Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4450

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
08-952509-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen uit Enschede en Duitsland zijn door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor betrokkenheid bij de mishandeling en de afpersing van een oudere man in Enschede. De hoofdverdachten, twee 21-jarige mannen uit Enschede en een 27 jarige man uit Duitsland, zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van 32 tot 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Onder de naam ‘Suzan’ werd een account aangemaakt op een datingsite en een afspraak gemaakt met het slachtoffer. De mannen maakten een afspraak op 8 augustus 2019 op een parkeerplaats bij een pannenkoekenrestaurant in Enschede. Eenmaal daar trof het slachtoffer niet ‘Suzan’, maar werd hij overvallen door twee jongemannen met een groot mes. Later kwam daar een derde, de man uit Duitsland, bij. Het slachtoffer is op die parkeerplaats mishandeld en op de achterbank van zijn auto gezet. Als hij niet zou meewerken zouden ze hem drogeren en insuline bij hem inspuiten, zo werd er gedreigd. Urenlang werd er rondgereden door Enschede. Onderweg is ingelogd op het bankaccount van de man en is geld van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening overgeboekt. Eén van de mannen probeerde tevergeefs duizenden euro’s te pinnen. Het lukte uiteindelijk wel om enkele honderden euro’s te pinnen. Later werd via het bankaccount geld overgemaakt naar bankrekening van 2 medeverdachten, ook uit Enschede. Diezelfde nacht is nog een deel van dat geld gepind en verdeeld. Rond half vier ’s nachts hebben ze de man weer afgezet.

Volgens de drie mannen wilden ze de man slechts aanspreken op het feit dat hij met een (minderjarige)vrouw had afgesproken en heeft het slachtoffer hen geld aangeboden om niet naar de politie te stappen. Afgezien van het feit dat de rechtbank dit verhaal niet gelooft, maakt dit hun daden nog schrijnender. Een situatie met een minderjarige vrouw in scene zetten en vervolgens voor eigen rechter spelen kan niet worden getolereerd. Dat geldt zeker omdat dit soort situaties, ook wel bekend als het zogenoemde ‘pedojagen’, in toenemende mate aan de orde zijn in de samenleving.

Het tweetal dat het geld op hun bankrekening liet storten om het vervolgens te verdelen hoeven niet opnieuw naar de gevangenis. De rechtbank veroordeelt hen tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de voorlopige hechtenis. Daarnaast moeten ze een taakstraf uitvoeren van 240 uur. De opgelegde straf van 36 maanden voor twee van de hoofdverdachten is, vanwege de ernst van de feiten, hoger dan door de officier is geëist. De derde man die op de parkeerplaats aanwezig was is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Ook deze straf is hoger dan geëist. Daarnaast moet het vijftal een schadevergoeding betalen.

Zie ook:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-952509-19 (P)

Datum vonnis: 22 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 december 2019, 3 maart 2020, 10 november 2020 en 8 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Grooters en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M. van Leussen, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: door zijn bankrekening ter beschikking te stellen, anderen heeft geholpen om door middel van (dreiging met) geweld goederen en geld van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te stelen;

feit 1 subsidiair: door zijn bankrekening ter beschikking te stellen anderen heeft geholpen om door middel van (dreiging met) geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van goederen en geld;

feit 1 meer subsidiair: door zijn bankrekening ter beschikking te stellen anderen heeft geholpen om [slachtoffer] op te lichten;

feit 1 nog meer subsidiair: samen met een of meer anderen een geldbedrag van ongeveer

€ 12.735,-- heeft gehad, terwijl hij wist of moest vermoeden dat het geldbedrag van een misdrijf afkomstig was;

