Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4559

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
C/08/256788 / KG ZA 20-250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil over de hoogte van uitzicht belemmerende coniferen. Dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/256788 / KG ZA 20-250

Vonnis in kort geding van 22 december 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B.J. Stuiver te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.R. Brendel te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiser 1] c.s. zijn deze procedure begonnen met hun dagvaarding van 16 november 2020. [gedaagde 1] c.s. hebben, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, vijf documenten
(producties) opgestuurd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 november 2020 via een
videobelverbinding. De advocaat van [gedaagde 1] c.s. had op voorhand de spreekaantekeningen toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder nog is besproken.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter op verzoek van partijen de zaak twee weken aangehouden. Partijen hebben onderzocht of de zaak
minnelijk geregeld kon worden. Op 4 december 2020 heeft mr. Stuiver aan de voorzieningen-rechter bericht dat er geen oplossing is gevonden.

1.4.

Vandaag doet de voorzieningenrechter uitspraak in deze zaak en deelt hij zijn
beslissing en toelichting daarop mee in dit vonnis.

2 De beoordeling

Waarover gaat dit geschil?

2.1.

[eiser 1] c.s. zijn door de kantonrechter in deze rechtbank veroordeeld om ‘ertoe over te gaan om langs het smalle deel van de [straatnaam] dat langs de erven van [gedaagde 1] c.s. en [eiser 1] c.s. loopt, de heggen (coniferenhaag/laurierhaag) te snoeien tot een hoogte van
1 meter, op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag, tot een maximum van € 25.000,=’. In een e-mailbericht van 13 oktober 2020 stellen [gedaagde 1] c.s. zich op het standpunt dat [eiser 1] c.s. niet aan deze veroordeling hebben voldaan. Zij eisen daarom betaling van de gemaximeerde dwangsommen van € 25.000,00. [eiser 1] c.s. willen dat de voorzieningenrechter
bepaalt dat [gedaagde 1] c.s. deze dwangsom niet mogen innen, door hen te veroordelen de aangezegde executie van verbeurdverklaarde dwangsommen op te schorten, althans deze achterwege te houden.

De beslissing van de voorzieningenrechter.

2.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] c.s. het vonnis van de kantonrechter onjuist uitleggen. [eiser 1] c.s. hebben geen dwangsommen verbeurd aan [gedaagde 1] c.s. Daarvoor is beslissend dat [eiser 1] c.s. hebben voldaan aan de veroordeling uit het vonnis, dat de kantonrechter op 17 juni 2020 heeft uitgesproken. Daarin heeft de kantonrechter [eiser 1] c.s. (slechts) veroordeeld om de heg te snoeien die langs de weg loopt, niet van overige heggen in hun tuin, en vaststaat dat die heg is verwijderd. De voorzieningenrechter wijst de vordering van [eiser 1] c.s. toe en veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter zal hierna zijn oordeel toelichten.

Wat er vaststaat.

2.3.

[eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. zijn buren van elkaar. [eiser 1] c.s. wonen aan de [adres 1] en [gedaagde 1] c.s. aan de [adres 2] . Zij wonen in zogenoemde ‘zaag-
tandwoningen’. Dat zijn trapsgewijs geschakelde huizen met een bijzondere stedenbouwkundige kwaliteit. Eigenaren van deze zaagtandwoningen zijn verplicht (kort gezegd) om ervoor te zorgen dat de beplanting in de eigen tuin het uitzicht van de naaste buren niet belemmert. Die verplichting is neergelegd in de leveringsaktes, onder het kopje erfdienstbaarheid, en in het gemeentelijke Beeldkwaliteitsplan 2012.

2.4.

Op 25 mei 2020 zijn [gedaagde 1] c.s. een procedure begonnen bij de kantonrechter. Zij stelden zich op het standpunt dat [eiser 1] c.s. niet aan de hiervoor genoemde verplichtingen
voldoen, doordat er bomen zijn geplant en verschillende heggen en heesters hoger zijn dan 1,0 meter. Die bomen en heggen belemmeren hun uitzicht.

2.5.

De kantonrechter in deze rechtbank heeft op 17 juni 2020 vonnis tussen partijen gewezen. Voor deze zaak is van belang wat de kantonrechter in overweging 4.5 heeft geoordeeld:

De vordering van [gedaagde 1] c.s. ziet verder op (verwijdering van) de heggen en bosschages in de tuin van [eiser 1] c.s.. In het kader van dit kort geding (voorlopige voorziening) zal dit oordeel zich beperken tot de hagen langs het smalle weggetje dat langs het erf van [gedaagde 1] c.s. en vervolgens langs het erf van [eiser 1] c.s. loopt, dat wil zeggen langs dat gedeelte van de [straatnaam] . Met het oog op de geldende erfdienstbaarheid tussen partijen en het daarop van toepassing zijnde Beeldkwaliteitsplan van de gemeente is ook ten aanzien van deze coniferenhaag en - in het verlengde daarvan - de laurierhaag sprake van een onrechtmatige situatie in de vorm van uitzicht belemmering indien die hagen hoger zijn dan 1 meter. Zoals eerder in dit vonnis al is genoemd, gaat het om de belemmering van het uitzicht vanuit de ramen aan de voorgevel van [gedaagde 1] c.s.. De hoogte van 1 meter volgt uit de aanwijzing in het Beeldkwaliteitsplan. [eiser 1] c.s. heeft zich dat kennelijk gerealiseerd, aangezien hij deze
hagen op of rond Hemelvaartsdag (21 mei 2020) al voor een deel heeft gesnoeid tot op een hoogte van ca. 1 meter. Voor zover dat snoeiwerk nog niet voor de gehele lengte langs dit gedeelte van de [straatnaam] is gerealiseerd, zal [eiser 1] c.s. ertoe worden veroordeeld om dit binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis alsnog te doen. Bij gebreke daarvan verbeurt [eiser 1] c.s. een dwangsom van € 500,= per dag met een maximum van € 25.000,=.

2.6.

Die overweging heeft geleid tot de beslissing als hiervoor vermeld in 2.1.

2.7.

Nog voordat het vonnis aan [eiser 1] c.s. was betekend, hebben zij heggen weggehaald. Dan gaat het om de heg die langs de [straatnaam] aan de noordzijde van hun perceel loopt en de heg die langs de [straatnaam] aan de oostzijde van hun perceel loopt (in het vonnis van 17 juni 2020 aangeduid als het ‘smalle deel’ van de [straatnaam] ). Wat zij hebben laten staan, is een heg die haaks op de heg stond, die langs de oostelijke [straatnaam] liep. Globaal is het overzicht als volgt:

De voorzieningenrechter heeft met lichtgroen weergegeven welke heggen inmiddels zijn
verwijderd. Er is een heg overgebleven, die de voorzieningenrechter met donkergroen heeft ingetekend in bovenstaand overzicht.

2.8.

Met een e-mailbericht van 6 juli 2020 vraagt de advocaat van [eiser 1] c.s. of [gedaagde 1] c.s. kunnen bevestigen dat zij volledig aan het vonnis hebben voldaan. De advocaat van [gedaagde 1] c.s. reageert daarop per e-mailbericht van 7 juli 2020. Daarin schrijft zij dat [eiser 1] c.s. niet volledig aan het vonnis hebben voldaan:

In het vonnis wordt gesproken over de heg langs het smalle deel van de [straatnaam] . Als het slechts de erfgrens betrof, had de rechter dit ook vast zo genoemd. In punt 4.5 van het vonnis wordt ook geschreven over het weggetje dat langs het erf van [gedaagde 1] en vervolgens langs het erf van [eiser 1] loopt. Met groen heb ik dit gedeelte aangegeven op de volgende afbeelding:

[AFBEELDING]

Dit betekent dat de coniferenhagen op deze foto nog gesnoeid moeten worden op een maximale hoogte van 1 meter.

2.9.

Per e-mail van 14 juli 2020 vult de advocaat van [gedaagde 1] c.s. als volgt aan:

In punt 4.5 van het vonnis staat dat de haag langs de korte kant van de [straatnaam] maximaal 1 meter hoog mag zijn. Er wordt letterlijk in de tekst benoemd: ‘de coniferenhaag en in het verlengde daarvan de laurierhaag’. In de ogen van [gedaagde 1] gaat het hier om de hele haag die uw cliënten in L-vorm hebben aangeplant. Er staat nergens in het vonnis dat het alleen om de coniferen en laurier binnen de 2,5 meter gemeten vanaf de weg gaat. Van deze L-vorm staat nog een hele strook coniferen haaks op de [straatnaam] . Van deze hele haag heeft een gedeelte inmiddels een hoogte van +- 1 meter. Maar er staan nog twee coniferen die hoger zijn dan 1 meter.

2.10.

Op 13 oktober 2020 sommeert [gedaagde 1] c.s. [eiser 1] c.s. tot betaling van de maximale dwangsommen van € 25.000,00.

Het toetsingskader.

2.11.

[eiser 1] c.s. zeggen in hun dagvaarding dat zij behoefte hebben aan een ‘dwangsommenrechter’. Dat berust op een misverstand. Een dwangsomprocedure bij de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (de kantonrechter in dit geval) is bedoeld om een al uitgesproken dwangsomverplichting wegens onmogelijkheid om daaraan te voldoen op te heffen of te verminderen (artikel 611d Rv). De dwangsomrechter kan zich echter niet uitspreken over reeds al dan niet verbeurde dwangsommen. In deze zaak gaat het om de inning van beweerdelijk reeds verbeurde dwangsommen; [gedaagde 1] c.s. willen immers de maximale dwangsommen van € 25.000,00 innen. De voorzieningenrechter merkt de vordering daarom aan als een executiegeschil (artikel 438 Rv), waarin het gaat om de vraag of [eiser 1] c.s. dwangsommen aan [gedaagde 1] c.s. hebben verbeurd.

