Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4446

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
08/952518-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen uit Enschede en Duitsland zijn door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor betrokkenheid bij de mishandeling en de afpersing van een oudere man in Enschede. De hoofdverdachten, twee 21-jarige mannen uit Enschede en een 27 jarige man uit Duitsland, zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van 32 tot 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Onder de naam ‘Suzan’ werd een account aangemaakt op een datingsite en een afspraak gemaakt met het slachtoffer. De mannen maakten een afspraak op 8 augustus 2019 op een parkeerplaats bij een pannenkoekenrestaurant in Enschede. Eenmaal daar trof het slachtoffer niet ‘Suzan’, maar werd hij overvallen door twee jongemannen met een groot mes. Later kwam daar een derde, de man uit Duitsland, bij. Het slachtoffer is op die parkeerplaats mishandeld en op de achterbank van zijn auto gezet. Als hij niet zou meewerken zouden ze hem drogeren en insuline bij hem inspuiten, zo werd er gedreigd. Urenlang werd er rondgereden door Enschede. Onderweg is ingelogd op het bankaccount van de man en is geld van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening overgeboekt. Eén van de mannen probeerde tevergeefs duizenden euro’s te pinnen. Het lukte uiteindelijk wel om enkele honderden euro’s te pinnen. Later werd via het bankaccount geld overgemaakt naar bankrekening van 2 medeverdachten, ook uit Enschede. Diezelfde nacht is nog een deel van dat geld gepind en verdeeld. Rond half vier ’s nachts hebben ze de man weer afgezet.

Volgens de drie mannen wilden ze de man slechts aanspreken op het feit dat hij met een (minderjarige)vrouw had afgesproken en heeft het slachtoffer hen geld aangeboden om niet naar de politie te stappen. Afgezien van het feit dat de rechtbank dit verhaal niet gelooft, maakt dit hun daden nog schrijnender. Een situatie met een minderjarige vrouw in scene zetten en vervolgens voor eigen rechter spelen kan niet worden getolereerd. Dat geldt zeker omdat dit soort situaties, ook wel bekend als het zogenoemde ‘pedojagen’, in toenemende mate aan de orde zijn in de samenleving.

Het tweetal dat het geld op hun bankrekening liet storten om het vervolgens te verdelen hoeven niet opnieuw naar de gevangenis. De rechtbank veroordeelt hen tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de voorlopige hechtenis. Daarnaast moeten ze een taakstraf uitvoeren van 240 uur. De opgelegde straf van 36 maanden voor twee van de hoofdverdachten is, vanwege de ernst van de feiten, hoger dan door de officier is geëist. De derde man die op de parkeerplaats aanwezig was is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Ook deze straf is hoger dan geëist. Daarnaast moet het vijftal een schadevergoeding betalen.

Zie ook:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952518-19 (P)

Datum vonnis: 22 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats 1] ,

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 december 2019, 3 maart 2020, 10 november 2020 en 8 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Grooters en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J. van Dinten, advocaat te Eindhoven, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een of meer anderen of alleen:

feit 1: [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft mishandeld;

feit 2 primair: door (dreiging met) geweld goederen en geld van [slachtoffer] heeft gestolen;

feit 2 subsidiair: door (dreiging met) geweld die [slachtoffer] heeft gedwongen om goederen en geld af te staan;

feit 2 meer subsidiair: die [slachtoffer] heeft opgelicht;

feit 3: een geldbedrag van € 25.470,-- heeft witgewassen;

feit 4: een bedrag van € 100,-- heeft gestolen door zonder toestemming de pinpas en pincode van [slachtoffer] te gebruiken;

feit 5: heeft geprobeerd om een geldbedrag van € 9.500,-- te stelen door zonder toestemming de pinpas en de bijbehorende pincode van [slachtoffer] te gebruiken;

feit 6: [slachtoffer] van zijn vrijheid beroofd heeft (gehouden) door bij die [slachtoffer] in de auto te stappen, geruime tijd samen rond te rijden en hem tijdens het rondrijden een mes of een voorwerp dat daarop lijkt te tonen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus

2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] heeft mishandeld door:

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand

tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of stompen

en/of

-die [slachtoffer] bij de keel en/of nek te grijpen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus

2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een mobiele telefoon en/of

-een kentekenbewijs en/of

-een rijbewijs en/of

-een pinpas en/of

-een pincode en/of

-een geldbedrag van ongeveer 25470 euro,

in elk geval enig goed/geldbedrag,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaderfs)

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebbén verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen/geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, een valse

sleutel,

door:

-zonder toestemming gebruik te maken van de pinpas en bijhorende pincode van

die [slachtoffer] ,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere

deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-die [slachtoffer] klem te rijden en/of

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand

tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of stompen

en/of

-die [slachtoffer] bij de keel en/of nek te grijpen en/of

-(dreigend) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp aan die

[slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden

en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen,

althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en/of

-(in de auto) meermalen, althans eenmaal (dreigend) tegen die [slachtoffer] te

zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben, althans woorden

van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden

als hij niet aan de eisen voldoet en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt

zij hem gaan drogeren en/of een insuline spuitje geven en/of knevelen en/of

in de achterbak gooien en/of (dreigend) tegen hem te zeggen dat hij het niet

zal overleven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus

2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer]

heeft gedwongen tot de afgifte van:

-een mobiele telefoon en/of

-een kentekenbewijs en/of

-een rijbewijs en/of

-een pinpas en/of

-een pincode en/of

-een geldbedrag van ongeveer 25470 euro,

in elk geval enig goed/geldbedrag,

dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde,

door:

-die [slachtoffer] klem te rijden en/of

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand

tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of stompen

en/of

-die [slachtoffer] bij de keel en/of nek te grijpen en/of

-(dreigend) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden

en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen,

althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en/of

-(in de auto) meermalen, althans eenmaal (dreigend) tegen die [slachtoffer] te

zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben, althans woorden

van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden

als hij met aan de eisen voldoet en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt

zij hem gaan drogeren en/of een insuline spuitje geven en/of knevelen en/of

m de achterbak gooien en/of (dreigend) tegen hem te zeggen dat hij het niet

zal overleven;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 2 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het’verlenen van

een dienst,

het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een inschuld, te weten:

-een mobiele telefoon en/of

-een kentekenbewijs en/of

-een rijbewijs en/of

-een pinpas en/of

-een pincode en/of

-een geldbedrag van ongeveer 25000 euro,

door:

-een vals datingsaccount aan te maken onder de naam [alias] en/of

-(onder de pseudoniem [alias] ) op een datingssite en/of andere (social)

mediakanalen contact te leggen en/of onderhouden met die [slachtoffer] en/of

-(onder de pseudoniem [alias] ) via verschillende (social) mediakanalen seksueel

getinte berichten naar die [slachtoffer] te sturen en/of

-(onder de pseudoniem [alias] ) diverse foto's naar die [slachtoffer] te sturen,

waarbij hij, verdachte, gebruik maakt van foto's van een Franse vrouw en/of

-(onder de pseudoniem [alias] ) een afspraak met die [slachtoffer] te maken en/of

-naar die afspraak te gaan en/of

-tijdens die afspraak (onder andere door middel van diverse

geweldshandelingen) die [slachtoffer] diverse goederen en/of een geldbedrag

afhandig te maken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus

2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

een geldbedrag van (ongeveer) 25470 euro, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp

geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

(eigen) misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 8 augustus 2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een geldbedrag van ongeveer 100 euro,

in elk geval enig goed/geldbedrag,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen

goed/goederen/geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking, inklimming, een valse sleutel,

door:

-zonder toestemming gebruik te maken van de pinpas en bijhorende pincode van

die [slachtoffer] ;

5.

hij in of omstreeks de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019

te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

-een geldbedrag van ongeveer 9500 euro,

in elk geval enig goed/geldbedrag,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,

weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door

middel van braak, verbreking, inklimming, een valse sleutel,

-zonder toestemming gebruik heeft gemaakt van de pinpas en bijhorende pincode

van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in of omstreeks de periode van 08 augustus 2019 tot en met 09 augustus

2019 te Enschede, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

[slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden

door:

-bij die [slachtoffer] in het voertuig te stappen en/of

-geruime tijd met die [slachtoffer] rond te rijden en/of

-tijdens het rondrijden dreigend een mes, althans een op een mes gelijkend

voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 9 augustus 2019 ontvangt de politie van Rabobank Nederland een melding ongebruikelijke transactie, inhoudende dat een cliënt recent twee grote geldbedragen naar verschillende bankrekeningen heeft overgemaakt. Vervolgens bezoeken twee verbalisanten de eigenaar van de betreffende bankrekening, [slachtoffer] . De verbalisanten zien dat [slachtoffer] gewond is aan zijn gezicht en moeilijk beweegt. In aanwezigheid van de verbalisanten ontvangt [slachtoffer] een telefoontje, waarin [slachtoffer] door de beller wordt gesommeerd een blokkering van zijn bankrekening te verwijderen. Dan vertelt [slachtoffer] aan de verbalisanten over gebeurtenissen in de avond en nacht van 8 op 9 augustus 2019 en de aanleiding daartoe.

Vervolgens is door de politie onder de naam Oslo een onderzoek ingesteld. De vervolging voor de strafbare feiten in deze zaak en die van verdachtes medeverdachten zijn daarvan het gevolg. Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank verdachte en zijn medeverdachten hierna bij de voornaam als volgt aanduiden: [verdachte] , verder [verdachte] , [medeverdachte 2] Issa , verder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , verder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , verder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , verder [medeverdachte 4] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de verklaring van aangever [slachtoffer] betrouwbaar nu [slachtoffer] zijn eigen aandeel niet verhult, de verklaring consistent is en op meerdere essentiële punten wordt ondersteund door ander bewijs, zoals het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, de camerabeelden van de parkeerplaats bij pannenkoekenhuis [restaurant] in Enschede en op onderdelen ook door de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

De officier van justitie gaat er op grond van het dossier vanuit dat op de camerabeelden van [restaurant] zoals opgenomen in het dossier, de persoon aangeduid als NNM1 [verdachte] betreft, dat NNM2 (de persoon met mes en petje) [medeverdachte 2] is en dat [medeverdachte 1] de persoon is die is aangeduid als NNM3.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen, met dien verstande dat voor feit 2 primair vrijspraak dient te volgen wegens het ontbreken van de wegnemingshandelingen en dat feit 2 subsidiair, de afpersing, kan worden bewezen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat ten aanzien van alle strafbare feiten sprake is van een gezamenlijke uitvoering en dat de bijdrage van ieder van de genoemde verdachten van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat sprake was van een vooropgezet plan waarbij [verdachte] [slachtoffer] naar de locatie heeft gelokt om hem geld afhandig te maken, terwijl [medeverdachte 1] wist van dit plan, dat [verdachte] en [medeverdachte 2] van meet af aan betrokken zijn bij de situatie en dat zij degenen zij die op de parkeerplaats bij het pannenkoekenrestaurant gezamenlijk geweld hebben uitgeoefend op [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] is geslagen, geschopt en bij de keel is gegrepen en waarbij [medeverdachte 2] [slachtoffer] ook met een mes heeft bedreigd. [medeverdachte 1] was vrij snel ter plaatse en ging, nadat hij had gezien dat [slachtoffer] zwaar was toegetakeld, met [verdachte] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] in de auto van [slachtoffer] zitten. Daar hebben zij gezamenlijk [slachtoffer] gedwongen om zijn telefoon, bankpas, rijbewijs en kentekenbewijs af te geven. Alle drie de verdachten hebben de goederen van [slachtoffer] vastgehouden. Vervolgens zijn door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gedurende de rit, diverse pogingen gedaan om het geld van [slachtoffer] tot hun beschikking te krijgen.

Ten aanzien van feit 3, het witwassen, heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat door (een van) de verdachten geld is overgeboekt vanaf de rekening van [slachtoffer] naar de rekeningen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en dat dit een gezamenlijk plan is geweest waarna [verdachte] contact heeft gezocht met [medeverdachte 3] . Geen van de verdachten heeft zich op enig moment gedistantieerd. Toen pinnen niet lukte, hebben de verdachten er voor gezorgd alsnog over het geld van [slachtoffer] te kunnen beschikken door het over te boeken. Tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] is na de overboeking een aantal maal telefonisch contact geweest. De telefoon van [medeverdachte 4] bevat instructies van [medeverdachte 1] om contact op te nemen met de bank en door in de omschrijving van de overboekingen ‘lening’ te zetten en het geld over te boeken naar rekeningen van derden is sprake van verhullen van eigen betrokkenheid, waarmee ten aanzien van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het medeplegen van witwassen van gelden afkomstig uit eigen misdrijf is bewezen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zijn bankpas aan deze verdachten heeft afgegeven en niet aan iemand anders en dat het aldus niet anders kan dan dat één van de verdachten het geldbedrag van € 100,-- bij de ABN AMRO bank heeft gepind en bij de Rabobank heeft geprobeerd te pinnen en dat dit, gezien de gegevens van de telefoon, zeer waarschijnlijk [medeverdachte 2] is geweest, waarmee medeplegen van diefstal van € 100,-- en poging daartoe door middel van valse sleutels kan worden bewezen.

Als redengevend voor de bewezenverklaring van feit 6 heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering waarbij [verdachte] de auto heeft bestuurd en het contact met [medeverdachte 3] heeft onderhouden, waarbij [medeverdachte 2] [slachtoffer] met het mes heeft bedreigd, [medeverdachte 1] samen met de anderen tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat [slachtoffer] in zijn auto moest stappen, waarna geruime tijd is rondgereden en waarbij [medeverdachte 1] onder meer de bankpas en de telefoon van [slachtoffer] bij zich heeft gehouden, nadat [slachtoffer] deze onder bedreiging van het mes had afgestaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het grijpen bij de keel en/of nek van [slachtoffer] . Verdachte heeft bekend [slachtoffer] twee klappen te hebben gegeven, maar ontkent hem bij de keel en/of nek te hebben gegrepen. Uit het dossier en de camerabeelden blijkt onvoldoende dat [slachtoffer] bij de keel en/of nek zou zijn gegrepen, in die zin dat dat een mishandeling zou opleveren. De letselbeschrijving van [slachtoffer] bevestigt ook geen mishandeling op dat punt.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de eerste vier tenlastegelegde gedachtestreepjes, omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet heeft bestaan ten aanzien van deze goederen, maar mogelijk enkel op het verkrijgen van geld. Het gebruik van het mes staat volgens de verdediging niet vast.

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat “nergens uit de tenlastelegging blijkt” van een verhullende of verbergende handeling. Nu is tenlastegelegd het onder zich hebben van door eigen misdrijf verkregen gelden, dient verdachte voor feit 3 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging in verband met de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

De verdediging heeft zich voor de feiten 4, 5 en 6 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van het laatste gedachtestreepje onder feit 6, het tonen van een mes.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.4.1

Identificatie

De vraag die in alle zaken, en al dan niet in reactie op een verweer, allereerst moet worden beantwoord is, of de personen tegen wie door het Openbaar Ministerie in het onderzoek Oslo vervolging is ingesteld, te identificeren zijn als de personen op de camerabeelden van kinderboerderij “ [kinderboerderij] ”, gelegen naast het Pannenkoekenhuis [restaurant] in Enschede. Als deze verdachten kunnen worden geïdentificeerd als de personen op de camerabeelden, dan dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of zij betrokken zijn bij de aan hen ten laste gelegde strafbare feiten en hoe deze betrokkenheid kan worden gekwalificeerd.

Het antwoord op de eerste vraag is van belang voor het bewijs van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal die vraag daarom hier eerst en voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke feiten beantwoorden. De andere vragen beantwoordt de rechtbank daarna, daar waar de ten laste gelegde feiten afzonderlijk en meer in detail beoordeeld zullen worden.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij bij restaurant [restaurant] in Enschede is aangevallen door drie mannen. In zijn aangifte duidt [slachtoffer] deze mannen aan als NNM1, NNM2 en NNM3. Restaurant [restaurant] is gelegen naast kinderboerderij “ [kinderboerderij] ”, welk pand is voorzien van camerabewaking. Van de avond van 8 augustus 2019 zijn de camerabeelden van kinderboerderij “ [kinderboerderij] ” uitgekeken door de verbalisant die de mannen die op de beelden te zien zijn in het proces-verbaal aanduidt als NN2, NN3 en NN4.

Aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn deze camerabeelden getoond. Zij herkennen allebei de twee mannen bij [slachtoffer] als [verdachte] (persoon 1) en [medeverdachte 2] (persoon 2) en de man die later aan komt lopen als [medeverdachte 1] (persoon 3).

De rechtbank stelt vast dat de aanduiding met nummers van de personen in de aangifte van [slachtoffer] niet overeen komt met de aanduiding van de nummers van de personen op de camerabeelden door de verbalisant en ook niet met de aanduiding met nummers van de personen op de camerabeelden door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De rechtbank geeft deze verschillende aanduidingen van de personen op de camerabeelden hieronder schematisch weer.

Verklaring [slachtoffer]

Proces-verbaal camerabeelden

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]

NNM1

NN2

Persoon 2 is [medeverdachte 2]

NNM2

NN3

Persoon 1 is [verdachte]

NNM3

NN4

Persoon 3 is [medeverdachte 1]

heeft bij de politie verklaard dat hij Persoon 3 is, zoals ook door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is verklaard. [verdachte] heeft ter zitting van 10 november 2020 verklaard dat hij op 8 augustus 2019 bij kinderboerderij “ [kinderboerderij] ” was en dat hij [slachtoffer] heeft geslagen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] persoon 1 is die NNM2/NN3 wordt genoemd, dat [medeverdachte 2] persoon 2 is die NNM1/NN2 wordt genoemd en dat [medeverdachte 1] persoon 3 is die NNM3/NN4 wordt genoemd. De rechtbank stelt voorts vast dat [medeverdachte 2] die avond/nacht zwarte schoenen draagt met reflectie op de achterzijde en donkere kleding, waaronder een zwarte leren jas.

4.4.2

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer] heeft sinds enige tijd zogeheten ‘chatcontact’ met een vrouw, die hij via een datingsite heeft leren kennen onder de naam [alias] . Op 8 augustus 2019 om 23.00 uur heeft [slachtoffer] met [alias] afgesproken op de parkeerplaats bij pannenkoekenhuis [restaurant] in Enschede. Nadat [slachtoffer] op de ontmoetingsplek is aangekomen, wacht hij buiten de auto op [alias] en appt haar dat hij er is. Kort daarop arriveert een scooter met daarop twee personen, die de scooter dusdanig voor [slachtoffer] parkeren dat [slachtoffer] klem staat. Beide mannen – [medeverdachte 2] en [verdachte] – stappen af. [medeverdachte 2] heeft een mes in zijn handen. [verdachte] spreekt [slachtoffer] aan en schreeuwt ‘je wilt mijn zusje te pakken nemen he?’. Ondertussen komt een auto aanrijden, die achterwaarts wordt ingeparkeerd voor de boom in plantsoen 2 en daarmee net in het zicht blijft staan van een van de camera’s van de kinderboerderij (Channel 1, voor rechts). Vervolgens wordt [slachtoffer] door [verdachte] en [medeverdachte 2] geschopt en geslagen en hardhandig bij de keel en nek gepakt. [medeverdachte 2] trekt [slachtoffer] aan zijn nek mee in de richting van de schuur, terwijl [verdachte] [slachtoffer] in zijn rug trapt. [slachtoffer] komt naast de schuur ten val. Dan komt [medeverdachte 1] aanlopen, die uit de auto is gestapt die hij kort daarvoor voor de boom in plantsoen 2 heeft geparkeerd. [medeverdachte 1] gebaart dat ze mee moeten komen en hij helpt [slachtoffer] op te staan. Ze lopen terug naar de auto van [slachtoffer] . [slachtoffer] moet plaatsnemen in zijn auto. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stappen ook in de auto van [slachtoffer] . Zij rijden door Enschede en stoppen verschillende keren. In de auto wordt meermalen geschreeuwd dat ze zoveel mogelijk geld van [slachtoffer] willen. Ook wordt hem een mes getoond. [slachtoffer] moet zijn pinpas, pincode, mobiele telefoon, kentekenbewijs en zijn rijbewijs afstaan. [slachtoffer] wordt gezegd dat hij aan de eisen van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] moet voldoen, anders wordt hij opengesneden. Omstreeks half twaalf die avond wordt bij de ABN AMRO bank in Enschede door [medeverdachte 2] , die een integraalhelm draagt, twee keer geprobeerd een bedrag van € 2.000,00 te pinnen met de bankpas van [slachtoffer] . Wanneer dit niet lukt, probeert hij een bedrag van € 1.000,00 te pinnen. Dit lukt ook niet. Een opname van een bedrag van € 100,00 slaagt. Daarna wordt nog tevergeefs geprobeerd om € 500,00 te pinnen. Vervolgens rijden ze naar de Rabobank aan [adres 2] in Enschede. Ook daar probeert [medeverdachte 2] – wederom met integraalhelm – tot twee keer toe tevergeefs een bedrag van € 2.000,00 te pinnen. Weer terug in de auto overleggen de mannen in een buitenlandse taal met elkaar. [medeverdachte 2] en [verdachte] overleggen ook buiten de auto met elkaar. [medeverdachte 2] logt op zijn telefoon in op de bankrekening van [slachtoffer] . Tegen [slachtoffer] wordt gezegd dat als de transactie niet lukt, ze hem gaan drogeren of een insulinespuitje zullen geven en dat hij het niet zal overleven. Op enig moment stapt een vierde persoon in de auto met een laptop, die ook kort daarna weer uitstapt. Eerst wordt een bedrag van € 25.000,00 van de spaarrekening van [slachtoffer] naar zijn lopende rekening overgeboekt. Vervolgens wordt om half drie ’s nachts een bedrag van € 12.735,00 van de lopende rekening van [slachtoffer] naar de rekening van [medeverdachte 3] overgeboekt met als omschrijving ‘lening’, nadat daarover contact is geweest tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Daarna wordt nogmaals eenzelfde bedrag van de lopende rekening van [slachtoffer] overgeboekt. Ditmaal naar de rekening van [medeverdachte 4] , ook met de omschrijving ‘lening’, nadat [medeverdachte 3] daarover contact heeft opgenomen met [medeverdachte 4] . Tegen [slachtoffer] wordt gezegd dat als de transactie niet lukt, ze [slachtoffer] zullen knevelen en in de achterbak zullen gooien. Om kwart over drie die nacht wordt door [medeverdachte 4] € 2.000,00 van zijn rekening gepind en om half 4 ’s nachts wordt door [medeverdachte 3]

€ 1.000,00 van zijn rekening gepind. Ook boekt [medeverdachte 3] € 3.500,00 over van zijn bankrekening naar de bankrekening van [medeverdachte 2] en boekt [medeverdachte 3] € 7.000,00 over van zijn bankrekening naar de bankrekening van [verdachte] . Omstreeks datzelfde tijdstip zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] teruggekeerd bij pannenkoekenhuis [restaurant] en laten ze [slachtoffer] weer gaan.

4.4.3

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden van kinderboerderij “ [kinderboerderij] ” alsmede op grond van de aangifte van [slachtoffer] niet alleen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [slachtoffer] tijdens de mishandeling door [verdachte] en [medeverdachte 2] meermalen met gebalde vuist en vlakke hand tegen het gezicht en/of hoofd is geslagen en/of gestompt, maar ook dat hij door hen bij de keel en in de nek is gegrepen. Dat gebeurde op dusdanig hardhandige wijze dat ook het grijpen bij de keel en nek heeft te gelden als mishandeling.

De conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4.4

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 2

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] , door het door [verdachte] en [medeverdachte 2] uitgeoefende fysieke geweld en door de door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorafgaand aan en tijdens de autorit geuite bedreigingen met geweld, is gedwongen om zijn mobiele telefoon, kentekenbewijs, rijbewijs, pinpas met bijbehorende code en een geldbedrag van € 25.470,- aan deze drie verdachten af te geven. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ‘wegnemen’ in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht (Sr), maar van ‘afgifte’ in de zin van artikel 317 Sr.

De conclusie ten aanzien van feit 2 primair

Omdat geen sprake is geweest van wegnemingshandelingen in de zin van artikel 312 Sr, kan het onder feit 2 primair tenlastegelegde niet worden bewezen. Van dit feit zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

De conclusie ten aanzien van feit 2 subsidiair

De rechtbank is op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 2 subsidiair heeft begaan.

4.4.5

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 3

Verweer

Het verweer van de verdediging houdt kort gezegd in, dat verdachte van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen. Daarbij beroept de raadsman zich op HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842.

Beoordelingskader witwassen

De rechtbank stelt het volgende voorop.

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 420bis Sr. Noch de tekst van artikel 420bis Sr noch de wetsgeschiedenis staat eraan in de weg dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis Sr, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Hetzelfde geldt onder omstandigheden ook voor het hier eveneens tenlastegelegde overdragen.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en in dit geval overdragen, die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Overwegingen van de rechtbank

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 3 ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (afpersing) en dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

[medeverdachte 1] heeft – met medeweten van [verdachte] en [medeverdachte 2] – contact opgenomen met [medeverdachte 3] . Hij heeft [medeverdachte 3] gevraagd diens rekening beschikbaar te stellen om daarop een geldbedrag te laten storten. [medeverdachte 3] op zijn beurt heeft met [medeverdachte 4] contact opgenomen met de vraag of hij op diens rekening een geldbedrag mocht overmaken. Vervolgens is er naar zowel de rekening van [medeverdachte 3] als naar die van [medeverdachte 4] een bedrag van € 12.735,00 overgemaakt met als omschrijving ‘lening’. Daarna hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] geprobeerd die bedragen te pinnen. Dat is voor een deel gelukt. Het was de bedoeling dat zij het gehele bedrag zouden pinnen (‘maximaal’) om dat af te staan aan of te delen met [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Het geld was afkomstig van de rekening van aangever [slachtoffer] . Verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben dat geld door de onder 2. subsidiair bewezenverklaarde afpersing verkregen. [medeverdachte 3] is aan die afpersing medeplichtig geweest en [medeverdachte 4] heeft een bedrag geheeld. Zij hebben dat gedaan door ieder een bedrag van de rekening van [slachtoffer] over te laten maken naar hun eigen rekening, waardoor zij die bedragen hebben verworven en voorhanden hebben gehad. Vervolgens hebben zij daarvan opnames gedaan, hetgeen de rechtbank als overdragen kwalificeert. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 4] voorafgaand aan de overboekingen om advies gevraagd. [medeverdachte 4] heeft voorafgaand aan de ontvangst van het geld op zijn beurt advies gevraagd bij een zekere “ [naam 2] ”. Op grond van de Whatsapp-gesprekken en de verklaring die [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (over die gesprekken) hebben afgelegd, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zochten naar een manier om het geld zodanig over te maken, dat niet ontdekt zou worden dat het van misdrijf afkomstig was. Zij waren zich ervan bewust dat de bank bedragen boven een bepaalde grens verdacht zou vinden.

Dat het ook de bedoeling van [verdachte] was de herkomst van de gelden te verhullen, leidt de rechtbank af uit diens verklaring dat hij het geld niet op zijn eigen rekening wilde overmaken omdat zijn ouders het dan zouden ontdekken. Dat wordt door [medeverdachte 3] bevestigd. [medeverdachte 3] verklaart bovendien dat ook [medeverdachte 2] ouders heeft die zijn bankrekening controleren.

[medeverdachte 3] verklaart verder dat [medeverdachte 1] zei dat zijn vrouw zijn bankgegevens heeft en zij er dus achter zou komen als het geld op zijn rekening werd gestort. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook [medeverdachte 1] de (criminele herkomst van de) gelden heeft willen verbergen en verhullen. Dat leidt de rechtbank ook af uit het feit dat [medeverdachte 1] contact opnam met [medeverdachte 3] toen later de bankrekeningen werden geblokkeerd en [medeverdachte 3] vertelde dat hij tegen de bank moest zeggen dat het om een gift van een vriend ging.

De rechtbank is daarom van oordeel dat door zo te handelen, verdachte en zijn medeverdachten handelingen hebben verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm (kennelijk) op gericht zijn geweest de criminele herkomst van de gelden te verbergen of te verhullen. Alle verdachten in deze zaak zijn daarbij betrokken geweest op zodanige wijze dat van medeplegen sprake is geweest.

Het verweer van de verdediging dat sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond zal dan ook worden verworpen.

De conclusie ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 3 heeft begaan.

4.4.6

De overwegingen en conclusie van de rechtbank ten aanzien van de feiten 4 en 5

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat de feiten onder 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Met de door [slachtoffer] onder dwang afgegeven pinpas en bijbehorende pincode zijn door verdachten diverse pogingen tot geldopnames gedaan, waarvan een opname van € 100,00 is gelukt en de opnames van in totaal € 9.500,00 zijn mislukt.

4.4.7

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 6

Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden van de kinderboerderij, alsmede op grond van de aangifte van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 2] niet alleen tijdens de mishandeling, maar ook tijdens de autorit zichtbaar een mes heeft gehanteerd.

De conclusie ten aanzien van feit 6

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 6 heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede,

tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer] meermalen met gebalde vuist en/of vlakke hand tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en

- die [slachtoffer] bij de keel en nek te grijpen;

2. subsidiair

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van:

- een mobiele telefoon en

- een kentekenbewijs en

- een rijbewijs en

- een pinpas en

- een pincode en

- een geldbedrag van 25470 euro,

die aan die [slachtoffer] toebehoorden, door:

- die [slachtoffer] klem te rijden en

- die [slachtoffer] meermalen met gebalde vuist en/of vlakke hand tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en

- die [slachtoffer] bij de keel en nek te grijpen en

- dreigend een mes aan die [slachtoffer] te tonen en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij in zijn auto moet stappen en

- enkele uren met die [slachtoffer] rond te rijden door Enschede en

- in de auto meermalen dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, zoveel mogelijk geld wilden hebben en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze, verdachten, hem opensnijden als hij niet aan de eisen voldoet en

- dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen dat als de transactie niet lukt zij hem gaan drogeren en een insuline spuitje geven en knevelen en in de achterbak gooien en dreigend tegen hem te zeggen dat hij het niet zal overleven;

3.

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van 25470 euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;

4.

hij op 8 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag van 100 euro, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door:

- zonder toestemming - gebruik te maken van de pinpas en bijhorende pincode van die [slachtoffer] ;

5.

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag van 9500 euro, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel

-zonder toestemming gebruik heeft gemaakt van de pinpas en bijhorende pincode

van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2019 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door:

- bij die [slachtoffer] in het voertuig te stappen en

- geruime tijd met die [slachtoffer] rond te rijden en

- tijdens het rondrijden dreigend een mes aan die [slachtoffer] te tonen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten, zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 282, 300, 311, 317 en 420bis Sr. Op de gronden zoals hiervoor bij de bewijsoverwegingen opgenomen, verwerpt de rechtbank het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van mishandeling;

feit 2 subsidiair

het misdrijf:

medeplegen van afpersing;

feit 3

het misdrijf:

medeplegen van witwassen;

feit 4

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 5

het misdrijf:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 6

het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] een blanco documentatie heeft en dat de reclassering positief over [verdachte] heeft gerapporteerd. De raadsman heeft bepleit om de op te leggen straf, nu het toegepaste geweld in vergelijking met andere zaken relatief minimaal is en rekening houdend met samenloop, te beperken tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft op een datingsite een profiel aangemaakt en zich daar voorgedaan als een jonge vrouw. Hij heeft meermalen contact gehad met [slachtoffer] en uiteindelijk een afspraak voor een ontmoeting gemaakt. In de veronderstelling verkerend dat hij een afspraak had met een vrouw, is [slachtoffer] in de avond van 8 augustus 2019 naar een ietwat afgelegen parkeerplaats nabij een pannenkoekenhuis in de voor hem onbekende stad Enschede gereden. Daar trof [slachtoffer] niet de vrouw met wie hij afgesproken dacht te hebben, maar verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] die [slachtoffer] vrijwel direct hebben mishandeld door hem te slaan, te schoppen en bij de keel en nek te grijpen. Vervolgens is [slachtoffer] door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die inmiddels ook ter plaatse was gekomen, gedwongen in zijn eigen auto te stappen en hebben de verdachten urenlang met [slachtoffer] in Enschede rondgereden. Tijdens deze rit hebben de verdachten [slachtoffer] onder bedreiging van geweld en een mes gedwongen om onder meer zijn telefoon, pinpas en bijbehorende pincode af te geven. Bovendien hebben de verdachten met de door de afpersing verkregen pinpas en pincode van de rekening van [slachtoffer] geld gepind en getracht te pinnen. Omdat zij deze pin-opbrengst onvoldoende vonden, hebben deze verdachten besloten de spaarrekening van [slachtoffer] te plunderen door, in overleg met twee anderen, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , twee grote geldbedragen van in totaal ruim € 25.000,-- van de rekening van het slachtoffer over te boeken naar de rekeningen van deze [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Laatstgenoemden hebben nog diezelfde nacht een deel van het overgeboekte bedrag weer van hun rekeningen gepind en dit gepinde bedrag hebben de vijf verdachten enige dagen later onderling verdeeld.

De autorit en daarmee de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] heeft uren geduurd, vanaf ongeveer 23.30 uur tot ongeveer 03.30 uur. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat deze verschrikkelijke nachtelijke ervaring bij [slachtoffer] grote angsten teweeg heeft gebracht, waarmee hij tot op de dag van vandaag nog te kampen heeft. Ook heeft het hem bovendien behoorlijke financiële schade berokkend. Daarnaast heeft hij ten gevolge van de mishandeling letsel aan zijn gezicht en pijn aan zijn lichaam opgelopen.

De handelswijze van verdachten, zoals hiervoor beschreven, en de pogingen geheimhouding te bewerkstelligen door in te spelen op gevoelens van schaamte bij het slachtoffer over de door hem gemaakte afspraak via de datingssite, getuigen naar het oordeel van de rechtbank van een bijzonder kille en berekenende houding. Dat de verdachten zich vervolgens verschuilen achter de bewering dat zij [slachtoffer] slechts wilden aanspreken, omdat hij volgens hen met een minderjarige vrouw had afgesproken en hun ongeloofwaardige verhaal dat [slachtoffer] hen het geld zou hebben aangeboden om die afspraak geheim te houden en niet bij de politie te melden, maakt hun daden nog schrijnender. Een dergelijke vorm van gefingeerde eigenrichting kan niet worden getolereerd. Dat geldt temeer nu dergelijke, onwenselijke vormen van eigenrichting in toenemende mate aan de orde zijn in de samenleving. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde de oplegging van een forse vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.

Verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van

21 september 2020, met uitzondering van een enkele overtreding van de Wet wapens en munitie in 2016 en een niet onherroepelijke strafbeschikking van 16 mei 2020, niet eerder met justitie in aanraking geweest. Dit heeft de rechtbank meegewogen bij de strafmaatoverwegingen.

Nu de onderhavige feiten zijn gepleegd vóórdat voornoemde strafbeschikking is gegeven, zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 63 Sr.

De reclassering concludeert in haar advies van 2 november 2020 dat verdachte zich tijdens het schorsingstoezicht goed aan afspraken heeft gehouden, maar dat een langer durend reclasseringscontact geen meerwaarde zal hebben omdat er geen problematiek is waar aan moet worden gewerkt. De reclassering voorziet dat een gevangenisstraf met name voor de mentale gemoedstoestand van verdachte gevolgen kan hebben en is van mening dat een taakstraf tot de mogelijkheden behoort.

