Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4463

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
08-993022-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een bedrijf tot een voorwaardelijke geldboete van 10.000 euro met een proeftijd van 3 jaar voor belastingfraude.

Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2020:4461

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-12-2020
FutD 2020-3880
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-993022-20 (P)

Datum vonnis: 21 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.,

gevestigd te [adres]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.C.M. Poland en van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [medeverdachte] , naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 5 september 2018 tot en met 25 juni 2019 geen aangifte voor de loonheffing heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 5 september 2018 tot en met 25 juni 2019 te Almere en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonheffing ten name gesteld van [verdacht bedrijf] B.V. over de/het

tijdvak(ken):

- juli 2017 en/of augustus 2017 en/of september 2017 en/of oktober 2017 en/of november 2017 en/of december 2017 en/of;

- januari 2018 en/of februari 2018 en/of maart 2018 en/of april 2018 en/of mei 2018 en/of juni 2018 en/of juli 2018 en/of augustus 2018 en/of september 2018,

(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben laten doen, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

In 2016 is de vertegenwoordiger van verdachte vanuit zijn eenmanszaak begonnen met het uitlenen van Roemeens personeel. Vanaf de oprichting van verdachte in juli 2017 zijn de werkzaamheden naar verdachte verschoven. De heer [medeverdachte] is de enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van verdachte. Verdachte had voornamelijk één opdrachtgever: [bedrijf] B.V. De Roemeense arbeiders die werden uitgeleend bouwden vakantiehuisjes in Nederland.

Boekenonderzoek van de Belastingdienst wees uit dat, terwijl wel loon werd betaald aan de werknemers, er geen aangiften loonbelasting werden ingediend.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de vertegenwoordiger van verdachte

Het ten laste gelegde feit klopt. Het feit is niet gepleegd uit winstbejag. Vanwege de slechte betaling van de opdrachtgever heeft de vertegenwoordiger van verdachte voorrang gegeven aan de loonbetaling aan de medewerkers boven betaling van de belasting.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu de vertegenwoordiger van verdachte dit feit heeft bekend en hij geen vrijspraak heeft bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- de ambtsedige verklaring loonheffing d.d. 25 juni 20192;

- de nadeelberekening verband houdende met het strafrechtelijk onderzoek contra [verdacht bedrijf] BV d.d. 6 december 20193;

- de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte zoals afgelegd ter zitting d.d. 7 december 2020.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 5 september 2018 tot en met 25 juni 2019 te Almere en/of Apeldoorn, telkens opzettelijk, bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de loonheffing ten name gesteld van [verdacht bedrijf] B.V. over de tijdvakken:

- juli 2017 en augustus 2017 en september 2017 en oktober 2017 en november 2017 en december 2017 en

- januari 2018 en februari 2018 en maart 2018 en april 2018 en mei 2018 en juni 2018 en juli 2018 en augustus 2018 en september 2018,

telkens niet heeft gedaan en/of heeft laten doen, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 69 en 72 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte schuldig te verklaring zonder oplegging van straf (artikel 9a Wetboek van Strafrecht).

7.2

Het standpunt van de verdediging

De vertegenwoordiger van verdachte kan zich vinden in de eis van de officier van justitie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de bedrijfsomstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De vertegenwoordiger van verdachte had een contractingbureau en leende Roemeense werknemers uit aan een opdrachtgever. Hij is gestart in een eenmanszaak en heeft in juli 2017 de verdachte rechtspersoon opgericht, van wie hij enig bestuurder werd en is. Er is evenwel noch vanuit de eenmanszaak, noch vanuit verdachte aangifte loonheffing gedaan.

Hierdoor werd te weinig belasting geheven en dat wist de bestuurder van verdachte. Hij heeft verklaard dat verdachte te weinig financiële middelen had om het loon van de werknemers te kunnen betalen en daarnaast de belasting. Hij heeft er als bestuurder voor gekozen het loon van de werknemers te betalen en de betaling van belasting achterwege te laten.

De bestuurder van verdachte wist dat verdachte de belasting niet kon betalen. Desondanks is verdachte opgericht en is nog ruim een jaar doorgegaan met de bedrijfsvoering. Door het strafbare feit is de samenleving een fors bedrag aan belasting misgelopen en door dit handelen zijn anderen, die op correcte wijze aangifte doen bij de Belastingdienst en de belasting afdragen, benadeeld in hun concurrentiepositie.

De bestuurder van verdachte heeft verklaard dat hij niet wist hoe hij op de juiste wijze de belastingen kon aangeven, dat hij onvoldoende financiële middelen had om een boekhouder te kunnen betalen en dat zijn opdrachtgever een forse achterstand had in de betaling van de facturen.

Wat daar ook van zij, het heeft hem er als bestuurder van verdachte niet van weerhouden om vanuit verdachte tot half 2018 door te gaan met het uitlenen van werknemers. Hij is daar te lang mee doorgegaan, wetende dat verdachte niet op de juiste wijze aangifte deed noch de belasting (tijdig) kon betalen. Ook indien met de bestuurder van verdachte wordt aangenomen dat zijn opdrachtgever niet correct en op tijd betaalde, kan dat niet simpelweg worden opgelost door geen aangifte te doen bij de Belastingdienst en de verschuldigde belastingen niet te betalen.

Het komt de rechtbank voor dat de bestuurder van verdachte nogal lichtzinnig verdachte heeft opgericht. Om te voorkomen dat bij via verdachte te ontplooien bedrijfsactiviteiten opnieuw geen (juiste) aangifte wordt gedaan van de belastingen die met die activiteiten samenhangen of daaruit voortvloeien, zal de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, wel een straf aan verdachte opleggen, te weten een voorwaardelijke geldboete.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 51 en 57 Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

het misdrijf: opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro);

- bepaalt dat deze geldboete in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. D ten Boer, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. H. Manuel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2020.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD Belastingdienst met nummer 63751 [medeverdachte] / [nummer] d.d. 25 februari 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-004

3 DOC-029