Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4619

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
C/08/257474 / KG ZA 20-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen hebben samengewoond zonder huwelijk of samenlevingscontract. In die periode hebben partijen samen een woning gekocht. De relatie is beëindigd en de vrouw heeft de woning verlaten. Volgens de man hebben partijen een overeenkomst gesloten over de wijze van verdeling van de woning. De man heeft een notaris ingeschakeld die al een conceptakte van verdeling heeft opgesteld waarbij het huis aan de man wordt toegedeeld onder betaling van een bedrag aan de vrouw. Hij wil dat de vrouw de overeenkomst nakomt en de akte zal ondertekenen. De vrouw weigert dat laatste en voert aan dat er geen overeenkomst is. De vrouw wordt in dit vonnis in kort geding veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het passeren van de akte met de bepaling dat bij gebreke daarvan het vonnis in de plaats treedt van de akte of een gedeelte daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/257474 / KG ZA 20-264

Vonnis in kort geding van 24 december 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna te noemen ‘de man’,

advocaat mr. W.J.A. van Es te Steenwijk,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen ‘de vrouw’,

advocaat mr. E.Tj. van Dalen

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 27 november 2020 met producties.

  • -

    de pleitnota van mr. Van Dalen.

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 december 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft als gevolg van de overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd in verband met de uitbraak van het Coronavirus plaatsgevonden via een digitale beeldverbinding (CMS). Beide partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen. De griffier heeft aantekeningen bijgehouden van hetgeen is besproken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Wat staat er vast?

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad in de periode van december 2017 tot begin 2020. Zij zijn niet met elkaar gehuwd geweest en hebben evenmin een samenlevingscontract gesloten.

2.2.

In voornoemde periode hebben partijen een woning gekocht op [adres] te [plaats] . Ten behoeve van die aankoop hebben zij een hypothecaire lening afgesloten. Na het verbreken van de relatie is de man in de woning blijven wonen.

2.3.

Tussen partijen is vervolgens per email en Whatsapp gecommuniceerd over de verdeling van de woning, waarbij uitgangspunt is dat de woning aan de man wordt toegedeeld. Deze mailwisseling bevat een mail van 29 juni 2020 van de vrouw waarin zij voorstelt “14.000 en de persoonlijke lening ook voor jouw deel.(…) Ook het bed en de stofzuiger neem ik dan mee. (…)” en het antwoord daarop van de man op 13 juli 2020 waarin hij – onder meer – schrijft: (...)Well done. Ik ga akkoord.(…) Ik zal kijken waar en hoe de afspraken gedocumenteerd moeten worden. Je hoort van mij.” Op 20 september 2020 stuurt de man een emailbericht naar de notaris met daarin alle gegevens en afspraken die van belang zijn voor de toedeling van de woning aan de man. Een kopie van dit bericht stuurt de man naar de vrouw.

2.4.

Op of omstreeks 22 oktober 2020 heeft de notaris een concept akte van verdeling opgesteld en toegestuurd aan partijen. Dan reageert de vrouw op 28 oktober 2020 per email als volgt: Ik kreeg vrijdag een concept akte van verdeling. De marktwaarde die daarin benoemd wordt is al een hele tijd niet meer van juiste waarde. Ik wil een taxatierapport laten maken, door een onafhankelijke makelaar en deze waarde meenemen in de verdeling. De man reageert afwijzend op dit voorstel en houdt vast aan zijn lezing van de eerdere afspraak. Op 29 oktober 2020 schrijft de vrouw per email: “(…) de concept akte die jij de notaris hebt laten opstellen is eenzijdig en heeft niet mijn instemming. Met de verdeling zijn we inmiddels naar mijn idee al veel te lang onderweg en ik wil nu dat 1 en ander op korte termijn afgehandeld gaat worden. Volgende week wil ik de woning laten taxeren, (…)”

2.5.

De vrouw heeft tot op heden geweigerd om tot ondertekening van de akte over te gaan.

Wat wil de man?

2.6.

De man wil dat de vrouw in dit kort geding door de voorzieningenrechter wordt veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de notariële toedeling van de woning met ondergrond en tuin gelegen te [plaats] , [adres] , aan de man door ondertekening van een akte van verdeling die door de notaris (Kroek & Van Weert Netwerk Notarissen) is opgesteld, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per keer te voldoen aan de man voor elke keer dat de vrouw haar medewerking niet verleent tot een maximum van € 20.000,=.

Verder wil de man dat hij wordt gemachtigd om alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de notariële toedeling aan hem van de voornoemde woning met de bepaling dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de vrouw voor het tekenen van de notariële akte van toedeling alsmede met de bepaling dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaken noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen van de vrouw. Tenslotte wil de man dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.7.

De man baseert zijn vordering op de overeenkomst van partijen die volgens hem tot stand is gekomen door het voorstel van de vrouw van 29 juni 2020 en zijn aanvaarding van dat voorstel op 13 juli 2020. Hij wil daarom dat de vrouw deze afspraak van partijen nakomt. Daarvoor is nodig dat de toedelingsakte die door de notaris is opgemaakt door haar wordt ondertekend.

Wat wil de vrouw?

2.8.

De vrouw wil dat de vordering van de man wordt afgewezen. Volgens de vrouw is er juridisch gezien geen overeenkomst tot stand gekomen. Zij voert aan dat de man in zijn mail van 13 juli 2020 wel heeft gezegd dat hij akkoord ging maar dat het onvoldoende duidelijk is waarmee hij akkoord is gegaan. De vrouw voert aan dat zij ervan uitgaat dat partijen nog steeds in onderhandeling waren. Dat zou ook blijken uit de discussie die na die tijd nog heeft plaatsgehad over eventuele makelaarskosten.

Wat oordeelt de voorzieningenrechter?

2.9.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de vordering zich leent voor behandeling in kort geding. De man heeft toegelicht dat hij een financieringsaanvraag heeft gedaan en dat hij duidelijkheid nodig heeft over de toedeling van de woning. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

2.10.

Bij de beoordeling van een vordering in kort geding geldt het volgende uitgangspunt. Beoordeeld moet worden of in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vorderingen (in dit geval van de man) in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het – mede gelet op de belangen van partijen – gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van de (voorlopige) voorzieningen zoals gevorderd.

2.11.

Rekening houdend met dit uitgangspunt is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan de notariële toedeling van de woning aan de man, omdat sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst met betrekking tot de verdeling van deze gemeenschappelijke woning. In het verlengde daarvan kan op grond van artikel 3:300 lid 2 BW (artikel 300 uit boek 3 van het Burgerlijk Wetboek) worden bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de akte van verdeling en levering of een deel daarvan. Aan dat oordeel ligt de navolgende onderbouwing ten grondslag.

Wat ligt aan dat oordeel ten grondslag?

2.12.

Partijen zijn niet gehuwd geweest en hebben geen samenlevingscontract gesloten. Zij hebben wel samen een woning gekocht. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat het hier gaat om de verdeling van een eenvoudige gemeenschap, namelijk de verdeling van de gemeenschappelijke woning van partijen. Tussen partijen heeft een discussie plaatsgehad over de verdeling die moest plaatsvinden na de relatiebreuk van partijen.

2.13.

Partijen hebben over de verdeling gediscussieerd en onderhandeld via Whatsapp en email met als uitgangspunt dat de man in de woning blijft wonen. Op 17 april 2020 stelt de vrouw per Whatsapp voor dat de man aan haar een bedrag van € 16.500,= zal betalen. De man komt op 29 april 2020 met een email waarin hij voorstelt een betaling aan de vrouw van € 10.000,=, het aflossen door hem van een gezamenlijke persoonlijke lening en het voor zijn rekening nemen van kosten voor achterstallig onderhoud aan de woning. Op 28 mei 2020 doet de vrouw per email een tegenvoorstel dat inhoudt dat de door hem genoemde kosten voor zijn rekening blijven en dat hij een bedrag van € 14.000,= aan haar zal betalen, waarbij zij het bed en de stofzuiger meekrijgt. Het duurt vervolgens enige tijd voordat de man daarop reageert. Hij komt op 29 juni met de reactie dat hij het te betalen bedrag op € 13.250,= wil stellen en dat de vrouw dan zelf de persoonlijke lening afbetaalt. Daarop volgt op dezelfde dag de reactie van de vrouw. Zij stelt daarin voor dat zij een bedrag van € 14.000,= wil ontvangen en dat de persoonlijke lening voor rekening van de man komt. Verder wil zij het bed en de stofzuiger meenemen. Op 10 juli 2020 vraagt de vrouw via Whatsapp uitdrukkelijk om een reactie hierop van de man. Op 13 juli 2020 volgt er dan een lange e-mail van de man, waarin hij in de slotalinea schrijft dat hij akkoord gaat met haar voorstel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit deze aanloop naar de reactie van de man op 13 juli 2020 logischerwijs volgt dat zijn akkoord ziet op het laatste voorstel van de vrouw van 29 juni 2020. Weliswaar valt uit de toonzetting van de email van de man af te lezen dat hij boos en gefrustreerd is, maar dat neemt niet weg dat hij in de slotalinea expliciet schrijft “ik ga akkoord”. Het aanbod van de vrouw om de toedeling van de woning af te kopen door betaling aan haar van een bedrag van € 14.000,= plus de afbetaling door de man van de persoonlijke lening en de afgifte aan haar van het bed en de stofzuiger is daarmee aanvaard.

Dat er in de periode daarna (eind juli en de maand augustus) nog tussen partijen is gediscussieerd over eventuele makelaarskosten doet niet af aan de gemaakte afspraak. Op de mondelinge behandeling hebben beide partijen immers verklaard dat die discussie eigenlijk nergens over ging omdat er in dit geval geen makelaarskosten worden gemaakt. Dat strookt ook met hetgeen de man schrijft in zijn email van 27 augustus 2020: “(…) Het verhaal uit jouw voorstel en waar ik akkoord mee ben gegaan is wat het gaat worden”.

2.14.

De voorzieningenrechter hecht verder belang aan de omstandigheid dat de man de vrouw op de hoogte heeft gehouden van zijn contact met de notaris om de verdeling tot stand te brengen. Op 20 september 2020 heeft de man een uitgebreide mail naar de notaris gestuurd met daarin een concrete omschrijving van de afspraken van partijen. Een kopie van dat mailbericht is naar de vrouw gestuurd. Wanneer zij van mening was dat er geen afspraak bestond, had het voor de hand gelegen dat zij daarvan direct melding had gemaakt bij de man en de notaris. Weliswaar heeft de vrouw op de mondelinge behandeling verklaard dat zij buiten de man om contact heeft gezocht met de notaris, maar zij heeft dat niet nader toegelicht of met stukken onderbouwd. Daarom gaat de voorzieningenrechter daar in dit kort geding voorlopig aan voorbij. Overigens valt in de mailberichten van 28 oktober 2020 en 29 oktober 2020 van de vrouw aan de man geen expliciete betwisting van de eerdere afspraak van partijen te lezen. Zij lijkt veeleer de gehanteerde waarden uit de eerdere afspraken nu achterhaald te vinden. Deze berichten gaan erover dat de vrouw een taxatierapport wil laten maken door een onafhankelijke makelaar, en dat zij een en ander op korte termijn wil afhandelen. Maar zij gaat er daarbij aan voorbij dat er in juni en juli 2020 al bindende afspraken over de toedeling zijn gemaakt.

2.15.

De slotsom is daarom dat van de vrouw nakoming van de gemaakte afspraak verlangd kan worden en dat de vordering van de man dus toewijsbaar is. Dit met dien verstande dat de vrouw veroordeeld zal worden haar medewerking aan de toedeling te verlenen en dat, als zij dat niet doet, dit vonnis in de plaats zal treden van het door partijen tezamen (door tussenkomst van de notaris) op te maken akte van verdeling en levering van de gemeenschappelijke onroerende zaak (de woning). Welk belang de man verder nog zou hebben bij de rest van de vordering (respectievelijk gebaseerd op art. 3:299 en 3:300 lid 1 BW) is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden.

2.16.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten heeft te dragen. Redengevend daarvoor is dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en hebben samengewoond (samengeleefd als ware zij gehuwd) en dat het hier de verdeling van een gemeenschappelijk goed betreft

3 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter,

3.1.

veroordeelt de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de notariële toedeling aan de man van de onroerende zaak, woonhuis met ondergrond en tuin gelegen te [plaats]

, [adres] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie en nummer]

, ter grootte van twee are en vijfentwintig centiare en daartoe de aan

de dagvaarding als productie 1 gehechte (concept-) notariële akte van verdeling van

Kroek & Van Weert Netwerk Notarissen (met kenmerk: 2020M28631mg) tot verdeling en levering voor voormelde onroerende zaak, te ondertekenen;

3.2.

bepaalt dat – als de vrouw aan de sub 3.1. genoemde veroordeling geen gehoor geeft – dit vonnis in de plaats zal treden van de hiervoor onder 3.1. genoemde notariële akte (of een deel daarvan);

3.3.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020 door mr. A.M. Koene.1 (ap)

1 type: coll: