Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4633

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
8834395 WM VERZ 20/152
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde gaat bij de kantonrechter in beroep tegen de vergoeding ter hoogte van nul punten voor de hoorzitting in de fase bij de officier van justitie.

Het beroep wordt gegrond verklaard en de gemachtigde krijgt een hogere vergoeding en voor de fase bij de kantonrechter krijgt hij ook een vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Proces-verbaal

tevens houdende uitspraak Wahv

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht – Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 8834395 WM VERZ 20/152

CJIB-nummer: 230650480

In de zaak met het hierboven genoemde zaaknummer met betrekking tot betrokkene

[betrokkene]

Hierna te noemen: betrokkene

heeft

bc F.R. Eggink h.o.d.n. Verbo Juridisch Advies

[adres]

hierna te noemen: gemachtigde

een beroepschrift ingediend. Op de openbare zitting van 16 december 2020 heeft mr. F.C. Berg, kantonrechter, gemachtigde en D. van der Teen namens de officier van justitie gehoord.

Het volgende is ter zitting voorgevallen, besproken en door de kantonrechter overwogen.

Aan betrokkene was een sanctie opgelegd van € 95,00 (vermeerderd met € 9,00 administratiekosten) ter zake van een bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “R400AE motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij een blauiwe streep terwijl die niet is voorzien van een duidelijke geplaatste parkeerschijf”, op 26 november 2019 in Borne.

Hiertegen heeft gemachtigde voor betrokkene op 17 januari pro-forma administratief beroep ingesteld. Op 4 februari 2020 wordt gemachtigde gevraagd zijn gronden binnen vier weken aan te vullen.

Op 14 februari ontvangt de officier van justitie gronden van gemachtigde die aanvoert dat er geen bewijs is, bijvoorbeeld in de vorm van foto’s, terwijl het gerechtshof dat volgens gemachtigde vereist. Ook is verzuimd om de bestuurder staande te houden waartoe volgens gemachtigde op grond van artikel 5 Wahv een verplichting bestond.

Vervolgens is gemachtigde opgeroepen om gehoord te worden.

Bij gelegenheid van de telefonische hoorzitting van 3 maart 2020 heeft gemachtigde blijkens het hoorverslag naar voren gebracht dat er een foto gemaakt te worden en betrokkene moet worden staande gehouden. Beide is niet gebeurd. Er had moeten worden bekeurd op de bestuurder en niet op kenteken, waarmee artikel 5 Wahv is geschonden.

Op 17 maart 2020 vraagt de officier van justitie bij de verbalisant om meer informatie, die vervolgens op zich laat wachten.

Op 25 mei 2020 verdaagt de officier van justitie de beslissing met tien weken.

Op 20 juli 2020 is de informatie nog niet ontvangen en daarom vernietigt de officier van justitie de sanctiebeschikking.

Bij beslissing van 30 juli 2020 kent de officier van justitie aan proceskosten een bedrag toe van € 262,50. Aan dat bedrag kwam de officier van justitie door voor het beroepschrift één punt toe te kennen en voor het horen nul punten. “U bent weliswaar gehoord, maar er zijn geen aanvullende gronden aangevoerd op de hoorzitting. Om die reden wordt er dan ook geen punt toegekend voor deze hoorzitting. Wegingsfactor 0,5.

Op 18 augustus 2020 heeft gemachtigde tegen deze beslissing beroep ingediend. Hij stelt zich op het standpunt dat er weliswaar geen aanvulling op de gronden is gegeven tijdens de hoorzitting maar er was wel een hoorzitting. De hoorzitting is een gelegenheid om standpunten uit te wisselen en daar past volgens het Bpb een vergoeding van één punt met gewichtsfactor 0,5 voor de aanwezigheid, ook al is er niets aangevuld zijdens betrokkene.

Ter zitting heeft gemachtigde bij zijn standpunt gepersisteerd en aanspraak gemaakt op een vergoeding van proceskosten voor het beroep en de verschijning ter zitting.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor wat betreft de telefonische hoorzitting en het daarvoor niet toegekende punt stelt hij zich op het standpunt dat dat terecht is geschied gelet op de geleverde inspanning, onder verwijzing naar bij de gemachtigde wel bekende jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. En als er toch een beroep gegrond zal worden verklaard door de kantonrechter, dan moet voor het beroep en de aanwezigheid ter zitting geen enkele vergoeding worden toegekend, zoals het hof dat ook niet doet.

De kantonrechter sluit daarop het onderzoek ter zitting en geeft aan op 28 december 2020 uitspraak te zullen doen.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Het beroep is tijdig ingediend, zodat het ontvankelijk is.

Artikel 7:15 Awb bepaalt, kort gezegd, dat aan betrokkene zijn kosten worden vergoed, indien tijdig verzocht en indien het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te verwijten onrechtmatigheid.

Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake indien het ervoor moet worden gehouden dat een sanctie zonder voldoende zorgvuldige voorbereiding en/of onderbouwing is opgelegd en de officier van justitie na een op het administratief beroep ingesteld onderzoek tot de beoordeling komt dat de sanctie niet in stand kan blijven, of wanneer de officier van justitie de sanctiebeschikking vernietigt wanneer hij niet binnen de daarvoor beschikbare tijd op het administratief beroep kan beslissen.

Deze vergoeding behoort te worden vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten Bestuursrecht. Voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand is het tarief dat van de tabel in de bijlage waarnaar artikel 2, eerste lid onder a naar verwijst. Voor het horen wordt volgens dat tarief één punt toegekend en niet nul zoals door de officier van justitie is gedaan.

Ook voor het telefonisch horen moet in beginsel één punt worden toegekend naar het oordeel van de kantonrechter. De fysieke aanwezigheid maakt dat horen immers niet een wezenlijk andere activiteit. De kantonrechter sluit zich in dit verband aan bij het op dit punt ruim gemotiveerde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6824, en ook bij het arrest van 26 maart 2020 ECLI:NL:GHARLS:2020:2570, waarin het gerechtshof oordeelt dat een telefonische hoorzitting op grond van het Besluit evengoed één punt toekomt. Hetzelfde geldt voor het arrest van 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7087.

Zoals uit de aangehaalde arresten ook blijkt kan deze waardering in bijzondere gevallen gematigd worden. De kantonrechter begrijpt uit de arresten dat het hof de geleverde inspanningen bij het telefonisch horen tezamen met de in die zaken geleverde andere inspanningen aanmerkelijk minder tijdrovend beoordeelt dan bij normaal “fysiek horen” en daarom tot de matiging overgaat. Het gebruik maken van deze matigingsbevoegdheid moet uiteraard in de beslissing op het verzoek wel benoemd worden en hoe minimaal ook, voldoende gemotiveerd.

De kantonrechter merkt op dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet alleen staat in het wegen van de geleverde inspanningen. Hij wijst in dit verband op ECLI:NL:RVS:2002:AE5012. Tenslotte wijst de kantonrechter nog op ECLI:NL:GHARL:2016:784 waarin het hof overweegt dat de wegingsfactor op de ingewikkeldheid van de zaak betrekking heeft.

De kantonrechter stelt vast dat door de officier van justitie nul punten zijn toegekend voor het horen en hij heeft dat gemotiveerd met het gegeven dat niets nieuws te berde is gebracht. Daarover bestaat tussen partijen consensus.

Het is de officier van justitie die bij uitstek kan beoordelen wat de inspanning is die is geleverd en op welke hoogte in het voorliggende geval op basis van het Bpb de vergoeding moet worden vastgesteld. De kantonrechter is echter van oordeel dat in redelijkheid niet tot een vergoeding van nul punten voor de hoorzitting kan worden gekomen. Immers wordt gemachtigde opgeroepen voor de hoorzitting door de officier van justitie en het kan zo zijn dat er vragen zijn van de kant van de officier van justitie. Dat de officier van justitie doorgaans geen vragen heeft doet aan de mogelijkheid niet af. Gemachtigde moet daarom voor elke hoorzitting tijd vrij maken en zich weer even inlezen in het (doorgaans en nu ook minimale) dossier. Enige vergoeding, in beginsel op basis van één punt volgens het Bpb, is passend.

De conclusie is dat het beroep in deze zaak gegrond verklaard moet worden en de beslissing moet worden vernietigd. De kantonrechter zal nu doen wat de officier van justitie had behoren te beslissen.

Voor het administratief beroep moet één punt toegekend worden, zoals de officier van justitie al had gedaan.

Ten aanzien van de telefonische hoorzitting overweegt de kantonrechter dat in beginsel op grond van het Bpb ook één punt moet worden toegekend maar de telefonische hoorzitting van de gemachtigde heeft minder inspanningen gevergd dan bij een fysieke zitting het geval zou zijn geweest. Dat is evident, gelet op de bespaarde reistijd en reiskosten, die ook in het hele punt van het Bpb zijn verdisconteerd en op het geringe wat blijkens het hoorverslag ter telefonische hoorzitting van de officier van justitie naar voren is gebracht. Daarin wordt uitsluitend herhaald wat al in het beroepschrift stond en veel tijd kon daarvoor niet nodig zijn geweest.

De kantonrechter zal daarom in deze zaak op grond van artikel 2, derde lid Bpb het punt voor het horen matigen tot een halve punt.

Voor de fase bij de officier van justitie kent de kantonrechter het gewicht “licht”, factor 0,5 toe.

Voor het beroepschrift en voor de aanwezigheid ter zitting zal de kantonrechter elk één punt à € 525 toekennen, met gewicht 0,25.

Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ontvankelijk.

Verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze.

Veroordeelt de officier van justitie tot vergoeding van proceskosten in de fase voor de officier van justitie tot een bedrag van € 393,75 in plaats van € 262,50.

Veroordeelt de officier van justitie tot vergoeding van proceskosten in de fase voor de kantonrechter tot een bedrag van € 262,50

Dit proces-verbaal is opgesteld en ondertekend door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en mr M.M.B. Cakir, griffier, zoals uitgesproken ter openbare zitting te Enschede op 28 december 2020.

Datum verzending:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.