De oplegging van een taakstraf is echter, gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten, naar het oordeel van de rechtbank een gepasseerd station. Alleen een gevangenisstraf is uit oogpunt van generale en speciale preventie en vergelding passend en geboden. De rechtbank ziet bovendien in de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, reden om een hogere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank is zich bewust van de zwaarte van een vrijheidsbenemende straf bij deze relatief jonge verdachte. Daarom zal de rechtbank een deel van die straf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.42,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit het wederrechtelijk toegeëigende en nog niet terugbetaalde geldbedrag ter hoogte van € 3.042,56.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en dat de vordering hoofdelijk wordt opgelegd aan ieder van de medeverdachten en met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat onduidelijk is waarom het wederrechtelijk toegeëigende geld niet geheel zou kunnen worden teruggestort.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het immateriële deel van de vordering fors moet worden gematigd, nu de situatie mede is ontstaan doordat benadeelde is ingegaan op berichten van een jong meisje, de plek en het tijdstip van de afspraak geen ‘normale’ afspraak etaleren, de benadeelde naar civiele maatstaven niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mocht worden verwacht gegeven de situatie en nu niet duidelijk is of de gestelde immateriële schade is ontstaan door de teleurstelling en vervolgens angst dat het een jong meisje betrof of door de gebeurtenissen daarna.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom in zijn geheel toewijzen (€ 8.042,56), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Hoofdelijkheid

Verdachte is naar burgerlijk recht met zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is. De

rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de

benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al

heeft/hebben betaald, en andersom.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van mishandeling;

feit 2 subsidiair

het misdrijf:

medeplegen van afpersing;

feit 3

het misdrijf:

medeplegen van witwassen;

feit 4

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 5

het misdrijf:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 6

het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd

houden;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , (feiten 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6) van een bedrag van € 8.042,56 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte hoofdelijk verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.042,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 75 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter en

mr. B.M. Hoek, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit, tenzij anders vermeld, pagina’s uit het eindproces-verbaal van de politie Oost-Nederland met nummer 2019354218/ON2R019088, gesloten op 29 november 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 33 – 39:

(De rechtbank begrijpt de afkoringen aldus: V = vraag verbalisant, O = opmerking verbalisant, A = antwoord aangever)

A: Ik wil aangifte doen van afpersing c.q. diefstal met geweld c.q. bedreiging en gijzeling, gepleegd tussen donderdagavond 8 augustus 2019 23:00 uur en vrijdag 9 augustus 03:30 uur te Enschede. Ik ben aangevallen door drie mensen en moest alles afgeven. Anders was ik of gedrogeerd of met insuline ingespoten. Er werd bij gezegd dat ik het dan niet zou overleven. Ook werd gezegd dat ik, als ik niet zou betalen, opgehaald zou worden, gekneveld zou worden en in de kattenbak (de rechtbank begrijpt: achterbak) gegooid zou worden.

Ik moest de telefoon afstaan en die werd midden in de nacht gehackt.

Ik heb de auto neergezet bij Pannenkoekenhuis [restaurant] in Enschede en ben buiten de auto gaan staan. Rond 23:00 uur hoorde ik een bromscootertje aankomen en zag dat er twee personen op zaten, maar toen stond ik al klem. Ik stond nog steeds naast de auto, de scooter reed om de auto heen en zette deze voor mij tot stilstand. Ik kon geen kant meer op. Ze stapten beiden van de scooter. Door de grote persoon van de twee werd heel hard geschreeuwd Er werd geslagen door allebei. Eerst door de grote en toen de andere.

De grote zat achterop. De kleinere was de bestuurder van de bromscooter en die had een helm op. Zij begonnen met hun tweeën op mij in te slaan. Zij sloegen met hun vuisten. Ook ben ik bij mijn keel gegrepen. Het slaan door de twee personen duurde een paar minuten en toen ben ik naar de grond geslagen. Ik kwam met mijn rug tegen de trottoirband van de parkeerplaats aan. Er kwam een derde persoon bij.

O: De bestuurder van de scooter, de kleinere verdachte rond de 1,75 meter wordt verder genoemd als NNM1. De grotere bijrijder op de scooter, van ongeveer 1,85 meter, wordt verder genoemd als NNM2. De langste verdachte, wie er als laatste bijkwam, wordt verder genoemd als NNM3.

A: Ik stond weer op. Ik zag ook de hele tijd een mes. Die had NNM2 in zijn handen, vanaf dat ik ze bij mij zag op hun scooter. Dit mes heeft hij de hele tijd bij zich gehad, ook later in de auto. Het mes lemmet was zeker 20 centimeter lang.

Door alle drie werd gezegd dat ik in mijn eigen auto moest stappen.

NNM1 is achter het stuur gaan zitten. NNM2 zat naast mij, achter de bestuurder en NNM3 zat toen voor mij. Toen ik achterin zat, reed NNM1 heel hard door Enschede heen. Waar 50 kilometer per uur gereden mocht worden reed hij 80 a 90. Ik kon de kilometerteller

zien. Ik moest mijn mond houden. Er werd alleen maar geschreeuwd over het geld. Ik zag dat we bij een Rabobank stopten. Ik moest toen onder bedreiging van woorden en het mes alles afdragen en aan hun eisen voldoen anders zou ik helemaal worden opengesneden. Dit zei NNM2 tegen mij en hij had nog altijd het mes in zijn handen. Ik heb toen mijn Rabobank pinpas in moeten leveren en ze vroegen waar mijn rijbewijs lag. Ik zei dat deze in het dashboard vak lag. NNM3 heeft toen uit het dashboardvak mijn rijbewijs en kentekenbewijs gepakt. Hij heeft dit aan NNM1 gegeven, die nog steeds achter het stuur zat. NNM1 heeft toen foto's hiervan gemaakt. Ondertussen heb ik mijn mobiele telefoon aan NNM3 afgegeven. NNM3 had mijn telefoon toen aan NNM2 gegeven.

NNM2 gaf mijn telefoon weer aan NNM3. NNM3 hield mijn pinpas, telefoon en rijbewijs onder zich. Ik moest mijn pincode afgeven. NNM1 is toen uit de auto gestapt en heeft zijn helm weer opgezet. Hij liep naar de pinautomaat en probeerde geld te pinnen. Ze wilden overgaan tot transacties van mijn geld. Ze wilden geld zien en vroegen hoeveel ik had. Ik zei 10.000 euro. Ze zeiden dat ze al het geld wilden. Ik had mijn bankpas dus al afgestaan. Daar stond het rekeningnummer en een 4 cijferig nummer op. NNM1 was op zijn telefoon bezig en logde in met mijn gegevens bij de Rabobank. Mijn pincode hadden ze toen al. Hierdoor kon NNM1 bij mijn gegevens en zien hoeveel ik op mijn rekening had staan. Dat was 25.000 euro op de spaarrekening en 600 euro op de lopende rekening. NNM1 heeft alles van de spaarrekening op de lopende rekening gezet. NNM1 kwam er niet helemaal uit en kreeg hulp van NNM2. NNM2 heeft toen het bedrag in tweeën gedeeld en op de rekening van hem zelf gezet en op die van NNM1. Dit kon ik later in ieder geval zien en dit is ook bekend bij de Rabobank. Ik heb alleen de informatie genoemd, ik heb niets ingevoerd met betrekking tot het overmaken. Geen rekeningnummers, geen bedragen. Dat hebben hun allemaal gedaan. Ze zeiden dat als het niet zou lukken, ze mij zouden drogeren of een insuline spuitje zouden geven en het niet zou overleven. Ik was in ieder geval heel erg bang. Ik had op dat moment ook nog steeds heel veel pijn aan mijn hele lichaam. Nu is die pijn nog veel erger.

Ze wisten niet zeker of het gelukt was. Iedereen zat weer op dezelfde plek in de auto. We zijn richting een andere wijk gereden. Uit het niets kwam er een vierde persoon bij. Ik moest opschuiven naar de wand van de auto toe. Degene met het mes, NNM2, zat dicht naast mij de vierde persoon stapte naast NNM2 in.

O: De vierde persoon wordt verder genoemd als NNM4.

V: NNM4 stapt dus achterin de auto?

A: Ja, hierdoor kwam NNM2 tussen ons in te zitten. NNM2 schreeuwde hard tegen mij dat ik voor mij moest kijken en dat ik die NNM4 niet hoefde te zien. Ik zag nog wel dat NNM4 een laptop bij zich had en deze opengeklapt op zijn schoot zette. Er werd toen gezegd dat als het niet goed komt en het bedrag niet op de rekening zou staan, dan zouden ze mij knevelen en in de achterbak gooien of dat ze mijn auto zouden verkopen en ik lopend naar huis kon. De laptop werd door NNM4 aan NNM2 gegeven. NNM4 stapte toen uit en ging weg. Dit heeft enkele minuten in totaal geduurd.

We reden vervolgens weer verder naar een andere afgelegen plek.

We zijn daarna aangekomen bij die afgelegen plek, daar hebben we zeker 1,5 uur gestaan. Het heeft tot 03:30 uur geduurd die nacht, al die dingen die ze uitgehaald hebben.

V: Wat werd er ondertussen gezegd of gedaan in de auto?

A: Ze zijn veel met die laptop bezig geweest. NNM3 gaf ook een keer aan dat het wel heel lang duurde. Ik gaf aan dat ik hoopte dat het goed kwam. NNM3 zei toen dat hij dit ook hoopte, omdat ik anders een probleem had. Op een aantal plekken zijn NNM1 en NNM 2 uitgestapt. Ik was op een gegeven moment heel moe en down. Ik zat een beetje als een ziek vogeltje achterin als het ware. Bij de laatste stop is ook NNM3 uitgestapt met de andere twee. Toen hebben ze lang met elkaar gestaan.

Vervolgens zijn ze weer richting [restaurant] gereden. Volgens mij was het bij [restaurant] , rond 03:30 uur, dat we stopten en ik vroeg of alles in orde was. Ze zeiden van wel. We stonden weer bij dat scootertje en ze stapten uit. Ik heb toen mijn rijbewijs, pinpas en mobiele telefoon teruggekregen.

V: Hoeveel stops hebben jullie gemaakt?

A: Dat kunnen er wel een stuk of 5 a 6 zijn. Wat ik zeker weet is dat ik rond 23:00 uur in Enschede bij [restaurant] was en rond 03:30 uur naar huis mocht. Ik had zelf gezien dat alles van mijn rekening af was geschreven.

V: Waar bestaat uw letsel verder uit, wat u heeft opgelopen door dit hele incident?

A: Ik heb verwondingen aan mijn neus, deze is verdikt en er zit een bloeduitstorting. Mijn linkeroog is blauw/rood en opgezet. Onder mijn rechteroog zit een verdikking en is het blauw en rood verkleurd. Mijn rechterwang is dik en verkleurd tot onder de rechterzijde van mijn lip. Ik heb over mijn hele lichaam erge spierpijn. Ik heb op mijn handen en knieën schaafwonden van de val. Ik ben in totaal twee keer gevallen. Ook een keer op mijn rug. Daar heb ik ook nog pijn aan.

Een schriftelijk bescheid te weten een deskundigenverslag van 14 augustus 2019, opgemaakt door G.J. van der Ben, huisarts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 45:

Dhr. [slachtoffer] , HCB, [geboortedatum 2]

Hoofd/hals: hematomen li frontaal en uitgezakt hematoom rond li oog; hematoom re onder

oog en uitgezakt hematoom re wang;

Thorax: hematoom li achter op thorax

Multipele contusies.

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 46 - 47:

Op zondag 11 augustus 2019 heb ik de aangifte opgenomen van aangever en benadeelde [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat hij letsel in zijn gezicht had.

[foto]

Het aanvullend relaas van onderzoek, een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 26 juni 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 22 – 22a:

In de aangifte spreekt aangever [slachtoffer] over NNM1, NNM2, NNM3 en NNM4. In het proces-verbaal van bevindingen van de veiliggestelde beelden van Kinderboerderij “ [kinderboerderij] ” wordt gesproken over NN1, NN2, NN3, NN4 en AAB. De betiteling van de personen komen niet overeen, het gaat niet over de dezelfde personen als er gesproken wordt over NNM1 en NNI.

Verdachte [medeverdachte 3] verklaart op 5 september 2019 dat de persoon NN1 in het proces-verbaal van de veiliggestelde camerabeelden, zijn neefje is die hij [naam 1] of [naam 1] noemt.

Uitgaande van het proces-verbaal van de veiliggestelde camerabeelden kan ik over NN2 en NN3 verklaren dat aangever hem betitelt als NNM1 of NNM2. Aangever verklaarde dat de kleinste man rond 1.75 lang is. Aangever verklaarde dat NNM1 de persoon is die de scooter bestuurde en later ook de auto van aangever. Aangever verklaarde dat de bijrijder van de scooter, NNM2, de langste was van de drie personen, rond 1.85 lang.

In de verklaring van verdachte van [medeverdachte 3] op 5 september 2019 verklaart hij dat hij NN2 herkent als [medeverdachte 2] . In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met “2". Verdachte [medeverdachte 3] verklaart in dezelfde verklaring dat hij NN3 herkent als [verdachte] . In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met “1”.

In de verklaring van verdachte [medeverdachte 4] op 5 september 2019 verklaart hij dat hij NN2 voor 90% herkent als [medeverdachte 2] . In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met “2”. Verdachte [medeverdachte 4] verklaart in dezelfde verklaring dat hij denkt dat NN3 [verdachte] is. In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met “1”.

[foto]

Uitgaande van het proces-verbaal van de veiliggestelde camerabeelden kan ik over NN4 verklaren dat aangever hem betitelt als NNM3. Aangever verklaart dat deze persoon er later bij komt.

[medeverdachte 3] verklaart dat hij NN4 herkent als [medeverdachte 1] . In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met '‘3’’.

[medeverdachte 4] verklaart dat hij denkt dat NN3 [medeverdachte 1] is. (de rechtbank begrijpt NN4, conform brondocument verklaring [medeverdachte 4] , bewijsmiddel nr. 20) In zijn verhoor is deze persoon aangemerkt met "3".

In de aangifte spreekt aangever [slachtoffer] over NNM4. Deze persoon is tijdens de rit in de auto gekomen met een laptop maar is ook weer uitgestapt.

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 62 – 63, 65 – 74:

Op donderdag 15 augustus 2019 te 13:00 uur voerde ik een onderzoek uit naar de veiliggestelde beelden van de kinderboerderij ‘ [kinderboerderij] ’, gelegen aan de [adres 3] .

De situatie aan de [adres 3] , Specifiek het parkeerplein gelegen voor het restaurant ' [restaurant]

’ en de kinderboerderij ‘ [kinderboerderij] ’ is zoals hieronder is weergegeven in afbeelding 1.

In dit proces-verbaal worden de bewegende beelden omschreven die opgenomen zijn met twee camera’s te weten: ‘Channel 1 ’ met de schermnaam ‘Voor Rechts’ en ‘Channel 6’met

de schermnaam ‘Voor Links’.

[foto]

[foto]

Betrokken personen.

[foto]

[foto]

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 50 - 51:

Met betrekking tot bankrekening [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] zijn middels een vordering artikel 126nd SV over de periode 08-08-2019 tot en met 09-08-2019 de volgende gegevens gevorderd en op 26-08-2019 door de Rabobank uitgeleverd.

[rekeningnummer 1]

Tenaamstelling [slachtoffer]

Pasnummer [pasnummer] met volgnummer [volgnummer] en tenaamgesteld [slachtoffer] is actief.

Saldi

08-08 2019 € 1.095,84;

09-08-2019 € 0,79.

[rekeningnummer 2]

Tenaamstelling [slachtoffer]

Passen geen

[foto]

[foto]

Loggegevens Rabo bankieren App en Rabo Internetbankieren

De handelingen als limietverhoging en de overboekingen zijn gedaan vanaf IP [ip-adres 1] , [ip-adres 2] en [ip-adres 1] KPN mobile.

Gebruikelijke IP adres van de klant [slachtoffer] is: [ip-adres 3]

Overzicht van de aan de Rabo bankieren App en Rabo Internetbankieren gekoppelde

telefoons met tijdstip van koppeling

Het volgende telefoonnummer is bekend van de klant: (+31)- [telefoonnummer] . Met deze telefoon hebben de fraudeurs de gelden overgeboekt.

Het aanvullend relaas van onderzoek, een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 26 juni 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 85:

In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 49 staan bij het kopje Transacties twee tabellen vermeld. De tijdstippen die genoemd worden in tabel één betreffen de tijdsstippen in Greenwich Mean Time (GMT). Het tijdsverschil van Nederland met GMT is in de zomertijd +2 uur. Als de genoemde tijdstippen worden omgezet naar de Nederlandse tijd dan betreffen het de volgende zes tijdstippen:

09-08-2019 00:34 GMT = 09-08-2019 02:34 Nederlandse tijd

09-08-2019 00:29 GMT = 09-08-2019 02:29 Nederlandse tijd

08-08-2019 22:26 GMT = 09-08-2019 00:26 Nederlandse tijd

08-08-2019 21 28 GMT = 08-08-2019 23:28 Nederlandse tijd

08-08-2019 11:50 GMT = 08-08-2019 13:50 Nederlandse tijd

08-08-2019 11:26 GMT = 08-08-2019 13:26 Nederlandse tijd

De tijdstippen die genoemd worden in tabel twee betreffen al de Nederlandse tijdstippen.

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 54:

Ik, verbalisant, heb telefonisch contact gehad met een medewerker van de Rabobank te Utrecht. Hem werd uitleg gegeven over de vordering en dat identificerende gegevens, alsmede historische rekeninggegevens over de periode 8 tot en met 10 augustus 2019 werden gevorderd. Hij deelde hierna mede dat de rekening [rekeningnummer 3] op naam was gesteld van [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 3] , wonend te [adres 4] .

Tevens deelde hij mede dat dat in de vroege ochtend van 9 augustus 2019 er van de rekening een bedrag was opgenomen/gepind van € 2000,-. Dit zou gebeurd zijn, na het moment dat er een grote bijschrijving, afkomstig van het rekeningnummer [rekeningnummer 2] , in gebruik bij de aangever [slachtoffer] , was verricht. Ook deelde hij mede dat voor de bijschrijving van [slachtoffer] er onvoldoende saldo op de rekening van [medeverdachte 4] aanwezig was om een bedrag van € 2000,- op te kunnen nemen.

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 58 – 61:

Met betrekking tot de volgende bankrekeningen zijn middels een vordering artikel 126nd SV de identificerende gegevens, saldi, actieve bankpassen en transacties over de periode 14-08-2018 tot en met 14-08-2019 gevorderd:

[rekeningnummer 4]

Tenaamstelling [verdachte] (man, geboren [geboortedatum 1] ), [adres 1] .

Op 09-08-2019 om 04:26:03 wordt via internetbankieren een bedrag ontvangen van € 7.000 van [rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte 3] .

[rekeningnummer 5]

Tenaamstelling [medeverdachte 3] (man, geboren [geboortedatum 4] ), [adres 5]

Opvallende transacties

Op 09-08-2019 om 02:29:54 wordt via een overboeking € 12.735,00 ontvangen van [rekeningnummer 1] t.n.v. [slachtoffer] ovv ‘Lening’.

Op 09-08-2019 om 03:32 wordt bij de geldautomaat van de ING aan de [adres 6] in Enschede € 1.000,00 contant opgenomen.

Op 09-08-2019 om 04:26:03 wordt via internetbankieren € 7.000,00 overgemaakt naar

[rekeningnummer 4] ten name van [verdachte] .

Op 09-08-2019 om 04:37: 28 wordt via internetbankieren € 3.500,00 overgemaakt naar

[rekeningnummer 6] ten name van [medeverdachte 2] .

Op 09-08-2019 wordt via internetbankieren € 1.000,00 overgemaakt naar de Oranje Spaarrekening gekoppeld aan [rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte 3] .

[rekeningnummer 6]

Tenaamstelling [medeverdachte 2] (man, geboren [geboortedatum 5] )

Op 09-08-2019 om 04:37: 28 wordt via internetbankieren € 3.500,00 ontvangen van

[rekeningnummer 5] ten name van [medeverdachte 3] .

[rekeningnummer 3]

Tenaamstelling [medeverdachte 4] .

Op 09-08-2019 om 00:29 (GMT) wordt er € 1.000,00 overgemaakt naar

[rekeningnummer 7] ten name van [medeverdachte 4] .

Op 09-08-2019 om 00:34 (GMT) wordt er € 12.735,00 ontvangen van

[rekeningnummer 1] ten name van [slachtoffer] met de omschrijving ‘Lening’.

Op 09-08-2019 om 01:16 (GMT) wordt er € 2.000,00 contant opgenomen bij de Rabobank

geldautomaat [adres 7] .

Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 88 – 90 en de fotobladen op pagina 93 – 104:

Met de bankpas van aangever is gepind en geprobeerd te pinnen bij de ABNAMRO bank aan de [adres 8] , bij de ingang van een winkelcentrum, te Enschede. Bij de Rabobank aan [adres 2] te Enschede is geprobeerd te pinnen met de bankpas van aangever. De beelden van deze pintransacties zijn gevorderd bij respectievelijk de ABNAMRO bank en de Rabobank. Het rekeningnummer van aangever is [rekeningnummer 1] . De camerabeelden van beide banken laten de correcte datum en tijdstip zien.

De camerabeelden van de ABNAMRO worden opgenomen in zwart/wit. De camerabeelden van de Rabobank zijn in kleur. Gezien de kleding, postuur en de bewegingen van de persoon gaat het hier om dezelfde persoon.

De beelden van de ABNAMRO bank zullen als eerste worden verwoord.

Op afbeelding 5 is de pinner geheel in beeld wanneer hij voor de rechter geldautomaat staat.

De persoon draagt een donkere integraal helm. De persoon loopt naar de linker geldautomaat en stopt een betaalpas, die hij uit zijn linker jaszak (afbeelding 6) haalt, in de geldautomaat. Op de automaat doet de persoon handelingen die horen bij een pintransactie. Bij deze pintransactie wordt er geen geld of een bon uit de automaat gehaald. Tijdens de handelingen zet de pinner met zijn linkerhand het vizier van de integraalhelm iets open. (afbeelding 7). Nadat de pinner de betaalpas uit de automaat heeft gehaald stopt hij deze weer in de linker geldautomaat. Hij doet weer de handelingen die bij een pintransactie horen zonder geld en een bon uit de geldautomaat te halen. De pinner steekt hierna de betaalpas in de rechter geldautomaat (afbeelding 8). Hij doet de handelingen die bij een pintransactie horen zonder een bon uit de geldautomaat te halen. Ik zie dat de linkerhand van de pinner nadat hij met zijn rechterhand de betaalpas uit de geldautomaat heeft genomen, in de richting van het uitgifte vak voor geld van de geldautomaat gaat. (afbeelding 9). Op afbeelding 10 van het fotoblad is het geld te zien dat de pinner in zijn hand heeft. De afbeelding is ingezoomd en het geld omcirkeld. De pinner stopt op dat moment ook de betaalpas weer in de geldautomaat en doet handelingen die horen bij een pintransactie zonder

geld en een bon uit de geldautomaat te halen. Ondertussen wordt het geld dat de pinner in zijn linkerhand heeft dubbel gevouwen en in zijn linker jaszak gedaan, (afbeelding 11). Hierna loopt de pinner boven weer uit beeld en stopt de pinpas in zijn linker jaszak (afbeelding 12). De tijd staat dan op 23:29:08 uur.

