Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4565

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
ak_19 _ 2051
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand gevraagd voor woninginrichting in de vorm van geldlening waarvan de kosten begroot zijn op € 20.845,30; geen sprake van bijzondere omstandigheden; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2051

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. E. Schriemer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder,

gemachtigde: M.P. de Boer.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en in plaats daarvan aan eiser bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 3.438,00. De bijzondere bijstand is toegekend in de vorm van een geldlening.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door E.J. van Dieren.

Overwegingen

De feiten

1. Na zijn echtscheiding in 2014 is eiser bij zijn broer ingetrokken. Hier was hij nog steeds woonachtig toen hij op 27 maart 2019 op grond van de Participatiewet (Pw) bijzondere bijstand aanvroeg in verband met een verhuizing naar zelfstandige woonruimte. De kosten van woninginrichting zijn door hem begroot op € 20.845,30. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen onder de motivering dat de kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het eigen inkomen dienen te worden betaald. Bij het primaire besluit ging verweerder ervan uit dat de verhuizing wenselijk was en niet noodzakelijk als bedoeld in artikel 35 van de Pw.

In bezwaar is volgens verweerder, op basis van in bezwaar ingediende informatie, komen vast te staan dat de verhuizing wel noodzakelijk was. Maar omdat verweerder niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat bijzondere bijstand verleend moet worden, bestaat er volgens verweerder in beginsel nog steeds geen recht op bijzondere bijstand. Op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid heeft verweerder in het bestreden besluit evenwel aanleiding gezien om de bijstand alsnog toe te kennen in de vorm van een geldlening. Wat betreft de hoogte van de bijzondere bijstand heeft verweerder aansluiting gezocht bij de Nibudprijzengids 2019-2020: de bijstand is vastgesteld op 50% van het inventarispakket voor één volwassene, benodigd voor een volledige woninginrichting.

Omdat eiser heeft aangegeven dat hij geen geldlening wil ontvangen, is de uitbetaling van de bijzondere bijstand vooralsnog geblokkeerd. Ter zitting is gebleken dat de lening inmiddels is verstrekt en dat eiser daarop aflost.

De standpunten van partijen in beroep

3.1

Volgens eiser wordt de bijstand ten onrechte in de vorm van een geldlening aan hem verstrekt. Anders dan waar verweerder vanuit gaat, is er volgens eiser sprake van voldoende besef van verantwoordelijkheid: hij beschikte niet over huisraad en was ook niet in staat daar voor te sparen gelet op zijn inkomen. De boedel die na zijn echtscheiding aan eiser werd toebedeeld, heeft hij niet ontvangen. Hij kon de spullen ook niet meenemen naar de woning van zijn broer. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat het voor hem voorzienbaar was dat hij de woning van zijn broer moest of zou verlaten. Zijn psychische gestel en behandeling maakten het noodzakelijk om te verhuizen.

Daarnaast is eiser van mening dat de bijstand ten onrechte is vastgesteld op een bedrag van

€ 3.438,00. Verweerder gaat uit van kringloopkwaliteit. Dat is weliswaar goedkoper dan nieuw, maar ook sneller of direct aan vervanging toe. Volgens eiser is dit dan ook een korte termijnoplossing. Eiser meent dan ook dat een hoger bedrag moet worden toegekend.

3.2

Verweerder verwijst voor zijn standpunt naar de stukken. In hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet verweerder geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.

Het wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4.2

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3

Het is aan eiser als aanvrager van bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw.

4.4

Verweerder hanteert buitenwettelijk begunstigend beleid ten aanzien van het verlenen van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsregel bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten gemeente Zwolle 2018 (de Beleidsregel).

4.5

Artikel 4 van de Beleidsregel luidt als volgt:

1. De kosten voor de aanschaf, reparatie en of vervanging van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarin voorzien kan worden vanuit het aanwezige vermogen, inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm en/of de individuele inkomenstoeslag.

2. Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor duurzame gebruiksgoederen en/of overige inrichtingskosten als de kosten zich voordoen, bijzonder zijn, noodzakelijk zijn, er geen voorliggende voorziening is, en de kosten niet door aanvrager zelf kunnen worden voldaan uit reserveringscapaciteit, draagkracht of individuele inkomenstoeslag.

3. De reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen bedraagt 12 keer 6% per maand van de norm. De capaciteit bedraagt 5% per maand bij een minnelijke schuldregeling vanaf fase 2 of wettelijk WSNP-traject.

4. Indien er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijzondere bijstand alleen mogelijk als er op geen enkele andere wijze in het gevraagde voorzien kan worden en onuitstelbaar is.

5. Tot een situatie van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden gerekend:

a. niet of onvoldoende reserveren, terwijl de mogelijkheid daartoe wel aanwezig was of is;

b. niet of onvoldoende reserveren voor inrichtingskosten door iemand die vanuit het ouderlijk huis of studentenhuisvesting voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

c. onjuist besteden van de individuele inkomenstoeslag;

d. als de kosten het gevolg zijn van het niet verzekerd zijn, in situaties waarin het algemeen gebruikelijk is dat men zich hiervoor verzekert;

e. als de noodzaak tot de aanschaf, reparatie en of vervanging, het gevolg is van onoordeelkundig gebruik;

f. het niet voldoen aan de verplichtingen van de oriëntatieperiode.

g. als sprake is van andere omstandigheden die belanghebbende en of diens partner zijn aan te rekenen.

De beoordeling door de rechtbank

5.1

Vaststaat dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat de kosten noodzakelijk zijn. De rechtbank overweegt dat de inrichtingskosten van een nieuwe woning moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau worden betaald, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit algemene bijstand en aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan1.

5.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld.

Verweerder werpt eiser tegen dat hij niet heeft gereserveerd en dat hij niet langer beschikt over de inboedelgoederen die hem bij de echtscheiding zijn toebedeeld. Verweerder betrekt hierin ook de termijn (vanaf 2014) dat eiser bij zijn broer heeft gewoond en waarin hij heeft kunnen anticiperen op een verhuizing naar zelfstandige woonruimte. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Dat de acute noodzaak om te verhuizen pas later ontstond, doet hier niet aan af. Immers, in de tijd dat eiser bij zijn broer woonde, is deze getrouwd en heeft hij twee kinderen gekregen. De inwoning van eiser was dus niet voor de lange termijn. Ook bij de aanvraag van bijstand in november 2014 heeft eiser aangegeven dat de woonsituatie bij zijn broer niet wenselijk is en hij graag wil verhuizen. Dit volgt ook uit het feit dat eiser zich in 2015 heeft ingeschreven voor een woning. Vanaf dat moment kon eiser al rekening houden met een eventuele verhuizing.

Ten aanzien van de inboedelgoederen die in 2016 door de rechter aan eiser zijn toebedeeld, heeft eiser bepleit dat deze spullen inmiddels toch aan vervanging toe zouden zijn. Dit volgt de rechtbank niet. Het betreft hier onder meer een dressoir, tweepersoonsbed, tafel, stoelen, een bankstel, kast, pannen, een gasfornuis, wasmachine en vaatwasser. Deze goederen hebben over het algemeen een langere gemiddelde levensduur dan de termijn die hier aan de orde is.

5.4

Overigens is het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen volgens vaste rechtspraak van de CRvB2 geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandverlening rechtvaardigt. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de Pw.

5.5

Dit betekent dat op grond van de Pw in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Dat eiser alsnog bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening krijgt, is buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder. Wat betreft de hoogte van de toegekende bijstand, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder niet te volgen in de gehanteerde berekening. Het argument dat kringloopspullen “sneller of direct” aan vervanging toe zijn, acht de rechtbank niet steekhoudend.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bijzondere bijstand ter hoogte van

€ 3.438,00 terecht in de vorm van een geldlening aan eiser heeft verstrekt.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Mensink, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.D. Moeke, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1139

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1763