feit 2: samen met een of meer anderen een geldbedrag van ongeveer € 12.735,-- heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in of omstreeks de periode van 08
augustus 2019 tot en met 09 augustus 2019 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
-een mobiele telefoon en/of
-een kentekenbewijs en/of
-een rijbewijs en/of
-een pinpas en/of
-een pincode en/of
-een geldbedrag van ongeveer 25470 euro,
in elk geval enig goed/geldbedrag,
dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen/geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, een valse
door:
-zonder toestemming gebruik te maken van de pinpas en bijhorende pincode van
die [slachtoffer] ,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te
maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere
deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren, door:
-die [slachtoffer] klem te rijden en/of
-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand
tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of stompen
-die [slachtoffer] bij de keel en/of nek te grijpen en/of
-(dreigend) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp aan die
te tonen en/of op die [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen,
althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
-enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en/of
(m auto) meermalen, althans eenmaal (dreigend) tegen die [slachtoffer] te
zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben, althans woorden
van soortgelijke aard en/of strekking en/of
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden
als hij niet aan de eisen voldoet en/of
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt
zij hem gaan drogeren en/of een insuline spuitje geven en/of knevelen en/of
m de achterbak gooien en/of (dreigend) tegen hem te zeggen dat hij het niet
zal overleven,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus 2019 te Enschede, althans in Nederland
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen
en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
-zijn bankrekening ter beschikking te stellen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou
kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in of omstreeks de periode van 08
augustus 2019 tot en met 09 augustus 2019 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer]
heeft gedwongen tot de afgifte van:
-een mobiele telefoon en/of
-een kentekenbewijs en/of
-een rijbewijs en/of
-een pinpas en/of
-een pincode en/of
-een geldbedrag van ongeveer 25470 euro,
in elk geval enig goed/geldbedrag,
dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde,
door:
-die [slachtoffer] klem te rijden en/of
-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand
tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of stompen
en/of
-die [slachtoffer] bij de keel en/of nek te grijpen en/of
-(dreigend) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp aan die
te tonen en/of op die [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden
en/of
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen,
althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
-enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en/of
-(in de auto) meermalen, althans eenmaal (dreigend) tegen die [slachtoffer] te
zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben, althans woorden
van soortgelijke aard en/of strekking en/of
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden
als hij niet aan de eisen voldoet en/of
-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt
zij hem gaan drogeren en/of een insuline spuitje geven en/of knevelen en/of
in de achterbak gooien en/of (dreigend) tegen hem te zeggen dat hij het niet
zal overleven,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus 2019 te Enschede, althans
in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen
en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
-zijn bankrekening ter beschikking te stellen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou
kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in of omstreeks de periode van 2 tot
en met 9 augustus 2019 te Enschede, althans in Nederland,
het aangaan van een schuld en/of het
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten:
-een mobiele telefoon en/of
-een kentekenbewijs en/of
-een rijbewijs en/of
-een pinpas en/of
-een pincode en/of
-een geldbedrag van ongeveer 25000 euro,
door:
-een vals datingsaccount aan te maken onder de naam [alias] en/of
(onder de pseudoniem [alias] ) op een datingssite en/of andere (social)
mediakanalen contact te leggen en/of onderhouden met die [slachtoffer] en/of
-(onder pseudoniem [alias] ) Via verschillende (social) mediakanalen seksueel
getinte berichten naar die [slachtoffer] te sturen en/of
-(onder de pseudoniem [alias] ) diverse foto's naar die [slachtoffer] te sturen
waarbij hij, verdachte, gebruik maakt van foto's van een Franse vrouw en/of
-(onder de pseudoniem [alias] ) een afspraak met die [slachtoffer] te maken en/of
-naar die afspraak te gaan en/of
-tijdens die afspraak (onder andere door middel van diverse
geweldshandelingen) die [slachtoffer] diverse goederen en/of een geldbedrag
afhandig te maken,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus 2019 te Enschede, althans
in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen
en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
-zijn bankrekening ter beschikking te stellen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou
kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus
2019 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een goed, te weten een geldbedrag van 12735 euro heeft verworven! voorhanden
gehad en/of overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den)
moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus
2019 te Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag van (ongeveer) 12735 euro,
heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp
geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig
(eigen) misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 9 augustus 2019 ontvangt de politie van Rabobank Nederland een melding ongebruikelijke transactie, inhoudende dat een cliënt recent twee grote geldbedragen naar verschillende bankrekeningen heeft overgemaakt. Vervolgens bezoeken twee verbalisanten de eigenaar van de betreffende bankrekening, [slachtoffer] . De verbalisanten zien dat [slachtoffer] gewond is aan zijn gezicht en moeilijk beweegt. Tijdens het gesprek met de verbalisanten ontvangt [slachtoffer] een telefoontje, waarin [slachtoffer] door de beller wordt gesommeerd een blokkering van zijn bankrekening te verwijderen. Dan vertelt [slachtoffer] aan de verbalisanten over gebeurtenissen in de avond en nacht van 8 op 9 augustus 2019 en de aanleiding daartoe.