Op 09-08-2019 is er gepoogd te pinnen met de betaalpas van de aangever bij de Rabobank aan [adres 2] te Enschede. Het proces verbaal is geschreven aan de hand van de camera “ [adres 2] Enschede” tenzij anders vermeld. Op afbeelding 14 van de camera “aankomst-vertrek” is te zien dat er een auto vanaf [adres 2] de parkeerplaats van de Rabobank op komt rijden. Op afbeelding 15 is te zien dat er op de parkeerplaats een auto is geparkeerd met de voorzijde in de richting van de [adres 9] . De persoon met de integraalhelm komt vanaf de linkerzijde van de auto naar de geldautomaat lopen. De pinner stopt een betaalpas in de geldautomaat en doet handelingen die horen bij een pintransactie met uitzondering van het uitnemen van geld en een bon.

In beeld verschijnt een banner waarop te lezen is (afbeelding 17):

9-8-2019 1:12:46 TR.BEGIN

09-08-2019 01:10:11 316734 EMV REK [rekeningnummer 1]

9-8-2019 1:13:13 GELDOPNAME 7659 GEKOZEN BEDRAG: EUR 2.000,00

9-8-2019 1:13:18 GEKOZEN BEDRAG BOVEN LIMIET (61)

9-8-2019 1:13:21 RESULTAAT (AUTH 007659) VERSTUURD 7660

9-8-2019 1:13:36 ANNULERING BEDRAGKEUZE (R2)

De pinner haalt dan de betaalpas uit de automaat en hierbij komt in een banner nog in beeld: TR.EINDE

De pinner steekt gelijk weer de betaalpas in de geldautomaat en doet handelingen die horen bij een pintransactie zonder geld en een bon uit de geldautomaat te nemen. In beeld verschijnt een banner waarop te lezen is:

9-8-2019 1:13:53 TR.BEGIN

09-08-2019 01:11:18 316734 EMV REK [rekeningnummer 1]

Op het moment dat de pinner de bankpas uit de geldautomaat neemt is het volgende te lezen

in de banner (afbeelding 19):

9-9-2019 1:14:16 - GELDOPNAME 7661 GEKOZEN BEDRAG: EUR 2.000,00

9-8-2019 1:14:20 GEKOZEN BEDRAG BOVEN LIMIET (61)

9-8-2019 1:14:23 RESULTAAT (AUTH 007661) VERSTUURD 7662

9-8-2019 1:14:29 ANNULERING BEDRAGKEUZE (R2)

De pinner loopt hierna weer richting de auto.

Omschrijving van de pinner:

Op de beelden van de ABN AMRO is de pinner gekleed in een lichte broek en een licht shirt. Op de beelden van de Rabobank is te zien dat de pinner op de camera “ [adres 2] Enschede Overzicht” door de lichtval de ene keer een zwarte broek en de andere keer een lichte broek aan heeft, (afbeelding 21 en 22) Op afbeelding 23 (ABN AMRO) en 24 (RABOBANK) is het zwarte shirt te zien dat de pinner draagt met de letters “Calvin Klein” op de boord. Op afbeelding 24 is ook te zien dat de pinner onder de jas een band heeft lopen. Op afbeelding 25 (ABN AMRO) en 26 (RABOBANK) is het rever te zien van de jas van de pinner. Op beide is een drukknoop te zien. Ook is te zien dat de bovenzijde van de linkermouw geribbeld is. Op afbeelding 27, 28 ,29 (ABNAMRO) en 30 (RABOBANK) is de helm te zien die de pinner draagt tijdens het pinnen. Op de achterzijde staat een afbeelding. Op afbeelding 31 (ABN AMRO) is te zien dat de pinner schoenen aan heeft die op de achterzijde een reflectie hebben. Op afbeelding 32 (RABOBANK) is te zien dat de pinner zwarte schoenen draagt.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek vervoermiddel (Opel [kenteken] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 317 – 319:

Op 15 augustus 2019 deden wij een forensisch onderzoek aan voertuig: personenauto Opel Astra Gtc, Blauw, kenteken [kenteken] .

De volgende dactysporen werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

[foto]

Biologische sporen:

[foto]

Het proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 333, met bijlage rapport dactyloscopisch onderzoek, op pagina 335:

Uit een door mij ontvangen rapport Dactyloscopisch Onderzoek van de Landelijke Eenheid Dactyloscopie, blijkt dat een vergelijkend onderzoek met een dactyloscopisch spoor heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, geregistreerd in de landelijke vinger- en handpalmafdrukken verzameling Havank (Het Automatische Vingerafdrukkensysteem Nederlandse Kollectie), onder de volgende personalia:

Betrokkene [medeverdachte 2] Issa , geboren [geboortedatum 6] , geboorteplaats [geboorteplaats 3] in Nederland.

[foto]

Dactyloscopisch onderzoek:

Met de afbeelding van dactyloscopisch spoor bekend in Havank onder nummer 08220819060100102 is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in de verzameling referentieafdrukken in Havank.

Bij de aanvraag werden de volgende gegevens vastgelegd:

Kenmerk Havank: 08220819060100102

Kenmerk spoor: AAKS7735NL

Resultaat dactyloscopisch onderzoek:

Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank onder:

Biometrienummer: 310001650480

SKN-nummer: 8870041

Incidentnummer: 313400899504

Achternaam: [medeverdachte 2]

Voornamen: [medeverdachte 2]

Geboortedatum: [geboortedatum 6]

Geboorteplaats: [geboorteplaats 3] in Nederland

Het aanvullend relaas van onderzoek, een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 26 juni 2020, het proces-verbaal waarnemer afname celmateriaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 31:

In mijn aanwezigheid werd op dinsdag 25 februari 2020 omstreeks 14:15 uur, door de opsporingsambtenaar op de locatie Bornsestraat 333, Almelo binnen de gemeente Almelo, op bevel van de officier van justitie L. Grooters, wangslijmvlies afgenomen, van de verdachte, [verdachte] geboren [geboortedatum 1] , geboorteplaats [geboorteplaats 1] , adres [adres 1] .

Tijdens de afname werd geen fysieke dwang op de verdachte toegepast. Het afgenomen celmateriaal is door mij, [verbalisant] (TWN03504), in beslag genomen. Het celmateriaal is op de voorgeschreven wijze verpakt en voorzien van een identiteitszegel. Op dit identiteitszegel is de naam en geboortedatum van de verdachte aangebracht. Een identiek identiteitszegel is op dit proces-verbaal aangebracht. De verpakking werd door mij, [verbalisant] (TWN03504), verzegeld. Het celmateriaal wordt zo spoedig mogelijk overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

[foto]

Het aanvullend relaas van onderzoek, een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 26 juni 2020, het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door ing. H.M. van Beerendonk van 28 mei 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 63 – 66:

[foto]

[foto]

[foto]

Voor het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] en DNA-mengprofiel AAIW8114NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:

- bemonstering AAIW8114NL#01 bevat DNA van twee personen;

- slachtoffer [slachtoffer] is één van de donoren van DNA in bemonstering AAIW8114NL#01;

de personen in dit mengsel zijn niet onderling verwant.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het

volgende hypothesepaar:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] .

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

Het verkregen DIMA-mengprofiel AAIW8114NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Het aanvullend relaas van onderzoek, een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, gesloten op 26 juni 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verhoor van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven, op pagina 8 – 11, 13 – 15

(De rechtbank begrijpt de afkoringen aldus: V = vraag verbalisant, A = antwoord [verdachte] )

A: Ik had met die man afgesproken, dat hij moest komen. Ik heb een afspraak gemaakt met hem en ben naar hem toegegaan. Ik heb hem aangesproken waar hij mee bezig was. Ik heb hem aangepakt. Voordat hij het wist, was hij machteloos. Toen kwam mijn broer. Ik zag hem aan komen rennen.

Het nummer (de rechtbank begrijpt: bankrekeningnummer) dat ik hem gegeven had, en daar heeft hij geld op gestort.

V: Hoe is de afspraak tot stand gekomen?

A: door mij. Ik vroeg hem of hij wilde afspreken.

V: Waar heb je afgesproken?

A: Bij die [restaurant] , die pannenkoekhuis zeg maar.

V: Hoe ga je dan daar naartoe? Naar [restaurant] .

A: Op de scooter.

V: Je komt daar aan.

A: Hij heeft zijn type auto aangegeven. Een blauwe. En er stond maar één auto, die was van hem.

A: Ben ik naar hem toegegaan. Hij was op die parkeerplaats, hij stond buiten de auto. Precies achter zijn auto.

A: In eerste instantie ben ik alleen gegaan. Toen heb ik hem een paar tikken gegeven. Die ander bleef een beetje achter, beetje kijken. Ik liep toen op de man af. Toen hij zag dat er iets aan de hand was, op het moment dat ik die man geslagen had, kwam hij ook naar ons toe.

V: Waar was die andere persoon toen?

A: Die was vlak achter mij. Hij was niet gelijk meegekomen.

V: Waar heb je hem geraakt?

A: In zijn buik.

V: En dan? Dan komt die andere, en dan?

A: Uit de verte hoorde ik een stem. Toen zag ik mijn broer aankomen.

V: Je hebt ook de camerabeelden gezien. We zien meer dan een paar tikken.

V: We zien ook dat die man op de grond ligt.

V: Van wie was dat bankrekeningnummer die jij hem gaf.

A: Van mijn neef. Die had ik die avond gebeld en die had zijn bankrekeningnummer gegeven. Ik wilde niet mijn eigen nummer doen, omdat mijn ouders mijn bankrekening kunnen nakijken.

V: Wist je wel hoeveel hij over moest maken?

A: Jawel.

V: Maar hebben jullie in de auto gereden of niet?

A: Ja ja, dat klopt.

V: Dus jullie zijn wel met aangever wezen rijden.

A Ja.

V: Waar hebben jullie gereden?

A: Alleen in Enschede.

V: Nog even over dat geld. Het was naar jouw neef overgemaakt, daar had je hem over gebeld.

V: En dan wordt het geld overgemaakt via de telefoon van de aangever.

A: Ja.

V: Hoeveel geld is er overgemaakt naar jouw rekening?

A: Naar mijn rekening? 7.000 euro.

V: Toen hij wist dat hij machteloos was. Hoe kon hij dat weten?

A: Omdat ik hem vast had en toen zag hij dat die andere eraan kwam. Toen wist hij dat hij niks meer kon doen. Toen heeft hij zichzelf, zeg maar, overgegeven.

A: een half uur hebben we met hem gepraat in de auto. Toen hebben we die oplossing gevonden.

V: Een half uur gepraat met hem in de auto. Waar was dat?

A: Dat was rijdend.

V: Waarom heb je hem meegenomen?

A: Wie?

V: De tweede persoon.

A: Voor de zekerheid.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 684 - 687:

(De rechtbank begrijpt de afkoringen aldus: V = vraag verbalisant, O = opmerking verbalisant, A = antwoord [medeverdachte 2] )

A: Ik was op de hoogte van de afspraak die zou plaatsvinden.

A: Ik ga geen namen noemen. Ik noem ze A en B. Ik was op de hoogte van een afspraak.

V: Ik zag dat A en B iets aan het doen waren bij een man. Ik ben ernaar toe gelopen. Ik zag de man op de grond liggen en A en B stonden naast hem. Ik stond later bij de auto en vandaar dat ook mijn vingerafdruk in de auto is gevonden.

V: Heb je nog iets van meneer gehoord?

A: Nee, die was in shock en toegetakeld. Hij was in paniek

V: Ben je dan bewust naar de kinderboerderij gereden?

A: Ja ik wist dat er een afspraak was.

V: Wist jij waar de afspraak zou zijn?

A: Er was gesproken over een kinderboerderij en er is maar één kinderboerderij in Enschede

V: Hoe wist jij van de afspraak?

A: Van te voren werd dat gezegd. Dat er een afspraak was met een man

Ik wist hoe laat, datum en waar. Ik wist dat het ging om een pedofiel die ze gingen aanspreken.

V: Wanneer precies hoorde jij van de afspraak bij de kinderboerderij?

A: Dat was de dag zelf.

V: Je zegt er wat was met een pedofiel. Wat wist je daarvan?

A: Dat er een afspraak was met een pedofiel en dat ze hem wouden aanspreken omdat hij wat met een minderjarig meisje wou.

A: Ik weet dat er wel geld verdeeld is.

A: Ik snap ook wel [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] mij ook aanwijzen op de camerabeelden.

O: Wij gaan de verdachte een bijlage 7 laten zien uit een ander verhoor. Deze bijlage zal als bijlage 1 bij dit verhoor gevoegd worden.

V: Wij hebben de camerabeelden niet bij de hand. Wij laten jou foto’s zien waarover jij hebt verklaard nadat je de beelden hebt gezien. Wie ben jij?

A: 3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 375 - 376, 378 – 385:

(De rechtbank begrijpt de afkortingen aldus: V = vraag verbalisant, A = antwoord [medeverdachte 3] )

V: Wat heb jij donderdag 8 augustus 2019 gedaan?

A: Geld op mijn bank ontvangen.

V: Wat kun jij daarover verklaren?

A: Er zijn bepaalde personen geweest die hebben gevraagd of ze geld op mijn rekening mochten storten.

V: Hoe is dat dan gegaan met die personen?

A: Die personen hebben mij die avond dat gevraagd.

V: Hoe is dat dan gegaan die avond?

A: Het was in de nacht. Dat weet ik wel. Zij hebben mij gevraagd of ze geld mochten storten op mijn rekening. Als ik daar toestemming voor zou geven dan kreeg ik ook een deel mee.

A: Rond 02:00 uur 03:00 uur in de nacht.

V: Waar hebben zij jou dit gevraagd?

A: Via de telefoon.

V: Wanneer ben je weg gegaan die avond?

A: Ik denk rond 02:00 of 03:00 uur.

V: Waar was dat dan?

A: Bij de [adres 5] om de hoek.

V: Die personen waren daar ook?

A: Ja.

A: Ik heb toen geld op mijn rekening laten zetten.

V: Wat is gebeurd toen je om de hoek ging bij de [adres 5] ?

A: We gingen daar het geld pinnen.

V: Wanneer was het geld op jouw rekening gezet?

A: Toen ik daar was.

V: Hoe wist je dat het geld op jouw rekening stond?

A: Ik heb later op de bankierenapp van de ING gekeken. Ik krijg namelijk een melding als er geld wordt gestort op mijn rekening.

V: Dan zie je dat het geld op jouw rekening staat en wat ging je daarna doen?

A: We gingen dat geld pinnen. Bij de ING pinautomaat in de stad.

V: Hoe laat heb je dat geld gepind?

A: 03:00 uur 04:00 uur. Daartussenin.

V: Wat heb je daartussenin gedaan dan, tussen 02:00 uur en 03:00 uur?

A: Toen ben ik naar een vriend van mij gegaan. Er is namelijk naar die vriend ook een deel van dat geld overgemaakt.

V: Wanneer heb je die vriend voor het eerst gezien dan?

A: Nadat het gebeurd was. Die twee mensen hebben het geld naar mij overgemaakt en daarna ben ik naar die vriend gegaan.

V: Wie is die vriend?

A: [medeverdachte 4] . Zelfde achternaam als ik.

A: Hierna zijn we naar de bank gereden.

A: Met de scooter.

V: Ben jij naar [medeverdachte 4] gereden of naar de bank.

A: Eerst naar [medeverdachte 4] en daarna naar de bank.

V: Naar welke bank zijn jullie gegaan dan?

A: Naar de bank in de stad.

A: Dat is de officiële ING bank bij het Casino. Dat is volgens mij de enige in Enschede.

V: Zijn jullie nog bij andere banken geweest?

A: Ja bij de Rabobank. [medeverdachte 4] heeft Rabobank als bank.

V: Waren die twee mensen ook bekenden van [medeverdachte 4] ?

A: [medeverdachte 4] kennen ze ook ja.

V: Hoe wist jij dat ze ook geld naar [medeverdachte 4] hadden overgemaakt?

A: Ik had aan [medeverdachte 4] gevraagd.

A: De twee jongens wilden het bedrag in tweeën delen. Toen heb ik gevraagd aan [medeverdachte 4] of hij ook een deel op zijn rekening wilde hebben.

A: De jongens die betrokken zijn, zijn familie van mij. Daarom wilde ik de namen niet noemen. Ik wil dat toch wel doen. [verdachte] .

V: Hoe heet de andere jongen?

A: [medeverdachte 2] .

A: Diegene die achter het stuur zat is ook familie van mij

V: Wie was de man achter het stuur dan?

A: [medeverdachte 1] .

A: Dat is de broer van [verdachte] .

V: Waar woont [medeverdachte 1] ?

A: Duitsland. In [plaatsnaam] ,

V: Dan krijg je dus die vraag van dat geld. Weet jij waar dat geld vandaan kwam?

A: Ze hadden met hem afgesproken en hem daarna gedwongen om het geld over te maken.

V: Hoe weet je dat?

A: Dat is mij verteld door de jongens.

A: Door die drie jongens.

V: Wanneer hebben ze jou dat verteld?

A: Toen ze mij het geld wilden overmaken hebben ze mij eerst verteld hoe zij aan het geld kwamen.

V: Hoeveel geld is er overgemaakt?

A: €12.750, - ongeveer.

V: Wat is er afgesproken omtrent het geld en met wie?

A: Met alle drie werd er afgesproken wat ik zou krijgen.

V: Wat zou je krijgen?

A: Ze wilden eerst al het geld naar mij over maken, maar ik heb ook overgemaakt naar [medeverdachte 4] .

V: Wat hebben ze naar jou overgemaakt?

A: Dat bedrag wat ik net noemde.

V: Wat hebben ze naar [medeverdachte 4] overgemaakt?

A: Ook €12.750, - ongeveer.

V: Ook werd er ook afgesproken wat jij zou krijgen. Wat zou jij krijgen?

A: €1.500,- of €2.000,-

V: En [medeverdachte 4] ?

A: Ook tussen de €1.500, - en €2.000, - zou hij krijgen.

V: Dan wordt er geld naar jou overgemaakt en heb jij dat gezien op jouw bankrekening?

A: Ja dat heb ik wel gezien.

V: Als er geld wordt overgemaakt dan staat er ook wel eens een omschrijving bij. Stond er een omschrijving bij?

A: ’Lening’ volgens mij.

V: Dan komt het geld erbij en dan?

A: Toen hebben we geprobeerd te pinnen, [medeverdachte 4] en ik.

V: Is dat gelukt?

A: Niet het hele bedrag.

V: Hoeveel heb je gepind dan?

A: €1.000, -

V: Hoeveel had je willen pinnen?

A: Zoveel mogelijk.

V: Wat bedoel je daarmee, het hele bedrag van €12.750, -?

A: Ja.

V: Hebben zij ook geld van jou gekregen?

A: Ja.

A: Contant. Van die €1.000, - heb ik een deel aan hen gegeven.

A: Gewoon in de hand.

V: Wanneer dan?

A: Ik heb het niet gelijk gegeven. [medeverdachte 4] had €2.000, - gepind. Samen was dit dus €3.000, -, Die hebben we op een avond verdeeld.

V: Hoe was die verdeling dan?

A: leder €600, -

V: Wie heeft er allemaal geld gekregen?

A: [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en ik.

V: Wat is er met de rest van dat geld gebeurd dat op jouw rekening stond?

A: dat heb ik weer overgemaakt naar [medeverdachte 2] en [verdachte] .

V: Wanneer heb je dat geld dat op jouw rekening stond overgemaakt dan naar [medeverdachte 2] en [verdachte] ?

A: Diezelfde avond nog.

V: Je zei naar [medeverdachte 2] en [verdachte] , hoe zit dat dan met [medeverdachte 1] ?

A: [medeverdachte 4] zou het geld dat op zijn rekening stond overmaken naar [medeverdachte 1] .

V: Hoeveel heb jij overgemaakt naar [medeverdachte 2] ?

A: Dat heb ik zelf gedaan. Dit was €3.500, -

V: Dat heb jij helemaal zelf gedaan uit vrije wil?

A: Nee zij vroegen mij dit.

V: Hoeveel geld heb jij overgemaakt aan [verdachte] ?

A: Dit was €7.000, -

V: Hoeveel moest [medeverdachte 4] overmaken naar [medeverdachte 1] ?

A: €7.000, -. De rest naar [medeverdachte 2] .

V: Wat bedoel je met de rest?

A: [medeverdachte 4] hield ook €1.500, - tot €2.000, - over dus datgene dat daarna overbleef, dat ging naar [medeverdachte 2] .

V: Was jij jou op dat moment ook bewust dat dit geld niet klopte?

A: Ja.

V: Wat hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] precies gezegd wat ze gedaan hadden om aan dat geld te komen?

A: Dat ze hem hebben gedwongen om het geld over te maken.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 391, 393 – 394, 396 – 399, 402, 411 - 412 :

(De rechtbank begrijpt de afkortingen aldus: V = vraag verbalisant, O = opmerking verbalisant, A = antwoord [medeverdachte 3] )

A: Ik ben nog bij een andere bank geweest. Het was op de Eeftinksweg nummer 2. Ik wil graag bevestigen dat ik daar ook ben geweest.

V: Je hebt in het vorige verhoor verklaard over dat je een ontmoeting had op de [adres 5] met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Hoe waren zij op het moment van die ontmoeting gekleed?

A: In het zwart.

V: Allebei?

A: Ja

V: En als jij praat over in het zwart, wat bedoel jij dan?

A: Zwarte broek, zwarte schoenen, zwarte jas, alles zwart.

V: En de bovenkleding van [medeverdachte 2] , kun jij je dat nog herinneren?

A: Volgens mij een leren jas.

V: Kun jij de broek van [verdachte] omschrijven?

A: Wat ik mij kan herinneren, had hij zwarte kleding aan.

V: Kun jij nog iets zeggen over de schoenen van [medeverdachte 2] ?

A: [medeverdachte 2] draagt dezelfde schoenen als die ik draag. Dat zijn Johan Cruijff schoenen. Deze zijn zwart van kleur.

V: En zijn er nog andere kenmerken aan die schoenen?

A: Ja aan de zijkant zie je een beetje een glim.

V: Welke kleur heeft die glim?

A: Ook zwart.

V: Je hebt in het vorige verhoor verklaard over dat je een auto had gezien waarmee [verdachte] en [medeverdachte 2] waren. Wie zat er op dat moment achter het stuur?

A: [medeverdachte 1] .

V: Hoe weet je dat?

A: Dat hebben ze mij verteld.

V: Wie heeft jou dat verteld?

A: [verdachte] .

V: Wanneer heeft hij jou dat verteld?

A: Toen ik vroeg wie er achter het stuur van die auto zat.

V: Dus eigenlijk wel op dat moment zelf.

A: Ja.

V: Voor die tijd had je contact gehad met [medeverdachte 1] , waarover?

A: Hij had mij gebeld en gevraagd of ik dat geld op mijn rekening wilde laten storten.

V: In je vorige verklaring zei je dat ze alle drie jou dat gevraagd hadden, klopt dit dan nog?

A: Ja dat klopt. [medeverdachte 1] wilde mij nogmaals overtuigen.

V: Heeft [medeverdachte 1] jou dan nog apart gebeld?

A: Ja.

V: Waar heb jij het met [medeverdachte 1] over gehad dan?

A: Dat ik moest ontkennen dat ik wist waar het geld vandaan kwam.

V: Wanneer heb je contact met hem gehad?

A: Nadat het geld op de rekening was gestort, maar ook daarvoor. Dat was dan weer via bellen.

V: In je vorige verklaring heb je verklaard dat ze je gevraagd hebben of ze geld mochten storten op je rekening. Dit was in de nacht. Als je daar toestemming voor gaf dan kreeg je een deel mee. V: Hoe ging dat gesprek?

