Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4569

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
08.227495.20 + 08-096326-18 (vtvv) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Zwolle is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor een schietpartij in Zwolle eerder dit jaar. Dat heeft de rechtbank Overijssel vandaag bepaald. De man schoot het slachtoffer op 3 september van dit jaar in zijn been.

Aan het begin van de avond krijgt de politie een melding van een schietpartij in de Voochtstraat in Zwolle. Eenmaal ter plaatse vinden agenten het slachtoffer op de grond, naast de auto. De man is aanspreekbaar en is naar het ziekenhuis gebracht. Uit onderzoek blijkt dat er bij het slachtoffer sprake is van een schotverwoning in het bovenbeenbot. De kogel is in het been blijven steken. Als gevolg van het schot is er fors inwendig bloedverlies. De man zal altijd een litteken overhouden.

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak verklaarde de schutter dat het slachtoffer agressief was. Volgens hem wilde het slachtoffer een vuurwapen trekken waarop hij zijn vuurwapen trok en de man – gericht – in het been schoot. Hij ontkent dat hij het slachtoffer wilde doden. Het is algemeen bekend dat door het schieten met een vuurwapen iemand kan komen te overlijden. De ernst van het letsel dat daarbij wordt veroorzaakt is afhankelijk van diverse factoren, zoals de snelheid van de kogel, de afstand waarvan wordt geschoten en waar iemand wordt geraakt. In dit geval stond de man op korte afstand van het slachtoffer en schoot hij gericht in het been, een plek waar zich geen vitale organen bevinden. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou overlijden als gevolg van het schot. Er is geen sprake van poging doodslag, maar wel van zware mishandeling.

Volgens de verdediging handelde de man uit noodweer. De rechtbank gaat daar niet in mee. Dat het slachtoffer zelf ook een vuurwapen zou willen pakken is niet vast komen te staan. Alleen de verdachte verklaarde hier over. Geen van de omstanders, het ziekenhuis personeel of de politie zag dat het slachtoffer ook een vuurwapen had. Ook is er geen tweede vuurwapen gevonden in de omgeving van de Voochtstraat.

Er is op klaarlichte dag, op de openbare weg, geschoten. De rechtbank noemt het zorgelijk dat de man een vuurwapen bij zich had en ook niet aarzelde om het te gebruiken. Dit past bij een landelijke tendens waarbij er steeds vaker in het openbaar gebruik wordt gemaakt van vuurwapens. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Naast de gevangenisstraf moet de man ook een schadevergoeding aan het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.227495.20 + 08-096326-18 (vtvv) (P)

Datum vonnis: 28 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende [adres 1] ,

thans verblijvende: P.I. Lelystad te Lelystad.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.F. Menke en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman N. Hendriksen, advocaat te Hoorn, alsmede namens de benadeelde partij [benadeelde] , door mr. L. Hendriks, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 3 september 2020 te Zwolle heeft geprobeerd opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, door hem met een vuurwapen in het been te schieten;

subsidiair: op 3 september 2020 te Zwolle opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in het bovenbeen) heeft toegebracht aan [benadeelde] ;

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

primair

hij op of omstreeks 3 september 2020 te Zwolle, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven,
- een vuurwapen (uit zijn kleding) heeft gepakt en/of (vervolgens)
- dat vuurwapen heeft gericht naar en/of in de richting van die [benadeelde]
en/of (vervolgens)
- met dat vuurwapen een kogel in/door het been van die [benadeelde] heeft
geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 september 2020 te Zwolle, althans in Nederland, aan [benadeelde]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in bovenbeen en/of gebroken
been, heeft toegebracht door
- een vuurwapen (uit zijn kleding) heeft gepakt en/of (vervolgens)
- dat vuurwapen heeft gericht naar en/of in de richting van die [benadeelde]
en/of (vervolgens)
- met dat vuurwapen een kogel in/door het been van die [benadeelde] heeft
geschoten.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend te bewijzen.

Ter onderbouwing heeft zij onder meer verwezen naar de aangifte van [benadeelde] , de forensisch medische letselrapportage, het proces-verbaal van bevindingen van inspecteur [verbalisant 1] en de verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat

[benadeelde] zou komen te overlijden door hem met een vuurwapen in het been schieten. Verdachte is geen geoefend schutter. Daarnaast verkeerde hij in een stress situatie en heeft hij verklaard dat hij het wapen recent had aangeschaft en hoopte hij [benadeelde] in zijn been te schieten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het doden van [benadeelde] . Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar de verklaring van [broer benadeelde] dat verdachte gericht op het been van [benadeelde] heeft geschoten. Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van verdachte zelf. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op de huidige jurisprudentie en het deskundigenrapport van forensisch arts W. Duijst blijkt dat wanneer een mens in zijn been wordt geraakt door een kogel de kans op mortaliteit 0% is.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1


Op 3 september 2020 omstreeks 18.20 uur krijgt de politie de melding om te gaan naar de [adres 2] te Zwolle in verband met een schietpartij. Rond 18.30 uur wordt ter plaatse waargenomen dat er aan de bestuurderszijde van een personenauto een man op de grond ligt. Deze man zegt: "Ik ben [benadeelde] ". Hij zegt in zijn been te zijn geschoten. Hoofdagent [verbalisant 2] ziet dat er op het rechter bovenbeen van [benadeelde] een kleine ronde verwonding zit.2 Vervolgens is [benadeelde] met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.3


Op 6 september 2020 doet [benadeelde] aangifte. Hij verklaart onder meer, het navolgende:

…De laatste keer dat hij zijn heuptasje bewoog draaide hij zich om en haalde hij het wapen uit het tasje, draaide zich om naar mij en schoot rechtstreeks om mijn been. Ik denk dat de afstand tussen ons toen 10 centimeter was. Mijn bot is letterlijk kapot geschoten. ik was in shock. Ik viel op de grond en ik zag dat [verdachte] het wapen eerst nog op mijn broertje richtte en vervolgens op mij. Hierna ging hij weg” 4

Uit de letselverklaring van 5 oktober 2020, opgemaakt door de GGD IJsselland blijkt dat er bij [benadeelde] sprake is van een schotverwonding in het rechter bovenbeen waarbij het bovenbeenbot als gevolg van een inschot door een projectiel midden in de schacht in meerdere fragmenten is gebroken. De ingang van de schotverwonding is op de voorzijde van het rechter bovenbeen. Er is geen uitschotopening, want het projectiel is nog in het been aanwezig. Er is sprake van fors inwendig bloedverlies door beschadiging van het bot en zacht weefsel in het bovenbeen. Op 3 september 2020 is de wond gereinigd en is de kogel verwijderd waarna de gebroken botdelen operatief met een externe fixateur weer in de juiste stand zijn gezet en gefixeerd. Op 9 september 2020 is de externe fixateur verwijderd en is operatief een interne pen als fixatie ingebracht. Er zal een blijvend zichtbaar litteken overblijven.5
Op 24 november 2020 heeft forensisch arts W. Duijst gerapporteerd dat de ernst van het letsel en daarmee de noodzaak tot medisch ingrijpen is beoordeeld aan de hand van de AIS (Abbreviated Injury Score) methode. Het letsel is vastgesteld op 3 (ernstig). Daarbij is aangegeven dat het inwendig letsel bestaat uit verscheuring van het spierweefsel en een botbreuk met verschillende fragmenten.
De deskundige heeft opgemerkt dat met één schotverwonding in het been zonder bijkomend vaatletsel van betekenis en met een daarbij passende AIS-score van minder of gelijk aan 3 dit betekent dat de mortaliteit 0% is. Na een letsel van het bovenbeen waarbij het bot is beschadigd duurt genezing van het bot ca. 8-12 weken. Of volledig herstel van functie van het been zal optreden is afhankelijk van het al dan niet optreden van complicaties. De huid zal genezen met littekenvorming.6

Verdachte heeft ter terechtzitting op 14 december 2020, zakelijk weergegeven, het navolgende verklaard:

“… [benadeelde] was agressief naar mij toe en de vrouw probeerde dit te sussen. [benadeelde] duwde de vrouw weg en zijn broertje duwde mij weg. Ik zag dat [benadeelde] naar zijn heup reikte en een vuurwapen wilde trekken. Toen heb ik mijn vuurwapen uit mijn heuptas getrokken en hem gericht in zijn been geschoten. Ik stond misschien op 1 a 1,5 meter afstand. Ik schoot gericht en niet uit stress of angst. Ik stond op een afstand dat ik gericht kon schieten. Ik reageerde sneller.” 7

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op

3 september 2020 in Zwolle met een vuurwapen [benadeelde] in zijn been heeft geschoten. [benadeelde] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte op relatief korte afstand gericht op het been van [benadeelde] heeft geschoten met een klein vuurwapen, hetgeen onder meer volgt uit de verklaringen van [benadeelde] en de verklaring van verdachte

(voorwaardelijk) opzet

Door verdachte is ontkend dat hij door met een vuurwapen op het been van [benadeelde] te schieten hem opzettelijk heeft willen doden. Van vol opzet is geen sprake.

Ten aanzien van de vraag of verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van [benadeelde] heeft aanvaard, overweegt de rechtbank dat het schieten met een vuurwapen op een persoon, een gedraging is die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als te zijn gericht op het intreden van de dood. De ernst van het letsel wat daarbij wordt veroorzaakt, is afhankelijk van diverse factoren waaronder het kaliber waarmee wordt geschoten, de snelheid van de kogel, de afstand waarvan wordt geschoten, de plaats waar het lichaam wordt geraakt en het aantal keren dat het lichaam wordt geraakt. De rechtbank is van oordeel dat door gericht te schieten met een klein kaliber op korte afstand op het been van [benadeelde] , een plek waar zich geen vitale organen bevinden, er niet een aanmerkelijke kans bestond op het intreden van de dood van [benadeelde] . Dit sluit ook aan bij de conclusie van W. Duijst dat de kans op mortaliteit ten gevolge van dit schietincident 0% was.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag op [benadeelde] .

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 3 september 2020 in Zwolle [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair

hij op 3 september 2020 te Zwolle, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in bovenbeen en gebroken been, heeft toegebracht doordat hij:
- een vuurwapen heeft gepakt en vervolgens
- dat vuurwapen heeft gericht in de richting van die [benadeelde] en vervolgens

- met dat vuurwapen een kogel in het been van die [benadeelde] heeft geschoten.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Noodweer

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Daartoe heeft de verdediging (zo begrijpt de rechtbank) aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in reactie op een even daarvoor door [benadeelde] (verder te noemen: [benadeelde] ) gegeven duw in de richting van de aanwezige vrouw en de even later door [benadeelde] jegens verdachte geuite bedreiging door een vuurwapen te tonen. Door op het been van [benadeelde] te schieten, heeft verdachte proportioneel gehandeld.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op noodweer verworpen dient te worden, nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De verdediging heeft (zo begrijpt de rechtbank) gesteld dat er twee momenten zijn geweest waarop er sprake was van een wederrechtelijke aanranding.

Het eerste moment zou zijn geweest het moment dat [benadeelde] , de bij het incident aanwezige vrouw wegduwde. De rechtbank gaat er op basis van het dossier vanuit dat het hierbij ging om [naam] ( [naam] ). Uit de hiervoor onder 4.3. genoemde verklaring van verdachte blijkt dat hij niet heeft gehandeld naar aanleiding van dit duwen door [benadeelde] , maar pas gehandeld heeft op het moment dat hij zag dat [benadeelde] een vuurwapen probeerde te trekken. Als al sprake is geweest van een noodweersituatie dat ziet op het wegduwen van [naam] , dan is niet gebleken dat verdachte naar aanleiding daarvan heeft gehandeld.

Waar het gaat om het tweede moment dat volgens de verdediging ziet op het tonen van een vuurwapen door [benadeelde] , overweegt de rechtbank dat voor deze feitelijke toedracht uit de bewijsmiddelen en de overige stukken behorende tot het procesdossier geen enkele ondersteuning blijkt. Zoals de raadsman in zijn pleidooi verwoord heeft, is de verklaring van verdachte de enige bron. Geen van de omstanders, noch het ziekenhuispersoneel, noch de politie heeft verklaard over het aantreffen van een vuurwapen bij [benadeelde] . Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte waarbij sprake zou zijn geweest van een noodzakelijke verdediging is niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden is en verwerpt het beroep op noodweer.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

Zware mishandeling

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het subsidiair bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van

6 jaar met aftrek van het reeds ondergane voorarrest op te leggen. Daarbij heeft zij in strafverzwarende zin rekening gehouden met:

* het feit dat verdachte met een vuurwapen rond 18:00 uur geschoten heeft op de openbare weg;

* het feit dat het slachtoffer had kunnen overlijden;

* en het feit dat verdachte in een proeftijd liep.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de strafeis buiten proportioneel is. Hij heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het incident geëscaleerd is op het moment dat aangever de vrouw wegduwde.

7.3

De gronden voor een straf

Aard van het strafbare feit

Op 3 september 2020 heeft verdachte rond 18.00 uur op de openbare weg in Zwolle – in de nabijheid van diverse omstanders – een 25 jarige man met een vuurwapen in zijn been geschoten. Ter terechtzitting op 14 december 2020 is gebleken dat het slachtoffer nog altijd met de gevolgen kampt van de schotwond in zijn been. Hij heeft geen kracht in zijn been en de verwachte herstelperiode bedraagt nog zeker 6 maanden. Door het plaatsen van osteosynthetisch materiaal in het been van het slachtoffer kan hij zijn medicatie voor een auto-immuunziekte niet gebruiken en ondervindt hij dagelijks de gevolgen daarvan.

Persoon van de verdachte

Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 9 november 2020 blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

De reclassering heeft op 3 december 2020 over verdachte gerapporteerd dat hij sinds jongere leeftijd meermalen met justitie in aanraking is gekomen. Gelet op het soort delicten (geweldsdelicten, Opiumwet delicten en belediging) die verdachte pleegt is het recidiverisico gebruikelijk hoger. De reclassering acht het zorgelijk dat verdachte een vuurwapen bij zich droeg en er niet voor schroomde het te gebruiken. Ook merkt de reclassering op dat verdachte zich mogelijk in een negatief sociaal netwerk begeeft. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij voor zijn detentie werkte als ZZP-er, een woning had en diverse schulden had. Het contact met zijn ex-partner en 7 jarige zoon verloopt goed.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging gaat de rechtbank doorgaans uit van de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Echter is er voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van een vuurwapen geen uitgangspunt geformuleerd. De rechtbank zal daarom uitgaan van straffen die doorgaans opgelegd worden voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met een vuurwapen op een persoon te schieten. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat – zoals ook door de reclassering is gerapporteerd – het zorgelijk is dat verdachte een vuurwapen bij zich draagt op straat en niet aarzelt om dit te gebruiken. Dit past bij een landelijke tendens waarbij er steeds vaker in het openbaar gebruik gemaakt wordt van vuurwapens. Dit resulteert in een toename van gevoel van onveiligheid in de samenleving. Deze ontwikkeling moet een halt toegeroepen worden.

Gelet hierop kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 jaar passend en geboden is. Daarvan zal moeten worden afgetrokken de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 13.847,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- ziekenhuisdaggeldvergoeding € 330,00;

- hulp bij persoonlijke verzorging € 1.236,00;

- medische kosten € 1.591,00;

- reiskosten € 10,92;

- kleding € 459,99;

- reparatiekosten iPhone € 220,00.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering goed onderbouwd is en voor toewijzing vatbaar is. Daarbij heeft zij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat gelet op de bepleite ontslag van alle rechtsvervolging de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Subsidiair heeft hij met betrekking tot de gevorderde immateriële schade betoogd dat er rekening gehouden dient te worden met de eigen schuld van de benadeelde partij en een matiging van 50% in de rede ligt. Ten aanzien van de materiële schade heeft hij geen verweer gevoerd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en derhalve toewijsbaar. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om een matiging wegens eigen schuld. De raadsman gaat daarbij uit van de verklaring van verdachte dat het schieten met een vuurwapen een reactie was op het trekken van een vuurwapen door de benadeelde. De rechtbank heeft hiervoor onder 5 vastgesteld dat dit niet aannemelijk is geworden en passeert daarmee het eigen schuld verweer.

De rechtbank zal het gevorderde geheel toewijzen tot een bedrag van € 13.847,91, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 3 september 2020, de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezen verklaarde feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de politierechter te Zwolle op 5 juli 2019 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken ten uitvoer gelegd wordt.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft om afwijzing van de vordering verzocht nu het feit waarvoor verdachte eerder voorwaardelijk is veroordeeld niet soortgelijk is aan het feit dat in de onderhavige zaak ten laste is gelegd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor zover de verdediging ervan uitgaat dat een vordering tot tenuitvoerlegging slechts dan kan worden toegewezen wanneer een verdachte zich gedurende de proeftijd schuldig maakt aan een soortgelijk feit, vindt deze stelling geen steun in het recht. Los van de formele vereisten die gelden voor het indienen van een vordering tot tenuitvoerlegging, is het aan het oordeel van de rechter onderworpen of deze wordt toegewezen of afgewezen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verdachte heeft daardoor de algemene voorwaarde overtreden, zodat de voorwaardelijke straf tenuitvoergelegd kan worden. De vordering van de officier van justitie kan aldus worden toegewezen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 9 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: Zware mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 13.847,91, bestaande uit een

vergoeding van € 3.847,91 voor materiële schade en een vergoeding van € 10.000,- voor

immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020 tot de dag van volledige

betaling;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 13.847,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 104 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zwolle van 5 juli 2019 met parketnummer 08-096326-18 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland met nummer PL0600-2020419605 (onderzoek: Houting). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 119.

3 Pagina 120.

4 Pagina 55, 56, 57 en 59.

5 Pagina 117 en 118.

6 Zie de forensisch medische letselrapportage van 24 november 2020, opgemaakt door W. Duijst.

7 Zie de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 14 december 2020.