Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4443

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
8285052 \ CV EXPL 20-317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde staat ingeschreven als eigenaar van onderneming. Dat de moeder van gedaagde als gevolmachtigde van de onderneming verzekeringen heeft afgesloten ontslaat gedaagde (die naar eigen zeggen verder geen enkele bemoeienis met het bedrijf heeft) als eigenaar niet van de verplichting de verzekeringspremies te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8285052 \ CV EXPL 20-317

Vonnis van 15 december 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

handelend onder de naam CENTRAAL BEHEER ACHMEA,
gevestigd te Apeldoorn,

eisende partij, hierna te noemen Achmea,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [X],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

In deze procedure is op 19 mei 2020 een vonnis in incident gewezen. [gedaagde] is in dat vonnis in de gelegenheid gesteld om zijn moeder, [A] , op te roepen in vrijwaring. [gedaagde] heeft dat niet gedaan, naar eigen zeggen omdat hij dat niet kon betalen. Vervolgens heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 22 september 2020 bepaald dat een mondelinge behandeling zou worden gehouden. Achmea heeft aanvullende producties ingediend. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020 via Skype. Namens Achmea is [B] van Syncasso Gerechtsdeurwaarders verschenen. [gedaagde] is ook verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.

1.2.

Ten slotte heeft de kantonrechter besloten dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 Waar gaat deze zaak over?

Wat staat er vast?

2.1.

De moeder van [gedaagde] , [A] heeft een schoonmaakbedrijf: [X] . Dit bedrijf is als eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het bedrijf is ingeschreven op naam van [gedaagde] . [A] is ingeschreven als gevolmachtigde van het bedrijf.

2.2.

Op 19 juni 2019 heeft [A] namens [X] een aanvraag ingediend bij Achmea voor een MKB Meerkeuzepolis. Die aanvraag is door Achmea geaccepteerd en de verzekering is dan ook gaan lopen met ingang van 19 juni 2019.

2.3.

De verzekeringspremies zijn in 2019 gedurende meerdere maanden niet betaald. Achmea heeft daarom de verzekering beëindigd per 28 september 2019.

Wat wil Achmea?

2.4.

Achmea heeft [gedaagde] aangesproken voor de achterstallige premiebetalingen van het bedrijf [X] . [A] is weliswaar degene die de verzekering heeft afgesloten, maar zij staat geregistreerd als gevolmachtigde van het bedrijf. Achmea mocht er daarom vanuit gaan dat zij namens het bedrijf handelde. [gedaagde] is ingeschreven als eigenaar van het bedrijf. Achmea wil daarom dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 533,21 aan Achmea. Dat bedrag bestaat uit € 445,36 aan achterstallige premies, € 7,02 aan wettelijke handelsrente tot 17 januari 2020 en € 80,83 aan incassokosten. Daarnaast wil Achmea de wettelijke handelsrente over € 445,36 vanaf 17 januari 2020 en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Wat vindt [gedaagde] ?

2.5.

[gedaagde] voert - kort gezegd - aan dat zijn moeder, [A] , hem gedwongen heeft het bedrijf [X] op zijn naam te zetten, omdat zij zelf vanwege een onderbewindstelling geen onderneming kon hebben Hij heeft enkel meegewerkt omdat hij geen ruzie met zijn moeder wilde. Hij wist niet dat zij een verzekering op naam van het bedrijf had afgesloten. Het bedrijf is van haar en zij heeft de verzekering afgesloten, dus zij is daar ook verantwoordelijk voor, aldus [gedaagde] .

3 De beoordeling

Wat vindt de kantonrechter?

3.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag wie Achmea tot betaling van de achterstallige premies van de polis voor [X] kan aanspreken. De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] heeft erkend dat hij het bedrijf als zijn eenmanszaak heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. [A] vroeg de – zakelijke – verzekering uitdrukkelijk aan voor [X] en zij staat ook als gevolmachtigde van het bedrijf geregistreerd. Achmea mocht er daarom vanuit gaan dat de eenmanszaak van [gedaagde] haar contractspartner was. Dat [gedaagde] zich in werkelijkheid helemaal niet met het bedrijf bemoeide kon Achmea niet weten en dat maakt voor deze zaak ook niet uit. Door het als eenmanszaak van hemzelf in te schrijven en toe te staan dat zijn moeder voor en met die eenmanszaak (oftewel als gevolmachtigde) allerlei rechtshandelingen – zoals het aangaan van verzekeringen - verrichtte heeft [gedaagde] gebondenheid aan die rechtshandelingen op zich geladen. Het is in juridisch opzicht dan namelijk niet [A] maar [gedaagde] die handelt, onder de naam [X] . Dat [gedaagde] dat enkel vanwege het behoud van een goede band met zijn moeder deed maakt de zaak niet anders.

De conclusie is dat Achmea hem voor de betaling van de nota’s kan aanspreken en dat hij Achmea daarvoor niet naar zijn moeder kan verwijzen. [gedaagde] zal daarom de achterstallige premie moeten betalen.

Wat moet [gedaagde] betalen?

3.2.

De achterstallige premie die [gedaagde] aan Achmea moet betalen, bedraagt € 445,36. [gedaagde] moet over dit bedrag ook rente betalen, omdat de premies niet op tijd betaald zijn. Die rente bestaat in dit geval uit de wettelijke handelsrente, omdat beide contractspartijen handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf. De wettelijke handelsrente bestaat uit een bedrag van € 7,02 tot 17 januari 2020 en de wettelijke handelsrente over € 445,36 vanaf 17 januari 2020 tot de dag waarop alles is betaald.

3.3.

Achmea heeft ook incassokosten gemaakt om de verzekeringspremie te (proberen te) incasseren. Achmea heeft eerst aanmaningen verstuurd aan [X] en vervolgens ook aan [gedaagde] . Er is zowel schriftelijk als telefonisch contact gezocht. Voor die werkzaamheden is [gedaagde] incassokosten verschuldigd. Deze kosten worden, zoals Achmea ook heeft gevraagd, toegewezen voor een bedrag van € 80,83.

Tot slot

3.4.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld. Hij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Die worden tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 849,57. Dit bedrag bestaat uit € 110,57 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht dat Achmea aan de rechtbank moest betalen en € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde van Achmea (2 punten x tarief € 120,00).

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting een bedrag van € 533,21 aan Achmea te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW over een bedrag van € 445,36 vanaf 17 januari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea begroot op € 849,57;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.