Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4388

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
08-910066-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 43-jarige man uit Enschede heeft zzich schuldig gemaakt aan handelingen ter voorbereiding van het produceren van XTC-pillen. Hij heeft in een door hem gehuurd bedrijfspand een tabletteermachine neergezet. Verder had hij ook chemicaliën voorhanden die nodig zijn voor de productie van XTC-pillen. Daarnaast zijn er in dat pand vijf XTC-pillen gevonden.

De rechtbank Overijssel veroordeelt de man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 135 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-910066-19 (P)

Datum vonnis: 17 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Akkerman en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 8 juli 2017 tot en met 12 oktober 2017 MDMA heeft geproduceerd;

feit 2: op 12 oktober 2017 vijf XTC-pillen aanwezig heeft gehad;

feit 3: in de periode van 8 juli 2017 tot en met 12 oktober 2017 het produceren van MDMA heeft voorbereid.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juli 2017 tot en met 12 oktober 2017 te Enschede en/of elders in Nederland (telkens),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt en/of verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, een hoeveelheid/meerdere hoeveelheden van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of

- opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid/meerdere hoeveelheden van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA;

2.

hij op 12 oktober 2017 te Enschede ( [adres 2] )

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 pillen (xtc), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juli 2017 tot en met 12 oktober 2017 te Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid/ hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA (te weten xtc-pillen), zijnde MDMA een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, (onder meer) voorhanden heeft gehad:

  • -

    een tabletteermachine en/of

  • -

    een of meer stempels en/of

  • -

    een of meer blenders en/of

  • -

    een stofzuiger en/of

  • -

    een hoeveelheid gereedschap en/of

  • -

    een weegschaal,

waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of zich of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft trachten te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar (in die periode) opzettelijk het pand aan/op de [adres 2] te Enschede daartoe ter beschikking gesteld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in de eerste plaats verzocht verdachte van alle feiten vrij te spreken aangezien er sprake is van het onrechtmatig binnentreden in het bedrijfspand aan de [adres 2] te Enschede. Ten tijde van het binnentreden bestond geen redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet. Bewijsuitsluiting en integrale vrijspraak zou het gevolg moeten zijn.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er ten aanzien van feit 1 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is zodat vrijspraak moet volgen.

Feit 2 kan volgens de raadsman bewezen verklaard worden.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is, waarna vrijspraak zou moeten volgen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat er sprake is van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46 Wetboek van Strafrecht (Sr), hetgeen moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR).

Voorwaardelijke verzoeken

De raadsman heeft – in het geval de rechtbank zijn verweren niet zou volgen – met het oog op de nadere onderbouwing van die verweren de volgende (voorwaardelijke) verzoeken gedaan:

I. het horen van de heer [verbalisant 1] , inspecteur bij de Nationale Politie, over het binnentreden in het bedrijfspand en het onderzoek strekkende tot veredeling of verificatie van de TCI-informatie;

II. het benoemen van een deskundige van het NFI die zich uit kan laten over de hoeveelheid aangetroffen poeder op de vloer en de aanwezige goederen in het bedrijfspand.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Redelijk vermoeden van schuld

Voor het binnentreden van een plaats ex artikel 9 van de Opiumwet moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een overtreding van de Opiumwet, dat voortvloeit uit feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van het binnentreden.

Op het moment van het binnentreden op 12 oktober 2017 waren de politie de volgende relevante feiten en omstandigheden bekend.

- Op 12 oktober 2017 ontving de politie de volgende informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI): ‘In een loods aan de [adres 2] in Enschede worden op grote schaal XTC-pillen geproduceerd door een man die ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd.’ Het TCI heeft daarbij vermeld dat de informatie afkomstig was van een bekende informant en dat deze informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

- Verder blijkt uit de TCI-informatie dat er een onderzoek is ingesteld naar de informatie, waaruit bleek dat de loods gevestigd was aan de [adres 2] in Enschede en dat met ‘ [verdachte] ’ verdachte werd bedoeld.

De rechtbank is van oordeel dat de TCI-informatie – gelet ook op het betrouwbaarheidsoordeel van het TCI en het verrichte nadere onderzoek – voldoende concreet en specifiek is en daarmee voldoende grondslag bood om daaraan een redelijk vermoeden van schuld te ontlenen. Het binnentreden in het bedrijfspand was dan ook rechtmatig. Er is geen sprake van een vormverzuim.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 12 oktober 2017 werden in een ruimte van de loods aan de [adres 2] in Enschede onder andere de volgende goederen aangetroffen: een tabletteermachine, stempels, blenders, een stofzuiger, een hoeveelheid gereedschap en een weegschaal. Verder waren in de loods ook emmers met chemicaliën aanwezig, bestemd voor het vervaardigen van synthetische drugs. De ruimte waarin deze goederen zich bevonden, was zodanig ingericht dat met alle aanwezige goederen direct kon worden begonnen met het vervaardigen van XTC-pillen.

Op de vloer en op de aanwezige goederen in de ruimte lag een laagje poeder dat positief testte op de aanwezigheid van MDMA. Verder werden in de ruimte vijf XTC-pillen gevonden.

De verdachte was de huurder van de loods aan de [adres 2] in Enschede. Hij heeft de tabletteermachine en de overige goederen op 11 april 2017 in Amsterdam gekocht en naar Enschede laten vervoeren.

Feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in de periode tussen 11 juli 2017 en 12 oktober 2017 daadwerkelijk XTC pillen heeft geproduceerd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de bevindingen in het dossier blijkt niet zonder meer dat er productie heeft plaatsgevonden in de loods. Enkel het laagje poeder op de vloer en op de goederen in de loods geeft daarvoor een aanwijzing. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs om te concluderen dat verdachte in dat pand XTC-pillen heeft geproduceerd.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte vijf XTC-pillen aanwezig heeft gehad.

Feit 3

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat verdachte de onder 3 ten laste gelegde goederen voorhanden heeft gehad en dat hij ook het voornemen had om XTC-pillen te produceren. Daarmee heeft verdachte voorbereidingshandelingen verricht voor het produceren van XTC-pillen, nu de goederen bestemd waren voor die productie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereiding van het bereiden van XTC-pillen. Dat verdachte op enig moment heeft besloten de tabletteermachine weer te verkopen en die verkoop ook in gang heeft gezet, doet daar niet aan af. Artikel 46b Sr is namelijk niet van toepassing op de voorbereidingsdelicten die in artikel 10a Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld.1

Beoordeling voorwaardelijke verzoeken

De rechtbank wijst het verzoek om de heer [verbalisant 1] te horen, af. Het horen van deze getuige is niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen ex artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Nu de rechtbank tot een vrijspraak komt van het onder 1 ten laste gelegde, is de voorwaarde voor het verzoek om een NFI-deskundige te benoemen, niet vervuld. De rechtbank komt aan dit verzoek daarom niet toe.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 12 oktober 2017 te Enschede ( [adres 2] ),

opzettelijk aanwezig heeft gehad 5 pillen (xtc), bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in de periode van 8 juli 2017 tot en met 12 oktober 2017 te Enschede,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten xtc-pillen), zijnde MDMA een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden,

voorhanden heeft gehad:

  • -

    een tabletteermachine en

  • -

    stempels en

  • -

    blenders en

  • -

    een stofzuiger en

  • -

    een hoeveelheid gereedschap en

  • -

    een weegschaal,

waarvan verdachte wist, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat feit.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

het misdrijf: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op te leggen, met aftrek van voorarrest. Hij heeft aangegeven daarbij rekening te hebben gehouden met de omstandigheid dat het een oude zaak betreft.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om voor het onder 2 ten laste gelegde, gezien de specifieke omstandigheden van het geval (het gaat om slechts vijf pillen die verdachte drie jaren geleden in bezit heeft gehad) toepassing te geven aan art. 9a Sr (schuldig zonder strafoplegging).

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handelingen ter voorbereiding van het produceren van XTC-pillen. Hij heeft in een door hem gehuurd bedrijfspand een tabletteermachine neergezet. Verder had hij ook chemicaliën voorhanden die nodig zijn voor de productie van XTC-pillen. Daarnaast zijn er in dat pand vijf XTC-pillen gevonden.

Met name het voorbereiden van de productie van harddrugs is een ernstig strafbaar feit. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid. Ook hangt de productie (en handel) van harddrugs samen met andere vormen van criminaliteit, die ontwrichtend werken in de samenleving.

De rechtbank constateert dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 oktober 2020 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, zal de rechtbank afwijken van de door de officier van justitie gevorderde eis. Gelet op de ernst van de bewezen feiten zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 16 oktober 2017(vul de feitaanduidingen in) in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

(vul de feitaanduidingen in)

Tussen 16 oktober 2017(vul de feitaanduidingen in) en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaar(vul de feitaanduidingen in). Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar(vul de feitaanduidingen in), is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim één jaar(vul de feitaanduidingen in). Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf met 10%(vul de feitaanduidingen in).

