Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4598

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
C/08/240720 HA ZA 19-534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen in groepsverband (art. 6:106 BW). Installatiebedrijf verwijt haar voormalig statutair bestuurder en twee tapijtgroothandels en hun bestuurders dat zij het installatiebedrijf jarenlang gelden afhandig hebben gemaakt via facturen voor niet bestaande tapijtleveringen (‘spookfacturen’). Het installatiebedrijf eist schadevergoeding: zij wil de onttrokken gelden terug en vordert vergoeding van haar onderzoekskosten.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van het (laten) verzenden en (laten) betalen van valse facturen en acht dat jegens het installatiebedrijf onrechtmatig. Zijn alle gedaagden daarvoor als een groep aan te spreken? Nee. De rechtbank onderscheidt binnen de bij de malversaties betrokken gedaagden twee van elkaar te onderscheiden groepen, waarbinnen de deelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hun circuit veroorzaakte schade.

Het verweer dat de voormalig statutair bestuurder handelde als onderdeel van een binnen het installatiebedrijf bestaande bedrijfscultuur (zwart geld-circuit) kan hem niet baten. En gelet op de kenbare valsheid van de facturen kunnen de andere betrokkenen zich niet achter zijn instemming of opdracht verschuilen.

Voor het bepalen van de omvang van de schade heeft de rechtbank meer informatie nodig. Het gaat dan om de vraag in hoeverre het gewraakte handelen het installatiebedrijf naast schade ook voordelen heeft opgeleverd die op grond van art. 6:100 BW op de schade in mindering moeten komen. Partijen mogen zich daarover nog uitlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 30 december 2020

in de hoofdzaak met zaaknummer/rolnummer C/08/240720 HA ZA 19-534 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSTALLATIEBEDRIJF [familienaam] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Genemuiden,

eisende partij,

advocaat: mr. H.G. Pomper,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. F.B.A.M. van Oss,

en

3 de besloten vennootschap TAPIJTWERELD INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Genemuiden, alsmede haar bestuurder

4. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. B.A.M. Hampsink,

en

5 de besloten vennootschap INTERNATIONAL BUSINESS GENEMUIDEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Genemuiden, alsmede haar bestuurders

6. [gedaagde 4], en

7. [gedaagde 5],

beiden wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. J.F. Hoff,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer/rolnummer C/08/244840 HA ZA 19-563 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TAPIJTWERELD INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Genemuiden, alsmede haar bestuurder

2. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisende partij in vrijwaring,

advocaat: mr. B.A.M. Hampsink,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij in vrijwaring,

advocaat: mr. F.B.A.M. van Oss.

Partijen zullen hierna achtereenvolgens Installatiebedrijf [familienaam] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , Tapijtwereld, [gedaagde 3] , IBG, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] worden genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagde 1] c.s., Tapijtwereld en [gedaagde 3] als Tapijtwereld c.s. en IBG, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] als IBG c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 november 2019, waarbij de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft bevolen in de zaken 7881182 HA ZA 19-3858 en 8010147 HA ZA 19-5001 en de zaken voor verdere behandeling en afdoening heeft verwezen naar de meervoudige civiele kamer van deze rechtbank (met zaaknummers C/08/240720 HA ZA 19-534 en C/08/244840 HA ZA 19-563);

- de akte overlegging producties van de zijde van IBG c.s. van 18 augustus 2020;

- de akte overlegging producties van de zijde van Tapijtwereld c.s. van 14 september 2020 in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 september 2020;

- de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota’s van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Installatiebedrijf [familienaam] , een bedrijf dat werkzaam is op een breed terrein van installatietechniek, is onderdeel van het [familienaam] -concern. [familienaam] Beheer B.V., gevestigd in Genemuiden, is enig aandeelhouder van Installatiebedrijf [familienaam] . [familienaam] Management B.V. is bestuurder van Installatiebedrijf [familienaam] .

2.2.

[gedaagde 1] is werkzaam geweest voor Installatiebedrijf [familienaam] . Op 3 juni 1976 is hij begonnen als monteur en later werkte hij als projectleider. Per 1 mei 1992 is hij benoemd tot statutair bestuurder van Installatiebedrijf [familienaam] . Met ingang van 23 augustus 2017 is [gedaagde 1] ontslagen.

2.3.

[gedaagde 2] is van 23 maart 1984 tot 26 maart 2001 statutair bestuurder geweest van [familienaam] Centrale Diensten B.V. (hierna: BCM), dat ook tot het [familienaam] -concern behoort. Daarna is [gedaagde 2] als werknemer werkzaam geweest voor Installatiebedrijf [familienaam] .

2.4.

[gedaagde 3] is sinds 6 november 1995 enig statutair bestuurder van Tapijtwereld. Tapijtwereld exploiteert een groothandel in tapijt, woningtextiel en vloerbedekking.

2.5.

[gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn via de vennootschap Work Society B.V. (hierna: Work Society), enig aandeelhouder en (middellijk) bestuurder van IBG. IBG exploiteert een groothandel in laminaat, tapijt en andere vloeren.

2.6.

In het voorjaar van 2017 heeft Installatiebedrijf [familienaam] besloten om adviesbureau Berenschot te vragen onderzoek te doen naar – kort gezegd – de bedrijfscultuur en de gevoelens van onvrede onder haar personeel. Berenschot heeft onder meer 125 interviews afgenomen. Medio juli 2017 is haar rapport verschenen, waarin zij – voor zover voor deze zaken van belang – wijst op “ongebruikelijk veel signalen (…) die duiden op integriteitsvraagstukken. Een aantal zaken steken daarbij meerdere keren de kop op:

- De verantwoording van zogenaamde bonusketels;

- Facturen voor tapijt;

- Verbouwingen en verhuizingen voor de familie en vertrouwelingen tijdens werktijd en door [familienaam] medewerkers;

- Verantwoording van artikelen voor privégebruik of voor verkoop aan particulieren;
- Verantwoording van de verkoop van sanitair aan particulieren;

- Het bestaan van een zogenoemde zwarte kas;

- Het reilen en zeilen rond het Moldavië project;

Het bestaan van deze verdenkingen is niet bevorderlijk voor een open en eerlijke cultuur binnen [familienaam] .”

2.7.

Het Berenschot-rapport heeft de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Installatiebedrijf [familienaam] aanleiding gegeven om [gedaagde 1] te schorsen en uiteindelijk te ontslaan als statutair bestuurder en als werknemer.

2.8.

Berenschot heeft geadviseerd de integriteitsvraagstukken nader te laten onderzoeken. Installatiebedrijf [familienaam] heeft daarvoor opdracht gegeven aan Signum Interfocus Nederland B.V., een bedrijfsrecherchebureau uit Oosterbeek (hierna: SI). SI heeft twee tussenrapportages (20 december 2017 en 14 maart 2018) en een eindrapportage (7 december 2018) opgesteld (hierna: Tussenrapport SI 2017, Tussenrapport SI 2018 en Eindrapport SI). Uit het onderzoek van SI komt – kort gezegd – naar voren dat door Tapijtwereld en IBG facturen zijn verzonden, die door Installatiebedrijf [familienaam] zijn betaald, maar dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat daadwerkelijk tapijt of laminaat is geleverd. In Tussenrapport SI 2017 (pagina 6) staat onder meer het volgende:

“Uit onderzoek bij de afdeling Financiële Zaken van [familienaam] Centrale Diensten (hierna: BCD), werd vastgesteld dat er 152 betalingen aan Tapijtwereld International BV waren verricht over de periode van 18 juni 2005 tot en met 14 maart 2017, waarvan het totaalbedrag € 1.204.033,54 bedraagt. Ook werd vastgesteld dat er 10 betalingen aan IBG Carpets BV waren verricht in de periode van 14 februari 2017 tot en met 7 maart 2017, waarvan het totaalbedrag € 214.070,00 bedraagt. Volgens de omschrijving op deze facturen zou het om leveringen gaan van onder andere laminaat, afdekmateriaal, tapijt, et cetera voor onder andere renovatieprojecten. Op de facturen staan echter geen projectnummers geboekt.

Uit de interviews is gebleken dat door [familienaam] bijna nooit tapijt is gebruikt in het kader van hun werkzaamheden. Sporadisch komt en kwam het voor dat er soms afdektapijt werd gebruikt bij renovatieprojecten. Door [familienaam] worden echter bijna nooit renovatieprojecten uitgevoerd en laminaat wordt nimmer gebruikt in de werkzaamheden van [familienaam] . De leveringen die volgens de facturen gedaan zijn, staan in geen verhouding tot het tapijt dat soms gebruikt zou zijn op renovatieprojecten. Gezien de hoeveelheden aan tapijt kan worden gesteld dat deze aankoop niet voor gebruik van het bedrijf [familienaam] zelf is geweest. Door alle geïnterviewde medewerkers werd verklaard dat [familienaam] niet in tapijt of laminaat handelt.”

2.9.

In het Tussenrapport SI 2018 (pagina 6 en 7) staat in aanvulling hierop onder meer het volgende:

“Uit onderzoek naar de facturen uit 2016 en 2017 is niet gebleken van enige leveringen van de hoeveelheden tapijt, laminaat of afdekmateriaal aan [familienaam] of de onderzochte aannemers, als omschreven op de bedoelde facturen. Het vermoeden bestaat dat de betreffende facturen zijn betaald, terwijl er vanuit Tapijtwereld of IBG geen dienst of prestatie (lees: levering van goederen) tegenover stond.”
(…)
Uit onderzoek bij de aannemers, bouwondernemingen en opdrachtgevers van [familienaam] is gebleken dat in de periode 1 januari 2016 tot en met medio 2017 geen tapijt of afdekmateriaal is geleverd door [familienaam] . Er zijn nimmer facturen betaald door deze aannemers, bouwondernemingen en opdrachtgevers aan [familienaam] voor het leveren van tapijt c.q afdekmateriaal. Indien er tapijt zou zijn geleverd, zou dit zeker apart zijn gefactureerd en niet verdisconteerd in de projectprijs. Mocht dit het geval zijn geweest, dan had dit op de betreffende offertes moeten staan.

2.10.

Nadat voormeld onderzoek was afgesloten, is gebleken dat één factuur van

€ 8.001,39 niet aan Tapijtwereld is voldaan, maar aan VOF [bedrijf] .

3 Het geschil

In de hoofdzaak

De vordering en de gronden daarvan

3.1.

Installatiebedrijf [familienaam] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Installatiebedrijf [familienaam] van € 1.560.587,51 (€ 1.455.056,85 + € 105.530,66), te vermeerderen met de wettelijke rente, en daarnaast [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan Installatiebedrijf [familienaam] van € 8.001,39. Subsidiair en meer subsidiair vordert zij dat een of meer combinaties van gedaagden hoofdelijk dan wel individueel wordt/worden veroordeeld de door Installatiebedrijf [familienaam] geleden schade te vergoeden. Bij een en ander vordert Installatiebedrijf [familienaam] dat gedaagden in de kosten van deze procedure worden veroordeeld, een bedrag aan nakosten daaronder begrepen.

3.2.

Installatiebedrijf [familienaam] heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[gedaagde 1] heeft georganiseerd dat [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] door of vanuit Tapijtwereld en IBG bedragen factureerden aan Installatiebedrijf [familienaam] , die door laatstgenoemde betaald werden. Daardoor heeft Installatiebedrijf [familienaam] vele tientallen keren facturen betaald aan Tapijtwereld voor een totaalbedrag van € 1.204.033,54 en tien keer facturen aan IBG voor een totaalbedrag van € 259.024,70. Dit vond plaats in de periode van 18 juni 2005 tot en met 14 maart 2017. Volgens die facturen zouden genoemde bedrijven tapijt hebben geleverd aan Installatiebedrijf [familienaam] , maar uit onderzoek door SI is gebleken dat die leveringen niet hebben plaatsgevonden. Dat ligt ook niet voor de hand; Installatiebedrijf [familienaam] handelt niet in tapijt. Hooguit wordt een enkele keer een stukje afdektapijt gebruikt. De slotsom uit het onderzoek van SI was dat hier sprake is geweest van zogenoemde spookfacturen. Volgens Installatiebedrijf [familienaam] zijn alle gedaagden bij deze opzet betrokken en hebben zij op die manier ieder voor zich maar ook in groepsverband, althans in wisselend groepsverband, onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] gehandeld. Om die reden eist Installatiebedrijf [familienaam] de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding dat overeenkomt met het geld dat gedaagden aan Installatiebedrijf [familienaam] hebben onttrokken (€ 1.455.056,85), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de diverse betalingen.

3.2.2.

[gedaagde 1] heeft VOF [bedrijf] de tuin van zijn woonhuis laten renoveren, zo stelt Installatiebedrijf [familienaam] . De factuur van 3 juni 2014 ter hoogte van € 8.001,39 heeft [gedaagde 1] laten betalen door Installatiebedrijf [familienaam] . Installatiebedrijf [familienaam] vordert dat bedrag van [gedaagde 1] terug.

3.2.3.

Daarnaast wil Installatiebedrijf [familienaam] dat gedaagden de kosten van het onderzoek door SI, voor zover die op deze zaak betrekking hebben, aan haar vergoeden. Installatiebedrijf [familienaam] berekent die kosten op (75% van € 140.707,54) € 105.530,66.

3.2.4.

Subsidiair voert Installatiebedrijf [familienaam] aan dat zij de facturen van Tapijtwereld en IBG onverschuldigd heeft betaald, omdat er geen rechtsgrond c.q. overeenkomst aan de betalingen ten grondslag ligt. Er hebben namelijk geen leveringen van tapijt plaatsgevonden. Op die subsidiaire grondslag zijn Tapijtwereld en IBG gehouden de onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen aan Installatiebedrijf [familienaam] , te weten € 1.455.056,85. In dat geval geldt ten aanzien van [gedaagde 1] dat hem een persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken van onbehoorlijk bestuur. Op die grond is [gedaagde 1] verplicht aan Installatiebedrijf [familienaam] de geleden schade ter hoogte van € 1.455.056,85 te vergoeden. Voor zover er wel een overeenkomst zou worden vastgesteld, geldt nog steeds dat er geen tapijt is geleverd zodat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. In dat geval zijn Tapijthandel en IBG aansprakelijk voor de daardoor geleden schade die gelijk dient te worden gesteld aan de betaalde bedragen.

Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna gezamenlijk: [gedaagde 1] c.s.)

3.3.

[gedaagde 1] c.s. erkennen dat Tapijtwereld en IBG geen tapijt hebben geleverd aan Installatiebedrijf [familienaam] . Daarover hebben zij het volgende toegelicht.

3.3.1.

Al vanaf het moment waarop [gedaagde 1] in dienst is gekomen van Installatiebedrijf [familienaam] , is hij geconfronteerd met het bestaan van een zwart geld-circuit. [oud-directeur] , directeur van Installatiebedrijf [familienaam] van 1 januari 1974 tot 1 augustus 1999, beheerde in samenspraak met [voormalig bestuurder] een zwarte kas. [voormalig bestuurder] leende als een soort bank geld uit aan werknemers. Contant geld binnen Installatiebedrijf [familienaam] was verder nodig om de plaatselijke voetbalclub te sponsoren of om te besteden aan een project voor het goede doel in Moldavië. Maar het meeste contante geld werd gebruikt om werknemers te betalen voor overuren. Voorheen ontving Installatiebedrijf [familienaam] contant geld van werknemers die materialen van Installatiebedrijf [familienaam] kochten voor privéklussen, maar die geldstroom droogde op.

3.3.2.

Het is juist dat de door Installatiebedrijf [familienaam] aan Tapijtwereld en IBG betaalde facturen spookfacturen zijn. Er werd door Installatiebedrijf [familienaam] geen tapijt ingekocht dan wel verkocht. Tegenover de tapijtfacturen stond wel een prestatie, te weten de levering van contant geld (onder inhouding van 10% provisie). Van onverschuldigde betaling of toerekenbare tekortkoming was dan ook geen sprake. Op bovenstaande manier kon het zwart geld-circuit in stand blijven. [gedaagde 1] c.s. hebben enkel het beleid binnen Installatiebedrijf [familienaam] uitgevoerd. [gedaagde 1] c.s. benadrukken dat deze gang van zaken niet ten nadele was van Installatiebedrijf [familienaam] . Daar komt bij dat het handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de goedkeuring en instemming had van Installatiebedrijf [familienaam] , de (indirect) aandeelhouders en de familie [familienaam] . Het contante geld is immers door en ten behoeve van Installatiebedrijf [familienaam] en haar aandeelhouders gebruikt. [gedaagde 1] c.s. menen dan ook dat zij niet onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] hebben gehandeld. Van toerekenbaarheid, schade en causaal verband is evenmin sprake.

3.3.3.

Subsidiair voeren [gedaagde 1] c.s. aan dat hun handelen langs de lat van de artikelen 7:661 BW en 2:9 BW (voor [gedaagde 1] ) dient te worden gelegd en getoetst, omdat zij hebben gehandeld in de uitoefening van hun functie als werknemer en als statutair bestuurder. [gedaagde 1] c.s. hebben gehandeld in overeenstemming met de instructie van hun werkgever. Voor zover zij al schade zouden hebben toegebracht, geldt dat zij niet met opzet of bewust roekeloos hebben gehandeld.

Het verweer van Tapijtwereld en [gedaagde 3] (hierna gezamenlijk: Tapijtwereld c.s.)

3.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] kennen elkaar vanuit het sociale circuit in Genemuiden. Medio 2005 heeft [gedaagde 1] aangegeven dat Installatiebedrijf [familienaam] behoefte heeft aan een andere bron van het contante geld. Tapijtwereld beschikte juist over een contante geldstroom, die zij giraal wenste te maken. Tegen die achtergrond is de afspraak tot stand gekomen dat [gedaagde 3] aan [gedaagde 1] contant geld zou overhandigen, waarvoor Installatiebedrijf [familienaam] een factuur zou ontvangen van Tapijtwereld met een opslag van 10%.

3.4.1.

Tapijtwereld c.s. verbinden aan hun uiteenzetting van de feiten de juridische conclusie dat er een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten, die partijen zijn nagekomen. Er is dus een tegenprestatie geleverd (contant geld tegen giraal geld), zodat van onverschuldigde betaling, toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen in groepsverband, dan wel ieder voor zich, geen sprake kan zijn. Installatiebedrijf [familienaam] is in geen geval benadeeld en heeft geen schade geleden.

3.4.2.

Daarnaast betwisten Tapijtwereld c.s. dat zij in groepsverband hebben gehandeld. Tapijtwereld c.s. hebben niets van doen gehad met IBG, [gedaagde 4] of [gedaagde 5] . Wat [gedaagde 1] of Installatiebedrijf [familienaam] met het contante geld deden, onttrok zich aan de waarneming en wetenschap van Tapijtwereld c.s. Zij gingen ervan uit, gelet op de tijdige betaling van de facturen gedurende dertien jaren, dat de overeenkomst stipt en naar goedvinden van Installatiebedrijf [familienaam] werd nagekomen. Mocht [gedaagde 1] de ontvangen gelden hebben verduisterd, dan geldt volgens Tapijtwereld c.s. dat [gedaagde 1] zich excessief heeft gedragen; gedrag dat niet aansluit bij het groepsgedrag (zo dit al wordt aangenomen). Het gevolg daarvan is dat de overige groepsleden niet aansprakelijk zijn, zodat Tapijtwereld c.s. niet kunnen worden aangesproken tot betaling van een schadevergoeding. Overigens vinden Tapijtwereld c.s. dat de billijkheid eveneens eist dat [gedaagde 1] het grootste gedeelte dient bij te dragen.

3.4.3.

Tot slot beroepen Tapijtwereld c.s. zich op verjaring van de rechtsvordering. Installatiebedrijf [familienaam] was van meet af aan bekend met de (achtergrond van de) tapijtfacturen. De verjaring is pas gestuit met een brief van 7 december 2018. Daarvan uitgaande is de vordering tot schadevergoeding wegens betaling van de facturen van 18 juni 2005 tot en met 28 november 2013 verjaard. Hoogstens resteert daarmee een vordering op gedaagden van € 455.444,00. Dat geld heeft Installatiebedrijf [familienaam] daadwerkelijk ontvangen, minus de opslag van Tapijtwereld c.s. van 10%. Indien al sprake zou zijn van enige benadeling van Installatiebedrijf [familienaam] kan dit hooguit zien op een bedrag van € 45.544,40, minus de btw.
De kosten van SI worden door Tapijtwereld c.s. betwist omdat deze onvoldoende zijn gespecificeerd en niet voldoen aan de redelijkheidstoets.

Het verweer van IBG, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (hierna gezamenlijk: IBG c.s.)

3.5.

IBG c.s. betwisten dat er sprake is van betaling van spookfacturen en onrechtmatig handelen. Zij hebben toegelicht hoe de tapijtleveringen in hun werk zijn gegaan. [gedaagde 1] heeft IBG c.s. eind 2015 of begin 2016 gevraagd om afdekmateriaal/’beurstapijt’ te leveren: rollen van 2 meter breed, strak opgerold en niet ingevreten, voor € 1,00 per m2. [gedaagde 1] gaf de bestellingen telefonisch door. IBG c.s. zorgden ervoor dat het materiaal op de afgesproken dag in een trailer bij het laad dok van het bedrijf stond. Zodra een chauffeur van [familienaam] zich meldde, verzorgden IBG c.s. het ‘inprikken’: het overzetten van de rollen tapijt in de trailer van de chauffeur van [familienaam] . Op die manier zijn tien bestellingen verwerkt. Tien facturen over een periode van januari 2016 tot maart 2017 met een factuurwaarde van € 259.024,80, dat is niets bijzonders voor IBG c.s. IBG c.s. stellen zich aldus op het standpunt dat zij wel degelijk tapijt hebben geleverd aan Installatiebedrijf [familienaam] .

3.5.1.

Als de rechtbank al zou aannemen dat sprake is van valse facturen dan wel verduistering, dan menen IBG c.s. dat Installatiebedrijf [familienaam] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, omdat zij niet heeft onderbouwd waaruit de onrechtmatige daad als groep blijkt. IBG c.s. betwisten dat zij met de overige gedaagden hebben samengewerkt of overleg hebben gevoerd en aldus gezamenlijk schade hebben veroorzaakt, of althans daarin enig aandeel hebben gehad. Dat is aan Installatiebedrijf [familienaam] om te stellen en toe te lichten, maar dat heeft zij nagelaten.

De vordering jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is in het geheel niet nader gesubstantieerd en/of onderbouwd.

3.5.2.

Voor zover de vordering van Installatiebedrijf [familienaam] is gebaseerd op onverschuldigde betaling, stellen IBG c.s. zich primair op het standpunt dat die vordering moet worden afgewezen, omdat Installatiebedrijf [familienaam] betaling aan haar verschuldigd was voor het geleverde tapijt. Maar als de rechtbank die stelling niet volgt, dan wijzen IBG c.s. erop dat zij € 259.024,70 hebben ontvangen van Installatiebedrijf [familienaam] en niet het bedrag dat aan Tapijtwereld is betaald. Van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit overeenkomst is evenmin sprake nu IBG c.s. het tapijt heeft geleverd en zij nimmer in verzuim is komen te verkeren.

Voor zover op IBG c.s. toch enige aansprakelijkheid zou rusten, betwist zij de schade. In het geval dat wel schade wordt aangenomen doet IBG c.s. een beroep op artikel 6:101 BW op grond waarvan de schade voor eigen rekening van Installatiebedrijf [familienaam] dient te komen. De kosten van SI worden betwist.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In de vrijwaringszaak

3.7.

Tapijtwereld c.s. hebben [gedaagde 1] in vrijwaring opgeroepen. Zij vorderen de veroordeling van [gedaagde 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan Tapijtwereld c.s. te betalen al hetgeen waartoe Tapijtwereld c.s., dan wel Tapijtwereld of [gedaagde 3] afzonderlijk, zullen worden veroordeeld in de hoofdzaak. Daarbij vorderen zij dat [gedaagde 1] in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.7.1.

Tapijtwereld c.s. leggen het volgende aan hun vordering ten grondslag. Tapijtwereld c.s. zijn ervan uitgegaan dat de afspraak over het verstrekken van contant geld, het factureren van tapijt en het ontvangen van girale betalingen, alom bekend was binnen Installatiebedrijf [familienaam] en dat deze werkwijze gebeurde met haar instemming. Niet voor niets vonden de geldverstrekkingen plaats gedurende dertien jaren. Mocht komen vast te staan dat Installatiebedrijf [familienaam] niet op de hoogte was van deze afspraak, dan geldt dat dit aan [gedaagde 1] is te wijten. Het achterhouden van deze informatie kwalificeert in de ogen van Tapijtwereld c.s. als onrechtmatig handelen, omdat zij dan ongewild in een verduisteringszaak zijn betrokken. Mochten Tapijtwereld c.s. worden veroordeeld in de hoofdzaak tot betaling aan Installatiebedrijf [familienaam] in verband met de ‘spookfacturen’, dan wil Tapijtwereld c.s. dat [gedaagde 1] hen de schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen vergoedt. Bij een en ander vorderen Tapijtwereld c.s. dat [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure wordt veroordeeld.

3.8.

[gedaagde 1] erkent de afspraak met Tapijtwereld c.s. over de levering van contant geld tegen betaling door Installatiebedrijf [familienaam] van de tapijtfacturen van Tapijtwereld. Verdere afspraken over de besteding van het contante geld zijn er volgens [gedaagde 1] niet gemaakt. Tapijtwereld c.s. wilde enkel het contante geld giraal maken. [gedaagde 1] betwist dat het geld binnen Installatiebedrijf [familienaam] is verduisterd. Het onrechtmatig handelen kan dus niet gevonden worden in het betrekken van Tapijtwereld c.s. bij een verduisteringszaak. [gedaagde 1] bepleit dan ook de afwijzing van de vordering in vrijwaring.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Deze zaak draait primair om de vraag in hoeverre gedaagden – individueel dan wel als onderscheiden groep(en) – onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] hebben gehandeld en of zij aansprakelijk zijn voor de door Installatiebedrijf [familienaam] gestelde schade. Het verwijt dat Installatiebedrijf [familienaam] gedaagden maakt betreft – kort samengevat – het (laten) verzenden en (laten) betalen van zogenoemde spookfacturen. Het gaat Installatiebedrijf [familienaam] daarbij specifiek om 71 betalingen van Installatiebedrijf [familienaam] aan Tapijtwereld en 10 betalingen van Installatiebedrijf [familienaam] aan IBG. Volgens Installatiebedrijf [familienaam] waren alle gedaagden betrokken bij het (laten) verzenden en (laten) betalen van de met die betalingen verband houdende facturen. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. Daarnaast is er één betaling gedaan door Installatiebedrijf [familienaam] aan VOF [bedrijf] in verband met de renovatie van de tuin van het woonhuis van [gedaagde 1] . Voor de schade die uit die betaling voortvloeit is alleen [gedaagde 1] aansprakelijk, aldus Installatiebedrijf [familienaam] .

Onrechtmatig handelen

4.2.

De eerste vraag is of gedaagden onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] hebben gehandeld. Dit wordt door alle gedaagden weersproken.

4.3.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop. Het versturen van facturen aan een vennootschap waar geen enkele of een evident andere prestatie dan omschreven in de facturen tegenover staat en het vervolgens laten betalen van deze facturen door diezelfde vennootschap, kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vennootschap (in de zin van artikel 6:162 BW). De vennootschap die dergelijke spookfacturen voldoet is in dat geval namelijk bewogen tot het doen van betalingen zonder rechtsgrond naar aanleiding van misleidende facturen.

4.4.

Ten aanzien van de 71 betalingen die – onbetwist – door Installatiebedrijf [familienaam] aan Tapijtwereld zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen. Gelet op de door Installatiebedrijf [familienaam] ingebrachte onderzoeksrapporten van SI en de erkenning door [gedaagde 1] c.s. en Tapijtwereld is – tussen hen – voldoende komen vast te staan dat Installatiebedrijf [familienaam] over de periode van 18 juni 2005 tot en met 14 maart 2017 een bedrag van in totaal € 1.204.033,54 ter zake van levering van tapijt heeft betaald aan Tapijtwereld naar aanleiding van door Tapijtwereld aan Installatiebedrijf [familienaam] verzonden facturen, terwijl geen sprake is geweest van een levering van laminaat, afdekmateriaal en/of tapijt.

4.5.

De stelling van Tapijtwereld c.s. en [gedaagde 1] c.s. dat sprake was van een levering van contant geld (contant geld voor giraal geld), wat door Installatiebedrijf [familienaam] wordt betwist, kan hen op dit punt niet baten; het onrechtmatige karakter van hun handelen jegens Installatiebedrijf [familienaam] wordt hierdoor niet weggenomen. Daargelaten of het contante geld de vennootschap heeft bereikt, is de beweerdelijk geleverde prestatie (chartaal geld) namelijk wezenlijk anders dan de in de facturen omschreven prestatie (tapijt). Een dergelijk verweer is mogelijk wel relevant voor het vaststellen van (de omvang van) de schade. De omstandigheid dat Installatiebedrijf [familienaam] – langs de band van haar bestuurder en andere spilfiguren – van het zwart geld-circuit en de werkwijze met de spookfacturen “wist” doet evenmin af aan de onrechtmatigheid van het handelen. Als een bestuurder, tezamen en in overleg met derden, de vennootschap bewust valse facturen laat betalen, handelen deze bestuurder en deze derden onrechtmatig jegens de vennootschap. Gelet op de kenbare valsheid van de facturen kan die derde zich er bovendien niet achter verschuilen dat zij met instemming of in opdracht van een statutair directeur heeft gehandeld.

4.6.

Tegen die achtergrond concludeert de rechtbank dat Tapijtwereld en [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] hebben gehandeld. [gedaagde 1] was in de relevante periode namelijk de bestuurder van Installatiebedrijf [familienaam] en hij was in die hoedanigheid belast met de dagelijkse gang van zaken bij Installatiebedrijf [familienaam] . Daarnaast heeft [gedaagde 1] de desbetreffende spookfacturen persoonlijk geaccordeerd en door Installatiebedrijf [familienaam] laten betalen. De wijze van factureren is bovendien door [gedaagde 1] geïnitieerd (naar eigen zeggen om een zwart geld-circuit in stand te houden).

Tapijtwereld heeft op haar beurt de spookfacturen gefabriceerd, alsook de daaropvolgende betaling door Installatiebedrijf [familienaam] ontvangen en (ook uitgaande van haar eigen relaas in ieder geval deels) behouden. Dit alles gedurende een periode van meer dan tien jaren.

4.7.

Ten aanzien van [gedaagde 3] geldt dat hij in de relevante periode bestuurder was van Tapijtwereld en in die hoedanigheid volledige zeggenschap had over de dagelijkse gang van zaken bij Tapijtwereld en gedurende voormelde periode persoonlijk actief betrokken was bij de malversaties met de spookfacturen. Zo heeft [gedaagde 3] de valse wijze van facturering en de beweerdelijk daaraan ten grondslag liggende overeenkomst (giraal geld voor contant geld) vooraf zelf met [gedaagde 1] afgestemd. Daarnaast bracht hij de desbetreffende facturen en/of het beweerdelijke contante geld veelal in eigen persoon naar [gedaagde 1] . In dat kader wijst de rechtbank ook op het Tussenrapport SI 2018 (blz. 27) waarin staat dat [gedaagde 3] heeft aangegeven de desbetreffende facturen veelal “persoonlijk” bij Installatiebedrijf [familienaam] af te leveren. Tegen die achtergrond heeft niet alleen Tapijtwereld maar ook [gedaagde 3] zelf onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] gehandeld.

4.8.

Ten aanzien van [gedaagde 2] ligt dit anders. Installatiebedrijf [familienaam] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. In dat kader is van belang dat [gedaagde 2] in de relevante periode geen bestuurder was van Installatiebedrijf [familienaam] en hij dus ook niet verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken bij Installatiebedrijf [familienaam] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] in dat kader verklaard dat hij de desbetreffende facturen pas verwerkte nadat deze reeds waren goedgekeurd. Hij verdiepte zich niet in de juistheid van de facturen en dat was ook uitdrukkelijk niet zijn taak. [gedaagde 2] heeft daarnaast aangevoerd dat hij als boekhouder steeds op basis van de instructies van zijn leidinggevende handelde, ook ten aanzien van bovengenoemde facturen. Dat bij [gedaagde 2] sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid als bedoeld in artikel 7:661 BW is gesteld noch gebleken. Zo [gedaagde 2] al wetenschap had van het bestaan van spookfacturen is dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om hier te kunnen concluderen dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. De vorderingen van Installatiebedrijf [familienaam] jegens [gedaagde 2] zullen daarom worden afgewezen.

4.9.

Dat IBG c.s. bij voornoemde 71 betalingen betrokken waren is gesteld noch gebleken. Deze kunnen hen dan ook niet worden aangewreven.

4.10.

Ten aanzien van de 10 betalingen die – onbetwist – door Installatiebedrijf [familienaam] aan IBG zijn gedaan heeft het volgende te gelden. Met de rapportages van SI is de stelling van Installatiebedrijf [familienaam] dat IBG haar in de periode van 14 januari 2016 tot en met 7 maart 2017 een niet tot enige levering te herleiden bedrag van in totaal € 259.024,70 in rekening heeft gebracht, genoegzaam geïllustreerd. Het standpunt van IBG c.s., inhoudend dat er wel degelijk conform facturering tapijt is geleverd overtuigt niet, nu daarvoor ieder aanknopingspunt ontbreekt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.11.

Installatiebedrijf [familienaam] handelt niet in tapijt. Het is daarom – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – onlogisch dat zij de door IBG c.s. gestelde hoeveelheden afdektapijt zou hebben afgenomen. De aankoop van grote hoeveelheden afdektapijt past niet in de eigen bedrijfsvoering van Installatiebedrijf [familienaam] . De aannemers die met haar werken bevestigen dat. Uit het financieel onderzoek van SI is bovendien niet gebleken dat door Installatiebedrijf [familienaam] inkomsten zijn gegenereerd uit de handel (ver- en/of doorverkoop) van tapijt of aan tapijt gerelateerde materialen (Tussenrapport SI 2018, blz. 36). Geen van de klanten of projecten van de aannemers met wie Installatiebedrijf [familienaam] werkte is in verband te brengen met de door IBG gestelde relatief grote hoeveelheden afdektapijt (Tussenrapport SI 2018, blz. 24 e.v.). SI concludeert dat er van 1 januari 2016 tot en met medio 2017 geen tapijt of afdekmateriaal is geleverd door Installatiebedrijf [familienaam] (r.o. 2.9). Bij gebreke van een toelichting van de zijde van IBG zijn de aard en bestemming van de gestelde leveranties dus geheel onduidelijk. Daarbij hebben IBG c.s. geheel niet inzichtelijk gemaakt wanneer, door wie, welk (afdek)tapijt zou zijn geleverd. IBG c.s. volstaan met de stelling dat bepaalde tarief- en leveringsafspraken mondeling zijn gemaakt en dat de bestellingen steeds telefonisch zijn doorgeven, maar een nadere concretisering ontbreekt. Daarbij komt dat IBG c.s. in de conclusie van antwoord slechts een zeer algemene beschrijving geeft van de gebruikelijke werkwijze bij (rest)partijen tapijt. Documenten – kladaantekeningen, telefoonnotities, agenda’s etc. – die afspraken met en/of leveringen aan Installatiebedrijf [familienaam] aannemelijk zouden kunnen maken zijn door IBG niet overgelegd. Bovendien zijn ook de met voornoemde betalingen samenhangende facturen onduidelijk en voor meerdere interpretaties vatbaar. Zo ontbreekt op diverse facturen een omschrijving van de te leveren prestatie. Tot slot heeft [gedaagde 1] de stellingen van Installatiebedrijf [familienaam] ter zitting onderschreven. Ook hij weerspreekt dat Installatiebedrijf [familienaam] ooit afdektapijt van IBG geleverd heeft gekregen. IBG is, bij monde van [gedaagde 4] , op die verklaring niet inhoudelijk ingegaan, maar heeft enkel haar standpunt dat wel afdekmateriaal is geleverd, herhaald. Aangezien IBG zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat [gedaagde 1] degene is geweest die de bestellingen telefonisch doorgaf, had het op haar weg gelegen deze feitelijke gang van zaken nader met concrete omstandigheden te schragen. Nu IBG haar betwisting van de onrechtmatige handelwijze onvoldoende heeft gemotiveerd zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van de onderbouwde stellingen van Installatiebedrijf [familienaam] . Aan bewijslevering wordt derhalve niet toegekomen.

4.12.

Gelet op die omstandigheden staat in rechte vast dat er geen afdektapijt door IBG aan Installatiebedrijf [familienaam] is geleverd. Er was derhalve sprake van het (laten) verzenden en (laten) betalen van spookfacturen. De stelling van IBG c.s. dat zij geen gelegenheid hebben gehad om te reageren op de rapportages van SI baat hen op dit punt niet, nu zij bij conclusie van antwoord en vervolgens ter terechtzitting voldoende gelegenheid hebben gehad om te reageren op de inhoud van die rapportages. Daarnaast hebben IBG c.s. onvoldoende weersproken dat zij zelf de spreekwoordelijke deur voor de onderzoekers van SI hebben dichtgedaan (vgl. Tussenrapport SI 2018, blz. 16).

4.13.

Tegen die achtergrond concludeert de rechtbank dat IBG en [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] hebben gehandeld. [gedaagde 1] was in de relevante periode namelijk bestuurder van Installatiebedrijf [familienaam] en hij was in die hoedanigheid belast met de dagelijkse gang van zaken bij Installatiebedrijf [familienaam] . Daarnaast heeft [gedaagde 1] de desbetreffende spookfacturen persoonlijk geaccordeerd en door Installatiebedrijf [familienaam] laten betalen. De wijze van factureren is bovendien door [gedaagde 1] geïnitieerd. IBG heeft op haar beurt de spookfacturen verzonden, alsook de daaropvolgende betaling door Installatiebedrijf [familienaam] ontvangen en behouden.

4.14.

Ten aanzien van [gedaagde 4] geldt dat hij in de relevante periode – indirect – bestuurder en aandeelhouder was van IBG. In die hoedanigheid was hij betrokken bij de dagelijkse gang van zaken bij IBG. Sterker nog, [gedaagde 4] droeg de volle verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen binnen IBG en dus ook gedurende de periode waarin de spookfacturen door IBG zijn verzonden. [gedaagde 4] heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien verklaard dat hij degene was die het door Installatiebedrijf [familienaam] bestelde tapijt factureerde. Dit correspondeert met de verklaring van de zijde van Installatiebedrijf [familienaam] dat [gedaagde 1] de desbetreffende facturen rechtstreeks ontving van [gedaagde 4] . Daarnaast besprak [gedaagde 4] de bestellingen met [gedaagde 1] . Ook verzorgde hij naar eigen zeggen het ‘inprikken’ van de lading op de trailer. De rechtbank leidt uit die omstandigheden en verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, af dat [gedaagde 4] de beweerdelijk gedane bestellingen en leveringen – en daarmee de spookfacturen – met [gedaagde 1] heeft afgestemd. In zoverre was [gedaagde 4] dus actief betrokken bij de malversaties met de facturen van IBG. Hij heeft aldus onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] gehandeld.

4.15.

Ten aanzien van [gedaagde 5] ligt dit anders. Installatiebedrijf [familienaam] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 5] onrechtmatig heeft gehandeld. In dat kader is het van belang dat [gedaagde 5] pas vanaf 1 september 2016 (indirect) bestuurder was van IBG; een deel van de spookfacturen dateert evenwel van vóór die tijd. Dat [gedaagde 1] contact heeft gehad met [gedaagde 5] over de spookfacturen is bovendien gesteld noch gebleken. Daarnaast is van de zijde van Installatiebedrijf [familienaam] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat “willens en wetens-betrokkenheid” er bij [gedaagde 5] niet lijkt te zijn. Gelet op die omstandigheden blijft het onduidelijk of [gedaagde 5] een rol speelde bij voormelde spookfacturen, en zo ja welke. De vorderingen van Installatiebedrijf [familienaam] jegens [gedaagde 5] zullen daarom worden afgewezen.

4.16.

Dat Tapijtwereld c.s. betrokken waren bij voornoemde 10 betalingen is gesteld noch gebleken. Ten aanzien van [gedaagde 2] geldt hetzelfde als hiervoor onder r.o. 4.8. is overwogen.

4.17.

Tot slot geldt dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] heeft gehandeld ten aanzien van de factuur inzake VOF [bedrijf] . [gedaagde 1] heeft namelijk niet, althans onvoldoende, weersproken dat deze factuur betrekking heeft op de renovatie van de tuin van zijn woonhuis en dat hij er persoonlijk voor heeft gezorgd dat deze kosten door Installatiebedrijf [familienaam] zijn betaald. [gedaagde 1] heeft aldus willens en wetens ten onrechte niet-zakelijke kosten ten laste van Installatiebedrijf [familienaam] gebracht.

Toerekenbaarheid

4.18.

Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien sprake is van (subjectieve) schuld (artikel 6:162 lid 3 BW), maar ook op grond van een oorzaak die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.19.

De stelling van [gedaagde 1] dat sprake was van een bepaalde bestaande ‘cultuur’ binnen Installatiebedrijf [familienaam] waarbij (betalingen met) zwart geld een prominente rol speelde, kan hem in dit verband niet baten. Dat geldt evenzeer voor de stelling van [gedaagde 1] en dat een van de oprichters en informeel leidsman van het [familienaam] -concern ( [voormalig bestuurder] ) druk op hem zou hebben uitgeoefend om een zwart geld-circuit in stand te houden. [gedaagde 1] had als statutair bestuurder namelijk kunnen en moeten inzien dat de hierboven beschreven handelswijze ontoelaatbaar was en dat anderen binnen Installatiebedrijf [familienaam] er niet mee zouden instemmen indien aan Installatiebedrijf [familienaam] kosten in rekening zouden worden gebracht waar tegenover geen prestatie stond, of een andere prestatie die in het geheel niets met de reguliere bedrijfsvoering van Installatiebedrijf [familienaam] te maken had. Dat blijkt ook uit het feit dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden (onjuiste omschrijving van de factuur). [gedaagde 1] wordt als bestuurder bovendien geacht weerstand te bieden tegen ‘druk’ van buitenaf, nog daargelaten dat [gedaagde 1] onvoldoende inzichtelijk maakt wat de aard en omvang was van de gestelde druk van buitenaf. Daarbij komt dat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij zelf bepaalde ten behoeve waarvan het zwarte geld werd aangewend en dat hij zichzelf daarbij ook wel persoonlijk bevoordeelde.

4.20.

Voor zover de door [gedaagde 1] gestelde bedrijfscultuur binnen Installatiebedrijf [familienaam] al vast zou komen te staan, doet dat dus niet af aan de conclusie dat bovenvermeld handelen aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. Dit neemt niet weg dat de bedrijfscultuur binnen Installatiebedrijf [familienaam] een rol zou kunnen spelen bij het aannemen van (enige mate van) eigen schuld aan de zijde van Installatiebedrijf [familienaam] en daarmee dus wel van invloed kan zijn op het bepalen van de omvang van de schade.

4.21.

Ten aanzien van Tapijtwereld c.s., IBG en [gedaagde 4] geldt dat het onrechtmatig handelen hen eveneens kan worden toegerekend. Zoals hiervoor is toegelicht, hebben zij allen actief meegewerkt aan het fabriceren en (laten) betalen van spookfacturen.

Hoofdelijke verbondenheid

4.22.

De vervolgvraag is of gedaagden (met uitzondering van [gedaagde 2] en [gedaagde 5] ) in groepsverband hebben gehandeld en daarmee hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Installatiebedrijf [familienaam] gestelde schade. Volgens Installatiebedrijf [familienaam] handelden gedaagden in één groep, dan wel als twee onderscheiden groepen (Installatiebedrijf [familienaam] spreekt in dat verband over “twee circuits”).

4.23.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op het moment dat er meerdere partijen betrokken zijn bij het hiervoor bedoelde onrechtmatig handelen, dan kan sprake zijn van groepsaansprakelijkheid. Artikel 6:166 BW bepaalt in dat verband dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hen kunnen worden toegerekend.

4.24.

Zoals hiervoor is overwogen waren IBG c.s. niet betrokken bij voormelde spookfacturen afkomstig van Tapijtwereld. Tapijtwereld c.s. waren op hun beurt niet betrokken bij de spookfacturen afkomstig van IBG. Gedaagden hebben bovendien gemotiveerd betwist dat sprake was van één groep bestaande uit zowel IBG c.s. als Tapijtwereld c.s. Tegen die achtergrond kan niet geconcludeerd worden dat sprake was van één groep in de zin van artikel 6:166 BW.

4.25.

De rechtbank ziet evenwel voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat er sprake was van twee te onderscheiden groepen, waarbij de eerste groep bestaat uit [gedaagde 1] , Tapijtwereld en [gedaagde 3] en de tweede groep uit [gedaagde 1] , IBG en [gedaagde 4] . Ten aanzien van beide groepen geldt dat de leden van de groep gedurende een relatief lange periode bewust hebben samengewerkt om Installatiebedrijf [familienaam] diverse niet zakelijke kosten te laten vergoeden. Het (laten) verzenden en (laten) betalen van spookfacturen was een interactie tussen de leden van de groep, waarbij ieder een onmisbaar deel van de keten was. Zo hadden [gedaagde 1] , Tapijtwereld en [gedaagde 3] elkaar ‘nodig’ om gelden aan Installatiebedrijf [familienaam] te onttrekken en ervoor te zorgen dat het leek alsof er sprake was van zakelijke kosten. Tapijtwereld c.s. stellen in dat verband dat het “volstrekt duidelijk was wat er van elkaar werd verwacht” (conclusie van antwoord Tapijtwereld c.s., rnr. 35). Dit gold evenzeer voor [gedaagde 1] , IBG en [gedaagde 4] anderzijds. Nu er door IBG geen tapijt is geleverd, was het ook voor IBG (de verzender van de facturen en de ontvanger van de daarmee samenhangende gelden) evident dat er niet bestaande bestellingen door Installatiebedrijf [familienaam] werden betaald. Aldus wisten alle leden van zowel de eerste als de tweede groep dat hun groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van schade die Installatiebedrijf [familienaam] daardoor heeft geleden en zijn zij daarvoor – zij het enkel binnen hun ‘eigen’ circuit – hoofdelijk aansprakelijk. Tegen die achtergrond treft het verweer van gedaagden dat Installatiebedrijf [familienaam] heeft nagelaten te stellen wie welk aandeel had in het complex van feiten dat tot schade heeft geleden, geen doel.

Tussenconclusie

4.26.

[gedaagde 1] , Tapijtwereld en [gedaagde 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Installatiebedrijf [familienaam] heeft geleden door – kort gezegd – de 71 betalingen van Installatiebedrijf [familienaam] aan Tapijtwereld ad in totaal € 1.196.032,15.

4.27.

[gedaagde 1] , IBG en [gedaagde 4] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Installatiebedrijf [familienaam] heeft geleden door – kort gezegd – de 10 betalingen

van Installatiebedrijf [familienaam] aan IBG (totaal: € 259.024,70).

4.28.

[gedaagde 1] is aansprakelijk voor de schade die Installatiebedrijf [familienaam] heeft geleden door betaling van de factuur inzake VOF [bedrijf] aan [gedaagde 1] (€ 8.001,39).

Omvang schade

4.29.

Installatiebedrijf [familienaam] vordert een schadevergoeding van in totaal

€ 1.568.588,90 (gedeeltelijk te vermeerderen met wettelijke rente). Die vordering bestaat uit de volgende bedragen: de betaling van € 1.196.032,15 aan Tapijtwereld, de betaling van

€ 259.024,70 aan IBG, de betaling van € 8.001,39 aan VOF [bedrijf] en € 105.530,66 in verband met het onderzoek door SI.

4.30.

Gedaagden weerspreken de (omvang van de) gestelde schade. Tapijtwereld c.s. doen daarnaast een beroep op verjaring, reden waarom de rechtbank eerst dat (bevrijdend) verweer zal beoordelen.

4.31.

Volgens Tapijtwereld zijn “de facturen van 18 juni 2005 tot en met 28 november 2013 verjaard” (conclusie van antwoord Tapijtwereld c.s., rnr. 52), omdat de eerste sommatiebrief van Installatiebedrijf [familienaam] dateert van 7 december 2018. Tapijtwereld verwijst hierbij naar de verjaringstermijn van vijf jaren die aanvangt op de dag volgende op de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

4.32.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu Installatiebedrijf [familienaam] voldoende heeft toegelicht dat zij pas na afronding van het onderzoek van SI bekend is geworden met de schade. Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank ook in de rede nu er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden en de communicatie over de spookfacturen veelal mondeling plaatsvond. Nu [gedaagde 1] zelf onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] heeft gehandeld, kan zijn wetenschap niet aan Installatiebedrijf [familienaam] worden toegerekend, althans kan die wetenschap niet als aanvangspunt dienen voor de verjaringstermijn. Omdat de onderzoeken van Berenschot en SI dateren uit 2017 en 2018, is de vordering tot verhaal van de gevorderde schade niet verjaard. Het rapport Berenschot refereert bijvoorbeeld aan signalen die duiden op integriteitsvraagstukken, waaronder ten aanzien van facturen voor tapijt. Dat de tapijtfacturen concreet de aanleiding voor het inschakelen van Berenschot vormden is gesteld noch gebleken. Om welke omvang het ging en welke partijen hier mogelijk bij betrokken waren, was ook na Berenschots rapportage nog niet duidelijk. De stelling van Tapijtwereld c.s. dat Installatiebedrijf [familienaam] reeds vóór de uitkomsten van die onderzoeken bekend was met de schade wordt dan ook gepasseerd.

4.33.

Wat rest is een beoordeling van de omvang van de schade. De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van de stellingen van partijen en de door hen ingebrachte producties, thans onvoldoende in staat is om de omvang van de schade te begroten dan wel te schatten (artikel 6:97 BW). De rechtbank ziet daarom aanleiding om de zaak naar de rol te verwijzen voor uitlating door partijen over de omvang van de schade en de mogelijkheid van een (ambtshalve) verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.34.

Ten aanzien van de betaling van in totaal € 1.196.032,15 aan Tapijtwereld hebben Tapijtwereld c.s. en [gedaagde 1] aangevoerd dat er sprake was van een levering van contant geld (giraal geld voor contant geld). [gedaagde 1] heeft daarnaast verklaard dat dit contante geld (gedeeltelijk) ten goede kwam aan Installatiebedrijf [familienaam] , bijvoorbeeld in de vorm van betalingen aan werknemers van Installatiebedrijf [familienaam] (betalingen in verband met gemaakte overuren, vakantiegeld etc.). Of er contant geld aan Installatiebedrijf [familienaam] is geleverd, en zo ja hoeveel, is op dit moment evenwel onduidelijk. Datzelfde geldt voor de vraag of, in de situatie dat er inderdaad contant geld werd geleverd, dit contante geld ten goede is gekomen aan Installatiebedrijf [familienaam] . Die vragen zijn evenwel onder meer van belang voor de bepaling van de uiteindelijke schade die Installatiebedrijf [familienaam] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden; eventuele voordelen moeten, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade namelijk in rekening (lees: mindering) worden gebracht (artikel 6:100 BW).

4.35.

Ten aanzien van de betaling van in totaal € 259.024,70 aan IBG geldt dat [gedaagde 1] zich ook hier op het standpunt stelt dat sprake was van een levering van contant geld. Hetgeen hiervoor onder r.o. 4.34 is overwogen geldt daarom evenzeer ten aanzien van dit gevorderde bedrag. Weliswaar stellen IBG en [gedaagde 4] zich niet op het standpunt dat er contant geld is geleverd, maar ook IBG c.s. kunnen zich bij akte uitlaten over eventuele voordeelverrekening.

4.36.

Voor wat betreft de factor eigen schuld (art. 6:101 BW) overweegt de rechtbank als volgt. Gedaagden verwijzen in verschillende bewoordingen naar wetenschap bij Installatiebedrijf [familienaam] van de hiervoor omschreven wijze van factureren, maar waar dit precies uit blijkt en wat dit volgens hen precies betekent voor de omvang van de schade blijft vrijwel onbesproken. De verwijzing naar een niet nader gespecificeerde ‘ [familienaam] -cultuur’ volstaat in ieder geval niet. De rechtbank zal de factor eigen schuld dan ook buiten beschouwing laten en zich beperken tot de bepaling van eventuele materiele voordelen die op grond van art. 6:100 BW op de schade in mindering moeten komen.

4.37.

Ten aanzien van de gevorderde € 105.530,66 in verband met het onderzoek door SI geldt dat Installatiebedrijf [familienaam] 75% van de totale kosten (€ 140.707,54) toerekent aan “de onderhavige materie” (dagvaarding, rnr. 60). Zoals hiervoor is geoordeeld hebben niet alle gedaagde partijen onrechtmatig jegens Installatiebedrijf [familienaam] gehandeld. Daarnaast verschilt zoals onder r.o. 4.26 tot en met r.o. 4.28 is geoordeeld, de mate van (hoofdelijke) aansprakelijkheid tussen gedaagden significant van elkaar. Tegen die achtergrond, en mede gelet op het – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – ogenschijnlijk willekeurig gekozen percentage van 75, heeft de rechtbank ook op dit punt behoefte aan meer toelichting.

4.38.

Indien ook na de akte uitlating door partijen onduidelijkheid blijft bestaan over de omvang van de schade, en de rechtbank van oordeel blijft dat zij de schade niet kan begroten dan wel kan schatten, dan zal de rechtbank de zaak mogelijk ambtshalve verwijzen naar de schadestaatprocedure.

Slotsom

4.39.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating door partijen – zoveel mogelijk onderbouwd met stukken – over de omvang van de schade in het licht van hetgeen onder r.o. 4.26 tot en met r.o. 4.28 is geoordeeld en onder r.o. 4.29 tot en met 4.38 is overwogen. Partijen kunnen zich in hun akte ook uitlaten over (de wenselijkheid van) een eventuele verwijzing naar de schadestaatprocedure. Partijen dienen eerst elk een akte te nemen, waarna zij (kruislings) kunnen reageren op de akte van de ander. De rechtbank zal daartoe een ruime termijn bepalen.

in de vrijwaringszaak

4.40.

Om proceseconomische redenen wordt de beoordeling in de vrijwaring aangehouden in afwachting van de verdere beoordeling van de hoofdzaak.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 24 februari 2021 voor het nemen van een akte door alle partijen over hetgeen vermeld is onder r.o. 4.39, waarna partijen op de rol van woensdag 7 april 2021 (kruislings) een antwoordakte kunnen nemen,

5.2.

houdt voor het overige alle beslissingen aan,

in de vrijwaringszaak

5.3.

houdt alle beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.M. Koene, J.N. Bartels en R.G.J. Gehring en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2020. (KA(O)