A: [verdachte] had mij eerder benaderd via de WhatsApp en vroeg mij of ik dat wilde doen.

V: Wanneer heeft hij jou daarover benaderd?

A: Rond dat tijdstip. Toen heeft [medeverdachte 1] mij gebeld om mij te overtuigen.

V: Heeft [verdachte] jou ook gebeld?

A: Nee alleen [medeverdachte 1] .

V: Wat stond er in die WhatsApp dan?

A; Of ik geld wilde verdienen, dat is wat ik mij ongeveer herinner, dat ze geld naar mij wilden overmaken en dat ik hiervan dan ook een deel kreeg.

V: Hoeveel wilden ze overmaken dan?

A: In het begin wilden ze € 25.000, - euro overmaken.

V: En toen?

A: Daar ging ik niet mee akkoord en toen heb ik [medeverdachte 4] gebeld en gevraagd wat ik het beste kon doen in deze situatie. Hij heeft dit toen opgezocht op internet.

V: Wat heeft hij toen opgezocht op het internet?

A: Met welk bepaald bedrag je een probleem krijgt met de bank.

V: Wat voor een probleem?

A: Dat de bank daar een melding van krijgt zeg maar.

V: Dat is allemaal via de app gegaan eerst?

A: Dat gesprek met [medeverdachte 4] waar ik het nu over heb is allemaal via de telefoon gegaan zeg maar.

V: Hoe reageerden de jongens dat jij die € 25.000, - niet wilde?

A: Ik heb daarop gezegd dat het teveel geld was en daar reageerden ze normaal op. Ze probeerden me wel te overtuigen, maar ik bleef bij mijn standpunt om het niet te doen.

V: Toen heb je [medeverdachte 4] gebeld?

A: Ja.

V: Wat vonden de jongens ervan dat je [medeverdachte 4] wilde bellen?

A: Ze hadden er geen problemen mee.

V: Naar wie zou dat geld allemaal overgemaakt worden dan?

A: Naar mij.

V: Waarom wilden ze dat die € 25.000, - naar jou over werd gemaakt en niet naar zichzelf, naar hun bankrekeningen?

A: [medeverdachte 1] zei dat zijn vrouw zijn bankgegevens heeft, dus zijn vrouw zou er dan achter komen. [verdachte] zijn ouders controleren de bankgegevens en voor [medeverdachte 2] hetzelfde.

V: In de chat tussen jouw en [medeverdachte 4] is te lezen dat jij op 09-08-2019 schrijft:

[foto]

[foto]

Wat kun jij daarover verklaren?

A: Toen heb ik hem gevraagd of ik daar problemen mee zou krijgen.

V: Je hebt net verteld dat je aan [medeverdachte 4] had gevraagd of het een probleem was dat je €25.000 op jouw rekening gestort zou krijgen. Hoe kan dat dan?

A: Ik had al vooruit gedacht dat het beter was om het op verschillende banken te verdelen zeg maar.

V: Wij willen jou de bewegende beelden laten zien van de kinderboerderij ‘ [kinderboerderij] ’ zodat jij kunt zeggen wie wie is. Weet jij waar dit is?

O: Wij laten de afbeeldingen zien die zijn bijgevoegd aan dit proces-verbaal van verhoor als bijlage 5.

A: Dit is bij de kinderboerderij.

O: Wij laten de bewegende beelden zien. Verdachte identificeert 3 personen zoals hieronder weergegeven:

persoon 1:

V: Wie is dit?

A: [verdachte] .

V: Waaraan herken jij hem?

A: Om de manier van lopen, door de baard, het postuur en het gezicht.

Persoon 2:

V: Wie is dit?

A: [medeverdachte 2]

V: Waaraan herken jij hem?

A: Aan het postuur, manier van bewegen en aan zijn gezicht.

Persoon 3.

V: Wie is dit?

A: [medeverdachte 1]

V: Waaraan herken jij hem?

A: Zijn baard, manier van lopen, manier van bewegen, het gezicht en het postuur.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 449, 453 en fotobladen 458 - 459:

(De rechtbank begrijpt de afkoringen als volgt: V = vraag verbalisant, O = opmerking verbalisant, A = antwoord [medeverdachte 4] )

A: [medeverdachte 3] belde mij. Hij vroeg of hij geld op mijn bank kon zetten. Ik heb hem mijn rekeningnummer gegeven, voordat ik het wist stond er dat bedrag op. 13 Kop, sorry 13.000 euro.

O: Wij hebben de camerabeelden van deze pintransacties opgevraagd. Wij laten jou printscreens van deze beelden zien. Als eerste bijlage 1, een foto van [adres 2] .

V: Kun je ons vertellen wat je ziet?

A: Ja, dat is de Rabobank.

O: Wij laten verdachte bijlage 2 zien.

V: Wie is dat, die persoon?

A: Ja, dat ben ik.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 463 – 464, 466 – 468, 475 - 476:

(De rechtbank begrijpt de afkoringen als volgt: V = vraag verbalisant, O = opmerking verbalisant, A = antwoord [medeverdachte 4] )

A: [medeverdachte 3] belde mij dus en hij zei van ‘kan ik geld op je bank zetten’. Hij zei ‘ik kan niet veel zeggen op de telefoon’. Ik dacht ‘is goed, pak maar’. En toen had ik hem mijn rekening gegeven. Uiteindelijk kwam er zo’n bedrag op onze rekening. Toen waren we nog thuis en toen haalde [medeverdachte 3] mij op en zei hij ook dat we moesten pinnen. Dat moest van hun, zei [medeverdachte 3] . Ik vroeg ‘wie’? Toen zei [medeverdachte 3] wie ‘wie’ waren, maar hij zei [medeverdachte 1] nog niet.

A: Toen zei ik van ‘wat is er gebeurd?’. [medeverdachte 3] zei tegen mij dat er iemand

'gekanteld’ was. Toen heb ik 2.000 euro gepind. Toen waren we weer thuis en die jongens, die het gedaan hadden, probeerden met ons contact te zoeken. Ik zei dat ik niet meer kon pinnen. Door dat bedrag wist ik wel dat het niet goed was, maar ja, toch gepind. Hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) heeft 1.000- euro gepind. Toen vroegen ze van ‘pin meer’. Ik zei dat het niet kon, dat het niet lukte. Toen zeiden ze van ‘boek over naar ons’. Hun wouden dat geld zo snel mogelijk. Toen zei ik dat het niet lukte. Ze zeiden toen dat ik 7.000,- naar [medeverdachte 1] moest overboeken en [medeverdachte 3] 7.000 euro naar [verdachte] en allebei, [medeverdachte 3] en ik, 3.500,- euro naar [medeverdachte 2] . Uiteindelijk heb ik met ze gesproken. Ik heb ze toen allemaal gezien. Ik was alleen met [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . En [medeverdachte 3] dan. Ze hadden het toen over het hele gebeuren, over het pinnen van het geld, en het geld overboeken. Ik zei van 'ben je gek?’, want toen hadden ze ook gezegd wat ze met die man hadden gedaan. [medeverdachte 2] wilde toen een plan maken, dat wij moesten zeggen dat wij de man kenden en dat die man ons geld schuldig was. Dat schreeuwde [medeverdachte 2] naar ons.

Toen ging er een dag of een paar uur voorbij, en toen belden zij naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zei dat hij de hele tijd werd gebeld. [medeverdachte 3] zei dat ze geld wilden. Ik zei dat ze mij maar moesten bellen. [verdachte] belde mij toen. Hij zei dat ik moest komen, want hij had geld nodig. [medeverdachte 3] haalde mij toen op van huis, en ik had het geld gepakt. [medeverdachte 3] zei dat ze het geld wilden. Samen was het 3.000,- euro. Een half uur later kwamen ze en wilden ze hun deel en gaven we dat aan hun. [medeverdachte 3] heeft toen gezegd dat we ook een deel wilden hebben. Iedereen heeft toen 600,- euro meegenomen.

O: Wij willen jou nu wat bewegende beelden laten zien. Van de bewegende beelden worden prints gemaakt, welke als bijlagen 3 t/m 5 bij dit proces-verbaal worden gevoegd.

V: Wie heb je herkend op de beelden?

A: [verdachte] en [medeverdachte 2] en ik denk [medeverdachte 1] ook.

V: Wie stonden er nog meer op de beelden?

A: De man en één persoon die ik niet herkend heb.

O: Je hebt verklaard dat er een bedrag van de rond 13.000 euro op jouw rekening is gestort en dat je een bedrag van 2.000 euro had gepind.

V: Waarom 2.000 gepind? En geen ander bedrag?

A: Omdat 2.000 kon. Hun wouden eigenlijk het hele bedrag, maar stukken van 2.000 was eigenlijk de max. Hun zeiden max. Ze zeiden niet van 2.000,- pinnen, maar wat ik maximaal kon pinnen, dat ik dat moest doen. Hun hadden dat gezegd tegen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] tegen jou (de rechtbank begrijpt: mij).

O: Het geld is dus die vrijdag 9 augustus 2019 om 02.34 uur op jouw rekening gezet. Een half uur daarvoor app jij met jouw vriend [naam 2] hierover. Dat hebben we gelezen in jouw telefoon.

V: Wat heb je aan [naam 2] gevraagd?

A: Van zal ik het doen of niet, zoiets. Dat ik het niet zeker wist. Of wat hij zou doen, denk ik.

V: Wat was het advies van [naam 2] ?

A: Volgens mij zei hij wel dat ik het niet moest doen.

A: Hij schold me wel uit voor sukkel. Absoluut niet doen denk ik, dat hij zei. Maar aan de andere kant, [medeverdachte 3] vroeg me wat anders.

O: Je gaf aan dat je geen idee had om welk bedrag het ging, wat bij jou gestort zou worden.

V: Waarom informeer je bij [naam 2] of het erg is als iemand € 12.5 k overmaakt naar jouw rekening?

A: Het kan zijn dat [medeverdachte 3] mij vroeg of het erg was, als er 12.500,- euro gestort zou worden.

O: In het appje zegt [naam 2] dat je als ‘lening’ een bedrag tot € 10,000 kunt overmaken, dat wordt er niks gevraagd. Dan app jij terug, ik citeer even letterlijk wat jij hebt geappt: ‘Maar wat wou nou is van een bank die van iemand geript is'.

V: Wat kun je daarover zeggen?

A: Ja, dat is wat ik bedoel met ‘gekanteld’.

A: Ik vroeg wel wat hij bedoelde met gekanteld. Toen ging ik er van uit dat er iemand was geript.

V: Wat bedoel jij met ‘geript’?

A: Eh. .. bestolen.

[foto]

Persoon 1: Ik denk dat dit [verdachte] is. Die heeft altijd zo'n dikke baard gehad. Ook de manier waarop hij loopt herken ik en zijn hoofd.

Persoon 2: Voor 90 procent zeker [medeverdachte 2] . Iedereen noemt hem [medeverdachte 2] . Ik herken hem door zijn lengte, maar ik denk ook door zijn houding en agressiviteit

[foto]

Persoon 3: Ik denk dat persoon 3 [medeverdachte 1] is. Dit denk ik, omdat hij een beetje op [verdachte] lijkt. Ik weet dat hij wat langer is, mogelijk langer dan [verdachte] en hij is wat dunner dan de rest. Ik herken hem dus om zijn signalement.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 november 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [verdachte] :

Ik vind dat ik mijn verantwoordelijkheid heb genomen. Ik heb verklaard over mijn betrokkenheid en dat ik de afspraak met aangever heb opgezet. Ik ben er bij geweest op 8 augustus 2019 bij [restaurant] in Enschede. Het klopt dat ik heb gezegd dat mijn broer er als derde persoon aan kwam lopen. Ik weet alleen dat ik daar bij [restaurant] geweest ben en wat ik heb gedaan.

Ik zat in de auto op weg naar het tankstation [naam 3] .

Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, te weten fotobladen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 241, 245, 250:

[foto]

[foto]

[foto]

[foto]

[foto]

[foto]