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een taakstraf hebben opgelegd voor de duur van 150 uren, en een voorwaardelijke gevangenisstraf(vul de feitaanduidingen in). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een taakstraf van 135 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren (vul de feitaanduidingen in)opleggen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De verdediging heeft zich ter zitting ten aanzien van de inbeslaggenomen tabletteermachine gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verzocht om, indien de machine wordt onttrokken aan het verkeer, verdachte daarvoor financieel te compenseren.

De rechtbank constateert dat verdachte afstand heeft gedaan van de in beslag genomen voorwerpen, inclusief de tabletteermachine. In het dossier bevindt zich een door verdachte getekende afstandsverklaring. Gelet daarop zal de rechtbank geen beslissing nemen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

het misdrijf: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 135 (honderdvijfendertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 67 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

voorwaardelijk verzoek

- wijst af het verzoek om de heer [verbalisant 1] , inspecteur bij de Nationale Politie, te horen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

Buiten staat

De rechter mr. Ter Haar en de griffier mr. Vedder zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ONRAA17120 (onderzoek Freud). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feiten 2 en 3

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2020, voor zover inhoudende de verklaring die verdachte heeft afgelegd, zakelijk weergegeven: :

Op 11 juli 2017 heb ik in Amsterdam een tabletteermachine gekocht. De interesse ontstond om er XTC-pillen mee te maken. Ik heb de machine gekocht samen met alle toebehoren en materialen. Er zaten blijkbaar nog 5 XTC-pillen bij.

2.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 oktober 2017, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina’s 1121 tot en met 1124, inhoudende als de verklaring van verdachte:

V: De politie is afgelopen donderdag in het pand aan de [adres 2] in Enschede geweest. Er zijn daar goederen gevonden die wijzen op het produceren van harddrugs.

A: Dan bedoelen jullie waarschijnlijk die machine die daar stond. Dat is een XTC-machine. Een man in Amsterdam bood mij de machine aan. Ik heb besloten de machine te kopen en wilde kijken wat ik ermee kon doen. Ik heb de machine in de achterste kamer op de begane grond van de [adres 2] gezet. Ik heb de machine inclusief alle toebehoren gekocht. Er zaten een stofzuiger bij, bouten, een moersleutel, strijkzakken, een grote weegschaal, een soort van mixer, een grote emmer, kleine emmertjes met een kleursubstantie, een paar losse doorzichtige bakken.

3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 oktober 2017, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina’s 1142 tot en met 1159, inhoudende als de verklaring van verdachte:

Opmerking: op de foto worden een vijftal rechthoekige tabletten getoond.

Ik denk dat dit XTC-tabletten zijn. Deze zaten op of in de machine die ik had aangekocht.

4.

Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] , van 14 oktober 2017, pagina 1022 tot en met 1045, inhoudende:

Op 12 oktober 2017 heb ik onderzoek verricht op de locatie [adres 2] te Enschede.
In de ruimte op de eerste etage werd op de vloer naast een bureau een digitale weegschaal aangetroffen. In de ruimte op de begane grond aan het einde van de gang zagen wij een tabletteermachine. Wij zagen verder dat in deze ruimte goederen stonden die gerelateerd waren aan de vervaardiging c.q. bewerking van synthethische drugs, namelijk het vervaardigen van tabletten. In de ruimte stonden namelijk onder andere gereedschap, stofzuiger, een bakje met stempels ten behoeve van het vervaardigen van tabletten.


Omschrijving onderzochte en (indien van toepassing) bemonsterde goederen, aangetroffen tegen de achterwand in 6 stellingen:

- een kunststof bakje inhoudende 12 onder en boven stempels met bijbehorende matrijzen, logo VIP en Franse lelie, passend in de tabletteermachine;

- diverse gebruiksgoederen gebruikt bij het tabletteren: een vegertje (vuil met geel poeder), een kwast, 2 zeven;

- een gebruikte en vervuilde dremel setje met diverse accessoires en een kleine digitale weegschaal.

Goederen aanwezig op de vloer van de ruimte:

- vijf rechthoekige tabletten (monster SIN AAFE6175NL)

- twee gebruikte blenders.

- een rode draagtas, onder andere inhoudende een aantal deksels van aangetroffen blikjes, een garde, een tube siliconen, een kwastje, een klein potje cafeïne en een vetspuit (tbv smeren tabletteermachine).

5.

Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door P.H. Walinga op 16 november 2017, inhoudende:

AAFE6175NL/T-07A: een gripzakje met daarin diverse tabletten

Hiervan werd onderzocht: twee gleuftabletten

Resultaat: bevat MDMA.

1 Vgl. Hoge Raad 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0146.