiende verplichtingen na te komen, zullen in verzuim zijn door het enkele feit van de overtreding of toerekenbaar tekortschieten, zonder dat enige ingebrekestelling daartoe zal worden vereist, zodat zowel de bedongen boete, als de vergoeding der eventueel meer geleden schade terstond zullen kunnen worden gevorderd.”

2.5.

In de Oprichtingsovereenkomst van SFP is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Artikel 14

1. Overdracht van aandelen kan slechts plaatshebben, nadat de aandelen aan de mede-aandeelhouders te koop zijn aangeboden op de wijze als hierna is bepaald. [..]”

3 De verdere beoordeling

Wat vooraf is gegaan en opbouw van dit vonnis

3.1.

In het tussenvonnis van 29 november 2017 heeft de rechtbank enkele eindbeslissingen genomen, onder meer ten aanzien van tussen partijen vaststaande feiten (de overwegingen onder 2 in voornoemd tussenvonnis). Voorts heeft de rechtbank onder meer overwogen dat SFP haar verplichtingen niet heeft opgeschort en dat de door [gedaagde 1] gehanteerde betalingstermijn, gegeven de in dat vonnis omschreven omstandigheden, redelijk was (respectievelijk de overwegingen 6.11. en 6.13 van voornoemd tussenvonnis). Als gevolg hiervan was aan de formele vereisten voor de ontbinding op grond van artikel 9 van de Overeenkomst Reststromen in beginsel voldaan, en moest voor de geldigheid van de ontbinding nog worden beoordeeld of door [gedaagde 4] een juiste kostprijs was berekend. In het tussenvonnis van 4 april 2018 is dhr. ir. Van den Oord van Flynth Adviseurs en Accountants als deskundige benoemd om – kortgezegd – te beoordelen wat de juiste kostprijs zou zijn. In de tussenvonnissen van 22 mei 2019 en 30 oktober 2019 zijn aanvullende voorschotten bepaald. De deskundige heeft op 23 december 2019 zijn deskundigenbericht uitgebracht.

3.2.

Zowel Porc SP als [gedaagde 4] hebben zich bij akte uitgelaten over het deskundigenbericht. Zij zijn het allebei, om verschillende redenen, niet eens met de inhoud van het rapport. Daarnaast handhaaft Porc SP haar eerdere stellingen, en wijzigt zij haar eis. Voorts verzoekt Porc SP de rechtbank om op enkele eindbeslissingen terug te komen.

3.3.

Voor een goed overzicht zal de rechtbank in het navolgende eerst de vordering van Porc SP omschrijven, zoals deze na wijziging van eis luidt. Daarna zal de rechtbank het juridisch kader waartegen de vorderingen, het verzoek om terug te komen op eerdere eindbeslissingen en de bezwaren van partijen tegen het deskundigenbericht, moeten worden beoordeeld, uiteenzetten. Vervolgens zal de rechtbank het verzoek van Porc SP om terug te komen op overwegingen van het tussenvonnis van 29 november 2017 beoordelen. Daarna zal het deskundigenbericht en de daarop door partijen gegeven kritiek worden beoordeeld, waarna – aan de hand daarvan – wordt beoordeeld of de buitengerechtelijke ontbinding van de Overeenkomst Reststromen effect sorteert. Tot slot zullen de vorderingen van Porc SP worden besproken, waarbij eerst de vorderingen gebaseerd op de Overeenkomst Reststromen worden besproken, daarna de vorderingen die zijn gebaseerd op de Aandeelhoudersovereenkomst en tot slot de vordering die ertoe strekt om [gedaagde 2] te verplichten om een machtiging aan Porc SP te verstrekken, om namens [gedaagde 2] te handelen ten aanzien van activiteiten van SFP.

De vordering van Porc SP

3.4.

Na wijziging van eis, luidt de vordering van Porc SP – samengevat – als volgt:

Porc SP vordert van de rechtbank bij vonnis, na vermeerdering van eis, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat weergegeven):

I. te verklaren voor recht dat gedaagden, althans gedaagden sub 1, 2, 3 en/of 4 onrechtmatig hebben gehandeld jegens Porc SP op de door Porc SP aangevoerde gronden;

II. te verklaren voor recht:

a. dat gedaagden sub 2 tot en met 4, althans gedaagden sub 2, 3 en/of 4, toerekenbaar tekort gekomen zijn in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4) jegens Porc SP;

b. dat gedaagden sub 2 tot en met 4, althans gedaagden sub 2, 3 en/of 4 in strijd hebben gehandeld met artikel 9 van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4);

c. dat gedaagden sub 2 tot en met 4, althans gedaagden sub 2, 3 en/of 4 in strijd hebben gehandeld met artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4);

III. gedaagde sub 1:

a. te verbieden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat de overtreding voortduurt, althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald, om verwerkte reststromen als bedoeld in de Overeenkomst Reststromen te leveren aan anderen dan SFP;

b. te gebieden om verwerkte reststromen, als bedoeld in de Overeenkomst Reststromen, op verzoek van SFP aan SFP te leveren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat geen gehoor wordt gegeven aan dit gebod, althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald;

c. te gebieden om een kostprijs te hanteren bij haar leveringen aan SFP conform het door eiseres in het geding gebrachte model (productie 27), althans een kostprijs zoals door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald, en gedaagde sub 1 te gebieden om de kostprijs op eerste verzoek van SFP te onderbouwen aan de hand van verifieerbare bescheiden, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per overtreding althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

d. te gebieden om zich te houden aan de geheimhoudingsclausule als bedoeld in artikel 6 Overeenkomst Reststromen, dit op straffe van een dwangsom voor iedere overtreding van dit geheimhoudingsbeding van € 10.000,- per keer, althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

e. te veroordelen tot betaling van de door Porc SP geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het wanpresteren dan wel onrechtmatig handelen door gedaagde sub 1, een en ander conform de in het lichaam van de dagvaarding geformuleerde schadeberekening in randnummer 37 en conform de toelichting in de akte na tussenvonnis van 6 oktober 2017, dan wel tot betaling van een schadevergoeding als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

IV. gedaagden sub 2 tot en met 4 (ieder voor zich als ook gezamenlijk), althans gedaagden sub 2, 3 en/of 4:

a. te gebieden om de bepalingen van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4 bij dagvaarding) correct na te leven, in het bijzonder de artikelen 9 en 10 van deze overeenkomst;

b. te verbieden om medewerking te verlenen, in de meest ruime zin van het woord, actief of passief, direct of indirect, aan het leveren van verwerkte reststromen als bedoeld in de Overeenkomst Reststromen aan anderen dan SFP, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer dat dit gebod geschonden wordt, althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

c. te gebieden om zich te houden aan de geheimhoudingsclausule als bedoeld in artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4 bij dagvaarding), zulks op straffe van een dwangsom voor iedere overtreding van dit geheimhoudingsbeding van € 10.000,- per keer, althans op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

d. te veroordelen tot betaling van de door Porc SP door hun wanpresteren dan wel onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade, een en ander zoals geformuleerd in het lichaam van de dagvaarding in randnummer 37 en conform de toelichting in de akte na tussenvonnis van 6 oktober 2017, dan wel tot betaling van een schadevergoeding als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

e. te veroordelen tot betaling van de contractuele boete als bepaald in artikel 12 van de Aandeelhoudersovereenkomst, zoals geformuleerd in het lichaam van de dagvaarding in randnummer 39 en zoals toegelicht in de akte na tussenvonnis van 6 oktober 2017, dan wel tot betaling van de contractuele boete zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

V. gedaagde sub 2:

a. te veroordelen Porc SP onherroepelijk en onvoorwaardelijk te machtigen om alle maatregelen te treffen, waaronder bewarende en gerechtelijke maatregelen, die nodig zijn om een correcte nakoming van de Overeenkomst Reststromen te bewerkstelligen, welke machtiging binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis bij notariële volmacht, voor rekening van Porc SP en voor een door Porc SP aan te wijzen notaris, dient te worden verstrekt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat gedaagde sub 2 haar medewerking hieraan onthoudt, dan wel op straffe van een dwangsom als door de rechtbank in goede justitie zal worden bepaald;

b. te veroordelen haar aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SFP binnen 4 weken na het te wijzen vonnis, aan te bieden aan Porc SP als bedoeld in artikel 6 van de Aandeelhoudersovereenkomst (productie 4) en als bedoeld in artikel 14 van de akte van oprichting (productie 1);

VI. met (hoofdelijke) veroordeling van gedaagden sub 1 tot en met 4 in de kosten en nakosten van deze procedure, waaronder de kosten van de deskundige, zoals geformuleerd in het lichaam van de dagvaarding.

3.5.

[gedaagde 4] voert verweer. Op de onderbouwing van de vorderingen van Porc SP en het verweer van [gedaagde 4] zal hierna, voor zover relevant, per deelvordering worden ingegaan.

Het juridisch kader

Terugkomen op bindende eindbeslissingen

3.6.

De leer van de bindende eindbeslissing houdt blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad in dat de rechtbank in beginsel niet meer kan terugkomen van door haar gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechtbank, indien is gebleken dat een eerdere door haar gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zal doen.1 De rechtbank is evenwel bevoegd om aan een verzoek om terug te komen van een bindende eindbeslissing voorbij te gaan indien dat verzoek gestoeld is op feiten en stellingen die reeds eerder in de procedure ter kennis van de rechtbank en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, ter kennis van de rechtbank hadden moeten zijn gebracht.2 De ratio van deze rechtspraak is er in gelegen dat partijen niet eindeloos, nadat de rechtbank reeds op onderdelen over een geschil heeft beslist, deze beslissingen in later stadium van het geding kunnen openbreken, tenzij die eerdere beslissingen (evident) blijken te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

(Bezwaren tegen) het deskundigenbericht

3.7.

Indien een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de conclusies van de deskundige zorgvuldig zijn onderbouwd en voortvloeien uit door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen. Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert, mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Ook in dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk rapport naast zich neerlegt. Daarbij geldt dat, indien de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een der partijen geraadpleegde deskundige, op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, en de rechter de zienswijze van deze laatste deskundige volgt, de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door aan te geven dat de motivering van de door hem benoemde deskundige hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.3 Van een voldoende gemotiveerde betwisting kan sprake zijn indien het betreffende bezwaar door de deskundige niet in haar deskundigenbericht is betrokken.4 Wanneer de betreffende betwisting al wel is meegenomen door de deskundige, maar een partij het met de reactie van de deskundige daarop niet eens is, mag naar het oordeel van de rechtbank in beginsel worden verwacht dat de betwisting met een (partij)deskundigenbericht wordt onderbouwd, bij gebreke waarvan de betwisting onvoldoende gemotiveerd is.

3.8.

Voorts volgt uit artikel 198 Rv en vaste rechtspraak dat voor alle partijen die betrokken zijn in een procedure een medewerkingsplicht geldt bij het deskundigenonderzoek. Indien een partij geen (volledige) medewerking heeft verleend aan de benoemde deskundige, dan kan de rechtbank daaraan na totstandkoming van het deskundigenrapport de gevolgen verbinden die zij geraden acht.5

Aansprakelijkheid jegens een aandeelhouder (niet-contractpartij) voor wanpresteren jegens de vennootschap

3.9.

Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien een contractant aan een vennootschap vermogensschade toebrengt door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap een vordering heeft tot vergoeding van deze schade. In beginsel kunnen aandeelhouders op grond van voor hen ontstaan nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde contractant geldend maken. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder; het moet dan gaan om een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting. Deze regel is eveneens van toepassing in gevallen waarin de bestuurder van een vennootschap is tekortgeschoten in de nakoming van de uit zijn aanstelling/opdracht voortvloeiende verplichtingen tegenover die vennootschap.6

3.10.

Van een specifieke onzorgvuldigheid kan sprake zijn, indien de verweten handelwijze van de contractant, voor zover bewezen, jegens de aandeelhouder in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarbij dient tot uitgangspunt dat, zoals volgt uit vaste rechtspraak, indien de belangen van de aandeelhouder zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als de contractant in die uitvoering tekortschiet, de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, kunnen meebrengen dat de contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen.7

3.11.

Bij de beantwoording van de vraag of de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt dit meebrengen, moeten volgens vaste rechtspraak de ter zake dienende omstandigheden van het geval in de beoordeling worden betrokken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de aandeelhouder daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de aandeelhouder erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de aandeelhouder rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de aandeelhouder dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de aandeelhouder aangeboden schadeloosstelling.8

Bestuurdersaansprakelijkheid

3.12.

Naast de aansprakelijkheid van een vennootschap voor een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst, dan wel een onrechtmatige gedraging, kan ook grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig verwijt kan worden aangenomen.9

3.13.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde jurisprudentie ook van toepassing is indien de bestuurder van een rechtspersoon op haar beurt ook weer een rechtspersoon is. Redengevend daarvoor is dat in artikel 2:11 BW is geregeld dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens (van rechtswege) hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de bestuurdersaansprakelijkheid van die besturende rechtspersoon bestuurder was. Daarmee fungeert deze bepaling als het ware als een “doorgeefluik” van aansprakelijkheid van bestuurders.

Deze bepaling is in het leven geroepen om het enerzijds mogelijk te maken dat rechtspersonen bestuurders kunnen zijn van een andere rechtspersoon, terwijl anderzijds wordt voorkomen dat natuurlijke personen door dit type constructies aansprakelijkheid met hun privévermogen kunnen voorkomen en zodoende misbruik van dit type constructies kunnen maken.10 In de wetsgeschiedenis zijn echter geen aanknopingspunten te vinden waaruit zou kunnen blijken dat de wetgever heeft beoogd om voor rechtspersoon-bestuurders als zodanig andere criteria voor bestuurdersaansprakelijkheid te creëren dan voor natuurlijke personen die als bestuurders van een rechtspersoon optreden. Ook de rechtbank ziet geen reden om hiervoor andere criteria te hanteren. Het hanteren van andere (zwakkere) criteria voor de bestuurdersaansprakelijkheid van rechtspersonen zou er immers toe leiden dat de positie van de bestuurders van die rechtspersoon, als gevolg van de doorgeefluikfunctie van artikel 2:11 BW, in een zwakkere positie zouden komen te verkeren dan wanneer zij als direct bestuurder van de andere rechtspersoon zouden optreden. Een dergelijke verzwakking van indirect bestuurders is door de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis niet bedoeld.

3.14.

Voorts kan een bestuurder van een vennootschap voor onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn jegens haar individuele vennoten. Daarvoor is dan wel vereist dat de betreffende bestuurder hiervan een ernstig verwijt (jegens de individuele vennoot) kan worden gemaakt. De vereisten van artikel 2:9 BW (interne aansprakelijkheid van bestuurders jegens de vennootschap) zijn in deze beoordeling van overeenkomstige toepassing.11

Ten aanzien van (het gebruik van) onrechtmatig verkregen bewijs

3.15.

Ten aanzien van onrechtmatig verkregen bewijs geldt het volgende uitgangspunt. In het civiele recht is het onrechtmatig bewijs als zodanig niet in de wet geregeld. De vrije bewijsleer geldt. In dat kader moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of het bewijs onrechtmatig is verkregen. Indien dit het geval is, is de tweede vraag wat hiervan het gevolg is en in het bijzonder of dit moet leiden tot uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.12 Daarbij geldt dat het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, in beginsel zwaarder wegen dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd.13 Bij die beoordeling is dan voorts van belang of de partij die zich op het bewijs beroept voldoende alternatieve wijzen van informatieverzameling heeft benut.14

3.16.

De rechtbank komt pas aan de beoordeling van een beroep op de onrechtmatigheid van bewijs dat door de wederpartij wordt gehanteerd toe, indien de partij die zich op de onrechtmatigheid beroept de stellingen waarop het bewijs ziet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Wanneer de stellingen onvoldoende gemotiveerd zijn bewijst, komen de stellingen van de wederpartij immers reeds om die reden als bewezen vast te staan (zie hierna).

Uitleg van overeenkomsten – de Haviltex maatstaf

3.17.

Ten aanzien van de uitleg van overeenkomsten geldt het volgende. Hoewel bij de uitleg van een overeenkomst, gesloten tussen (in dit geval) twee professionele partijen, groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze Haviltex-maatstaf laat toe dat een rechter voorshands groot gewicht toekent aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg. Wanneer evenwel door een van partijen een andere dan de taalkundige uitleg van de overeenkomst wordt verdedigd, dan zal de rechtbank moeten nagaan of de door die partij aangevoerde omstandigheden nopen tot een andere uitleg.15

Stelplicht en bewijslast

3.18.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt het verder op de weg van Porc SP om voldoende feiten te stellen die, indien zij worden bewezen, de grondslag voor toewijzing van de vorderingen geven. Indien voldoende is gesteld, ligt het op de weg van [gedaagde 4] om de stellingen van Porc SP voldoende gemotiveerd te betwisten. Wanneer [gedaagde 4] haar betwisting niet voldoende motiveert, heeft dit tot gevolg dat de stelling van Porc SP als bewezen komt vast te staan. Wanneer de betwisting wel voldoende is gemotiveerd, dienen de betreffende feiten door Porc SP te worden bewezen. Wanneer er een bevrijdend verweer wordt gevoerd, liggen de stelplicht en bewijslast voor (de feiten ten behoeve van) dat bevrijdende verweer bij [gedaagde 4] .

3.19.

De eisen die aan de voornoemde stelplicht en (gemotiveerde) betwisting worden gesteld, laten zich als volgt uitleggen: beide partijen moeten over en weer hun feitelijke stellingen en betwistingen voldoende concreet onderbouwen of motiveren, waarbij het antwoord op de vraag hoe concreet zij moeten zijn, telkens ook afhangt van de wederpartij: hoe concreter de stellingen van een partij zijn, hoe concreter ook de wederpartij op die stellingen moet reageren.16

Het verzoek van Porc SP om terug te komen op eerdere eindbeslissingen

Standpunt Porc SP

3.20.

Porc SP heeft in haar conclusie na deskundigenbericht de rechtbank verzocht om terug te komen op verschillende overwegingen uit het tussenvonnis van 29 november 2017, in het bijzonder ten aanzien van de vastgestelde feiten in overweging 2.9 en de eindbeslissingen in overwegingen 6.11 en 6.13. Volgens haar berusten deze overwegingen op een onjuiste feitelijke grondslag.

Standpunt [gedaagde 4]

3.21.

heeft bij antwoordakte de gelegenheid gehad om op het standpunt van Porc SP te reageren, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

3.22.

De rechtbank zal het verzoek tot heroverweging afwijzen, en overweegt daarbij het navolgende. In het onderhavige geval bepleit Porc SP haar verzoek om heroverweging met een herhaling van hetgeen zij al eerder uiteenzette in haar dagvaarding en heeft toegelicht ter comparitie, onder meer door expliciet naar stukken te verwijzen die in die fase van het geding reeds waren overgelegd en waarop zij destijds reeds een toelichting had gegeven. Haar stellingen en verweren zijn al betrokken bij het tussenvonnis van 29 november 2017 en daarop is al een eindbeslissing genomen door de rechtbank. Het enkele gegeven dat Porc SP een andere lezing van de feiten hanteert, maakt niet dat de beslissing van de rechtbank (evident) onjuist is geweest. Het had op de weg van Porc SP gelegen om met een nadere onderbouwing, die uit meer bestaat dan een enkele verwijzing naar eerder overgelegde stukken, toe te lichten waaruit volgt dat de eerdere eindbeslissingen zouden berusten op een feitelijk of juridisch onjuiste grondslag. De rechtbank zal, gelet op het juridisch kader zoals uiteengezet in 3.6, het verzoek om heroverweging van de eindbeslissingen in het tussenvonnis van 29 november 2017 dan ook passeren.

3.23.

De rechtbank blijft – gelet op het voorgaande – bij hetgeen is overwogen en beslist in de eerdere tussenvonnissen van 29 november 2017, 4 april 2018, 22 mei 2019 en 30 oktober 2019.

Het deskundigenrapport

De conclusies van de deskundige

3.24.

In het tussenvonnis van 4 april 2018 zijn de volgende onderzoeksvragen aan de deskundige gesteld:

1. Wat is de juiste kostprijs voor de be- en verwerkte reststromen per juli 2016, waarbij leidend is de definitie van artikel 3, lid 2 van de Overeenkomst Reststromen (“De kostprijs betreft de door [gedaagde 4] gemaakte (on)kosten ten behoeve van inkoop, verwerking en levering (inclusief transport) van de reststromen”).

Wilt u de door u berekende kostprijs onderbouwen en daarbij ook aangeven wat wel en niet bij de kostprijsberekening moet worden meegenomen (voor zover daar tussen partijen discussie over bestaat)?

Wilt u daarbij ook ingaan op de hoeveelheden waarop de kostprijs moet worden gebaseerd (volgens gedaagden telt Porc SP bij haar berekening ook een hoeveelheid van 6.711 ton mee, terwijl volgens gedaagden een deel daarvan voor het bedrijf van [gedaagde 4] zelf was en dus niet meegeteld moet worden).

Dienen, meer in het algemeen, de leveringen aan het bedrijf van [gedaagde 4] zelf en aan het bedrijf van [A] en [B] (Innoporc B.V.) meegenomen te worden bij de berekening? Zo ja, wat is de invloed daarvan?

2. Indien de kostprijs in de tijd fluctueert (bijvoorbeeld vanwege een andere samenstelling en/of gewijzigde inkoopprijzen), kunt u dan een bandbreedte aangeven waarbinnen de kostprijs zich beweegt?

3. Indien de kostprijs in de loop van de tijd hoger is geworden (zoals door gedaagden is gesteld), kunt u dan aangeven wat daarvan de oorzaak is?

4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

3.25.

Bij deskundigenbericht van 23 december 2019 heeft de deskundige voornoemde onderzoeksvragen beantwoord. Blijkens het deskundigenbericht heeft de deskundige na kennisneming van het procesdossier, partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven op de te hanteren berekeningsmethode. Verder blijkt uit het rapport dat de deskundige de nodige stukken omtrent onder andere de bedrijfsadministratie van [gedaagde 4] heeft opgevraagd. De deskundige heeft van zijn bevindingen een concept-rapport opgemaakt, waarop partijen commentaar hebben kunnen geven. Op het commentaar van partijen is door de deskundige in het definitieve rapport gereageerd. Het commentaar van partijen is, tezamen met de reactie daarop van de deskundige, in het rapport verwerkt. Deze verwerkingen zijn in het blauw in het rapport weergegeven. Uit het rapport valt op te maken dat verschillende aanvullende stukken betreffende de bedrijfsadministratie van [gedaagde 4] zijn opgevraagd, maar dat deze stukken niet allemaal door [gedaagde 4] zijn overgelegd. Het deskundigenonderzoek is derhalve uitgevoerd gebruikmakend van het procesdossier en opgevraagde stukken die wel zijn overgelegd.

3.26.

Voor de beantwoording van de eerste onderzoeksvraag is door de deskundige overwogen dat de opsomming in artikel 3 lid 2 van de Overeenkomst Reststromen verre van volledig is. De deskundige heeft voor de berekening van de kostprijs daarom aansluiting gezocht bij de eerste zinssnede van lid 2: “de kostprijs betreft de door [gedaagde 4] gemaakte (on)kosten ten behoeve van de inkoop, verwerking en levering (inclusief transport) van de reststromen”. Volgens de deskundige betreft dit dan een optelsom van kosten die direct dan wel indirect (op basis van een verdeelsleutel) aan een product (hier: bakkersmeel SFP) zijn toe te rekenen. Daarbij zijn in het rapport volgens de deskundige de kosten van arbeid door [gedaagde 4] , de planner en personeelskosten voor inkoop, marketing en kwaliteit bij de berekening uitgesloten, conform artikel 3 lid 2 van voornoemde overeenkomst.

3.27.

Blijkens het rapport bestaat de kostprijs uit twee onderdelen: de gebruikte grondstoffen en de toegerekende kosten. Tussen partijen bestaat ten aanzien van beide posten verschil van inzicht. Doordat [gedaagde 4] niet alle benodigde en door de deskundige opgevraagde stukken heeft overgelegd, is de deskundige blijkens zijn rapport niet in staat geweest uitsluitsel te geven over het onderdeel “grondstoffen”. De deskundige hanteert daarom als uitgangspunt het volgende: “de range van het verschil van inzicht over het onderdeel “grondstoffen” in de kostprijs van bakkersmeel in 2016 betreft: EUR 103,- (volgens Porc SP) en EUR 139 (volgens [gedaagde 1] )”.17

3.28.

Het verschil van inzicht over de kostprijs wat betreft “toegerekende kosten” is blijkens het rapport gelegen in verschil van inzicht tussen partijen over zowel de kostenposten als de toedeling daarvan aan de producten. Inzicht in de daadwerkelijk gemaakte en toe te rekenen kosten voor de betreffende producten is op basis van het procesdossier en de wel overgelegde stukken blijkens het rapport niet verkregen. Op basis van het procesdossier en de wel overgelegde stukken is voor de berekening van de toegerekende kosten daarom een nadere analyse van de jaarrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] uitgevoerd. Op basis hiervan komt de deskundige tot een kostprijs exclusief grondstoffen van € 106,25 per ton product voor het jaar 2015 en € 135,94 per ton product voor de periode 1 januari 2016 tot 1 juli 2016. Wanneer daarbij een correctie wordt toegepast in verband met de Overeenkomst Reststromen, dan resteert voor het jaar 2015 een bedrag van € 87,16 en voor 2016 een bedrag van € 109,42 per ton product. De bandbreedtes waartussen de kostprijs zich dan beweegt betreffen € 106,- tot € 136,- (exclusief correctie) en € 87,- tot € 109,- (inclusief correctie) per ton product. De gemiddelde kostprijs (exclusief grondstoffen) komt daarmee blijkens het deskundigenrapport neer op een bedrag van € 121,- zonder correctie en € 98,- met correctie per ton product. Het verschil tussen 2015 en 2016 wordt met name veroorzaakt door arbeid en kosten voor machines en installatie.18

3.29.

Tot slot merkt de deskundige – in antwoord op vraag 4 – op dat het Landbouwbedrijf [gedaagde 4] in de jaren 2013 tot en met 2016 onverwerkte en verwerkte reststromen ontving ten behoeve van het vee. Hiervoor is een vergoeding verschuldigd. Uit de jaarrekeningen van [gedaagde 1] volgen de vergoedingen die het Landbouwbedrijf [gedaagde 4] aan haar betaalde. Daaruit volgt dat de vergoeding vanuit Landbouwbedrijf [gedaagde 4] in 2015 en 2016 de kostprijs (exclusief grondstoffen) niet dekte. Dit duidt op een aanzienlijk verlies (per ton) op producten geleverd door [gedaagde 1] aan het Landbouwbedrijf [gedaagde 4] .19

De bezwaren van Porc SP tegen de inhoud van het rapport

3.30.

Volgens Porc SP moet worden aangesloten bij de door haar berekende kosten van het bakkersmeel ad € 149,84. Subsidiair is Porc SP van mening dat ten aanzien van de kosten nader bewijs nodig is, en zij biedt in dat kader aan hierover getuigen te horen, waaronder [C] . Meer subsidiair betoogt Porc SP dat de door de deskundige berekende kostprijs moet worden gecorrigeerd. Voorts heeft het door [gedaagde 4] niet of niet tijdig verstrekken van informatie tot veel vertraging en onduidelijkheid geleid, waardoor er onnodige kosten door de deskundige zijn gemaakt. Om die reden moeten de kosten van de deskundige in ieder geval voor rekening van [gedaagde 4] komen. Porc SP voert ter onderbouwing van haar standpunt – samengevat – onder meer het volgende aan.

3.31.

[gedaagde 4] heeft verzuimd om door de deskundige opgevraagde informatie te verstrekken, ondanks dat zij deze informatie wel ter beschikking had of zou moeten hebben. De deskundige heeft daardoor niet op alle door de rechtbank gestelde vragen antwoord kunnen geven, of heeft zich moeten baseren op aannames. Het deskundigenbericht is verder inhoudelijk niet juist. Porc SP stelt daartoe onder meer dat het niet aan de deskundige is om een eigen invulling van het begrip “kostprijs” te geven en dat aangesloten had moeten worden bij de definitie zoals deze door partijen is overeengekomen in de Overeenkomst Reststromen. Nu daar niet bij is aangesloten, moet de berekening van Porc SP worden gevolgd, of subsidiair het door de deskundige berekende bedrag worden gecorrigeerd.

3.32.

Voorts is er, anders dan de deskundige rapporteert, wel degelijk sprake van een receptuur voor de grondstoffen. Weliswaar betreft dit grotendeels receptuur van na de datum van de buitengerechtelijke ontbinding, maar die receptuur geeft wel een goede indicatie van de samenstelling van het product bakkersmeel. Bovendien dient het ontbreken van de receptuur voor rekening en risico van [gedaagde 4] te komen. Conclusie is dat moet worden uitgegaan van de door Porc SP gehanteerde grondstofprijs van € 103,07 per ton.

3.33.

Ook ten aanzien van de toegerekende kosten beschikte de deskundige niet over alle relevante gegevens, die door [gedaagde 4] hadden moeten worden ingebracht. Dit valt in de risicosfeer van [gedaagde 4] . De deskundige gaat uit van veel aannames. Bovendien zijn de berekende toegerekende kosten niet correct. Uitgaande van de cijfers die [gedaagde 4] hanteert en de door de deskundige vastgestelde tonnages product, komen de toegerekende kosten uit op € 61,64 per ton (productie 51 van Porc SP). Dit betekent dat de totale kostprijs (toegerekende kosten + grondstoffen) neerkomt op (maximaal) € 164,71 per ton. Ten aanzien van de arbeidskosten (onderdeel van de toegerekende kosten) wordt door de deskundige evenwel een cruciale fout gemaakt, omdat hij geen correct inzicht heeft in het werkelijke productieproces en de werkzaamheden per bedrijfsonderdeel. De deskundige heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van Porc SP om het productieproces toe te lichten. Het volgens Porc SP juiste productieschema wordt als productie 52 overgelegd. De door de deskundige gehanteerde verdeelsleutel kan (mede gelet daarop) niet correct zijn. Voorts zijn ten onrechte kosten voor [C] meegenomen in de kostprijsberekening. Dat dit volgens de deskundige slechts een beperkte invloed zou hebben op de kostprijs, maakt niet dat deze kosten bij de vaststelling van de kostprijs mogen worden meegenomen. Verder werd het gros van het personeel binnen de onderneming van [gedaagde 4] ingezet, dit volgt ook uit de jaarrekeningen. Vanwege het ontbreken van de onderliggende informatie is Porc SP van mening dat de deskundige geen oordeel kan geven over de kosten van arbeid en dat dit aan [gedaagde 4] is toe te rekenen.

3.34.

Voorts stelt Porc SP zich op het standpunt dat verschillende andere posten niet, of niet op een juiste wijze in de kostprijsberekening zijn betrokken. De rechtbank begrijpt het standpunt van Porc SP in dit opzicht aldus, dat volgens Porc SP de door de deskundige bepaalde correctie op de kostprijs in verband met de Overeenkomst Reststromen, niet in overeenstemming met die overeenkomst is en dat derhalve de door Porc SP voorgestelde correcties moeten worden gehanteerd.

De bezwaren van [gedaagde 4] tegen de inhoud van het rapport

3.35.

Hoewel door de deskundige gegevens, betreffende de mengopdrachten, bij [gedaagde 4] zijn opgevraagd, werden die recepturen juist door Porc SP gemaakt. Zij mailde die mengopdrachten steeds aan [gedaagde 4] . Ondanks dat de deskundige hierop is gewezen, zijn deze gegevens niet bij Porc SP opgevraagd. [gedaagde 4] behoefde die gegevens verder ook niet op basis van een bewaartermijn onder zich te hebben, nu de bewaartermijn van die gegevens maar drie jaren is. Volgens [gedaagde 4] bevat het deskundigenbericht ook een aantal evidente weeffouten.

3.36.

Hoewel de deskundige in het midden laat welke grondstofprijs juist is, die van [gedaagde 4] of die van Porc SP, moeten volgens [gedaagde 4] de stellingen omtrent de grondstofprijs van Porc SP worden gepasseerd. Zij gaat er namelijk ten onrechte vanuit dat het product geen broodmeel bevat. Dat is echter een onjuiste veronderstelling. [gedaagde 4] legt in dat verband een aantal mengbonnen over, die volgens haar ook aan de deskundige waren verstrekt. Broodmeel is een van de duurdere grondstoffen. Ook Porc SP was zich ervan bewust dat er broodmeel in het product werd verwerkt en zij was zich ook bewust van de hoge prijs daarvan. De door Porc SP gehanteerde grondstofprijs kan daarom niet kloppen.

3.37.

Voorts is een veel te groot deel van de personeelskosten toegerekend aan Landbouwbedrijf [gedaagde 4] . De ‘enkelvoudige bewerking’ ten behoeve van het Landbouwbedrijf [gedaagde 4] betrof namelijk niets meer dan een machinale overslag van de vrachtwagens van de leveranciers naar de bakken die voor het landbouwbedrijf waren bestemd.

3.38.

De deskundige gaat er voorts aan voorbij dat [gedaagde 4] na de verplaatsing van de machines van [plaats 1] naar [plaats 2] ervoor heeft gezorgd dat louter onverpakte grondstoffen bij aankomst in [plaats 2] werden doorgeleverd aan het landbouwbedrijf in [plaats 1] , de machines waren met name bedoeld voor het verwerken van verpakte producten. Dat de deskundige de kosten van het landbouwbedrijf van voor de samenwerking met SFP doorberekent naar de situatie ten tijde van de samenwerking is daarom niet juist. De door de deskundige gehanteerde verdeelsleutel van kosten is daarmee volledig onjuist. Het deel van de kosten dat aan de productie voor SFP moet worden toegerekend dient daarom veel hoger te zijn.

3.39.

Tot slot heeft de deskundige onvoldoende rekening gehouden met de beëindiging van de huurovereenkomst voor de eerste bedrijfshal. In dat kader wordt een eindafrekening overgelegd die volledig in de kostprijs dient te worden meegenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

3.40.

De deskundige geeft in zijn advies aan welke gegevens hij gebruikt en hoe die gegevens leiden tot de door hem gegeven conclusies. De rechtbank stelt daarbij vast dat de aan de deskundige gestelde vragen in het rapport uitvoerig gemotiveerd worden beantwoord en dat de antwoorden en de onderbouwing daarvan consistent zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat aangesloten kan worden bij de conclusies van de deskundige.

3.41.

De door partijen aangevoerde gronden geven geen aanleiding om af te wijken van het deskundigenadvies. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Definitie kostprijs en toegerekende kosten – de bezwaren van Porc SP

3.42.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige niet is afgeweken van de definitie voor de kostprijs van de reststromen. In artikel 3 lid 2 is immers bepaald dat de kostprijs “de door [gedaagde 4] gemaakte (on)kosten ten behoeve van de inkoop, verwerking en levering (inclusief transport) van de reststromen” inhoudt. Weliswaar wordt daarna in dat lid een nadere specificatie hiervan gegeven, maar daaruit volgt niet dat die specificatie limitatief is. Dat volgt alleen al uit het feit dat in die specificatie niet wordt verwezen naar de inkoop van grondstoffen. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt met zich dat ook andere kosten tot de kostprijs kunnen worden gerekend, indien deze met voornoemde (on)kosten verband houden. Een andere uitleg zou onredelijk zijn, omdat dan juist, zoals uit het deskundigenbericht volgt, meerdere kosten niet worden meegerekend die door [gedaagde 1] ten behoeve van de (verwerkte) reststromen wel worden gemaakt.

3.43.

Voor wat betreft de toegerekende kosten beroept Porc SP zich voorts op door haarzelf uitgevoerde berekeningen (productie 51). Porc SP heeft deze berekeningen echter niet aan de hand van een nadere (deskundigen)rapportage onderbouwd. Reeds om die reden houdt deze berekening geen voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige in (zie ook het juridisch kader zoals weergegeven in r.o. 3.7 en 3.8). Voorts wordt in de berekening ook niet aangegeven in welk opzicht en om welke redenen het afwijkt van de berekening van de deskundige, zodat deze berekening niet kwalificeert als een specifiek bezwaar ten aanzien van het deskundigenbericht. De rechtbank ziet in de door Porc SP overgelegde tegenberekening dan ook geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken.

3.44.

Voorts zijn de werkzaamheden van dhr. [C] volgens Porc SP ten onrechte in de berekening betrokken, aangezien [C] in 2015 en 2016 als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat was als vrachtwagenchauffeur te werken en enkel in de planning werkzaam was. Door de deskundige is op pagina 15 van het rapport, in antwoord op deze bezwaren van Porc SP, het effect van de arbeidsongeschiktheid van [C] benoemd, waarbij de deskundige zelfs uitgaat van (nog) hogere arbeidsongeschiktheidspercentages dan Porc SP. Uit die berekening volgt dat het effect per ton product reststroom neerkomt op € 0,49 in 2015 en € 3,07 in 2016. Die bedragen zijn, gelet op de door de deskundige berekende bedragen voor de toegerekende kosten, zodanig laag, dat dit naar het oordeel van de rechtbank geen reden geeft tot afwijking van de conclusies in het deskundigenbericht. Daarbij betrekt de rechtbank dat reeds in het tussenvonnis is overwogen dat bij de berekening van de kostprijs enige marge is toegestaan (overweging 6.7 van het tussenvonnis) en het dus niet op de laatste euro aankomt voor de vraag of de Overeenkomst Reststromen al dan niet kon worden ontbonden.

3.45.

Ook de overige bezwaren van Porc SP ten aanzien van de arbeidskosten geven geen aanleiding tot afwijking van het deskundigenbericht. Door Porc SP wordt onder meer aangevoerd dat de verdeelsleutel niet juist kan zijn, omdat onder meer uit de jaarrekeningen zou volgen dat het grootste deel van de arbeid zou worden ingezet bij [gedaagde 4] : er zouden slechts drie werknemers voor SFP werkzaam zijn. Deze bezwaren zijn evenwel ook al in het deskundigenbericht meegenomen, voor wat betreft de arbeid bijvoorbeeld op pagina 16, waarin wordt verwezen naar bijlagen 21 en 22 bij het deskundigenbericht. De deskundige werkt daarin uit op welke wijze de verdeling van de arbeidskosten heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft de vaststelling van de verdeelsleutel verwijst het deskundigenbericht op pagina 14 naar bijlage 18. In voornoemde bijlagen zijn uitgebreide berekeningen voor de vaststelling van de verdeelsleutel en voor de berekening van de arbeidskosten opgenomen. Deze komen de rechtbank overtuigend voor, zodat om die reden niet aan de hand van de berekening van Porc SP van het deskundigenbericht zal worden afgeweken. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook op dit onderdeel de tegenberekening van Porc SP niet nader is onderbouwd met een (deskundigen)rapport, zodat deze berekening reeds daarom geen voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.

3.46.

Voor zover door Porc SP nog wordt betoogd dat de deskundige haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld het productieproces toe te lichten en daarom van het thans door Porc SP overgelegde productieschema met het daarin beschreven productieproces moet worden uitgegaan, overweegt de rechtbank als volgt. Porc SP heeft de gelegenheid gehad om haar bezwaren op het concept-rapport van de deskundige kenbaar te maken, en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt. Evenwel heeft zij bij die bezwaren het thans overgelegde schema met productieproces niet aan de deskundige kenbaar gemaakt. De deskundige heeft met dat schema dus ook geen rekening kunnen houden bij de vaststelling van zijn rapportage. De rechtbank is van oordeel dat het overleggen van dit schema nadat het definitieve deskundigenbericht tot stand is gebracht, als tardief moet worden aangemerkt. Het had op de weg van Porc SP gelegen om dit schema met productieproces eerder in de procedure, en uiterlijk bij haar bezwaren op de concept-rapportage, over te leggen, zeker gezien het belang dat zij hier – kennelijk – aan hecht. De rechtbank zal aan dit schema voorbij gaan.

3.47.

Voor zover door Porc SP ten aanzien van de toegerekende kosten wordt betoogd dat bij haar berekeningen moet worden aangesloten, omdat [gedaagde 4] niet de door de deskundige gevraagde informatie (volledig) heeft overgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan ten aanzien van de grondstoffen, is de deskundige aan de hand van de wel overhandigde gegevens in staat geweest de toegerekende kosten te begroten. De gegevens waarop Porc SP haar eigen berekening had gebaseerd, en die zich reeds in de processtukken bevonden, hebben voor de deskundige geen aanleiding gegeven om tot een andere berekening te komen. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om van de in het deskundigenbericht berekende toegerekende kosten af te wijken.

Definitie kostprijs en toegerekende kosten – de bezwaren van [gedaagde 4]

3.48.

Het standpunt van [gedaagde 4] ten aanzien van de toegerekende kosten kan evenmin tot afwijking van het deskundigenbericht leiden. Het bezwaar van [gedaagde 4] komt er in de kern op neer dat de deskundige ten onrechte de gegevens over de periode voorafgaand aan de samenwerking extrapoleert naar de periode ten tijde van de samenwerking. Voor de periode ten tijde van de samenwerking moet volgens haar een andere verdeelsleutel worden gehanteerd, omdat onder andere de machines van [plaats 1] naar [plaats 2] waren verplaatst. De rechtbank is van oordeel dat dit bezwaar geen afbreuk kan doen aan het deskundigenbericht. De deskundige heeft bij herhaling stukken opgevraagd bij [gedaagde 4] om zo inzage te kunnen krijgen in de daadwerkelijk gemaakte kosten ten tijde van de samenwerking. [gedaagde 4] heeft deze gegevens niet (volledig) aangeleverd, als gevolg waarvan de deskundige de toegerekende kosten aan de hand van de wel beschikbare gegevens heeft moeten benaderen. [gedaagde 4] heeft, met andere woorden, haar medewerkingsplicht geschonden, waaraan de rechtbank de gevolgen kan verbinden die haar geraden voorkomen. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de volgens [gedaagde 4] voor haar nadelige gevolgen van de extrapolatie, voor haar rekening en risico komen. Bovendien is op de bezwaren van [gedaagde 4] ook (uitgebreid) door de deskundige gereageerd op pagina 13 van het deskundigenbericht. Hierin wordt door de deskundige op basis van de overgelegde stukken (onder meer) vastgesteld dat de machines in [plaats 2] (ook) ten tijde van de samenwerking ten behoeve van (het varkensbedrijf van) [gedaagde 4] werden gebruikt. Deze reactie en de onderbouwing daarvan komen de rechtbank overtuigend voor, zodat er (ook) om die reden geen aanleiding bestaat om van het deskundigenbericht af te wijken.

3.49.

Ook het bezwaar van [gedaagde 4] ten aanzien van de huurkosten, dat er in de kern op neerkomt dat ten onrechte de kosten van de beëindiging van de huurovereenkomst voor de eerste bedrijfshal en de daarmee gepaard gaande proceskosten niet in de berekening zijn meegenomen, noopt niet tot afwijking van het deskundigenbericht. In dat verband is door de deskundige op pagina 17 weergegeven op welke wijze rekening is gehouden met de huurkosten. Deze onderbouwing komt de rechtbank overtuigend voor. Uit het standpunt van [gedaagde 4] kan niet worden afgeleid waaruit zou moeten blijken dat deze onderbouwing van de deskundige niet juist is, zodat er reeds om die reden geen aanleiding bestaat om af te wijken van het deskundigenbericht. Voorts is door [gedaagde 4] pas na vaststelling van het definitieve deskundigenbericht een productie overgelegd waaruit de met de procedure verband houdende kosten zouden moeten volgen. Met deze productie heeft de deskundige geen rekening kunnen houden, terwijl het op de weg van [gedaagde 4] had gelegen deze productie, uiterlijk ten tijde van haar bezwaren op het conceptrapport, te overleggen. Bij gebreke daarvan is de overlegging daarvan, eerst na vaststelling van het deskundigenbericht, tardief en zal deze productie niet door de rechtbank in de beoordeling worden betrokken. Deze productie geeft daarom evenmin aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken.

Oordeel rechtbank - kostprijs grondstoffen

3.50.

Ten aanzien van de kosten voor de grondstoffen wordt door Porc SP terecht opgemerkt dat de deskundige die kosten niet heeft kunnen vaststellen, omdat [gedaagde 4] – bij herhaling – heeft nagelaten stukken aan de deskundige te overleggen, ondanks dat hierom door de deskundige werd verzocht. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 4] hiermee haar medewerkingsplicht heeft geschonden. Zoals hiervoor is overwogen betekent dit dat de rechtbank hieraan de gevolgen kan verbinden die zij geraden acht.

3.51.

Nu door het handelen van [gedaagde 4] de deskundige de kostprijs voor de grondstoffen niet heeft kunnen vaststellen, en hij in plaats daarvan een bandbreedte noemt, dienen de risico’s hiervan in redelijkheid voor rekening van [gedaagde 4] te komen. Aangezien de deskundige heeft gesteld dat de kostprijs zich bevindt binnen een bandbreedte van

€ 103,07 (het door Porc SP geopperde bedrag) en € 138,67 (het door [gedaagde 4] geopperde bedrag), volgt uit het voorgaande dat de rechtbank voor wat betreft de kostprijs voor de grondstoffen zal aansluiten bij het door Porc SP geopperde bedrag van € 103,07.

3.52.

Dat [gedaagde 4] voorts stelt dat de benodigde gegevens – de mengbonnen – zich (ook) in de administratie van Porc SP bevonden en deze gegevens daarom bij haar hadden moeten worden opgevraagd, doet aan het voorgaande niet af. De deskundige heeft immers deze gegevens bij [gedaagde 4] en niet bij Porc SP opgevraagd. Voor zover zij niet meer de beschikking had over deze gegevens, komt dit voor haar rekening en risico. Temeer nu [gedaagde 4] zelf stelt wel de beschikking te hebben gehad over de mengbonnen, nu deze volgens haar door Porc SP aan haar werden gemaild. Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat voor zover voor de gegevens, zoals [gedaagde 4] stelt, slechts een bewaartermijn van drie jaren geldt, [gedaagde 4] in ieder geval op 29 november 2017, de datum van het tussenvonnis waarin een deskundigenbericht werd aangekondigd, nog over die gegevens moest beschikken. Voor zover zij ervoor heeft gekozen om zich na het verstrijken van de bewaartermijn van (een deel van) de gegevens te ontdoen, terwijl zij op de hoogte was van het aanstaande deskundigenonderzoek, komt dat voor haar rekening en risico.

3.53.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de overlegging van de mengbonnen door [gedaagde 4] evenmin afbreuk kan doen aan het voorgaande. Hoewel [gedaagde 4] stelt dat deze mengbonnen ook aan de deskundige waren verstrekt, wordt niet nader toegelicht hoe aan de hand daarvan een grondstofprijs zou zijn vast te stellen en op welk bedrag die grondstofprijs dan zou moeten worden vastgesteld. Ook de deskundige heeft aan de hand van de aan hem overgelegde gegevens geen grondstofprijs kunnen vaststellen.20 De hiervoor door de deskundige gegeven redenen komen de rechtbank overtuigend voor, terwijl [gedaagde 4] niet aan de hand van een (partij)deskundigenrapport heeft onderbouwd waarom die conclusie van de deskundige onjuist is, zodat die bezwaren een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de zienswijze van de deskundige inhouden. Voor zover de overgelegde gegevens door [gedaagde 4] niet gedurende het onderzoek aan de deskundige zijn verstrekt, overweegt de rechtbank voorts het volgende. Het had op de weg van [gedaagde 4] gelegen om deze gegevens bij de (herhaaldelijke) verzoeken van de deskundige te overleggen. Voor zover zij dat niet heeft gedaan is de overlegging hiervan thans, na vaststelling van het deskundigenbericht, tardief en kunnen deze gegevens evenmin afbreuk doen aan het voorgaande.

Oordeel van de rechtbank - correctie in verband met de Overeenkomst Reststromen

3.54.

De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht reeds gereageerd op de bezwaren van Porc SP ten aanzien van de correctie op de kostprijs als gevolg van de Overeenkomst Reststromen. De deskundige heeft daarbij nader onderbouwd waarom de bezwaren van Porc SP niet tot een nadere correctie leiden.21 Deze onderbouwing van de deskundige komt de rechtbank overtuigend voor, zodat om die reden niet aan de hand van de berekening van Porc SP van het deskundigenbericht zal worden afgeweken. Daarbij betrekt de rechtbank dat op dit onderdeel de voorgestelde correcties van Porc SP niet nader zijn onderbouwd met een (partij)deskundigenrapport, noch is inzichtelijk gemaakt op welke wijze de correcties zijn berekend, zodat deze correcties reeds daarom geen voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. Het had op de weg van Porc SP gelegen om (de juistheid van) de door haar voorgestelde correcties nader te onderbouwen, bij gebreke waarvan er reeds daarom geen aanleiding bestaat om van het deskundigenbericht af te wijken.

Eindconclusie kostprijs reststromen

3.55.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de conclusies van de deskundige overnemen. Voor wat betreft de grondstofprijs wordt daarbij aangesloten bij het bedrag van € 103,07 (pagina 19 van het deskundigenbericht, waarbij wordt aangesloten bij het door Porc SP geopperde bedrag). Voor wat betreft de toegerekende kosten zal worden aangesloten bij de door de deskundige berekende gemiddelde toegerekende kosten, inclusief de daarin doorgevoerde correctie in verband met de Overeenkomst Reststromen. Tegen het doorvoeren van een correctie in verband met die overeenkomst is door partijen als zodanig immers geen bezwaar gemaakt in hun conclusies na het deskundigenbericht. De bezwaren die Porc SP had tegen de inhoud van de correctie zijn hiervoor reeds verworpen.

3.56.

De toegerekende kosten komen dan, gelet op het voorgaande, neer op een bedrag van € 98,- over de jaren 2015 en 2016 (pagina 20 van het deskundigenbericht). De totale kostprijs bedraagt dan gemiddeld: € 103,07 + € 98,- = € 201,07 per ton product.

De buitengerechtelijke ontbinding

Standpunt Porc SP

3.57.

Er is geen sprake van “enige marge” in het verschil tussen de door [gedaagde 4] berekende kostprijs (circa € 300,- per ton) en de door de deskundige vastgestelde kostprijs (€ 201,07 per ton), het verschil is daarvoor veel te groot. De Overeenkomst Reststromen is ten onrechte buitengerechtelijk ontbonden.

Standpunt [gedaagde 4]

3.58.

Volgens [gedaagde 4] is er een significant verschil tussen de door de deskundige berekende kostprijs en de door Porc SP berekende kostprijs. Porc SP zou steeds (namens SFP) klip en klaar hebben geweigerd meer te betalen dan de door haar berekende kostprijs. Porc SP zou (namens SFP) ook de door de deskundige berekende kostprijs weigeren te betalen en zou [gedaagde 1] hebben gedwongen om – in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken – onder de kostprijs te leveren.

Het oordeel van de rechtbank

3.59.

De (gestelde) grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding was gelegen in een toerekenbare tekortkoming van SFP in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen. De toerekenbare tekortkoming volgde volgens [gedaagde 4] uit het gegeven dat SFP de facturen die [gedaagde 1] haar had gestuurd, niet wilde betalen (overweging 6.5. van het tussenvonnis van 29 november 2017). Zoals in voornoemd tussenvonnis is overwogen, was aan de formele vereisten voor ontbinding van de overeenkomst voldaan (overweging 6.13 van het tussenvonnis), maar was voor de rechtsgeldigheid van de ontbinding nog van belang of de door [gedaagde 4] gehanteerde kostprijs door [gedaagde 4] juist was berekend. Enige marge was daarbij toegestaan (overweging 6.7 van voornoemd tussenvonnis).

3.60.

De thans uit het deskundigenbericht voortvloeiende kostprijs van € 201,07 per ton wijkt evenwel zodanig af van de door [gedaagde 1] gehanteerde kostprijs van circa € 300,- per ton dat in redelijk niet kan worden gesteld dat deze zich binnen een redelijke marge van de uit het deskundigenbericht voortvloeiende kostprijs bevindt.

3.61.

Voorts overweegt de rechtbank dat Porc SP het er blijkens de dagvaarding om ging dat [gedaagde 1] haar kostprijs niet deugdelijk onderbouwde en een te hoge kostprijs hanteerde. Zij had daarom – namens SFP – een eigen kostprijsberekening gemaakt en daaraan vastgehouden. Nu uit het deskundigenbericht volgt dat de door [gedaagde 1] gehanteerde kostprijs veel te hoog was en de weigering die kostprijs te betalen geen rechtvaardiging geeft voor de buitengerechtelijke ontbinding, ligt het op de weg van [gedaagde 4] om te onderbouwen dat SFP ook de kostprijs die volgt uit het deskundigenbericht zou hebben geweigerd te betalen. Het beroep op de buitengerechtelijke ontbinding is immers een bevrijdend verweer. In dat verband overweegt de rechtbank dat uit geen van de overgelegde stukken – zowel van de zijde van Porc SP als van de zijde van [gedaagde 4] – volgt dat als [gedaagde 1] de kostprijs op een juiste manier zou hebben berekend, SFP geweigerd zou hebben dat bedrag te betalen. Deze stelling van [gedaagde 4] is daarom ook onvoldoende feitelijk onderbouwd.

3.62.

De rechtbank is om voornoemde redenen dan ook van oordeel dat de (buitengerechtelijke) ontbinding van de Overeenkomst Reststromen geen stand houdt. Dit betekent dat deze buitengerechtelijke ontbinding geen effect sorteert en deze overeenkomst door de rechtbank niet als ontbonden zal worden beschouwd. De rechtbank zal tegen deze achtergrond in het navolgende de verschillende vorderingen van Porc SP en de daartegen gevoerde verweren van [gedaagde 4] beoordelen.

Vorderingen gebaseerd op de Overeenkomst Reststromen

Standpunt Porc SP

3.63.

Porc SP onderbouwt haar vorderingen, voor zover gebaseerd op de Overeenkomst Reststromen, als volgt.

3.64.

[gedaagde 1] heeft bewust aangestuurd op een conflict en heeft van meet af aan geen uitvoering willen geven aan de Overeenkomst Reststromen. [gedaagde 1] probeerde (al voordat de overeenkomst buitengerechtelijk werd ontbonden) afspraken te maken met andere partijen om verwerkte reststromen te leveren. Dit is de werkelijke reden dat zij aanstuurde op ontbinding van de Overeenkomst Reststromen door te hoge en onjuiste kosten door te berekenen. Ook na de ontbinding duurde de levering aan derden voort en is productinformatie met concurrenten gedeeld (producties 19 en 20 van Porc SP), terwijl dat in strijd is met artikel 2 (exclusiviteit voor SFP) en in strijd met artikel 6 (geheimhoudingsplicht) van de Overeenkomst Reststromen en artikel 9, lid 2 (postcontractuele verplichtingen) van de Aandeelhoudersovereenkomst. Ook heeft [gedaagde 1] in strijd gehandeld met artikel 3, lid 2 van de Overeenkomst Reststromen (verstrekken inzicht in de kostprijs). [gedaagde 1] pleegt wanprestatie jegens SFP en handelt onrechtmatig jegens Porc SP aangezien Porc SP een direct belang heeft bij de correcte nakoming van de Overeenkomst Reststromen. Hierbij verwijst zij naar het arrest Alog/Vleesmeesters.22

3.65.

Als bestuurder van SFP is ook [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) gebonden aan de Overeenkomst Reststromen. Zij pleegt wanprestatie door de schending daarvan toe te staan, en handelt onrechtmatig jegens SFP en de andere bestuurder/aandeelhouder (Porc SP).

3.66.

[gedaagde 3] is voorts als bestuurder van [gedaagde 1] gebonden aan de Overeenkomst Reststromen. Als bestuurder van [gedaagde 1] werkt [gedaagde 3] bewust mee aan de wanprestatie door de bepalingen van de Overeenkomst Reststromen te schenden, terwijl zij anderzijds als (indirect) bestuurder van SFP geen maatregelen treft om de belangen van SFP te behartigen. Deze gedragingen leveren aansprakelijkheid wegens wanprestatie en onrechtmatige daad op jegens SFP en Porc SP.

3.67.

[gedaagde 4] is bestuurder/aandeelhouder van [gedaagde 3] , zodat de standpunten ten aanzien van [gedaagde 3] ook op hem van toepassing zijn.

3.68.

De schade die Porc SP als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 4] lijdt, wordt als volgt berekend. [gedaagde 1] heeft de kostprijs bewust veel te hoog gehouden. Een realistische kostprijs voor bakkersmeel is € 149,84 per ton (waar [gedaagde 1] een kostprijs van meer dan € 300,00 per ton stelt). De verkoopprijs is € 210,00 per ton, zodat de marge € 60,00 per ton is. Van deze marge komt op grond van de Managementovereenkomst 45% ten goede aan Porc SP, derhalve € 27,00 per ton. De geprognotiseerde omzet tot einde overeenkomst (met een looptijd van vijf jaar) bedraagt 34.763 ton, zodat de gederfde winst tot einde overeenkomst € 938.601,00 bedraagt.

Bij wijziging van eis verwijst Porc SP naar productie 40 (toelichting kostprijsberekening en tonnages) en productie 41. Porc SP begroot haar schade op € 1.190.271,00. Ter onderbouwing van het schadebedrag wordt voorts verwezen naar het financieringsvoorstel van [gedaagde 4] (productie 36 van Porc SP).

Standpunt [gedaagde 4]

3.69.

Het verweer van [gedaagde 4] luidt, voor zover thans nog relevant, als volgt.

3.70.

De Overeenkomst Reststromen is een overeenkomst tussen SFP en [gedaagde 1] . Porc SP is daarbij geen partij. Zij kan daar geen rechten aan ontlenen.

3.71.

[gedaagde 1] heeft voorts de productie na de buitengerechtelijke ontbinding zo snel mogelijk gestaakt, maar zij was al verplichtingen aangegaan tot afname van forse hoeveelheden reststromen. Deze heeft zij verwerkt en zo goed mogelijk, namens SFP, verkocht. Omdat zij Porc SP geen concurrentie wilde aandoen, heeft zij niet verkocht aan eindgebruikers. [gedaagde 1] heeft bovendien alleen de voorraad opgemaakt en geen nieuwe onderneming opgericht. Zij heeft ook niet aan eindgebruikers geleverd. Bovendien werd in 2016 duidelijk dat Porc SP onvoldoende klanten had aangebracht om een fatsoenlijke productie te kunnen draaien.

3.72.

De drie vertegenwoordigers van Porc SP hadden verder niet het recht in de bedrijfshal in te sluipen, zeker niet nadat de overeenkomst was ontbonden. Dat was onrechtmatig en strafbaar. Uit de onrechtmatig verkregen informatie blijkt bovendien juist dat [gedaagde 1] niet in strijd met het geheimhoudingsbeding of non-concurrentiebeding heeft gehandeld. Het is volstrekt gebruikelijk om (niet vertrouwelijke) informatie over de samenstelling van een product aan potentiële afnemers te verstrekken. De samenstelling stond zelfs op de website van Innoporc.

3.73.

Als Porc SP [gedaagde 2] als medeaandeelhouder en medebestuurder van SFP wenst te dwingen om een procedure tegen [gedaagde 1] te starten, dan had zij hiervoor een enquêteprocedure kunnen starten. Een dergelijke procedure zou bovendien stranden, onder meer omdat [gedaagde 1] niet kan worden gedwongen om reststromen in te blijven kopen en Porc SP op geen enkele wijze schade is berokkend.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

3.74.

De rechtbank stelt voorop dat de Overeenkomst Reststromen is aangegaan tussen de partijen SFP en [gedaagde 1] . De overige in deze procedure betrokken partijen zijn geen partij bij die overeenkomst en kunnen in zoverre dus ook niet tekortschieten in de nakoming van die overeenkomst. Wel kunnen (indirect) bestuurders van [gedaagde 1] over de band van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk zijn voor (onrechtmatige) handelingen van [gedaagde 1] . Voorts kan [gedaagde 2] onder omstandigheden voor onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn jegens Porc SP als aandeelhouder. Gelet hierop zal de rechtbank eerst beoordelen of [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen, daarna zal aan de hand van voornoemd juridisch kader worden beoordeeld of deze tekortkoming ook een onrechtmatige daad jegens Porc SP oplevert. Vervolgens wordt beoordeeld of de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] voor toewijzing in aanmerking komen. Tot slot zal worden beoordeeld of de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] , voor zover betrekking hebbende op het (onrechtmatig) handelen van [gedaagde 1] , voor toewijzing in aanmerking komen.

Is [gedaagde 1] tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen?

Grondslag voor de gestelde tekortkoming

3.75.

In de kern komt het betoog van Porc SP erop neer dat [gedaagde 1] artikel 2 (exclusiviteit voor SFP) en artikel 6 (geheimhoudingsplicht) van de Overeenkomst Reststromen heeft geschonden door reststromen te leveren aan anderen dan SFP en productinformatie met derden te delen. Verder heeft zij artikel 3, lid 2 van de Overeenkomst Reststromen (verstrekken inzicht in de kostprijs) geschonden, doordat zij de kostprijs niet (deugdelijk) heeft onderbouwd en heeft zij artikel 3 lid 1 ervan geschonden door het hanteren van een onjuiste kostprijs.

Artikel 3

3.76.

In het tussenvonnis van 29 november 2017 is overwogen dat [gedaagde 1] voldoende inzicht heeft gegeven in de door haar berekende kostprijs. Dat Porc SP het niet met die kostprijs eens was, is iets anders (rechtsoverwegingen 6.8. tot en met 6.11. van het tussenvonnis). Reeds uit die overwegingen volgt dat [gedaagde 1] artikel 3 lid 2 van de Overeenkomst Reststromen niet heeft geschonden, voor zover het de inzage in de vaststelling van de kostprijs betreft. Dit betekent tevens dat de vordering onder III.c, voor zover hiermee wordt beoogd dat [gedaagde 1] op het eerste verzoek van Porc SP inzicht moet geven in de door haar gehanteerde onderbouwing van de kostprijs, moet worden afgewezen.

3.77.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat [gedaagde 1] door het, blijkens het deskundigenbericht, hanteren van een te hoge kostprijs is tekortgeschoten in de nakoming van het bepaalde in artikel 3 lid 1 in samenhang met lid 2 van de Overeenkomst Reststromen. De deskundige heeft zijn berekening op die bepaling afgestemd en uit zijn berekening volgt een aanzienlijk lagere kostprijs dan door [gedaagde 1] werd gehanteerd. Uit het bepaalde in artikel 3 lid 1 volgt verder dat SFP aan [gedaagde 1] de kostprijs voor geleverde reststromen diende te betalen, voor de berekening waarvan zij afhankelijk was van de door [gedaagde 1] (gestelde) gemaakte kosten. Een redelijke uitleg van die bepaling brengt dan met zich dat bij [gedaagde 1] de verantwoordelijkheid ligt voor een juiste vaststelling van de kostprijs, bij gebreke waarvan zij tekortschiet in de nakoming van artikel 3 van de Overeenkomst Reststromen, als gevolg waarvan zij aansprakelijk kan worden gehouden voor (de schade als gevolg van) die onjuiste vaststelling van de kostprijs.

Artikel 2

3.78.

Uit de tekst van het bepaalde in artikel 2 volgt verder dat enkel SFP bevoegd was tot de verkoop van reststromen. Alleen wanneer SFP niet tot verkoop in staat zou blijken te zijn, mocht [gedaagde 1] die verkoop – via SFP – laten plaatsvinden. Dit exclusieve recht van SFP is naar de tekst niet beperkt tot de verkoop aan eindgebruikers; door [gedaagde 4] zijn geen omstandigheden aangevoerd waaruit een andere uitleg zou kunnen volgen. Gelet hierop wordt de hiervoor (r.o. 3.17) benoemde tekstuele benadering van de bepaling gehanteerd.

3.79.

[gedaagde 4] betwist niet dat [gedaagde 1] reststromen aan derden heeft verkocht. Zij stelt in dit verband enkel dat [gedaagde 1] de productie na de buitengerechtelijke ontbinding zo snel mogelijk heeft gestaakt, maar dat zij door aangegane verplichtingen nog forse reststromen moest afnemen, die zij daarom, zoveel mogelijk namens SFP, heeft verkocht. Er was alleen sprake van het opmaken van de voorraad in verband met de buitengerechtelijke ontbinding.

3.80.

Aangezien uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de buitengerechtelijke ontbinding geen stand kan houden en voorts door [gedaagde 4] niet wordt betwist dat [gedaagde 1] aan derden heeft verkocht, geldt ingevolge overweging 3.78. het volgende. [gedaagde 1] is alleen dan niet tekortgeschoten in de nakoming van artikel 2 van de Overeenkomst Reststromen, indien die verkopen hebben plaatsgevonden omdat SFP niet in staat zou zijn de reststromen te verkopen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien hiervan liggen, als zijnde een bevrijdend verweer, op [gedaagde 4] .

3.81.

Uit overweging 3.61 volgt evenwel dat [gedaagde 4] onvoldoende heeft onderbouwd dat SFP de reststromen bij een kostprijs van € 201,07 niet zou hebben ingekocht. Voorts is door [gedaagde 4] onvoldoende gesteld, dat als SFP reststromen tegen die kostprijs zou hebben ingekocht, zij die reststromen niet zou hebben kunnen verkopen. Dit volgt temeer uit de conclusie van antwoord van [gedaagde 4] , nu daarin wordt gesteld dat partijen (enige tijd) voorafgaand aan het conflict over de kostprijs de afspraak hanteerden dat restromen per ton voor de verkoopprijs minus € 10,- door SFP zou worden ingekocht (randnummer 7 van de conclusie van antwoord).

3.82.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 4] niet gerechtigd was om de reststromen te verkopen aan derden, noch namens SFP, noch namens zichzelf. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde 1] , door reststromen aan derden te verkopen, in strijd met het bepaalde in artikel 2 van de Overeenkomst Reststromen heeft gehandeld en in zoverre tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst.

Artikel 6

3.83.

Ten aanzien van de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht van artikel 6 van de Overeenkomst Reststromen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de tekst van die bepaling volgt niet eenduidig waarop de geheimhoudingsplicht precies ziet. In die bepaling is immers enkel opgenomen dat de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt tot “informatie over elkaars organisatie en daarbij behorende documentatie” en de “wijze van uitvoering van ieders activiteiten ten aanzien van productlocaties”. Tegelijkertijd geeft de bepaling wel weer een opening om “informatie over elkaars organisatie” – wat dit dan ook mag inhouden – te delen met derden, door te regelen dat informatie “niet buiten het kader van hetgeen in deze is toegestaan” aan derden ter beschikking mag worden gesteld en dat informatie aan desbetreffende derden slechts bekend mag worden gemaakt voor zover dit nodig is voor het verrichten van de overeengekomen prestaties. Uit de tekst valt daarom op voorhand niet af te leiden welke gegevens onder de geheimhoudingsplicht van deze bepaling vallen en waarom deze daaronder vallen.

3.84.

Volgens Porc SP heeft [gedaagde 1] de bepaling desalniettemin geschonden, door vertrouwelijke analyserapporten en productinformatie aan concurrenten van SFP te verstrekken (onder meer producties 19 en 20 van Porc SP). [gedaagde 4] stelt evenwel – zo begrijpt de rechtbank – dat het hierbij gaat om (niet vertrouwelijke) informatie over de samenstelling van een product, waarbij het gebruikelijk is dat die informatie ook aan potentiële klanten wordt gegeven. De informatie over de samenstelling van de reststromen stond zelfs op de website van Innoporc. In essentie geven partijen hiermee een verschillende uitleg over de reikwijdte van artikel 6 van de Overeenkomst Reststromen, waarbij het in de kern neerkomt op de vraag of het geheimhoudingsbeding zo moet worden gelezen dat deze ook ziet op productinformatie en analyserapporten over de reststromen als bedoeld in onder meer de producties 19 en 20 van Porc SP.

3.85.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het geheimhoudingsbeding van artikel 6 moet worden bezien in de context van de Overeenkomst Reststromen en de bedoeling die partijen met die overeenkomst hebben gehad. Daarbij is in het bijzonder artikel 2 van die overeenkomst relevant, nu daarin het doel van partijen met die overeenkomst is opgenomen. Uit het bepaalde in artikel 2 van die overeenkomst vloeit voort, zoals hiervoor is overwogen, dat SFP reststromen zou verkopen die door [gedaagde 1] werden aangeleverd. Daarbij hebben partijen met die bepaling ook afgesproken dat [gedaagde 1] (in beginsel) niet aan anderen dan SFP zou leveren. Wanneer het geheimhoudingsbeding tegen de achtergrond van deze bepaling en het daarin opgenomen non-concurrentiebeding wordt gelezen, leidt de rechtbank daaruit af dat een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding meebrengt dat [gedaagde 1] geen informatie met derden mag delen, die de concurrentiepositie van SFP zou kunnen aantasten.

3.86.

In dit verband is dan relevant dat [gedaagde 4] gemotiveerd heeft betwist dat met het delen van de informatie in onder meer de producties 19 en 20 het geheimhoudingsbeding is geschonden. Daarbij is in het bijzonder van belang dat [gedaagde 4] heeft gesteld dat het gebruikelijk is productinformatie met potentiële afnemers te delen en dat die informatie al openbaar beschikbaar was via de website van Innoporc. Uit de onderbouwing die Porc SP heeft gegeven volgt vervolgens niet dat en waarom de informatie in onder meer de producties 19 en 20 de concurrentiepositie van SFP zou kunnen aantasten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Porc SP dan ook onvoldoende gesteld, om tot het oordeel te kunnen komen dat het delen van de informatie als blijkt uit onder meer de producties 19 en 20 in strijd zou komen met (voornoemde uitleg van) het geheimhoudingsbeding. Gelet hierop moet de vordering van Porc SP onder III.d worden afgewezen, nu onvoldoende is onderbouwd dat het geheimhoudingsbeding door [gedaagde 1] is geschonden.

Conclusie

3.87.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van artikel 2 van de Overeenkomst Reststromen, door reststromen te verkopen aan derden en tekort is geschoten in de nakoming van artikel 3 van die overeenkomst door een te hoge kostprijs te hanteren.

De aansprakelijkheid van [gedaagde 1] jegens Porc SP voor de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen

3.88.

Onder verwijzing naar het juridisch kader zoals opgenomen in r.o. 3.9. tot en met 3.11. overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van Porc SP nauw zijn verbonden met de (uitvoering van de) overeenkomst tussen SFP en [gedaagde 1] . Tussen partijen is niet in geschil dat Porc SP en [gedaagde 2] gezamenlijk de onderneming SFP hadden opgericht. Voorts is niet in geschil dat Porc SP recht had op 45% van de winst van de verkoop van reststromen. Door de constructie die partijen met elkaar waren aangegaan, waarbij SFP van [gedaagde 1] reststromen opkocht om die vervolgens te kunnen doorverkopen, waren de inkomsten van Porc SP uit deze onderneming direct afhankelijk van de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1] . Kortgezegd: als [gedaagde 1] haar levering van reststromen staakt, en/of deze reststromen aan derden verkoopt, en/of een te hoge kostprijs voor de reststromen hanteert, heeft dat een directe invloed op de inkomsten van Porc SP.

3.89.

Deze betrokkenheid van Porc SP bij de overeenkomst was voorts voor [gedaagde 1] kenbaar, nu deze via [gedaagde 3] (de enig aandeelhouder en bestuurder van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] ) weer in een directe relatie tot [gedaagde 2] (de medeaandeelhouder en bestuurder naast Porc SP in SFP) stond. Uit de door partijen aangevoerde omstandigheden blijkt voorts niet dat het voor [gedaagde 1] bezwaarlijk was om met voornoemde belangen van Porc SP rekening te houden. Tot slot mocht Porc SP erop vertrouwen dat haar belangen bij de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1] in aanmerking zouden worden genomen, juist omdat zij (via [gedaagde 3] als bestuurder en aandeelhouder, die tevens bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 2] is, die weer aandeelhouder en bestuurder van SFP is) wist, althans had moeten weten, van de directe relatie van haar presteren tot de inkomsten uit SFP voor Porc SP.

3.90.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1] op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW onrechtmatig is jegens Porc SP. De vorderingen van Porc SP zullen tegen deze achtergrond worden beoordeeld.

Beoordeling van de vorderingen jegens [gedaagde 1]

Het gevorderde verbod op de levering aan derden

3.91.

Porc SP vordert op goede gronden dat [gedaagde 1] wordt verboden reststromen te leveren aan anderen dan SFP. Hiermee wordt door Porc SP in essentie immers gevorderd dat [gedaagde 1] het onrechtmatig handelen jegens Porc SP – bestaande uit het leveren van reststromen aan derden – staakt en gestaakt houdt. Deze vordering is daarom op grond van het bepaalde in artikel 3:296 BW in samenhang met het bepaalde in artikel 6:162 BW toewijsbaar. Voor zover door [gedaagde 4] wordt betoogd dat [gedaagde 1] thans niet meer aan derden levert, doet dit aan het voorgaande niet af. Reeds omdat [gedaagde 1] in strijd met het bepaalde in artikel 2 Overeenkomst Reststromen aan derden heeft geleverd – hetgeen een onrechtmatig handelen oplevert jegens Porc SP – heeft Porc SP belang bij het gevorderde verbod, ongeacht de vraag of het leveren aan derden thans nog plaatsvindt. Hiermee bewerkstelligt zij immers de zekerheid dat de onrechtmatige gedragingen uit het verleden zich niet zullen herhalen.

De gevorderde schadevergoeding van [gedaagde 1]

3.92.

De gevorderde schadevergoeding onder III.e komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking, zij het dat de schade op basis van het door Porc SP gestelde thans nog niet kan worden vastgesteld. [gedaagde 4] heeft onder meer gesteld dat [gedaagde 1] reststromen deels namens SFP heeft verkocht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de schadebegroting van Porc SP voldoende gemotiveerd betwist. Immers, mocht een deel inderdaad namens SFP zijn verkocht, dan ligt het in de rede dat de inkomsten daarvan ook ten voordele van SFP zijn gekomen en dus een drukkend effect op de schade voor SFP en bijgevolg Porc SP hebben (gehad). Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat moet worden uitgegaan van een andere kostprijs (namelijk € 201,07) dan waar Porc SP van uitging, zodat ook om deze reden de berekening van de schade van Porc SP niet kan worden gevolgd.

3.93.

Voorts is door [gedaagde 4] onweersproken gesteld dat het financieringsvoorstel van [gedaagde 4] in productie 36 van Porc SP, dat door Porc SP mede aan haar schadeberekening ten grondslag is gelegd, afkomstig is uit de administratie van [gedaagde 4] en zonder diens toestemming is verkregen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee vaststaat dat deze productie onrechtmatig is verkregen. Gelet op de – onweersproken – door [gedaagde 4] gestelde (bijkomende) omstandigheid dat het hierbij gaat om evident vertrouwelijke (financiële) informatie, en voorts niet is gebleken dat Porc SP getracht heeft deze informatie op een andere – rechtmatige – wijze te verkrijgen, is de rechtbank van oordeel dat deze productie niet tot het bewijs kan worden toegelaten. Deze productie zal daarom van het bewijs worden uitgesloten, zodat Porc SP bij de bewijslevering geen gebruik kan maken van deze productie.

Overige vorderingen van PorcSP ten aanzien van [gedaagde 1]

3.94.

Voor zover nog wordt gevorderd dat [gedaagde 1] aan SFP reststromen moet leveren op basis van de door Porc SP, dan wel een door de rechtbank, bepaalde kostprijs, overweegt de rechtbank het volgende. De looptijd van de overeenkomst van partijen is inmiddels (per september 2019) verstreken en gesteld noch gebleken is dat die verlengd is. Porc SP heeft niet onderbouwd op grond waarvan [gedaagde 1] nu nog reststromen aan haar zou moeten leveren. Wat betreft de kostprijs geldt dat uit het deskundigenbericht volgt dat de door Porc SP gestelde kostprijs onjuist, namelijk te laag is en dat de kostprijs per jaar kan fluctueren. Zo waren de berekende toegerekende kosten in 2015 lager dan de toegerekende kosten in 2016. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk om een concrete inschatting van de kostprijs na juli 2016 te maken. Deze vordering (III.c) dient dan ook te worden afgewezen.

3.95.

De rechtbank is verder van oordeel dat de vordering onder III.b evenmin voor toewijzing in aanmerking komt. Deze vordering ziet in essentie op een vordering tot nakoming namens SFP, nu daarin is geformuleerd: “te gebieden om verwerkte reststromen, als bedoeld in de Overeenkomst Reststromen, op verzoek van SFP aan SFP te leveren”. Nu Porc SP evenwel niet namens SFP optreedt, is de rechtbank van oordeel dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Conclusie

3.96.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde verbod tot de levering aan derden (vordering III.a) voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding (vordering III.e) overweegt de rechtbank als volgt. Aangezien de overeenkomst (onterecht) tussentijds buitengerechtelijk was ontbonden, terwijl die ontbinding blijkens het voorgaande geen effect sorteert en terwijl de looptijd van de overeenkomst tot 12 september 2019 liep, zal de schade van Porc SP moeten worden begroot, zo nodig door schatting. De rechtbank acht zich ten aanzien van de omvang van de schade evenwel thans onvoldoende geïnformeerd. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van de schade. Daarvoor wordt eerst aan Porc SP de gelegenheid gegeven om de schadeomvang nader te onderbouwen. Vervolgens krijgt [gedaagde 4] de gelegenheid hierop bij antwoordakte te reageren.

3.97.

Bij de schatting van de schade zullen in ieder geval de volgende uitgangspunten worden gehanteerd, waarbij partijen wordt verzocht deze uitgangspunten ook in hun aktes te hanteren:

  • -

    de looptijd van de Overeenkomst Reststromen betreft de periode tot 12 september 2019;

  • -

    de tussentijdse buitengerechtelijke ontbinding sorteert, zoals hiervoor is overwogen, geen effect;

  • -

    de kostprijs van de reststromen bedraagt € 201,07 per ton;

  • -

    Porc SP had blijkens de Managementovereenkomst recht op 45% van de winst van SFP.

3.98.

De overige vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] (III. b t/m d) dienen, gelet op het voorgaande, te worden afgewezen.

De aansprakelijkheid van [gedaagde 3] jegens Porc SP voor de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1]

3.99.

De rechtbank is van oordeel dat Porc SP onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat [gedaagde 3] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het handelen van [gedaagde 1] . Hoewel gesteld kan worden dat [gedaagde 3] als bestuurder en enig aandeelhouder zeggenschap had over het handelen van [gedaagde 1] , en in die zin de tekortkoming van de vennootschap heeft toegestaan, betekent dit nog niet dat [gedaagde 3] ook een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zoals uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid (r.o. 3.12.), is voorts van belang of [gedaagde 1] al dan niet over de middelen beschikt om de uit het onrechtmatig handelen voortvloeiende schade voor Porc SP te betalen (met andere woorden: aan haar verplichtingen kan voldoen) en, in geval die vraag ontkennend moet worden beantwoord, zulks voor [gedaagde 3] voorzienbaar was. Dit is evenwel niet gesteld door Porc SP, noch is dit gebleken. Dit betekent dat de vorderingen van Porc SP ten aanzien [gedaagde 3] op basis van de aansprakelijk voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] , moeten worden afgewezen. Concreet betekent dit dat de vorderingen onder IV.b en d, voor zover betrekking hebbende op [gedaagde 3] , moeten worden afgewezen.

De aansprakelijkheid van [gedaagde 4] jegens Porc SP voor de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1]

3.100. Porc SP heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde 4] , als bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 3] , om dezelfde redenen als die volgens haar gelden voor [gedaagde 3] , aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] ten aanzien van Porc SP. Nu de rechtbank evenwel van oordeel is dat [gedaagde 3] , op basis van hetgeen door Porc SP is gesteld, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] , kan op basis van het door Porc SP gestelde evenmin worden geoordeeld dat [gedaagde 4] aansprakelijk is voor voornoemd onrechtmatig handelen. Concreet betekent dit dat de vorderingen onder IV.b en d, voor zover betrekking hebbende op [gedaagde 4] , eveneens moeten worden afgewezen.

De aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens Porc SP voor de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1]

3.101. De rechtbank is van oordeel dat Porc SP onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat [gedaagde 2] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, voor zover het de gedraging bestaande in de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1] betreft. Het betoog van Porc SP komt erop neer dat [gedaagde 2] als bestuurder van SFP niet voor diens belangen is opgekomen. Daartoe voert zij aan dat zij schending van onder meer de Overeenkomst Reststromen heeft toegestaan. Porc SP stelt echter niet waaruit kan blijken dat [gedaagde 2] schending van die overeenkomst heeft toegestaan. In dat verband overweegt de rechtbank dat [gedaagde 2] samen met Porc SP bestuurder en aandeelhouder van SFP is en in die zin dus juist tevens belang heeft bij de nakoming van de Overeenkomst Reststromen door [gedaagde 1] . [gedaagde 2] had verder geen zeggenschap over [gedaagde 1] , zodat zij ook niet over diens acties controle kon uitoefenen. Derhalve is onvoldoende onderbouwd in welk opzicht zij de tekortkoming van [gedaagde 1] zou hebben toegestaan.

3.102. Voor zover Porc SP stelt dat [gedaagde 2] als bestuurder van SFP jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door niet mee te werken aan gerechtelijke stappen jegens [gedaagde 1] , doet dit aan het voorgaande geen afbreuk. Zoals hiervoor onder het juridisch kader is overwogen gelden voor de beoordeling van een dergelijke aansprakelijkheid immers dezelfde normen als die zijn opgenomen in artikel 2:9 BW. Dit betekent dat in de eerste plaats [gedaagde 2] haar taak als bestuurder onbehoorlijk moet hebben vervuld en dient haar daarvan in de tweede plaats een ernstig verwijt te kunnen worden gemaakt. In dat verband is door Porc SP evenwel onvoldoende gesteld. Het enkele feit dat [gedaagde 2] niet zou hebben willen meewerken aan gerechtelijke stappen is in dit kader onvoldoende, temeer nu [gedaagde 4] zich op het standpunt heeft gesteld dat deze procedure geen kans van slagen zou hebben gehad. Op grond van een dergelijk verschil van inzicht over te nemen stappen ten aanzien van [gedaagde 1] kan – zonder nadere onderbouwing van Porc SP – nog geen onbehoorlijk bestuur van de zijde van [gedaagde 2] worden aangenomen.

3.103. Concreet betekent dit dat de vorderingen onder IV.b en d voor zover betrekking hebbende op [gedaagde 2] , moeten worden afgewezen.

Conclusie

3.104. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van Porc SP, voor zover betrekking hebbende op de aansprakelijkheid van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] voor het (onrechtmatig) handelen van [gedaagde 1] (vordering IV.b en d) te worden afgewezen. Ook de vorderingen onder III.b tot en met d, betrekking hebbende op [gedaagde 1] , dienen te worden afgewezen. De vordering onder III.a komt voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de vordering onder III.e zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om een akte te nemen ten aanzien van de (omvang van de) schade.

Vorderingen gebaseerd op de Aandeelhoudersovereenkomst

Standpunt Porc SP

3.105. Artikel 2, lid 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst houdt een inspanningsverplichting in om de doelstellingen van SFP zoveel mogelijk te realiseren. Artikelen 9 en 10 houden een non-concurrentie- en een geheimhoudingsbeding in. De heren [B] , [A] en [gedaagde 4] hebben zich ook in privé aan deze laatste bepalingen verbonden. Bij deze ruim geformuleerde bepalingen geldt een boetebeding (artikel 12).

3.106. [gedaagde 2] handelt als contractspartij en (indirect) bestuurder in strijd met de artikelen 9 en 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst.

3.107. [gedaagde 3] is als bestuurder van [gedaagde 2] direct en indirect gebonden aan de Aandeelhoudersovereenkomst. Zij handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze Aandeelhoudersovereenkomst en handelt onrechtmatig jegens Porc SP.

3.108. [gedaagde 4] is bestuurder/aandeelhouder van [gedaagde 3] en via deze op dezelfde wijze aan de Aandeelhoudersovereenkomst gebonden. Aan de nakoming van de artikelen 9 en 10 van de Overeenkomst Reststromen heeft hij zich bovendien persoonlijk verbonden. Hij handelt in strijd met deze artikelen van de Aandeelhoudersovereenkomst. Zijn handelen is onrechtmatig jegens Porc SP.

3.109. Porc SP vordert dat voornoemde partijen deze bepalingen zullen naleven. Daarnaast vordert zij betaling van de contractuele boete, wegens overtredingen van de artikelen 9 en 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst. Het boetebedrag wordt thans begroot op € 129.000,-, gebaseerd op schendingen van het non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding in de periode 1 juni 2016 tot en met 12 juli 2016. De schending van de artikelen 9 en 10 wordt onderbouwd met de door Porc SP overgelegde productie 42, waarin wordt verwezen naar de producties 17 tot en met 20 en 37. Vanwege de schending van het non-concurrentiebeding moet [gedaagde 2] bovendien haar aandelen in SFP aan Porc SP aanbieden; daarbij baseert Porc SP zich op artikel 6 van de Aandeelhoudersovereenkomst en artikel 14 van de Oprichtingsovereenkomst.

Standpunt [gedaagde 4]

3.110. [gedaagde 3] is op geen enkele wijze partij bij de Aandeelhoudersovereenkomst. Jegens haar dienen de vorderingen in elk geval afgewezen te worden.

De overige gedaagden hebben niet in strijd met de Aandeelhoudersovereenkomst gehandeld. Het boerenbedrijf van [gedaagde 4] mag wel voor zichzelf produceren met haar eigen machines. [gedaagde 4] verricht geen werkzaamheden meer die verband houden met de levering van door [gedaagde 1] bewerkte reststromen aan SFP of derden.

Nu de Overeenkomst Reststromen is beëindigd, is de Aandeelhoudersovereenkomst zinledig geworden. Porc SP heeft dus geen belang meer bij haar vorderingen. Voorts zijn de e-mails waarop – zo begrijpt de rechtbank – de vordering van de boete is gebaseerd afkomstig uit het e-mailaccount van [gedaagde 4] , waar Porc SP zich zonder toestemming toegang toe heeft verschaft. Verder is de productsamenstelling/matrix geen geheim, deze stond zelfs op de website van Innoporc.

Het oordeel van de rechtbank

3.111. Artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst is blijkens de tekst toegespitst op geheimhouding van bijzonderheden die SFP betreffen. Wat onder bijzonderheden moet worden verstaan, wordt daarbij niet nader gedefinieerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het geheimhoudingsbeding van artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst mede moet worden bezien in de context van de Overeenkomst Reststromen, nu daarin de activiteiten van SFP zijn geregeld. In het bijzonder is dan artikel 2 van die overeenkomst relevant, nu daarin het doel van de activiteiten van SFP is opgenomen. Uit het bepaalde in artikel 2 van die overeenkomst vloeit voort dat SFP reststromen zou verkopen die door [gedaagde 1] werden aangeleverd. Daarbij is tevens afgesproken dat [gedaagde 1] (in beginsel) niet aan anderen dan SFP zou leveren. Wanneer het geheimhoudingsbeding van artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst tegen de achtergrond van deze bepaling in de Overeenkomst Reststromen en het daarin opgenomen non-concurrentiebeding wordt gelezen, leidt de rechtbank daaruit af dat een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding meebrengt dat de bij de Aandeelhoudersovereenkomst aangesloten partijen geen informatie met derden mogen delen, die de concurrentiepositie van SFP zouden kunnen aantasten.

3.112. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat Porc SP, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 4] , onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat het geheimhoudingsbeding is geschonden. Uit de producties waar Porc SP in dit verband – mede ter onderbouwing van de verbeurde boetes – naar verwijst in de door haar overgelegde productie 42, volgt immers niet of en, zo ja, welke vertrouwelijke informatie met derde partijen is gedeeld. In dit opzicht is door Porc SP niet onderbouwd waarom het delen van de informatie die is opgenomen in de producties 17 tot en met 20 en 37, de concurrentiepositie van SFP kan aantasten, temeer nu door [gedaagde 4] is gesteld dat het gebruikelijk is de informatie in producties 19 en 20 met potentiële afnemers te delen en die informatie ook op de website van Innoporc stond. In zoverre komen de vorderingen die verband houden met de gestelde schending van artikel 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst voor afwijzing in aanmerking.

3.113. Verder is evenmin de schending van artikel 9 van de Aandeelhoudersovereenkomst voldoende feitelijk onderbouwd. Uit de producties waar Porc SP in dit verband – mede ter onderbouwing van de verbeurde boetes – naar verwijst in de door haar overgelegde productie 42, volgt immers niet dat de partijen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in strijd met het concurrentiebeding hebben gehandeld. De intentieovereenkomsten in producties 17 en 18 zien immers op [gedaagde 1] . Reeds uit het voorgaande volgt dat de handelingen van [gedaagde 1] in beginsel niet aan deze partijen kunnen worden toegerekend. Voor wat betreft de producties 19, 20 en 37 is voorts niet onderbouwd waaruit volgt dat de in die producties opgenomen informatie de concurrentiepositie van SFP kan aantasten, temeer nu door [gedaagde 4] is gesteld dat het gebruikelijk is de informatie in producties 19 en 20 met potentiële afnemers te delen en die informatie ook op de website van Innoporc stond. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde 4] die betrekking hebben op (gestelde) overtredingen van artikelen 9 en 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst moeten worden afgewezen.

3.114. Gelet op het voorgaande moet ook de gevorderde boete op grond van artikel 12 van de Aandeelhoudersovereenkomst worden afgewezen, alsmede de op grond van artikel 6 van de Aandeelhoudersovereenkomst en artikel 12 van de Oprichtingsovereenkomst gevorderde verplichte aanbieding van de aandelen van [gedaagde 2] in SFP, nu deze vorderingen zijn gebaseerd op de gestelde, maar onvoldoende onderbouwd geachte overtreding van de artikelen 9 en 10 van de Aandeelhoudersovereenkomst.

3.115. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen onder II, IV.a, c en e en V.b te worden afgewezen.

De gevorderde machtiging tot handelen namens SFP

Standpunt Porc SP

3.116. [gedaagde 2] laat toe dat [gedaagde 1] direct in strijd handelt met de Overeenkomst Reststromen. SFP heeft een groot en evident belang bij een correcte nakoming van de overeenkomst, omdat dit de enige bron van inkomsten van SFP is. [gedaagde 2] vervult haar taken niet naar behoren. Daarom wordt gevorderd dat [gedaagde 2] Porc SP zal machtigen om namens haar alle maatregelen te treffen, waaronder bewarende en gerechtelijke maatregelen, die nodig zijn om een correcte nakoming van de Overeenkomst Reststromen af te dwingen.

Standpunt [gedaagde 4]

3.117. [gedaagde 1] is niet in staat om nieuwe reststromen in te kopen. SFP heeft bij een procedure tegen [gedaagde 1] niets te winnen. SFP beschikt voorts niet over financiële middelen om een procedure te starten. Toewijzing van de vordering zou verder betekenen dat SFP zal worden beheerst door drie personen die niet hebben geschroomd om het pand van [gedaagde 1] binnen te dringen om daar administratie te ontvreemden en de inhoud van e-mailboxen te bekijken. Voorts is een bedrag van € 27.000,- van de bankrekening van SFP gehaald door Porc SP. Als Porc SP [gedaagde 2] als medeaandeelhouder en medebestuurder wenst te dwingen een procedure tegen [gedaagde 1] te beginnen, dan geldt dat Porc SP voldoet aan de eisen voor het instellen van een enquêteprocedure en aldus een voorlopige voorziening van die strekking had moeten vragen. De onderhavige procedure is daarvoor niet bedoeld.

Het oordeel van de rechtbank

3.118. Het betoog van Porc SP komt erop neer dat [gedaagde 2] als bestuurder van SFP niet voor diens belangen is opgekomen. Zij wenst daarbij met haar vordering in essentie te bewerkstelligen dat Porc SP de taken als bestuurder op zich neemt ten koste van [gedaagde 2] . Daartoe voert zij aan dat [gedaagde 2] de schending van onder meer de Overeenkomst Reststromen heeft toegestaan en daardoor niet als een goed bestuurder heeft gehandeld.

3.119. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 2:344 en verder BW is de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam exclusief bevoegd om kennis te nemen van geschillen betreffende (gesteld) wanbeleid van een bestuurder binnen onder meer besloten vennootschappen (enquêteprocedure). Op grond van het bepaalde in artikel 2:345 in samenhang met artikel 2:346 BW had Porc SP het Gerechtshof Amsterdam kunnen verzoeken een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken binnen SFP, zodat het gerechtshof naar aanleiding daarvan, indien sprake zou zijn van wanbeleid door [gedaagde 2] , zo nodig op verzoek van Porc SP voorzieningen had kunnen treffen op grond van het bepaalde in artikel 2:355 en 2:356 BW, waarbij schorsing of ontslag van [gedaagde 2] tot de mogelijkheden behoort. Daarbij had zij tevens kunnen verzoeken om als (enige) bestuurder van SFP te worden aangesteld.

3.120. De vordering die thans bij deze rechtbank voorligt, is eveneens gestoeld op een gesteld wanbeleid van [gedaagde 2] , nu door Porc SP wordt gesteld dat zij zich niet als een goed bestuurder gedraagt door onder meer de schending van de Overeenkomst Reststromen toe te staan. Aangezien Porc SP aandeelhouder en bestuurder is van SFP, had zij voornoemde enquêteprocedure in kunnen stellen om een onderzoek naar dit gestelde wanbeleid te bewerkstelligen. Gelet op de exclusieve bevoegdheid van de (Ondernemingskamer van) het Gerechtshof Amsterdam ten aanzien van onderzoeken naar wanbeleid van bestuurders binnen besloten vennootschappen, is de rechtbank niet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren ten aanzien van het gevorderde onder V.a.

Conclusie en rolverwijzing

3.121. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen onder II, III. b tot en met d, IV en V.b dienen te worden afgewezen. De vordering onder III.a komt voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van de vordering onder III.e zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen een akte te nemen ten aanzien van de (omvang van de) schade. Ten aanzien van de vordering onder V.a zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren.

3.122. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 september 2020 voor het nemen van een akte door Porc SP over de omvang van de schade als gevorderd onder vordering III.e, waarna [gedaagde 4] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

4.2.

bepaalt dat partijen bij het nemen van hun aktes de volgende uitgangspunten voor hun motivering ten aanzien van de omvang van de schade moeten hanteren:

  • -

    de looptijd van de Overeenkomst Reststromen betreft de periode tot 12 september 2019;

  • -

    de tussentijdse buitengerechtelijke ontbinding sorteert geen effect;

  • -

    de kostprijs van de reststromen bedraagt € 201,07 per ton;

  • -

    Porc SP had blijkens de Managementovereenkomst recht op 45% van de winst van SFP.

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg - van Ommeren, mr. K.J. Haarhuis en mr. T.J. Thurlings-Rassa en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.

1 Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, r.o. 3.3.3 en Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, r.o. 3.9.

2 vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9776, r.o. 2.3.

3 vgl. onder meer Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921.

4 vgl. Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279.

5 vgl. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626, r.o. 3.6.2

6 vgl. Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899, r.o. 3.4.1 en Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, r.o. 3.3.

7 Vgl. Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, r.o. 3.10 waarin wordt verwezen naar Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069.

8 Vgl. Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, r.o. 3.3.2.

9 vgl. de arresten van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, r.o. 3.5, 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:246, r.o. 3.3.3 en 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, r.o. 4.3

10 MvT, Kamerstukken II 1980/81, 16631, nr.3, p. 2 en 3.

11 Vgl. Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:BC4959, r.o. 5.3.

12 Gerechtshof Den Bosch 19 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5206, r.o. 4.4.6

13 Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, r.o. 5.2.3

14 vgl. Gerechtshof Den Bosch 4 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9465, r.o. 36, welk arrest bij voornoemd arrest van de Hoge Raad is bekrachtigd

15 vgl. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:670 (conclusie P-G T. Hartlief), overweging 3.22 t/m 3.24 en Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, r.o. 3.4.3.

16 Hoge Raad 17 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6508 (conclusie P-G De Vries Lentsch-Kostense), overweging 13.

17 Deskundigenbericht, p. 6

18 Deskundigenbericht, p. 20

19 Deskundigenbericht, p. 21.

20 Deskundigenbericht, p. 6 en 7.

21 Deskundigenbericht, p. 16 en 17.

22 Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069