Vervolgens is door de politie onder de naam Oslo een onderzoek ingesteld. De vervolging voor de strafbare feiten in deze zaak en die van verdachtes medeverdachten zijn daarvan het gevolg. Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank verdachte en zijn medeverdachten hierna bij de voornaam en dan wel als volgt aanduiden: [medeverdachte 2] , verder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , verder [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , verder [medeverdachte 1] , [verdachte] , verder [verdachte] en [medeverdachte 4] , verder [medeverdachte 4] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat is bewezen dat [verdachte] medeplichtig is aan de afpersing van [slachtoffer] door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [verdachte] is de vierde persoon geweest die (kort) bij de andere verdachten en [slachtoffer] in de auto heeft gezeten en [verdachte] heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld waardoor het mogelijk is geworden om geld van [slachtoffer] weg te nemen, omdat pinnen niet mogelijk is gebleken.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder feit 2 tenlastegelegde is bewezen nu [verdachte] wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was en hij het geld afkomstig uit eigen misdrijf heeft witgewassen door het te verwerven, voorhanden te hebben en over te dragen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft over feit 1 primair tot en met meer subsidiair het volgende aangevoerd. Het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt, zowel op het medeplegen/de medeplichtigheid als op de feiten zelf. Een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt en er was feitelijk geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Ten aanzien van de geweldscomponenten en de diefstal met braak of een valse sleutel ontbrak de aanwezigheid, kennis en het opzet.

Ten aanzien van het nog meer subsidiair tenlastegelegde witwassen heeft de verdediging aangevoerd dat het geld niet is witgewassen. De herkomst is niet verborgen of verhuld. Verbergen en verhullen bevat ingeblikt opzet. Dit opzet ontbreekt bij [verdachte] . Er zijn door of namens hem geen handelingen verricht om de werkelijke aard of de herkomst te verbergen of te verhullen.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde schuldwitwassen heeft de verdediging aangevoerd dat [verdachte] heeft erkend dat hij had moeten vermoeden dat er iets niet klopte. Van schuldheling is sprake als de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed, had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Voor de beantwoording van de vraag of het tekortschieten in de onderzoeksplicht uit de bewijsmiddelen volgt, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.4.1

Identificatie

De vraag die in alle zaken, en al dan niet in reactie op een verweer, allereerst moet worden beantwoord is, of de personen tegen wie door het Openbaar Ministerie in het onderzoek Oslo vervolging is ingesteld, te identificeren zijn als de personen op de camerabeelden van kinderboerderij “ [kinderboerderij] ”, gelegen naast het Pannenkoekenhuis [pannenkoekhuis] in Enschede. Als deze verdachten kunnen worden geïdentificeerd als de personen op de camerabeelden, dan dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of zij betrokken zijn bij de aan hen ten laste gelegde strafbare feiten en hoe deze betrokkenheid kan worden gekwalificeerd.

Het antwoord op de eerste vraag is van belang voor het bewijs van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal die vraag daarom hier eerst en voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke feiten beantwoorden. De andere vragen beantwoordt de rechtbank daarna, daar waar de ten laste gelegde feiten afzonderlijk en meer in detail beoordeeld zullen worden.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij bij restaurant [pannenkoekhuis] in Enschede is aangevallen door drie mannen. In zijn aangifte duidt [slachtoffer] deze mannen aan als NNM1, NNM2 en NNM3. Restaurant [pannenkoekhuis] is gelegen naast kinderboerderij “ [kinderboerderij] ”, welk pand is voorzien van camerabewaking. Van de avond van 8 augustus 2019 zijn de camerabeelden van kinderboerderij “ [kinderboerderij] ” uitgekeken door de verbalisant die de mannen die op de beelden te zien zijn in het proces-verbaal aanduidt als NN2, NN3 en NN4.

Aan [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn deze camerabeelden getoond. Zij herkennen allebei de twee mannen bij [slachtoffer] als [medeverdachte 2] (persoon 1) en [medeverdachte 1] (persoon 2) en de man die later aan komt lopen als [medeverdachte 3] (persoon 3).

De rechtbank stelt vast dat de aanduiding met nummers van de personen in de aangifte van [slachtoffer] niet overeen komt met de aanduiding van de nummers van de personen op de camerabeelden door de verbalisant en ook niet met de aanduiding met nummers van de personen op de camerabeelden door [verdachte] en [medeverdachte 4] . De rechtbank geeft deze verschillende aanduidingen van de personen op de camerabeelden hieronder schematisch weer.

Verklaring [slachtoffer]

Proces-verbaal camerabeelden

[verdachte] en [medeverdachte 4]

NNM1

NN2

Persoon 2 is [medeverdachte 1]

NNM2

NN3

Persoon 1 is [medeverdachte 2]

NNM3

NN4

Persoon 3 is [medeverdachte 3]

heeft bij de politie verklaard dat hij Persoon 3 is, zoals ook door [verdachte] en [medeverdachte 4] is verklaard.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] persoon 1 is die NNM2/NN3 wordt genoemd, dat [medeverdachte 1] persoon 2 is die NNM1/NN2 wordt genoemd en dat [medeverdachte 3] persoon 3 is die NNM3/NN4 wordt genoemd. De rechtbank stelt voorts vast dat [medeverdachte 1] die avond/nacht zwarte schoenen draagt met reflectie op de achterzijde en donkere kleding, waaronder een zwarte leren jas.

4.4.2

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer] heeft sinds enige tijd zogeheten ‘chatcontact’ met een vrouw, die hij via een datingsite heeft leren kennen onder de naam [alias] . Op 8 augustus 2019 om 23.00 uur heeft [slachtoffer] met [alias] afgesproken op de parkeerplaats bij pannenkoekenhuis [pannenkoekhuis] in Enschede. Nadat [slachtoffer] op de ontmoetingsplek is aangekomen, wacht hij buiten de auto op [alias] en appt haar dat hij er is. Kort daarop arriveert een scooter met daarop twee personen, die de scooter dusdanig voor [slachtoffer] parkeren dat [slachtoffer] klem staat. Beide mannen – [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – stappen af. [medeverdachte 1] heeft een mes in zijn handen. [medeverdachte 2] spreekt [slachtoffer] aan en schreeuwt ‘je wilt mijn zusje te pakken nemen he?’. Ondertussen komt een auto aanrijden, die achterwaarts wordt ingeparkeerd voor de boom in plantsoen 2 en daarmee net in het zicht blijft staan van een van de camera’s van de kinderboerderij (Channel 1, voor rechts). Vervolgens wordt [slachtoffer] door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geschopt en geslagen en hardhandig bij de keel en nek gepakt. [medeverdachte 1] trekt [slachtoffer] aan zijn nek mee in de richting van de schuur, terwijl [medeverdachte 2] [slachtoffer] in zijn rug trapt. [slachtoffer] komt naast de schuur ten val. Dan komt [medeverdachte 3] aanlopen, die uit de auto is gestapt die hij kort daarvoor voor de boom in plantsoen 2 heeft geparkeerd. [medeverdachte 3] gebaart dat ze mee moeten komen en hij helpt [slachtoffer] opstaan. Ze lopen terug naar de auto van [slachtoffer] . [slachtoffer] moet plaatsnemen in zijn auto. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] stappen ook in de auto van [slachtoffer] . Zij rijden door Enschede en stoppen verschillende keren. In de auto wordt meermalen geschreeuwd dat ze zoveel mogelijk geld van [slachtoffer] willen. Ook wordt hem een mes getoond. [slachtoffer] moet zijn pinpas, pincode, mobiele telefoon, kentekenbewijs en zijn rijbewijs afstaan. [slachtoffer] wordt gezegd dat hij aan de eisen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] moet voldoen, anders wordt hij opengesneden. Omstreeks half twaalf die avond wordt bij de ABN AMRO bank in Enschede door [medeverdachte 1] die een integraalhelm draagt, twee keer geprobeerd een bedrag van € 2.000,00 te pinnen met de bankpas van [slachtoffer] . Wanneer dit niet lukt, probeert hij een bedrag van € 1.000,00 te pinnen. Dit lukt ook niet. Een opname van een bedrag van € 100,00 slaagt. Daarna wordt nog tevergeefs geprobeerd om € 500,00 te pinnen. Vervolgens rijden ze naar de Rabobank aan het Eeftink in Enschede. Ook daar probeert [medeverdachte 1] – wederom met integraalhelm – tot twee keer toe tevergeefs een bedrag van € 2.000,00 te pinnen. Weer terug in de auto overleggen de mannen in een buitenlandse taal met elkaar. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overleggen ook buiten de auto met elkaar. [medeverdachte 1] logt op zijn telefoon in op de bankrekening van [slachtoffer] . Tegen [slachtoffer] wordt gezegd dat als de transactie niet lukt, ze hem gaan drogeren of een insulinespuitje zullen geven en dat hij het niet zal overleven. Op enig moment stapt een vierde, onbekend gebleven, persoon in de auto met een laptop, die ook kort daarna weer uitstapt. Eerst wordt een bedrag van € 25.000,00 van de spaarrekening van [slachtoffer] naar zijn lopende rekening overgeboekt. Vervolgens wordt om half drie ’s nachts een bedrag van € 12.735,00 van de lopende rekening van [slachtoffer] naar de rekening van [verdachte] overgeboekt met als omschrijving ‘lening’, nadat daarover contact is geweest tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] . Daarna wordt nogmaals eenzelfde bedrag van de lopende rekening van [slachtoffer] overgeboekt. Ditmaal naar de rekening van [medeverdachte 4] , ook met de omschrijving ‘lening’, nadat [verdachte] daarover contact heeft opgenomen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 4] over de criminele herkomst van het bedrag was geïnformeerd. [medeverdachte 4] heeft toen advies gevraagd aan een zekere [naam] en daarbij de vraag gesteld of het erg was dat er een bedrag van € 12.500 op zijn rekening zou worden gestort als dat afkomstig was van iemand die geript was. [medeverdachte 4] wist dus voordat het geld op zijn rekening werd overgeschreven dat het geld afkomstig was uit een misdrijf.