2.12.

Of dwangsommen zijn verschuldigd, moet worden vastgesteld door te toetsen of de uitvoering van de handelingen waartoe een partij is veroordeeld, beantwoordt aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl met kenmerk ECLI:NL:HR:2008:BB8905). Dat betreft niet een cao-uitleg zoals [gedaagde 1] c.s. betogen of een louter taalkundige interpretatie. Het gaat om de wijze waarop de veroordeling door partijen moest worden begrepen en, blijkens de formulering daarvan, ook door de rechter zelf is verstaan (zie het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1989, te vinden met kenmerk ECLI:NL:HR:1989:AG6115).

De veroordeling tot het snoeien van de heg ziet niet op de heg die haaks staat op de oostelijk gelegen [adres 2] .

2.13.

[gedaagde 1] c.s. hebben in het kort geding bij de kantonrechter (dagvaarding van 25 mei 2020) aangevoerd dat [eiser 1] c.s. hen belemmeren in de uitoefening van de erfdienstbaarheid (‘vrij uitzicht’). Dat komt doordat [eiser 1] c.s. uitzichtbelemmerende beplanting hebben aangebracht in een strook van 2,5 meter gemeten vanaf de openbare weg. Daarom hebben zij diverse vorderingen ingesteld, die zien op het verwijderen en terugsnoeien van heggen, heesters, planten en bomen.

2.14.

Voor deze procedure is van belang dat de kantonrechter volgens zijn vonnis van
17 juni 2020 het geschil tussen partijen heeft toegespitst op de heg die langs de [straatnaam] loopt. Hij beperkt zich immers tot ‘de hagen langs het smalle weggetje dat langs het erf van [gedaagde 1] c.s. en vervolgens langs het erf van [eiser 1] c.s. loopt, dat wil zeggen langs dat gedeelte van de [straatnaam] ’. Het is mogelijk dat het deel van de heg, dat [eiser 1] c.s. hebben laten staan, het uitzicht van [gedaagde 1] c.s. vanuit het keukenraam in hun beleving
‘belemmert’. In het midden moet blijven of en in hoeverre [eiser 1] c.s. , door de resterende heg aanwezig te laten, in strijd handelen met de erfdienstbaarheid van vrij uitzicht, dan wel het gemeentelijke Beeldkwaliteitsplan. Vaststaat dat de kantonrechter [eiser 1] c.s. niet heeft veroordeeld – op straffe van een dwangsom – om andere heggen te snoeien tot 1,0 meter hoogte dan de heg die parallel loopt met de [straatnaam] . De heg die er haaks op staat, valt derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onder die door de kantonrechter uitgesproken veroordeling.

2.15.

De conclusie hieruit is dat [gedaagde 1] c.s. zich ten onrechte op het standpunt stellen dat [eiser 1] c.s. dwangsommen aan hen hebben verbeurd. Zij hebben (in ieder geval voor wat betreft de heg langs de [straatnaam] ) voldaan aan de veroordeling uit het vonnis van de kantonrechter. De voorzieningenrechter zal [gedaagde 1] c.s. daarom veroordelen om de executie van het vonnis van 17 juni 2020 te staken voor wat betreft de gemaximeerde dwangsommen van € 25.000,00 ter zake de veroordeling tot het snoeien van de heg die langs het smalle deel van de [straatnaam] 2 loopt.

2.16.

[eiser 1] c.s. willen dat de voorzieningenrechter zijn beslissing versterkt met een dwangsom. Daartoe ziet de voorzieningenrechter geen noodzaak. Op 13 oktober 2020 hebben [gedaagde 1] c.s. gezegd dat zij zullen overgaan tot het innen van de dwangsom, maar daar is het bij gebleven. Er is geen beslag gelegd noch zijn er andere maatregelen ter executie in gang gezet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde 1] c.s. gezegd dat zij vooral duidelijkheid willen over de uitleg van het vonnis van de kantonrechter. De voorzieningenrechter ontleent daaraan het vertrouwen dat zij thans niet meer zullen overgaan tot het innen van de dwangsommen, nu de gevraagde duidelijkheid is gegeven dat [eiser 1] c.s. geen dwangsommen aan [gedaagde 1] c.s. verschuldigd zijn geworden.

Tot slot.

2.17.

[gedaagde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht 304,00

- explootkosten 105,03

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.389,03

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. de executie van het vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank van 17 juni 2020, binnen 24 uur betekening van dit vonnis, te staken en gestaakt te houden, voor zover het betreft de aangezegde executie van de dwangsommen van € 25.000,00 ter zake van de verplichting de heggen/coniferen, die langs het smalle deel van de [adres 2] staan, te snoeien tot een hoogte van 1 meter;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.389,03;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.1

1 type: coll: