Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4597

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
C/08/242394 / HA ZA 20-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers en gedaagde zijn broers en zussen van elkaar. Een jaar geleden is hun moeder overleden. Haar lichaam is gecremeerd. Partijen strijden over de vraag wat er met de as van moeder moet gebeuren.. Eisers stellen dat moeder haar as wilde laten verstrooien op het veldje bij het crematorium. Zij wilde niet “opgesloten” zitten in een asbus Gedaagde stelt dat moeder het goed vond dat hij de as in een asbus bij hem thuis zou houden.

De wet zegt dat met het stoffelijk overschot of de as van een overledene datgene moet gebeuren wat de vermoedelijke wil van de overledene was. De rechtbank komt, alle aanwijzingen wegend, tot het oordeel dat het de vermoedelijke wil van moeder is geweest dat haar as verstrooid zou worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0003
JERF Actueel 2021/8
Jurisprudentie Erfrecht 2021/36 met annotatie van Valburch, M.C.W.H. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/242394 / HA ZA 20-16

Vonnis van 25 november 2020

in de zaak van

1 [Eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [Eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [Eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [Eiser sub 4],

wonende te [woonplaats 2] ,

5. [Eiser sub 5],

wonende te [woonplaats 2] ,

6. [Eiser sub 6],

wonende te [woonplaats 2] ,

7. [Eiseres sub 7],

wonende te [woonplaats 2] ,

8. [Eiseres sub 8],

wonende te [woonplaats 2] ,

9. [Eiser sub 9],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. T.L.V. de Jong te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.E.C. Camps te Enschede.

Eisers worden hierna ook [eisers] . genoemd en gedaagde wordt hierna ook [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 december 2019 met vijf producties,

  • -

    de conclusie van antwoord d.d. 19 februari 2020 met de producties 1 tot en met 3,

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het rolbericht van de griffie van de rechtbank waaruit volgt dat in plaats van een mondelinge behandeling, de procedure schriftelijk zal worden voortgezet,

  • -

    de conclusie van repliek van de zijde van eisers, met twee producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van de zijde van gedaagde, met de producties 4 tot en met 7,

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van eisers d.d. 19 augustus 2020,

  • -

    het verzoek van eisers om vonnis te wijzen,

  • -

    het verzoek van gedaagde om een mondelinge behandeling te gelasten,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 9 oktober 2020.

1.2.

Tot slot is vonnis gevraagd.

2 De feiten

2.1.

Eisers en gedaagde zijn allen broers en zussen van elkaar. Er waren 13 kinderen in dit gezin, waarvan er één ( [A] ) eerder is overleden.

2.2.

De moeder van partijen, mevrouw [Naam moeder] is op [datum] 2019 overleden. Zij had geen testament gemaakt.

2.3.

Moeder woonde sinds 1999 samen met haar zoon [gedaagde] (gedaagde). [gedaagde] verzorgde de financiën van moeder.

Op 16 oktober 2018 is moeder verhuisd naar een verzorgingstehuis.

2.4.

Na het overlijden van moeder op [datum] 2019 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen een aantal van de kinderen en een vertegenwoordiger van het uitvaartcentrum Crematoria Twente, mevrouw [C] , over de uitvaart. Besloten is dat het lichaam van moeder zou worden gecremeerd. De opdracht daarvoor is door [gedaagde] aan het crematorium gegeven.

2.5.

De crematie heeft op [datum] 2019 plaatsgevonden. De as is door het crematorium in een asbus gedaan. Het crematorium zou de asbus, in overeenstemming met de wettelijke termijn van artikel 59 Wet op de Lijkbezorging, tot 29 november 2019 bewaren.

2.6.

[gedaagde] heeft laten weten dat hij de asbus graag mee naar huis wilde nemen. Hij heeft het crematorium laten weten dat hij de asbus bij eerste gelegenheid zou komen ophalen.
Een deel van de andere broers en zussen was het daar niet mee eens en hebben dat per aangetekende maar ongedateerde brief aan [gedaagde] geschreven (productie 2 bij dagvaarding). Deze brief is ondertekend door zeven broers en zussen. Ook wordt in deze brief aan [gedaagde] gevraagd wat er met het geld (ongeveer € 5.000,00) is gebeurd dat in oktober 2018 nog op de bankrekening van moeder stond. Broer [Eiser sub 1] had geconstateerd dat daar in augustus 2019 nog maar een deel van over was.