Tegen [slachtoffer] wordt gezegd dat als de transactie niet lukt, ze [slachtoffer] zullen knevelen en in de achterbak zullen gooien. Om kwart over drie die nacht wordt door [medeverdachte 4] € 2.000,00 van zijn rekening gepind en om half 4 ’s nachts wordt door [verdachte] € 1.000,00 van zijn rekening gepind. Ook boekt [verdachte] € 3.500,00 over van zijn bankrekening naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en boekt [verdachte] € 7.000,00 over van zijn bankrekening naar de bankrekening van [medeverdachte 2] . Omstreeks datzelfde tijdstip zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] teruggekeerd bij pannenkoekenhuis [pannenkoekhuis] en laten ze [slachtoffer] weer gaan.

4.4.3

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

Feit 1 primair

Op grond van de hiervoor vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank het volgende. [slachtoffer] is gedwongen, door het door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uitgeoefende fysieke geweld en door de door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorafgaand aan en tijdens de autorit geuite bedreigingen met geweld, om zijn mobiele telefoon, kentekenbewijs, rijbewijs, pinpas met bijbehorende code en een geldbedrag van € 25.470,- aan deze drie verdachten af te geven. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ‘wegnemen’ in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht (Sr), maar van ‘afgifte’ in de zin van artikel 317 Sr.

De conclusie ten aanzien van feit 1 primair

Wegens het ontbreken van wegnemingshandelingen in de zin van artikel 312 Sr kan het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet worden bewezen. Daardoor kan evenmin worden bewezen dat [verdachte] daarbij behulpzaam is geweest. Voor dit feit dient aldus vrijspraak te volgen.

Feit 1 subsidiair

Op grond van de hiervoor vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank verder dat [verdachte] opzet heeft gehad op zowel de afpersing door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gezamenlijk als op zijn als medeplichtigheid te kwalificeren rol daarbij.

Beoordelingskader medeplichtigheid

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige hoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, waaronder tevens wordt begrepen dat het opzet van de medeplichtige ook niet gericht hoeft te zijn op deelnemingsvormen in het gronddelict.

Overwegingen van de rechtbank

Op grond van de hiervoor vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van [verdachte] zowel gericht zijn geweest op het behulpzaam zijn bij het verkrijgen van een door afpersing verkregen geldbedrag, als op het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen daartoe.

[verdachte] heeft op verzoek van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bankrekening ter beschikking gesteld om daarop een deel van het van [slachtoffer] afkomstige geldbedrag te laten storten.

Hij wist dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de eigenaar van het geld gedwongen hadden om dit geld over te maken. Hij heeft daarvoor de hulp en het advies van [medeverdachte 4] ingeroepen.

Na de storting van het geldbedrag heeft hij daarvan bedragen gepind en dat geld is later tussen de medeverdachten en hem verdeeld

De rechtbank verwerpt het verweer.

De conclusie ten aanzien van feit 1 subsidiair

De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

4.4.4

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 2

Beoordelingskader witwassen

De rechtbank stelt het volgende voorop.

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 420bis Sr. Noch de tekst van artikel 420bis Sr noch de wetsgeschiedenis staat eraan in de weg dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis Sr, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Hetzelfde geldt onder omstandigheden ook voor het hier eveneens tenlastegelegde overdragen.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en in dit geval overdragen, die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Overwegingen van de rechtbank

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (medeplichtigheid aan afpersing) en dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

[medeverdachte 3] heeft – met medeweten van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – contact opgenomen met [verdachte] . Hij heeft [verdachte] gevraagd diens rekening beschikbaar te stellen om daarop een geldbedrag te laten storten. [verdachte] op zijn beurt heeft met [medeverdachte 4] contact opgenomen met de vraag of hij op diens rekening een geldbedrag mocht overmaken. Vervolgens is er naar zowel de rekening van [verdachte] als naar die van [medeverdachte 4] een bedrag van € 12.735,00 overgemaakt met als omschrijving ‘lening’. Daarna hebben [medeverdachte 4] en [verdachte] geprobeerd die bedragen te pinnen. Dat is voor een deel gelukt. Het was de bedoeling dat zij het gehele bedrag zouden pinnen (‘maximaal’) om dat af te staan aan of te delen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .

Het geld was afkomstig van de rekening van aangever [slachtoffer] . Verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben dat geld door afpersing verkregen. [verdachte] is aan die afpersing medeplichtig geweest en [medeverdachte 4] heeft het bedrag geheeld door een bedrag van de rekening van [slachtoffer] over te laten maken naar zijn eigen rekening, waardoor hij dat bedrag heeft verworven en voorhanden gehad. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 4] daarvan opnames gedaan, hetgeen de rechtbank als overdragen kwalificeert. [verdachte] heeft [medeverdachte 4] voorafgaand aan de overboekingen om advies gevraagd. [medeverdachte 4] heeft op zijn beurt advies gevraagd bij een zekere “ [naam] ”. Op grond van de Whatsappgesprekken en de verklaring die [verdachte] en [medeverdachte 4] (over die gesprekken) hebben afgelegd, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] en [medeverdachte 4] zochten naar een manier om het geld zodanig over te maken, dat niet ontdekt zou worden dat het van misdrijf afkomstig was. Zij waren zich ervan bewust dat de bank bedragen boven een bepaalde grens verdacht zou vinden.

Dat het ook de bedoeling van [medeverdachte 2] was de gelden te verhullen, leidt de rechtbank af uit diens verklaring dat hij het geld niet op zijn eigen rekening wilde overmaken omdat zijn ouders het dan zouden ontdekken. Dat wordt door [verdachte] bevestigd. [verdachte] verklaart bovendien dat ook [medeverdachte 1] ouders heeft die zijn bankrekening controleren.

[verdachte] verklaart verder dat [medeverdachte 3] zei dat zijn vrouw zijn bankgegevens heeft, dus zijn vrouw zou er dan achter komen. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook [medeverdachte 3] de transacties heeft willen verbergen en verhullen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat door zo te handelen, verdachte en zijn medeverdachten handelingen hebben verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm (kennelijk) op gericht zijn geweest de criminele herkomst van de gelden te verbergen of te verhullen. Alle verdachten in deze zaak zijn daarbij betrokken geweest op zodanige wijze dat van medeplegen sprake is geweest.

De conclusie ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 2 heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van:

- een mobiele telefoon en

- een kentekenbewijs en

-een rijbewijs en

- een pinpas en

- een pincode en

- een geldbedrag van ongeveer 25470 euro,

die aan die [slachtoffer] toebehoorden,

door:

- die [slachtoffer] klem te rijden en

- die [slachtoffer] meermalen met gebalde vuist en vlakke hand tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en

- die [slachtoffer] bij de keel en nek te grijpen en

- dreigend een mes aan die [slachtoffer] te tonen en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen en

- enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en

- in de auto meermalen dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden als hij niet aan de eisen voldoet en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt zij hem gaan drogeren en een insuline spuitje geven en knevelen en in de achterbak gooien en dreigend tegen hem te zeggen dat hij het niet zal overleven,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft, door zijn bankrekening ter beschikking te stellen;

2.

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede,

tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van 12735 euro, heeft verworven en voorhanden gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten, zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 48, 49, 57, 317 en 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair: het misdrijf: medeplichtigheid aan het medeplegen van afpersing;

feit 2 het misdrijf: medeplegen van witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd en een taakstraf van 240 uren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat [verdachte] voor een zogenoemde first offender veel te lang in voorarrest heeft gezeten, waarvan 42 dagen bovendien in beperkingen. [verdachte] heeft medewerking verleend aan het opsporingsonderzoek, heeft het voorarrest als zwaar ervaren en is ervan doordrongen dat hij nooit meer bij zoiets betrokken wil raken. Volgens de verdediging kan worden volstaan met een taakstraf van 80 uren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

[slachtoffer] is onder valse voorwendselen naar een ietwat afgelegen parkeerplaats in Enschede gelokt. Daar is hij door de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] door middel van geweld, bedreiging met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving gedwongen tot de afgifte van verschillende goederen, waaronder een pinpas met bijbehorende code. Omdat pintransacties en pogingen daartoe onvoldoende geld opleverden, hebben [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] besloten de spaarrekening van [slachtoffer] leeg te plunderen door, in overleg met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] , twee keer een geldbedragen van in totaal ruim € 25.000,-- van de rekening van het slachtoffer over te boeken naar de rekeningen van [verdachte] en [medeverdachte 4] . [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben samen nog diezelfde nacht een deel van het overgeboekte bedrag weer van hun rekeningen gepind en dit gepinde bedrag hebben de vijf verdachten enige dagen later onderling verdeeld. Ook heeft [verdachte] bedragen doorgeboekt naar medeverdachten.

Dat verdachte zijn bijdrage heeft geleverd aan deze bijzonder gewelddadige afpersing door zonder enig voorbehoud en terwijl hij wist dat het geld niet op legale wijze was verkregen, zijn bankrekening ter beschikking te stellen, hierop een aanzienlijk geldbedrag in ontvangst te nemen en vervolgens een deel van dit geld op te nemen om later te kunnen verdelen met de anderen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van

21 september 2020 niet eerder met justitie in aanraking geweest. Dit heeft de rechtbank meegewogen bij de strafmaatoverwegingen. Daarnaast heeft de rechtbank ook de proceshouding van verdachte in positieve zin in aanmerking genomen.

De reclassering concludeert in haar advies van 11 maart 2020 dat verdachte bij zijn zus in huis woont, een fulltime baan heeft, incidenteel alcohol drinkt en regelmatig, volgens verdachte zelf problematisch, gokt. Of er financiële problemen zijn blijft voor de reclassering onduidelijk. Verdachte wordt in staat geacht een taakstraf uit te kunnen voeren. De reclassering kan niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.42,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit het wederrechtelijk toegeëigende en nog niet terugbetaalde geldbedrag ter hoogte van€ 3.042,56. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van benadeelde partij

[slachtoffer] geheel wordt toegewezen, hoofdelijk wordt opgelegd aan ieder van de verdachten en met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu onvoldoende causaal verband bestaat met de gedragingen van [verdachte] , als ook dat het gevorderde redelijkerwijze niet aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de materiele schade heeft de verdediging primair het standpunt ingenomen dat gezien de zogeheten ‘heler-steler-regel’ de vordering voor dit deel moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de materiele schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom in zijn geheel toewijzen (€ 8.042,56), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Hoofdelijkheid

Verdachte is naar burgerlijk recht met zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is. De

rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de

benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al

heeft/hebben betaald, en andersom.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 subsidiair en 2 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: het misdrijf: medeplichtigheid aan het medeplegen van afpersing;

feit 2 het misdrijf: medeplegen van witwassen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , (feiten 1 subsidiair en 2) van een bedrag van € 8.042,56 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte hoofdelijk verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.042,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 75 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek en

D.A.C. Brockötter, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.