Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4661

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
8686314 \ CV EXPL 20-2168
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2020:4662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Onbetaalde premie zorgverzekering. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de datum waarop het faillissement van gedaagde is geëindigd en de stand van zaken van de betalingsregeling met gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 8686314 \ CV EXPL 20-2168

Vonnis van 3 november 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen,

eisende partij, hierna te noemen Menzis,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2020 met producties,

- het schriftelijke verweer van [gedaagde] van 20 juli 2020 met producties,

- de conclusie van repliek tevens houdende akte vermindering van eis van 7 september 2020 met één productie.

1.2.

[gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft bij Menzis een basiszorgverzekering en aanvullende zorgverzekering afgesloten.

2.2.

[gedaagde] heeft de premie over verscheidene maanden in de periode van juli 2019 t/m maart 2020 onbetaald gelaten, te weten:

- een bedrag van € 218,- voor de maand juli 2019;

- een bedrag van € 218,- voor de maand augustus 2019;

- een bedrag van € 222,- en € 31,- voor de maand januari 2020;

- een bedrag van € 222,- en € 31,- voor de maand februari 2020;

- een bedrag van € 222,- en € 31,- voor de maand maart 2020.

2.3.

[gedaagde] heeft een bedrag van € 403,52 voldaan aan de incassotussenpersoon van Menzis.

2.4.

Menzis heeft op 17 augustus 2020 een betalingsregeling aan [gedaagde] bevestigd. Uit deze bevestiging blijkt dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 250,00 dient te betalen aan Menzis en dat de eerste betaling uiterlijk 1 september 2020 door Menzis moet zijn ontvangen.

3 Het geschil

Vordering

3.1.

Menzis heeft bij dagvaarding gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te betalen een bedrag van € 1.761,- aan hoofdsom te verminderen met een bedrag van € 534,87 dat reeds in mindering is voldaan aan en/of verrekend door Menzis en te verminderen met een bedrag van € 403,52 dat reeds in mindering is voldaan aan de incassotussenpersoon van Menzis, een bedrag van € 51,26 aan wettelijke rente ex artikel 6:119 BW berekend tot 7 juli 2020, een bedrag van € 256,65 aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 53,90 aan omzetbelasting over de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het totaalbedrag van € 1.184,42 vanaf 7 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, een en ander als in de dagvaarding weergegeven. Menzis heeft haar eis bij repliek gewijzigd. Zij heeft opgemerkt dat een te laag bedrag in mindering is gebracht. Het bedrag van € 534,87 had volgens Menzis € 566,- moeten behelzen. Zij vermindert haar vordering derhalve met € 32,13 (bedoeld zal zijn € 31,13).

3.2.

Menzis legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen [gedaagde] en Menzis een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat, op grond waarvan [gedaagde] premie verschuldigd is. [gedaagde] is volgens Menzis in verzuim met betrekking tot haar betalingsverplichting voor de maanden juli en augustus 2019 en januari, februari en maart 2020. Daarnaast stelt Menzis dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is vanwege de wanbetaling en maakt Menzis aanspraak op betaling van de buitengerechtelijke kosten omdat zij de vordering uit handen heeft moeten geven aan de gerechtsdeurwaarder.

Verweer

3.3.

[gedaagde] is het niet eens met de vordering van Menzis en voert aan dat zij tot eind 2019 failliet was en dat zij iedere maand een achterstand betaalt.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] stelt dat zij tot eind 2019 failliet was. Naar de rechtbank begrijpt, betwist zij derhalve de verschuldigdheid van de premie over de maanden juli en augustus 2019. Menzis stelt echter dat de gevorderde premiemaanden in de periode van juli 2019 t/m maart 2020 van na de datum van faillissement zijn. Gelet op het standpunt van Menzis dat de gevorderde premiemaanden van na datum faillissement zijn en daardoor niet door het faillissement getroffen worden, verzoekt de kantonrechter Menzis om bij akte stukken hiervan in het geding te brengen.

4.2.

[gedaagde] stelt voorts, naar de rechtbank begrijpt, dat zij maandelijks een bedrag aan Menzis betaalt om haar betalingsachterstand in te lopen. Menzis erkent dat zij een betalingsregeling is overeengekomen met [gedaagde] en overlegt een schriftelijke bevestiging hiervan. Menzis laat echter na te vermelden wat de stand van zaken is met betrekking tot deze betalingsregeling. Voordat kan worden beoordeeld of Menzis op dit moment nog een opeisbare vordering op [gedaagde] heeft, dient te worden beoordeeld of [gedaagde] aan de betalingsregeling heeft voldaan c.q. voldoet. Menzis zal daarom door de kantonrechter in de gelegenheid worden gesteld om zich (alsnog) uit te laten over de huidige stand van zaken met betrekking tot de betalingsregeling, de door [gedaagde] al dan niet betaalde bedragen, de hoogte van haar vordering en de opeisbaarheid daarvan, zoals hierna in het dictum bepaald.

4.3.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van de procedure aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

bepaalt dat Menzis ter rolzitting van 17 november 2020 zich bij akte dient uit te laten over:

  • -

    de datum waarop het faillissement van [gedaagde] is geëindigd en, indien zij over stukken daarover beschikt, deze bij diezelfde akte in het geding te brengen;

  • -

    de huidige stand van zaken met betrekking tot de met [gedaagde] overeengekomen betalingsregeling, de door [gedaagde] al dan niet betaalde bedragen, de hoogte van haar vordering en de opeisbaarheid daarvan en waar dat uit kan blijken.

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.