2.7.

Op 28 november 2019 hebben [eisers] . een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op de asbus ingediend. Het beslag is, na verkregen verlof, op 29 november 2019 gelegd.

2.8.

In zijn brief van 1 december 2019 aan zijn broers en zussen schrijft [gedaagde] dat hij met moeder had afgesproken dat hij de urn thuis mocht bewaren. Moeder wilde dat zo.

Hij laat ook weten dat hij van het gezeur af wil. Hij wil weten wat de meesten van zijn broers en zussen willen, en dat zal hij dan doen. Hij vraagt zijn broers en zussen om te laten weten wat ze willen. Ook gaat hij in op de bankrekening van moeder en de kosten die hij heeft gemaakt.

2.9.

Op 12 december 2019 is de dagvaarding uitgebracht.

3 De vordering

[eisers] . vorderen dat de rechtbank – enigszins samengevat weergegeven - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat de as van moeder door [gedaagde] , onder toezicht van een medewerker van Crematoria Twente, Locatie Enschede (Usselo), binnen veertien dagen na het vonnis, wordt verstrooid op het strooiveld van dit crematorium, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00,

II. bepaalt dat [gedaagde] op grond van artikel 843a Rv [eisers] . inzage verstrekt in de bankafschriften van moeder en in de facturen en/of overige documenten die corresponderen met de bij- en afschrijvingen op de bankrekening van moeder, over de periode van haar opname in het verzorgingstehuis, tot aan het moment van overlijden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00,

III. en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de kosten voor het leggen van het conservatoir beslag ten bedrag van € 575,86 inclusief btw, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen zijn voldaan.

4 De standpunten van partijen.

4.1.

[eisers] . onderbouwen hun vordering als volgt.

4.1.1.

Ten aanzien van de asbestemming: het was de vermoedelijke wil van moeder dat haar as verstrooid zou worden op het strooiveld. Moeder wilde niet “opgesloten” zitten in een asbus.

Vlak na het overlijden is daarover met een aantal broers en zussen, waaronder [gedaagde] , gesproken. Alle broers en zussen waren het er over eens dat de as zou worden verstrooid. [gedaagde] heeft deze opdracht aan het crematorium gegeven.

4.1.2.

Ten aanzien van de vordering om inzage in de bankafschriften en andere documenten: [gedaagde] weigert tot nu toe om inzage te verschaffen. Er zijn aanwijzingen voor onregelmatigheden, bijvoorbeeld het feit dat er in oktober 2018, toen moeder naar het verzorgingstehuis verhuisde, nog ongeveer € 5.000,00 op de bankrekening van moeder stond, en in augustus 2019 een veel lager bedrag.

4.1.3.

Ten aanzien van de proceskosten, waaronder de kosten voor het beslag: het was noodzakelijk om op 29 november 2019 beslag op de asbus te leggen. [gedaagde] had aangekondigd dat hij de asbus op de eerst mogelijke datum zou ophalen bij het crematorium. Dat zou op maandag 2 december 2019 zijn.

4.2.

[gedaagde] heeft de volgende verweren gevoerd.

4.2.1.

Niet-ontvankelijkheid: eisers moeten, gelet op artikel 680, lid 4, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), niet-ontvankelijk worden verklaard omdat niet alle broers en zussen in dit geding betrokken zijn. Bij een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording en de verdeling van een boedelgemeenschap is dat wel verplicht.

4.2.2.

Ten aanzien van de asbestemming: het is onjuist dat moeder de as zou willen laten uitstrooien. [gedaagde] is jarenlang de mantelzorger voor moeder geweest en moeder was ermee akkoord dat de asbus met haar as bij [gedaagde] thuis zou komen te staan. Ze heeft dat tegen hem en [naam partner gedaagde] , de partner van [gedaagde] , gezegd. Een aantal van de broers en zussen wist dat ook en stemde daarmee in. Het is altijd de wens van moeder geweest dat [gedaagde] haar as en de urn mocht bewaren.

[gedaagde] concludeert dan ook tot afwijzing van het gevorderde omdat andere afspraken werden gemaakt tussen partijen in de uitoefening van de natuurlijke verbintenis aangaande de zorg rond moeder en op basis van de redelijkheid en billijkheid in die verbintenis, en vraagt de rechtbank te bepalen dat de asbus met as althans een gedeelte, aan [gedaagde] toe mag komen ex artikel 6:3 en 6:248 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.3.

Ten aanzien van de vordering tot inzage: [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord een aantal bankafschriften overgelegd en bij conclusie van dupliek het resterende deel. Ook zijn de onderliggende facturen overgelegd. [gedaagde] is hiertoe niet verplicht, maar om een nieuwe procedure over de rekening en verantwoording te voorkomen, legt hij deze stukken in deze procedure al over.

[gedaagde] heeft bedragen opgenomen ten behoeve van moeder, en moeder heeft hem daarnaast een vergoeding gegund voor het feit dat hij alle mantelzorg op zich nam. Er was sprake van een natuurlijke verbintenis c.q. morele onderhoudsplicht zoals bedoeld in artikel 4:69 BW.

4.2.4.

De kosten voor het beslag zijn onnodig gemaakt. De asbus zou niet verdwijnen. Enig redelijk overleg was niet mogelijk en dat is te wijten aan de broers en zussen. [gedaagde] is rauwelijks gedagvaard.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

[gedaagde] heeft als eerste verweer gevoerd dat eisers niet ontvankelijk moeten worden verklaard op grond van artikel 680, lid 4 Rv. [eisers] . hebben betwist dat deze bepaling aan de orde is, nu er geen verdeling wordt gevraagd. Ter zitting heeft [gedaagde] zich wat dit onderdeel betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.2.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 680 Rv gaat over “een vordering tot verdeling, tot gelasten van de wijze van verdeling of tot vaststelling van een verdeling”.

Daarvan is in deze zaak geen sprake. Er wordt (onder vordering II) alleen inzage gevraagd in bepaalde stukken (bankafschriften en dergelijke). Er wordt geen rekening en verantwoording of verdeling van de nalatenschap gevorderd.
Dat die vordering wellicht nog komt, en dat de inzage daar de basis voor kan vormen, maakt dat niet anders. In die procedure zullen inderdaad alle erfgenamen betrokken moeten worden, maar voor deze procedure is dat nog niet nodig.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid zal derhalve niet worden gehonoreerd.

Asbestemming

Wettelijke regels

5.3.

Artikel 18, lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging bepaalt dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene.

Ook bepaalt artikel 18, lid 1 van deze wet dat in de lijkbezorging wordt voorzien door degene die het in artikel 11 bedoelde verlof aanvraagt. Kort gezegd is dat degene die het verlof voor begraving of crematie bij de gemeente heeft geregeld. In dit geval is dat dus [gedaagde] . Dat wil niet zeggen dat [gedaagde] ook degene is die bepaalt wat er met de stoffelijke resten van moeder gebeurt.

Vermoedelijke wens

5.4.

De vraag die dus beantwoord moet worden, is wat de vermoedelijke wens van moeder is geweest.

5.5.

De rechtbank stelt voorop dat de werkelijke wens van moeder nooit meer te achterhalen is. Het is immers niet vastgelegd. De rechtbank zal de vermoedelijke wens van moeder moeten achterhalen, dus dat wat op grond van de vaststaande feiten het meest waarschijnlijk is.

5.6.

De rechtbank betrekt daarbij de volgende feiten en omstandigheden.

5.6.1.

In de dagvaarding hebben [eisers] . gesteld dat moeder te kennen heeft gegeven niet “opgesloten” te willen zitten.
Ter zitting heeft [Eiser sub 4] verteld dat moeder vroeger door haar broers wel eens werd opgesloten in de kelder en dat ze daarom een soort fobie heeft ontwikkeld voor opgesloten zitten. Toen hij haar uitgelegd had wat het betekende om haar as in een urn te bewaren, heeft ze daarom gezegd dat ze dat niet wilde.

5.6.2.

Vlak na het overlijden van moeder, op [datum] 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen vier broers en zussen, waaronder [gedaagde] , en mevrouw [C] van Crematoria Enschede. Tijdens dat gesprek was iedereen het er over eens dat er een sobere crematie zou plaatsvinden en dat de as zou worden uitgestrooid over het strooiveld bij het Crematorium.

5.6.3.

[gedaagde] heeft, als degene die wordt bedoeld in artikel 18, lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging, zelf aan het Crematorium de opdracht gegeven tot crematie en uitstrooien van de as op het strooiveld. Dit staat althans in de dagvaarding en is door [gedaagde] niet betwist.

5.6.4.

De as van vader is volgens [eisers] . ook verstrooid. Ter zitting zei [gedaagde] dat hij niet meer wist of dat zo is gebeurd, maar door de drie ter zitting aanwezige broers is dat wel gesteld en door [gedaagde] is dat niet betwist, zodat de rechtbank ervan moet uitgaan dat dit klopt.

5.7.

Door [gedaagde] is hier slechts tegenover gesteld dat hij moeder tot het laatste moment heeft verzorgd en dat moeder aan hem en [naam partner gedaagde] te kennen heeft gegeven dat hij de as mocht blijven bewaren in eigen huis. In de conclusie van dupliek stelt [gedaagde] dat dit altijd de wens van moeder is geweest, en doet hij een bewijsaanbod.

5.8.

De rechtbank acht het echter meer waarschijnlijk dat moeder de as wilde laten uitstrooien. Daar zijn meer aanwijzingen voor, en dat de as van vader ook is verstrooid, is in elk geval een objectief aanknopingspunt.

De stelling van [gedaagde] is voor de rechtbank niet overtuigend genoeg. Vooral niet omdat hij bij conclusie van dupliek zegt dat het bewaren van de as in een asbus altijd de wens van moeder is geweest, maar het toch in eerste instantie eens was met zijn broers en zussen om de as te verstrooien en daar zelfs opdracht voor heeft gegeven aan het crematorium. Het bewijsaanbod dat hij heeft gedaan, kan, indien hij daarin slaagt, deze feiten niet anders maken.

De rechtbank komt dus tot de conclusie dat het de vermoedelijke wil van moeder was dat haar as zou worden verstrooid.

Een deel van de as voor [gedaagde] ?

5.9.

[gedaagde] heeft subsidiair, zo begrijpt de rechtbank, gevraagd om een deel van de as te mogen behouden. Hij baseert dit op artikel 6:3 BW en artikel 6:248 BW.

5.10.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 6:3 BW is niet van toepassing. Dat artikel gaat over een natuurlijke verbintenis. Een natuurlijke verbintenis is een verbintenis die wel bestaat maar juridisch niet afdwingbaar is.

Dat is hier niet aan de orde. Geoordeeld is dat de vermoedelijke wens van moeder is dat haar as wordt verstrooid. Daarmee rijmt niet dat er een natuurlijke verbintenis zou zijn om de as toch (deels) te bewaren.

5.11.

Artikel 6:248 BW is evenmin van toepassing. Dit artikel bepaalt in lid 2 - kort gezegd - dat een regel die volgens een overeenkomst tussen partijen geldt, niet van toepassing is voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dit geval is er echter geen sprake van een overeenkomst.

5.12.

Voor zover [gedaagde] een beroep bedoelde te doen op artikel 6:2 BW overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 6:2, lid 2, BW bepaalt dat een tussen schuldeiser en schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Op grond van artikel 3:166, lid 3, BW geldt deze regel ook tussen deelgenoten in een gemeenschap (zoals eisers en gedaagden zijn).

5.13.

De formulering van dit artikel (“onaanvaardbaar zou zijn”) houdt in dat deze regel niet snel toegepast mag worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] niet (voldoende) uitgelegd waarom het onaanvaardbaar zou zijn dat hij niet een deel van de as zou mogen houden. Zonder onderbouwing, die de rechtbank ook niet zelf kan construeren, kan de rechtbank dit verzoek niet toewijzen.

5.14.

De rechtbank merkt nog twee dingen op.
In de eerste plaats staat er aan [eisers] . niets in de weg om [gedaagde] toch een deel van de as te gunnen. Vast staat dat [gedaagde] jarenlang met moeder heeft samengewoond en de dagelijkse verzorging van moeder op zich heeft genomen. Als moeder had geweten dat [gedaagde] graag een deel van de as wilde houden, had ze dat misschien wel goed gevonden, ook al heeft ze dat niet tegen de andere broers en zussen gezegd.

In de tweede plaats: de as van moeder is niet moeder. Het is slechts wat er over is van haar gestorven lichaam. Moeder leeft als het goed is voort in het hart/de herinneringen van haar kinderen. Niet in haar as.

Formulering van de vordering

5.15.

[eisers] . hebben de vordering aldus geformuleerd dat [gedaagde] zelf, in het bijzijn van een medewerker van Crematoria Twente, de as moet verstrooien. Gelet op het bezwaar van [gedaagde] om de as te laten verstrooien, zal de rechtbank de vordering niet op die manier toewijzen, maar [gedaagde] gebieden om de opdracht te geven aan Crematoria Enschede om de as te verstrooien op het strooiveld. Volgens hun website behoort dat tot de mogelijkheden. Als hij daarbij aanwezig wil zijn, is dat mogelijk, maar als hij dat niet wil, kan dat ook.

Vordering tot inzage in bepaalde stukken

5.16.

[eisers] . vorderden op basis van artikel 843a Rv inzage in de bankafschriften van moeder en de facturen en andere stukken die op de af- en bijschrijvingen betrekking hebben.

Inmiddels heeft [gedaagde] alle bankafschriften en een aantal bijbehorende stukken overgelegd.

Ter zitting is deze vordering ingetrokken.

De rechtbank hoeft hier dan ook geen oordeel meer over te geven.

5.17.

De rechtbank merkt, ten overvloede, nog het volgende op. [eisers] . hebben aangekondigd dat zij alsnog rekening en verantwoording zullen vorderen als zij menen dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude in het beheer van [gedaagde] . Ter zitting is aan de orde geweest om deze discussie onderling te regelen en het niet op een procedure aan te laten komen. De rechtbank ondersteunt dat initiatief.

Ten eerste omdat een procedure waarschijnlijk veel meer zal kosten dan het in dit geval financieel kan opleveren, en ten tweede omdat wel aannemelijk is dat moeder een gerechtelijke procedure tussen haar kinderen in elk geval niet zal hebben gewild.

Proceskosten en kosten van het gelegde beslag

5.18.

Gelet op de familierechtelijke band tussen partijen zal de rechtbank de normale kosten voor deze procedure tussen partijen verdelen, in die zin dat elke partij zijn of haar eigen kosten draagt.

5.19.

Ten aanzien van de beslagkosten overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze kosten onnodig zijn gemaakt en dat hij de asbus niet weg zou maken. De rechtbank acht het echter wel begrijpelijk (in elk geval geen misbruik van recht) dat [eisers] . beslag hebben gelegd op de asbus. [gedaagde] had immers gezegd dat hij de asbus op 2 december 2019 zou ophalen. Dan hebben [eisers] . niet meer in de hand wat er met de asbus gebeurt. Pas nadat het beslag was gelegd (29 november 2019) heeft [gedaagde] gereageerd (brief van 1 december 2019) en gezegd dat hij wilde overleggen.

Dat maakt dat de rechtbank [gedaagde] wel zal veroordelen in de kosten van het beslag, alsmede in de nakosten.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.20.

[eisers] . hebben gevraagd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank die vordering in beginsel zal moeten toewijzen. De rechtbank zal echter de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn medewerking moet verlenen, stellen op drie maanden in plaats van op 14 dagen. Het uitstrooien van as is immers zo onherroepelijk dat het instellen van een rechtsmiddel (en een verzoek om een bewarende voorziening te treffen), op het moment dat de as al is uitgestrooid, geen zin meer heeft. Op deze wijze blijft in elk geval die mogelijkheid bestaan, maar komt er, als er geen rechtsmiddel wordt ingesteld, ook een eind aan de situatie dat de asbus maar bij het crematorium blijft staan.

6 De beslissing

De rechtbank

I. gebiedt [gedaagde] om, binnen drie maanden na de datum van dit vonnis, opdracht te geven aan Crematoria Twente om de as van moeder, [Naam moeder] , te doen verstrooien op het strooiveld van Crematoria Twente, Locatie Enschede (Usselo), op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan dit vonnis voldoet, met een maximum van € 5.000,00,

II. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij zijn of haar eigen kosten draagt, met uitzondering van de kosten voor het beslag,

III. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het gelegde beslag, begroot op € 575,86 inclusief btw, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 120,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en – voor het geval voldoening van deze (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening,

IV. verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen I en III uitvoerbaar bij voorraad,

V. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg - van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.1

1 type: coll: